BOEK XIV  

1. De wreedheid van caesar Gallus  

1.Na alle wederwaardigheden van die schier hopeloze oorlog [tegen de usurpator Magnentius] 1  te hebben doorstaan, waren de troepen, aangeslagen door de vele vermoeienissen en gevaren, uitgeput. Maar nog waren de echo’s van de krijgstrompetten niet verklonken, nog hadden de troepen hun winterkwartieren niet betrokken, of de adem van het grimmige Lot zwol aan tot een nieuwe storm, die het rijk trof door de vele schanddaden van caesar Gallus, 2 die als nog maar nauwelijks volwassen jongeman onverwacht [door keizer Constantius] in één ruk uit de diepste diepte van miserie tot bijna de top van de heerschappij was verheven, maar weldra de grenzen van de hem toebedeelde macht te buiten ging en met zijn niets ontziende hardheid grote ellende veroorzaakte. Door zijn verwantschap met het keizerlijk huis en de band die hij had met de naam van Constantius, werd hij zo mateloos arrogant, dat hij zich, had hij gekund, misschien zelfs tegen zijn eigen weldoener zou hebben gekeerd. 2.Hij werd in zijn wreedheid nog aangemoedigd door zijn vrouw, die zich op haar verwantschap met de keizer nogal liet voorstaan (eerder was zij door haar vader Constantijn ten huwelijk gegeven aan diens neef, koning Hannibalianus). Een soort Megaera in mensengedaante was ze, niet minder bloeddorstig dan haar man, en hitste dit beest voortdurend op. Met verloop van tijd werden de twee geleidelijk steeds meer bedreven in de boosheid, en met medewerking van sluwe verklikkers, die valse informatie verzamelden die hunzelf van pas kwam en gewoonlijk met opzet nog het een en ander toevoegden aan wat ze te weten kwamen, verklaarden ze argeloze burgers schuldig aan majesteitsschennis of magische praktijken. 3.Schokkend vooral was - toen ze eenmaal de weg van de zwaardere misdaad op waren - de schandelijke moord, zomaar, op een zekere Clematius, een voornaam man uit Alexandria. Diens eigen schoonmoeder was volgens zeggen verliefd op hem geworden, maar had hem niet kunnen verleiden en zich daarom listig toegang verschaft tot het paleis, had de koningin een kostbaar halssnoer geschonken en op die manier gedaan gekregen dat aan de toenmalige comes Orientis Honoratus een schriftelijk doodvonnis over hem ter uitvoering werd toegezonden. Zo werd deze Clematius, die volstrekt onschuldig was, zonder dat hij in staat gesteld was zich te verdedigen of zelfs zijn mond maar had mogen opendoen, ter dood gebracht. 4.Na deze goddeloze daad, die menigeen begon te verontrusten, werd - alsof een vrijbrief was gegeven voor het begaan van wreedheden - een aantal burgers op grond van mistige verdenkingen schuldig geacht en veroordeeld. Sommigen werden ter dood gebracht, anderen gestraft met confiscatie van hun bezittingen, van huis en haard verdreven en verbannen, zodat ze, met niets meer dan jammer en verdriet, bedelend in leven moesten zien te blijven. Doordat fatsoenlijk en rechtvaardig bestuur plaats maakte voor niets ontziende willekeur, kwamen zo de prachtigste huizen van welgestelden leeg te staan. 5.Zelfs de aanwezigheid van een (desnoods ondergeschoven) aanklager werd in deze opeenstapeling van kwalijke zaken niet nodig geacht om tenminste nog in schijn naar de regels van de wet deze wandaden te kunnen bedrijven, zoals wrede regeerders vroeger nog wel deden, maar wat ook de caesar onverbiddelijk besloot, werd, alsof het nauwkeurig naar recht en wet was afgewogen, onmiddellijk ten uitvoer gebracht. 6.Een van hun vondsten was ook, een aantal onnozele typen, te onbetekenend om wantrouwen te wekken, te rekruteren om links en rechts in Antiochia roddels te verzamelen en te melden wat ze hadden gehoord. Rondzwervend in de stad, kwamen die onder allerlei voorwendsels in aanraking met kringen van vooraanstaande burgers, zagen kans, quasi als behoeftige ‘cliënt’ bij rijke lieden voet over de drempel te zetten, waarna ze in het geheim via een achterdeur in het paleis werden ontvangen om te melden wat ze te weten waren gekomen. Daarbij verzonnen ze als bij onderlinge afspraak ook altijd nog het een en ander, maakten het gehoorde twee keer zo erg, maar lieten eventuele loftuitingen op de caesar weg die sommigen met moeite, maar uit vrees voor dreigend onheil over de lippen hadden gekregen. 7.Soms kwam het voor, dat een huisvader binnenskamers, zelfs niet in aanwezigheid van een vertrouwde dienaar, zijn vrouw iets in het oor had gefluisterd en de caesar daar de volgende dag al van op de hoogte was - alsof Amphiaraus of Marcius, befaamde zieners uit de geschiedenis, het hem hadden onthuld. Dus begon men zelfs de muren, deelgenoten in geheimen bij uitstek, te wantrouwen. 8.Gallus’ manie om over letterlijk van alles informatie te willen vergaren nam steeds bedenkelijkere vormen aan en werd nog aangewakkerd door zijn eega, die de hoge positie van haar man fanatiek hielp ruïneren in plaats van hem met vrouwelijke zachtheid en goede raad terug te voeren op het juiste pad, naar het voorbeeld van de vrouw van de grimmige keizer Maximinus, die in de affaire van de Gordianen handelde zoals ik vroeger verhaald heb. 9.Tenslotte ging hij over tot een nog weer een nieuwe, bedreigende tactiek, toen hij dezelfde laagheid beging die, zoals men zegt, ooit Gallienus tot zijn schande in Rome praktiseerde, en met een paar heimelijk gewapende mannen ’s avonds de herbergen en andere publieke plaatsen begon af te lopen waar hij in het Grieks, dat hij goed beheerste, links en rechts vroeg wat iedereen van de caesar dacht. Dat deed hij nota bene onbekommerd in een stad waar het ’s nachts door het licht van de lampen gewoonlijk even helder was als op klaarlichte dag! Pas toen hij een aantal keren herkend was en zich realiseerde dat hij, als hij zo doorging, wel erg in opspraak zou komen, vertoonde hij zich tenslotte alleen nog overdag in het openbaar om de dingen te doen die hij van belang achtte. Met dit alles stortte hij velen in diepe ellende. 10.Nu was in die tijd Thalassius praefectus praetorio praesens. Zelf een arrogant man, was hij er getuige van hoe Gallus’ steeds grotere driestheid zoveel slachtoffers maakte. Hij probeerde die niet met wijze raad te temperen - zoals soms hoge ambtsdragers de toorn van regeerders hebben weten te matigen - maar wakkerde de woede van de caesar nog aan door hem te onpas tegen te spreken en te bekritiseren en de keizer bij herhaling, zelfs met de nodige overdrijving en - de hemel weet waarom - zonder dit te verheimelijken, over de gedragingen van Gallus te rapporteren. Die raakte daardoor nog meer buiten zichzelf en raasde, als met het vaandel van zijn drift nog hoger opgestoken, zonder pardon voor anderen en blind voor eigen gevaar voort, niet te temmen, als een woeste rivier, alles vernietigend wat in de weg kwam.  

2. Invallen van de Isauriërs

1.Toch was dit niet het enige onheil dat het oosten trof. Want de Isauriërs, die zich gewoonlijk rustig houden maar soms ineens met onverwachte strooptochten paniek veroorzaken, waren, omdat dit laatste ongestraft bleef - waardoor ze steeds brutaler werden -, van zulke sporadische, heimelijke plunderingen overgegaan op regelrechte krijgstochten. Terwijl ze met hun rusteloze dadendrang al lang in een krijgszuchtige stemming verkeerden, waren ze, zoals ze beweerden, nu woedend over het feit dat gevangen stamgenoten in een circusshow voor de wilde dieren waren gegooid. Dit ongehoorde feit had zich voorgedaan bij Iconium, een stad in Pisidië. 2.En zoals volgens Cicero ook roofdieren, door honger gedreven, vaak terugkomen waar ze eenmaal prooi hebben gevonden, 4 zo kwamen ze in horden als een valwind van de ruige, ontoegankelijke berghoogten omlaag naar de kust, waar ze zich verscholen in kuilen en spelonken, van waaruit ze bij het invallen van de duisternis, in het halflicht bij wassende maan, de zeelui observeerden. Toen ze die in diepe slaap wisten, hesen ze zich met handen en voeten langs de ankertouwen omhoog, lieten zich onhoorbaar in de boten neer, overvielen de nietsvermoedende zeelieden, en met een woestheid, aangewakkerd door hun hebzucht, doodden ze die tot de laatste man zonder ook degenen die zich niet verzetten te sparen, waarna ze ongehinderd alles wat waardevol of van nut was meenamen. 3.Maar aan die praktijken kwam gauw een eind, want toen het nieuws over de plunderingen en moorden zich eenmaal verspreid had, deden schippers die havens niet meer aan, maar voeren, als het ware de dodelijke kliffen van Sciron vermijdend, voortaan onder Cyprus door, aan de overkant van de rotsen van Isaurië. 4.Toen dus na enige tijd van overzee niets meer hun kant op kwam, verlieten de bandieten de kuststreek en trokken naar het aan Isaurië grenzende Lycaonië, waar ze met versperringen wegen blokkeerden en leefden van wat ze stalen van bewoners en reizigers. 5.Dit bracht soldaten in het geweer die in verschillende steden en forten in de omgeving in garnizoen lagen en nu zo goed en zo kwaad ze konden de over steeds grotere afstanden in benden of op zichzelf zwervende rovers probeerden terug te drijven. Maar die waren hen in getal en sterkte de baas en bovendien, geboren en getogen in steil en ruig berggebied, doorkruisten ze dat met een gemak als was het vlak land, terwijl ze hun tegenstanders van ver met hun pijlen bestookten en met huiveringwekkend krijgsgehuil schrik aanjoegen. 6.Als onze infanteristen soms bij een achtervolging steile hoogten moesten beklimmen en er inderdaad in slaagden, uitglijdend en zich vastklampend aan struiken en kreupelhout boven te komen, waren ze door de engte en onbegaanbaarheid van het terrein niet in staat hoe dan ook een slagorde te ontplooien of zich zelfs maar met moeite staande te houden en moesten dan dus wel terug naar beneden, terwijl de Isauriërs rondrennend rotsblokken lostrokken en omlaag gooiden, of gaven noodgedwongen nog dapper partij onder een regen zware stenen. 7.Daarom werden ze daarna voorzichtiger: wanneer de rovers de hoogten opzochten, lieten ze het ongunstige terrein voor wat het was; maar als ze hen in de vlakte ontdekten - wat ook vaak voorkwam - gaven ze hun nog niet de gelegenheid een arm uit te strekken, laat staan hun werpspiesen te richten, waarvan ze er altijd twee of drie bij zich hadden, maar slachtten ze af als weerloos vee. 8.Dus trokken de rovers weer weg uit het overwegend vlakke Lycaonië, waar ze uit ervaring wisten in staande gevechten niet tegen ons op te kunnen en kwamen via sluipwegen in Pamphylië, dat een lange tijd van pais en vree had gekend, maar uit vrees voor plundering en moord aan alle kanten met versterkingen beveiligd was, terwijl ook in de omringende gebieden nogal wat garnizoenen gelegerd waren. 9.Zo snel ze konden, om zodoende het alarm over hun bewegingen vóór te zijn, en vertrouwend op hun kracht en behendigheid slopen ze langs kronkelpaden de heuvels op. En toen ze na alle vermoeienissen laat op een avond bij de steile oevers van de Melas kwamen, een diepe, kolkende rivier, die met een bocht de bewoners daar omsloot en beveiligde als een muur, bleven ze de nacht door waakzaam en op hun hoede in afwachting van het daglicht. Ze dachten dan ongehinderd te kunnen oversteken en onverwachts in één run alles aan de overkant onder de voet te lopen. Maar al hun moeite was vergeefs geweest. 10.Want toen de zon opkwam, bleek de oversteek van de wel niet brede, maar diepe en snelstromende rivier een onoverkomelijk probleem, en terwijl ze naar eventuele vissersboten zochten of dachten misschien op haastig gevlochten horden te kunnen oversteken, rukten de legioenen uit die toen bij Side overwinterden en trokken in ijltempo op hen af. Ze plaatsten hun standaards op de oever, stelden zich volgens de regels van de krijgskunst op achter een dichte haag van schilden voor een lijf aan lijf gevecht en doodden zonder moeite een paar Isauriërs die erin geslaagd waren, zwemmend of in holle boomstammen ongezien de rivier over te komen. 11.De Isauriërs probeerden nog, zonder resultaat, onze soldaten tactisch te overtroeven, maar bezweken voor de overmacht, raakten in paniek en, niet goed wetend waarheen te gaan, weken uit naar de omgeving van de stad Laranda. 12.Daar kwamen ze met voedsel en rust op verhaal, vatten weer moed en vielen enkele welvarende dorpen aan tot een paar toevallig passerende cohorten cavalerie deze te hulp schoten en ze zich terugtrokken zonder zich op de wijde vlakte aan tegenstand te wagen. Tegelijk lieten ze alle jongere mannen die ze thuis hadden gelaten, overkomen. 13.Omdat ze nu met een ernstig tekort aan voedsel te kampen kregen, richtten ze zich vervolgens op een zwaar ommuurde plaats, Paleae genaamd, niet ver van zee, waar tot op de dag van vandaag nog steeds voorraden worden aangelegd ter proviandering van de troepen belast met de verdediging van de grens met Isaurië. Drie dagen en drie nachten belegerden ze deze vesting, maar aangezien ze een steile helling niet op konden zonder levensgevaar, ook met ondergravingen niets bereikten en met geen enkele andere belegeringstactiek succes hadden, trokken ze zich teleurgesteld terug, door overmacht genoodzaakt tot een onderneming die zelfs nog meer boven hun macht lag. 14.Want van honger en wanhoop steeds driester wordend, richtten ze nu in grotere aantallen hun mateloze verwoestingsdrift op de metropool Seleucia, die verdedigd werd door drie in oorlogen geharde legioenen onder bevel van de comes Castricius. 15.Door betrouwbare verkenners tijdig van hun komst op de hoogte gebracht, leidden de commandanten heel hun gewapende troepenmacht met de gebruikelijke instructies snel de stad uit en de brug over de Calycadnus over, een machtige rivier die onder langs de muurtorens loopt, en stelden ze in slagorde op. Maar geen man mocht uit het gelid of kreeg verlof tot een tweegevecht, zo beducht was men voor de overmacht van die waanzinnig woedende horden, bereid zich zonder bedenken in onze zwaarden te storten. 16.Toen die in de verte onze troepen ontwaarden en de trompetten hoorden, hielden ze zich een moment in, maar trokken dan dreigend hun zwaarden en kwamen langzaam naderbij. 17.De onzen stonden vastberaden klaar om ze warm te ontvangen, rekten hun linies naar links en rechts, sloegen met hun speren op hun schilden - hun manier om de eigen strijdlust aan te wakkeren en de vijand te imponeren - en joegen daarmee inderdaad de voorste vechtersbazen schrik aan. Maar terwijl ze zich al schrap zetten voor de aanval, werden ze teruggehouden door hun commandanten, die het niet verantwoord achtten een strijd te riskeren waarvan de uitkomst onzeker was, zo vlakbij de stadsmuren bovendien, waarachter ze veilig konden zijn. 18.Dus werden de troepen teruggecommandeerd de stad in, waarna alle toegangspoorten werden vergrendeld en de mannen zich op de muren achter de borstweringen verschansten met stenen die van alle kanten waren aangesleept en hun pijlen bij de hand, zodat wie zich onder de muren mocht wagen, onder een lawine van projectielen en stenen bedolven zou worden. 19.Toch raakten de belegerden nog in grote moeilijkheden toen de Isauriërs kans zagen enkele schepen te kapen die over de rivier graan vervoerden en dus meer dan genoeg te eten hadden, terwijl zij zelf hun normale rantsoenen hadden verbruikt en dreigden te verhongeren. 20.Toen dit allerwegen bekend werd, prikkelden de aanhoudende berichten daarover caesar Gallus tot actie. Omdat de magister equitum zich toevallig te ver weg bevond, gaf hij de comes Orientis Nebridius opdracht troepen te verzamelen om de belangrijke, want strategisch gelegen stad te ontzetten, wat deze met grote voortvarendheid deed. Toen hielden de bandieten het voor gezien. Zonder verder nog iets vermeldenswaardigs te ondernemen trokken ze weg en zochten in kleine groepjes, zoals ze gewoon waren te doen, de woeste berghoogten weer op.  

3. Een opzet van de Perzen mislukt

  1.Zo liep dit af in Isaurië. Intussen was de koning der Perzen 5 weer eens in oorlog met zijn buren en doende enkele buitengewoon wilde stammen van zijn grenzen te verdrijven, die overigens, weinig consequent, even vrolijk de ene keer vijandelijk opereerden in zijn gebied en hem een andere keer hielpen in zijn campagnes tegen ons. Een van zijn edelen, Nohodarus genaamd, die de opdracht had waar mogelijk in Mesopotamië te penetreren, verkende uitgebreid de situatie aan onze grenzen met de bedoeling, zo zich een kans voordeed, een verrassingsaanval uit te voeren. 2.Maar omdat heel Mesopotamië vanwege alle dreigingen zowel aan de grenzen met wachtposten als binnenslands met garnizoenen beveiligd was, zocht hij het meer naar het westen en bezette het meest veraf gelegen gebied van Osrhoëne om een nieuw en zelden eerder geprobeerd plan uit te voeren, waardoor hij, was het gelukt, in een bliksemsnelle coup het hele gebied had kunnen verwoesten. Dit was wat hij bedacht had.3.Batnae is een stad in Anthemusië, ooit gesticht door een groep Macedoniërs, niet ver van de Euphraat gelegen, waar zich veel rijke kooplieden hebben gevestigd. Tijdens een jaarlijks festival tegen het begin van de maand september komt daar een massa volk van allerlei slag bij elkaar voor een markt om er waren te verhandelen afkomstig van de Indiërs en de Seriërs [Chinezen?] en verder van alles wat over land en zee wordt aangevoerd. 4.Die plaats was de Perzische edele van plan tijdens de feestdagen te overvallen via woest gebied en de oeverbegroeiing van de rivier de Abora. Maar hij werd verraden door een paar van zijn eigen mannen, die uit vrees voor straf in verband met een misdrijf dat ze hadden gepleegd, naar het Romeinse garnizoen waren overgelopen, waarna hij zich zonder iets bereikt te hebben terugtrok en, gefrustreerd, verder niets meer ondernam.  

4. Invallen van de Saracenen. Hun gewoonten

  1.De Saracenen, die wij ons nooit van ons leven als vrienden of als vijanden moeten wensen, plunderden [in die tijd] al zwervend alles wat ze maar tegenkwamen, als roofvogels die, zodra ze uit de lucht een prooi ontwaren, daarop neerduiken, er hun klauwen in slaan en onmiddellijk verslinden. 2.En hoewel ik mij herinner vroeger over hun gewoonten al in de geschiedenis van keizer Marcus [Aurelius], en daarna nog enkele keren, verteld te hebben, wil ik ook op deze plaats in het kort nog een paar dingen over hen zeggen. 3.Bij deze volken, die een gebied bewonen dat zich oorspronkelijk uitstrekte van Assyrië tot aan de cataracten van de Nijl en de grenzen van Blemmye, zijn alle mannen zonder uitzondering krijgers, die halfnaakt, slechts gekleed in een donkere korte mantel tot op de lendenen, rondzwerven op snelle paarden en slanke kamelen. Dit zowel in vreedzame als in roerige tijden. Nooit zal bij hen iemand een ploeg aanraken, een boom cultiveren of met het bewerken van akkers in zijn levensonderhoud voorzien. Voortdurend zijn ze over enorme afstanden in beweging, zonder huis, zonder vast verblijf of vaste wetten. Nooit verdragen ze een langere tijd dezelfde hemel boven hun hoofd. Nooit zijn ze tevreden met de zon boven hetzelfde land. 4.Altijd onderweg, dat is hun leven. Hun vrouwen huren ze bij afspraak voor een bepaalde tijd, waarbij de vrouw in spe (om het toch op een huwelijk te laten lijken) bij wijze van bruidsschat aan de man een speer en een tent offreert, om hem na de vastgestelde tijd, als zij dat wil, weer te verlaten - en het is ongelooflijk met wat een felheid bij hen beide partijen zich overgeven aan seks. 5.En zo ver dwalen ze rond tijdens hun leven, dat een vrouw zich hier met een man verbindt, elders kinderen baart en die weer heel ergens anders grootbrengt, zonder dat ze ergens tot rust kan komen. 6.Ze leven op vlees van de jacht - dat is, met veel melk, hun hoofdvoedsel - op allerlei planten en eventueel gevogelte als ze dat kunnen vangen. En ik heb er velen gezien die volkomen onbekend waren met graan en wijn.7.Tot zover over dit gevaarlijke volk. Laat ik nu terugkeren naar mijn eigenlijke onderwerp.

5. Volgelingen van Magnentius gefolterd

  1.Terwijl wat ik eerder vertelde in het oosten plaatsvond, bracht Constantius de winter door in Arelate [Arles], waar hij kostbare theater- en circusspelen liet organiseren, tot plotseling op de tiende oktober, de dertigste verjaardag van zijn regering, 6 het tirannieke in hem boven kwam en hij, alsof elke twijfelachtige of valse beschuldiging als een bewezen feit gold, onder anderen Gerontius, een comes van de partij van Magnentius, na gruwelijke folteringen met een smadelijke verbanning strafte. 2.En zoals een ziek lijf zelfs lichte ongemakken niet verdraagt, zo zag zijn benauwde en ziekelijke geest elk gerucht als een aanwijzing voor iets wat hem bedreigde, en bezoedelde hij zijn overwinning [op Magnentius] met de moord op onschuldigen. 3.Want als iemand van zijn officieren of honorati of andere hooggeplaatsten onder zijn vertrouwelingen er ook maar bij geruchte van verdacht werd de tegenpartij te hebben gesteund, werd hij met een vracht kettingen behangen als een wild beest afgevoerd. En het maakte niet uit of een persoonlijke vijand of eigenlijk niemand iets feitelijks tegen hem wist in te brengen; het was, leek het wel, genoeg dat iemand werd genoemd, aangebracht of beschuldigd, en een veroordeling volgde prompt tot doodstraf, confiscatie van bezit of verbanning naar een eenzaam eiland. 4.Zijn wreedheid in gevallen van veronderstelde ondermijning van zijn heerschappij, zijn woede en zijn lichtgelovigheid op het punt van verdachtmakingen werden nog gevoed door het weerzinwekkende gevlei van zijn hovelingen, die allerlei kwesties buiten proportie opbliezen en deden alsof het hun hevig verdroot dat het leven van hun keizer gevaar zou kunnen lopen, aan wiens veiligheid, als aan een draad, het welzijn van de hele wereld hing, zoals ze huichelachtig kakelden. 5.Men zegt zelfs, dat hij had bevolen dat niemand die eenmaal voor deze of dergelijke zaken gestraft was en waarover hij [de keizer] op de gebruikelijke manier formeel was ingelicht, voor een nieuw proces in aanmerking mocht komen - iets wat zelfs de meest hardvochtige keizers gewoonlijk hadden toegelaten. En deze kwaadaardige abnormaliteit, die bij anderen soms slijt met de jaren, verergerde bij hem juist, aangezien een hele kliek intriganten zijn idee-fixe versterkten. 6.Een van de ergsten daarvan was de notarius Paulus, een man, geboortig uit Spanje, met het karakter van een slang - wat hij wist te verbergen achter een vriendelijk uiterlijk - die een neus had als geen ander voor de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden om anderen in het verderf te storten. Naar Britannië gezonden om enkele officieren op te halen die het gewaagd hadden partij te kiezen voor Magnentius, ging hij, omdat iedereen tegenover hem machteloos was, met de grootste willekeur zijn opdracht te buiten, viel plotseling als een lawine over het leven en het lot van velen heen, dood en verderf zaaiend, kerkerde vrijgeborenen, vernederde sommigen met handboeien - en dit alles op grond van in elkaar geflanste, volstrekt loze beschuldigingen. Daarbij maakte hij zich onder andere schuldig aan de volgende goddeloze misdaad, die de tijd van Constantius voor altijd schandmerkte. 7.Martinus, die deze provincies als plaatsvervangend prefect bestuurde en de miserie van onschuldigen met lede ogen aanzag, drong er herhaaldelijk bij Paulus op aan, degenen wie niets te verwijten viel te ontzien, en dreigde, toen hij geen gehoor vond, zijn functie neer te leggen, in de hoop dat die bloedhond tenminste daardoor afgeschrikt zou ophouden vreedzame lieden te terroriseren. 8.Paulus zag dit echter als een inmenging in zijn lievelingsbezigheid en, doortrapte meester in het vermenigvuldigen van arrestaties die hij was (vandaar zijn bijnaam ‘de Keten’), betrok de man die het bleef opnemen voor zijn onderdanen toen ook zelf in de algemene malheur en dreigde hem mèt de tribunen en de anderen in boeien naar het keizerlijk hof te zullen brengen. Daarover ontstak Martinus in woede en wilde, nu het toch plotseling met hem gedaan leek, Paulus met zijn zwaard te lijf. Maar, niet sterk genoeg om hem een doodsteek toe te brengen, dreef hij het blanke staal in zijn eigen zij. Zo stierf een man een erbarmelijke dood, die een rechtvaardig bestuurder was geweest en de moed had gehad het lot van tallozen te verlichten. 9.Verzadigd van wreedheid keerde Paulus bloedbevlekt terug naar het keizerlijke kamp met een groot aantal gevangenen, die, bevuild en in een deerniswekkende toestand, bijna bezweken onder hun ketenen. Bij hun komst werden de martelbokken al opgesteld en legde de beul zijn scherpe haken en andere foltergereedschappen al klaar. En van die ongelukkigen werden velen van hun bezittingen beroofd, anderen verbannen en sommigen gedood met het zwaard. Want men zou zich met moeite iemand kunnen herinneren die onder Constantius vrijuit ging als ook maar bij gerucht iets tegen hem was ingebracht.  

6. Verdorvenheid van de senaat en het volk van Rome 

 

1.In die tijd lag het bestuur van de Eeuwige Stad in handen van de prefect Orfitus, die zich deed gelden met een arrogantie die bepaald niet met zijn bevoegdheden strookte. Hij was weliswaar bekwaam, met grote ervaring op rechtskundig gebied, maar minder onderlegd in kunsten en wetenschappen dan een man van stand zou betamen. In zijn ambtsperiode ontstonden ernstige ongeregeldheden wegens een tekort aan wijn, waaraan het volk immers onmatig verslingerd is en waarom het vaak tot oproer komt. 2.Maar omdat ik denk dat sommige vreemdelingen die dit boek - wie weet - misschien zullen lezen, zich zullen afvragen waarom ik het, zo vaak als ik in mijn verhaal afdwaal naar gebeurtenissen in Rome, alleen maar heb over rellen, kroegen en meer zulke vulgariteiten, zal ik in het kort de redenen daarvoor uiteenzetten, want in geen enkel opzicht zal ik bewust en opzettelijk van de waarheid afwijken. 3.Ooit, toen Rome nog maar pas aan haar glorieuze opkomst begon, om te blijven bestaan zo lang als de mensheid, sloten Virtus en Fortuna (gewoonlijk met elkaar in strijd) een eeuwig vredesverdrag om haar die grote toekomst te bezorgen - want als een van hen beiden het lot van de stad onverschillig was geweest, had ze nooit die absolute hoogte bereikt. 4.Haar volk had van de wieg tot het eind van zijn kindsheid - een periode van zo’n driehonderd jaar - strijd te voeren om haar muren; toen het vervolgens de puberjaren inging, trok het na vele moeizame oorlogen de Alpen en de zee over; als volwassen jonge man bracht het lauweren en triomfen thuis uit alle streken die de immense wereld telt; en op gevorderde leeftijd en superieur soms louter vanwege zijn naam, is het nu tenslotte in kalmer vaarwater gekomen.7 5.Zo heeft deze eerbiedwaardige stad de trotse nekken van wilde volken doen buigen, wetten gemaakt - voor altijd de hechte fundamenten van de vrijheid - en als een degelijke, wijze en vermogende ouder aan de caesars als aan haar zonen het beheer van haar erfgoed toevertrouwd. 6.Nu heerst sinds lang rust in de tribus en vrede in de centuriae8 wordt niet meer om de gunst van de kiezers gestreden, maar zijn de onbekommerde dagen van Numa Pompilius teruggekeerd. En intussen wordt deze stad in alle streken der aarde als meesteres en koningin erkend, wordt de eerbiedwaardige grijsheid en het gezag van de senatoren en de naam van het Romeinse volk gerespecteerd en met ontzag genoemd. 7.Helaas echter wordt aan de glans en de glorie van onze hoge colleges afbreuk gedaan door onbeschaafd gedrag van sommigen, die vergeten zijn waar ze zijn geboren, en, alsof ze hun verdorvenheid ongeremd mogen botvieren, vervallen zijn tot zedeloosheid en losbandigheid. (Maar leert niet de lyrische dichter Simonides, dat wie in alle opzichten verantwoord en gelukkig wil leven, vóór alles een roemrijk vaderland moet bezitten?). 8.Sommige van deze lieden menen zich door hun standbeelden aan de eeuwigheid te kunnen aanbevelen en hebben daar alles voor over - alsof iemand meer voldoening kan hebben van domme bronzen afbeeldingen dan van het gevoel, eerlijk en goed te hebben geleefd. Zelfs laten ze hun beelden nog vergulden ook - een praktijk die begonnen heet te zijn door Acilius Glabrio, nadat hij door een tactische krijgsvoering koning Antiochus [III] had verslagen9. Maar hoeveel mooier is het niet, geen waarde te hechten aan dergelijke onbetekenende dingen en de lange moeizame weg omhoog te kiezen naar echte eer, zoals de dichter uit Ascra [Hesiodos] het beschrijft en ook Cato de Censor heeft geleerd. Gevraagd, waarom deze of gene wel en hij alleen géén standbeeld had, antwoordde deze namelijk: ‘Ik heb liever dat brave lieden zich afvragen waarom ik er niet een verdiend zou hebben, dan (wat erger is) in zichzelf mompelen, waarom eigenlijk wèl’. 9.Anderen menen eer in te leggen met koetsen van een meer dan gewone hoogte en gepronk met dure kleren. Die zweten onder het gewicht van hun mantels, die ze tot stikkens toe om hun keel sluiten, terwijl de wind dwars door de veel te fijne stof waait. Ze wuiven almaar met de panden, die ze met beide handen ophouden, vooral met de linker, zodat de lange franjes en de tunieken met de veelkleurig geborduurde afbeeldingen van allerlei dieren goed opvallen. 10.Weer anderen pochen ongevraagd met quasi-gewichtige gezichten op hun enorme bezittingen, liegen de helft van de jaarlijkse opbrengst van hun zogenaamd zo goed bewerkte landerijen, die zich - als men ze hoort - wel zouden moeten uitstrekken van de ene einder tot de andere. Ze beseffen zeker niet dat hun voorvaderen, die het Romeinse rijk zijn grootse omvang hebben gegeven, zich niet door rijkdom hebben onderscheiden maar door harde strijd, en zo, noch door bezit, noch door levenswijze of kleding verschillend van het gewone soldatenvolk, alle moeilijkheden hebben overwonnen. 11.Zo kon het gebeuren dat de begrafenis van een man als Valerius Publicola bekostigd werd uit een collecte; dat de vrouw van Regulus met haar kinderen in behoeftige omstandigheden onderhouden werd door vrienden van haar man, en dat de staat de bruidsschat van de dochter van Scipio voor zijn rekening nam toen het de edelen verdroot, dat het meisje, al zo lang huwbaar, ongevraagd bleef wegens de afwezigheid van haar toch al onbemiddelde vader. 12.Wel, wanneer nu iemand als niet de eerste de beste nieuwkomer voor de eerste keer zijn opwachting maakt bij een rijk heerschap - zo’n opgeblazen kikker - wordt hij ontvangen alsof met smart op hem gewacht werd, en over alles  uitgevraagd, zodat hij soms maar wat moet liegen, terwijl hij zich afvraagt hoe zo’n groot heer, die zijn bescheiden persoon nooit eerder heeft gezien, daarvoor  belangstelling kan hebben - met spijt om die bijzondere belangstelling niet tien jaar eerder naar Rome te zijn gekomen.10 13.Maar dan doet hij, aangemoedigd door zoveel vriendelijkheid, de volgende dag net zo en laat men hem staan als een onbekende die er niet thuis hoort, terwijl de man die hem de vorige dag bezwoer terug te komen, zijn cliënten telt, maar bij hem aarzelt en zich afvraagt wie en vanwaar hij wel mag zijn. Tenslotte wordt hij geaccepteerd en tot de cliëntenkring toegelaten, maakt drie jaar lang elke ochtend nauwgezet zijn beleefdheidsvisite, maar als hij dan eens drie dagen wegblijft om daarna de gewone routine voort te zetten, wordt niet eens gevraagd waar hij geweest was, en tenzij hij het teleurgesteld opgeeft, blijft hij zijn hele leven nutteloos in ’s mans entourage verlummelen. 14.Ook, wanneer op gezette tijden van die eindeloze feestmalen worden voorbereid die nog ongezond zijn ook, of de uitdeling van gebruikelijke relatiegeschenken aan de orde komt, wordt er een punt van gemaakt of men daarbij ook de een of andere vreemdeling zou moeten vragen (afgezien van degenen die men [in verband met een eerdere uitnodiging] terug moet nodigen), en als dan daartoe na uitvoerig beraad wordt besloten, haalt men iemand binnen die voor het huis van wagenmenners pleegt rond te hangen, of een beroepsdobbelaar of iemand die beweert bedreven te zijn in magische kunsten. 15.Want beschaafd en serieus volk wordt gemeden als de pest, waarbij nog komt, dat ceremoniemeesters, onverbeterlijke schnabbelaars, de gewoonte hebben om tegen steekpenningen onbekend en obscuur volk op de lijst te zetten voor de bedelingen en de etentjes. 16.Om niet te ver af te dwalen zal ik zwijgen over zwelgerijen aan tafel en andere genietingen, maar noem nog wel het verschijnsel, dat lieden te paard door de brede straten van de stad roekeloos over ongelijk plaveisel jakkeren en hun paarden daarbij voortjagen tot de vonken bij wijze van spreken van de hoeven spatten alsof ze van de Post waren, met hele horden slaven achter zich aan als benden bandieten, en zelfs sullige Sannio niet thuislaten (in de woorden van de komediedichter 11. Zelfs doen sommige matrones het ze na en racen gesluierd in draagstoelen door alle wijken van de stad. 17.En zoals ervaren legeraanvoerders hun keurtroepen dicht opeen in de voorhoede opstellen, daarachter de lichtgewapende, dan de speerwerpers en tenslotte - voor het geval ze te hulp moeten komen - de reservetroepen, zo organiseren de huismeiers van deftige families, herkenbaar aan de roeden die ze dragen, pijnlijk nauwkeurig hun stoeten [dienaren, voor een reis], en als het commando tot vertrek gegeven wordt, zet zich dan vooraan, naast de familiewagen, de hele groep wevers in beweging, gevolgd door de beroete keukenbrigade en vervolgens heel de rest van de slaven zonder onderscheid, met een zwerm leeglopers uit de buurt er omheen. Aan het eind van de stoet komt dan nog een massa eunuchen, van oude mannen tot jonge jongens, vaalbleek en zo weerzinwekkend in hun mismaaktheid, dat wie ergens zulke troepen verminkte mannen tegenkomt, de herinnering aan de oude koningin Samiramis vervloekt, die de eerste was die jongens liet castreren. Ze deed daarmee, door haar geëigende loop te belemmeren, als het ware de Natuur zelf geweld aan, die al bij het ontstaan van nieuw leven volgens voor ons onbegrijpelijke regels de bronnen aanlegt van het zaad waarmee ze de mogelijkheid schept tot verwekking van nageslacht. 18.Zo is dat allemaal. En daarom wordt in de weinige families die eertijds respect afdwongen om hun interesse in serieuze wetenschappen, nu de tijd verveeld verdaan met beuzelarijen en klinkt uit hun huizen gezang en muziek van fluiten en lieren. In plaats van een wijsgeer halen ze liever een zanger in huis en een joker die ze kunstjes kan leren dan een leraar in de welsprekendheid. En terwijl de bibliotheken definitief dicht blijven als grafkelders, laten ze zich waterorgels bouwen en reuzenciters die niet op een wagen kunnen en fluiten en weet ik wat voor instrumenten, voor acteurs te zwaar om te hanteren. 19.Tenslotte zijn we zo diep gezonken, dat toen nog niet lang geleden vanwege een dreigend voedseltekort van de ene dag op de andere alle vreemdelingen Rome werden uitgezet 12 mèt de serieuze kunstenaars en wetenschappers - en dat waren er zo veel niet! - die nog geen tijd kregen om adem te halen, mochten wel de begeleiders van de mimespeelsters of die zich er vanwege de omstandigheden voor uitgaven, hier blijven, net als maar liefst drieduizend dansmeisjes met hun koren en evenzoveel dansmeesters. 20.En waar je ook kijkt, overal kun je vrouwen zien - vrouwen die wat hun leeftijd betreft getrouwd en moeders van intussen drie kinderen konden zijn - die met opgetuigde haartooi met hun voeten tot uitputting toe mozaïekvloeren gladden, terwijl ze draaiend en kerend al die figuren nadansen die in de theaters verzonnen worden. 21.Iedereen weet ook, dat toen Rome ooit het thuis was van alle normen en waarden, de meeste patriciërs er vrijgeboren vreemdelingen aan zich bonden met allerlei gunsten en eerbewijzen, zoals de Lotuseters dat bij Homerus deden met zoete vruchten, (22.) terwijl nu bepaalde personen in hun ijdele opgeblazenheid op alles neerkijken wat buiten de stadsmuren is geboren, kinderlozen en vrijgezellen uitgezonderd - want het is niet te geloven, hoe kruiperig in Rome kinderlozen het hof wordt gemaakt! 13 23.Aangezien begrijpelijkerwijs hier, in de hoofdstad van de wereld, ziekten zulke afschuwelijke vormen kunnen aannemen dat de hele medische professie niet bij machte is ze te verzachten, heeft men ter zelfbescherming bedacht, dat niemand een vriend die daaraan lijdt moet bezoeken, waarbij sommigen die extra voorzichtig willen zijn, bovendien nog een andere doeltreffende voorzorgsmaatregel nemen, namelijk, dat ze dienaren die in hun opdracht zijn gaan navragen hoe bekenden het maken die door zo'n ziekte zijn getroffen, pas weer in hun woning toelaten als ze zich met een bad hebben gereinigd. Zo bang zijn ze voor besmetting met een ziekte die zelfs alleen maar door de ogen van een ander is gezien. 24.Maar terwijl aan de ene kant zulke maatregelen zo zorgvuldig in acht worden genomen, weten aan de andere kant sommigen, zo kreupel en krakkemikkig als ze zijn, niet hoe snel ze, laten we zeggen, in Spoletium moeten raken als ze daar voor een bruiloft zijn uitgenodigd waar ze goudstukken in de holte van hun hand gedrukt krijgen. Zó zijn de manieren van de patriciërs! 25.Maar sommigen van het laagste en armste soort brengen nachten door in wijnhuizen of hokken onder de zonneschermen van de theaters (een buitensporigheid, trouwens, door Catulus in zijn tijd als aedile van de Campaniërs afgekeken en hier door hem als eerste geïntroduceerd) terwijl ze met elkaar twisten onder het dobbelen en daarbij met vieze geluiden hun ingehouden adem door hun neus uitsnuiven; of, wat ze nog liever doen, staan van de ochtend tot de avond, de zon of de regen trotserend, tot in alle bijzonderheden de voors en tegens van wagenmenners en hun paarden te bestuderen. 26.En het is hoogst curieus om te zien hoe grote massa's volk met grote spanning op de uitslag van wagenraces wachten. Dit soort dingen verhindert dus dat er in Rome nog iets gebeurt wat de moeite waard is. Maar laat ik terugkeren tot mijn onderwerp.      

7. De onmenselijke wreedheden van caesar Gallus

  1.De ongebreidelde willekeur van de caesar maakte hem bij alle fatsoenlijke burgers gehaat. [Na wat ik eerder al beschreven heb], ging hij werkelijk alle perken te buiten, brutaliseerde heel het oosten van het rijk en spaarde ex-magistraat noch stadsbestuurder noch mindere man. 2.Het kwam zover, dat hij met één pennenstreek bevel gaf de leiders van de senaat van Antiochia te executeren uit woede over het feit dat ze zo onverstandig waren geweest hem krachtig tegen te spreken toen hij in verband met een dreigende schaarste aandrong op een te snelle verlaging van de prijzen. Ze zouden tot de laatste man zijn gedood als de comes Orientis Honoratus zich daar niet met alle macht tegen had verzet. 3.En ook dit was een onmiskenbaar blijk van zijn wreedheid, dat hij verslingerd was aan bloedige circusspelen en soms, genietend van zo’n zes of zeven wedstrijden waarin vuistvechters elkaar bloedig afmaakten, daarbij juichte alsof hij zelf een heldendaad had verricht. 4.Zijn misdadige neigingen werden ook nog eens aangewakkerd door een of ander minderwaardig wijf, dat op haar verzoek in het paleis was ontvangen en een complot had verraden dat soldaten van het allerminste soort in het geheim tegen hem smeedden. Opgelucht, alsof nu niets haar man nog kon deren, gaf Constantia het mens een beloning en liet haar via de paleispoort per rijtuig uit, om met zulke premies ook anderen aan te moedigen dergelijke of nog kwalijkere zaken aan te geven. 5.Toen Gallus wat later op het punt stond naar Hierapolis te vertrekken - mogelijk in verband met een of andere expeditie - en het volk van Antiochia hem smeekte de dreiging van een hongersnood te bezweren die men door verschillende oorzaken op korte termijn zag aankomen, nam hij - niet zoals heersers normalerwijs doen, die hun macht vaak aanwenden om plaatselijke moeilijkheden op te lossen - geen maatregelen (beval bijvoorbeeld niet, uit aangrenzende provincies voedsel aan te voeren), maar wees de dodelijk ongeruste menigte op Theophilus, de consularis van Syrië, die daar bij de hand was, telkens herhalend dat als het van die gouverneur afhing, niemand voedselgebrek zou lijden. 6.Die woorden maakten het gepeupel des te brutaler; en toen het tekort aan levensmiddelen steeds nijpender werd, stak het, door honger gedreven, uit woede het schitterende huis van een zekere Eubulus in brand, een man die in hoog aanzien stond onder zijns gelijken. En de gouverneur, zo goed als bij keizerlijk decreet tot slachtoffer bestempeld, werd geschopt en geslagen en, al halfdood, op een gruwelijke manier aan stukken gescheurd. In zijn ellendig einde zag toen ieder het spookbeeld van zijn eigen mogelijke lot, voor zichzelf ook zoiets vrezend als zojuist gebeurd was. 7.In die tijd ook werd de ex-generaal Serenianus, door wiens onbekwaamheid, zoals ik vroeger eens verteld heb, de stad Celse in Phoenicië werd geplunderd, terecht en volgens de wet in staat van beschuldiging gesteld wegens majesteitsschennis. Op grond van welke begunstiging hij daarvan werd vrijgesproken weet ik niet, want het was een bewezen feit dat hij de hoed die hij gewoonlijk droeg, met verboden magische kunsten had bewerkt en aan een vertrouwde vriend had meegegeven naar een orakelplaats om te zien of hem met zekerheid de keizerlijke macht kon worden voorspeld waarnaar hij streefde. 8.Zo gingen in die dagen twee dingen ontzettend mis, namelijk dat de onschuldige Theophilus gruwelijk aan zijn einde kwam en de vervloekte Serenianus zomaar vrijkwam, zonder enig openlijk protest. 9.Constantius, die van tijd tot tijd van die gebeurtenissen hoorde en daarvan ook wist via Thalassius (zoals hij intussen had vernomen, was deze een natuurlijke dood gestorven), schreef de caesar vleiende brieven, maar onttrok hem geleidelijk alle bescherming, zogenaamd uit bezorgdheid: werkeloze troepen konden immers gemakkelijk oproerig worden en een fatale samenzwering tegen hem opzetten, zodat hij beter maar genoegen kon nemen met de bataljons van de paleiswacht en zijn lijfwacht en die van de Scutarii en de Gentiles. Na hem ook meermalen te hebben ontboden, verzocht hij de pas benoemde prefect Domitianus, een ex-comes largitionum, om, wanneer hij [in zijn standplaats] in Syrië zou zijn aangekomen Gallus op een vriendelijke en respectvolle manier aan te sporen zich nu toch eenmaal naar Italië te begeven. 10.Vanwege deze opdracht reisde die in alle haast naar Antiochia, maar daar aangekomen reed hij uit minachting voor de caesar, die hij had zullen ontmoeten, de paleispoort voorbij en begaf zich, omringd door een ere-escorte, regelrecht naar het praetorium. Onder het excuus zich niet wel te voelen bleef hij lange tijd weg van het paleis en verscheen hij niet in het openbaar, onderwijl bij zichzelf bedenkend hoe hij de caesar klein kon krijgen en rapporten die hij van tijd tot tijd aan de keizer zond, opsmukkend met veel extra details. 11.Tenslotte gaf hij gehoor aan een uitnodiging, maar door de caesar ontvangen in aanwezigheid van hoge functionarissen zei hij, zoals hem was opgedragen, zonder omhaal, botweg: ‘U moet vertrekken, caesar, en houdt u het voor gezegd dat als u verder uitstelt, ik uw verzorging en de verzorging van uw paleis onmiddellijk zal stopzetten’. Dit op hooghartige toon. Meer zei hij niet en vertrok weer, driftig, en hoewel hij nog dikwijls werd uitgenodigd, kwam hij de caesar niet meer onder de ogen. 12.Gallus, die deze behandeling ongepast en beledigend vond, wond zich daar hevig over op en beval betrouwbare lijfwachten de prefect gevangen te zetten. Dit kwam de toenmalige quaestor Montius ter ore, een heftig maar over het algemeen gematigd man, wie het algemeen belang ter harte ging. Hij riep de officieren van de garde bij zich, met wie hij een kalm gesprek had. Zo’n actie, zei hij, was onbetamelijk en zinloos. En mochten ze die goedkeuren en denken dat ze zonder risico de prefect van het leven konden beroven, moesten ze wel eerst de standbeelden van Constantius van hun sokkels stoten. 13.Als een slang die met stokken of stenen wordt aangevallen greep Gallus nu naar een uiterste redmiddel, alles op alles zettend om uit de problemen te komen: hij riep al zijn soldaten gewapend op appel en toen hij ze, verwonderd, vóór zich had staan, riep hij: ‘Staat mij bij, mannen, want met u ben ik in levensgevaar! 14.In een onbegrijpelijke en ongehoorde vlaag van arrogantie bazuint Montius de beschuldiging rond dat wij rebellen zouden zijn, dat wij ons tegen zijne keizerlijke majesteit zouden keren, waarschijnlijk uit nijd over het feit dat ik een brutale prefect, die niet schijnt te weten hoe hij zich te gedragen heeft, onder bewaking zou willen laten stellen alleen om hem wat schrik aan te jagen!’ 15.Als altijd belust op rel stortten de soldaten zich meteen eerst op Montius, die daar vlakbij woonde - een zwakke, oude man, die nog ziek was ook - bonden ruwe touwen aan zijn enkels en sleepten hem met gespreide benen linea recta naar het praetorium. 16.In één ruk door smeten ze daar Domitianus van de trappen en bonden hem ook zo met touwen; toen sleepten ze de twee, aan elkaar vastgebonden, in volle vaart door de brede straten van de stad tot ze, armen en benen ontwricht, de geest gaven; toen dansten ze nog op de dode lichamen, verminkten ze gruwelijk en gooiden ze, uitgeraasd, tenslotte in de rivier. 17.Alsof ze al niet te houden waren van razernij, werden ze bij de gruwelijkheden die ze uithaalden nog aangevuurd door een zekere Luscus, de curator van de stad. Plotseling dook hij op en brulde als een opzichter van sjouwersvolk dat ze moesten afmaken wat ze begonnen waren. Daarvoor werd hij niet lang daarna levend verbrand. 18.Aangezien Montius echter, verscheurd en al halfdood onder de handen van zijn beulen, verschillende malen de namen had gejammerd van Epigonus en Eusebius, maar zonder hun functie of rang te noemen, werd nu fanatiek gezocht naar lieden van die naam. En om een snel succes te boeken werden de filosoof Epigonus uit Cilicië en Eusebius, bijgenaamd Pittacas, een felle redenaar uit Emissa [Homs] opgebracht, ofschoon de quaestor niet deze twee maar een paar voormannen van wapenfabrieken moet hebben bedoeld, die beloofd hadden wapens ter beschikking te zullen stellen als het tot een revolte zou komen. 19.In die dagen bevond zich Apollinaris, een schoonzoon van Domitianus, die tot voor kort nog caesars majordomus was geweest, in opdracht van zijn schoonvader in Mesopotamië, waar hij zonder de voorzichtigheid in acht te nemen bij troepeneenheden informeerde of ze misschien geheime boodschappen van Gallus hadden ontvangen met betrekking tot diens eventuele hogere ambities. Maar toen hij hoorde van de gebeurtenissen in Antiochia, verdween hij stilletjes via Klein-Armenië naar Constantinopel, waarvandaan hij echter door protectores werd teruggebracht en vervolgens onder streng regiem gevangen gezet. 20.Terwijl deze zaken zich ophoopten, wilde een gerucht dat in Tyrus in het geheim een keizerlijk gewaad was vervaardigd, waarvan het onduidelijk was wie het had besteld of voor wie het bestemd was. Dus werd de gouverneur van de provincie, namelijk de vader van Apollinaris, zelf ook Apollinaris geheten, als diens medeplichtige voor de rechter gebracht; en zo werden ook vele anderen uit verschillende plaatsen bij elkaar gedreven en van de vreselijkste misdaden beschuldigd.21.Terwijl verbijstering heerste alom, draaide de troebele geest van Gallus volkomen door. Hij was niet langer geïnteresseerd in waarheidsvinding. Trouwens, niemand onderzocht nog behoorlijk de betrouwbaarheid van aangiften - gegrond of verzonnen. Niemand onderscheidde nog onschuldigen van wie zich met schuldigen hadden afgegeven, alsof alle wettelijkheid uit de gerechtshoven verbannen, volledig zoek was. De verdediging waarop beklaagden recht hadden, was monddood; de beul, makelaar in plunderingen, blinddoekte het ene slachtoffer na het andere; in alle oostelijke provincies waren confiscaties aan de orde van de dag. In verband hiermee is het misschien nuttig, op dit punt van die provincies een overzicht te geven, met uitzondering van Mesopotamië, dat al beschreven is bij de behandeling van de oorlogen met de Perzen, en van Egypte, dat ik naar een latere gelegenheid moet opschuiven.

8. Beschrijving van de oostelijke provincies

  1.Voorbij het Taurusgebergte, dat aan de oostkant hoog oprijst, strekt zich de wijde vlakte van Cilicië uit, een land dat rijk is aan allerlei producten. Rechts daarvan ligt Isaurië, al even vruchtbaar, dat vooral wijn en graan opbrengt en doormidden wordt gedeeld door een bevaarbare rivier, de Calycadnus. 2.Afgezien van een groot aantal kleinere plaatsen kan deze provincie bogen op twee zulke steden als Seleucia, het werk van koning Seleucus, en Claudiopolis, als kolonie gesticht door keizer Claudius. (Maar Isaura, dat ooit heel machtig was, is lang geleden wegens haar beruchte oproerigheid verwoest en vertoont nauwelijks nog sporen van haar vroegere glorie.) 3.Cilicië, anderzijds, met de rivier de Cydnus, verheugt zich over het bezit van de schone stad Tarsus, waarvan gezegd wordt dat ze gesticht is door Perseus, de zoon van Zeus en Danaë, of anders door een rijke Ethiopiër van hoge afkomst, Sandan genaamd, en verder over de steden Anazarbus, genoemd naar haar stichter, en Mopsuestia, de woonplaats van de beroemde ziener Mopsus. Deze Mopsus werd per ongeluk van zijn tochtgenoten, de Argonauten, gescheiden toen ze het gulden vlies hadden bemachtigd en daarvan op de terugweg waren. Hij kwam op de kust van Afrika terecht, waar hij plotseling overleed, waarna de geestelijke kracht van de held, begraven onder Punische zoden, tot op de dag van vandaag heilzaam zou hebben gewerkt bij tal van ziekten. 4.Deze twee provincies, die in het verleden krioelden van roverbenden, werden door de proconsul Servilius in een zeeroveroorlog onderworpen en schatplichtig gemaakt. Ze zijn als het ware op een ver uitstekende landtong gelegen en worden van de oostelijke landmassa gescheiden door de berg Amanus. 5.De oostgrens [van het rijk] loopt in een lange, rechte lijn van de oevers van de Euphraat tot de banken van de Nijl, met links daarvan de woongebieden van de Saraceense volken en rechts de brekers van de zee. Die streek werd door Nicator Seleucus in bezit genomen en tot grote bloei gebracht toen hij na de dood van Alexander van Macedonië het Perzische Rijk als erfdeel bestuurde. Hij was een succesvol en machtig heerser, zoals zijn bijnaam [Nicator] ook zegt. 6.Want tijdens zijn lange, vreedzame regering over een onnoemelijk grote bevolking bouwde hij boerengehuchten om tot flinke welvarende steden, die Griekse namen dragen, hun gegeven naar goeddunken van hun stichter, maar ook hun oude benamingen in het Assyrisch niet verloren hebben, die ze hadden van hun oorspronkelijke bewoners. 7.En direct achter Osrhoëne, dat ik heb weggelaten uit deze beschrijving, rijst, geleidelijk oplopend, Commagene (nu Euphratensis) op, met de roemruchte steden Hierapolis (het oude Ninus) en Samosata. 8.Vervolgens komt dan Syrië, dat zich uitspreidt over een schitterende laagvlakte. Tot haar trotse bezit behoren Antiochia, wereldberoemd en als geen andere stad overvloedig bevoorraad met uitheemse en inheemse producten, voorts Laodicea, Apamea en Seleucia, vanaf het begin van hun bestaan al bloeiende steden. 9.Dan Phoenicië, aan de voet van de berg Libanus [Libanon] gelegen, een lieflijk, aantrekkelijk land met fraaie, grote steden: in de eerste plaats het bekoorlijke en beroemde Tyrus, dan Sidon, Berytus [Beiroet] en - die daar niet voor onderdoen - Emissa en Damascus, eeuwen geleden gesticht. 10.Deze provincies, omsloten door de rivier de Orontes, die langs de voet van de machtige Cassius stroomt en dan uitmondt in de Parthenische Zee, werden door Gnaeus Pompeius na zijn overwinning op Tiganes van het rijk der Armeniërs afgenomen en onder Romeins bewind gebracht. 11.De laatste provincie van Syrië is Palestina, dat zich over een groot gebied uitstrekt en een overvloed aan bebouwd land bezit, plus een aantal schitterende steden, waarvan de een niet voor de ander onderdoet maar elk met elkeen wedijvert, ex aequo: Caesarea, door Herodes gebouwd ter ere van keizer Octavianus, Eleutheropolis en Neapolis en niet te vergeten Ascalon en Gaza, die in oeroude tijden gebouwd zijn. 12.In deze gebieden komt geen enkele bevaarbare rivier voor, wel ontspringen op veel plaatsen natuurlijke warmwaterbronnen die heilzaam heten te zijn bij tal van kwalen. Ook dit Palestina werd door Pompeius, nadat hij de Joden had onderworpen en Jeruzalem had ingenomen, tot een provincie gemaakt, zij het met eigen jurisdictie. 13.Aangrenzend ligt Arabië, dat anderzijds aan het land van de Nabateërs grenst. Het is rijk aan velerlei handelswaar en bezaaid met burchten en forten, die oudtijds door de bewoners, op hun veiligheid bedacht, op geschikte en veilige hoogten zijn gebouwd om de invallen van nabuurvolken af te weren. Ook hier naast een aantal versterkte plaatsen verschillende grote steden: Bostra, Gerasa en Philadelphia, veilig achter hun geweldige muren. Dit gebied kreeg de status van provincie onder een stadhouder, in gehoorzaamheid aan onze wetten, van keizer Trajanus, die de roerige bevolking in zijn roemrijke oorlog tegen de Meden en de Parthen meermalen met geweld bedwong. 14.Cyprus, tenslotte, is een havenrijk eiland, ver van het vasteland gelegen en bekend om onder andere de steden Salamis en Paphus, de eerste vermaard om haar heiligdommen van Jupiter, de tweede om haar tempel van Venus. Dit Cyprus is zo vruchtbaar en zo rijk aan van alles, dat men er in staat is zonder middelen van buiten, geheel zelfstandig een vrachtschip te bouwen van de kiel tot het topzeil en het met alles wat daarbij hoort zeeklaar te maken. 15.Om de waarheid te zeggen heeft het Romeinse volk dit eiland vooral uit hebzucht ingepalmd. Want zijn koning Ptolomaeus, op grond van een verdrag onze bondgenoot, werd zonder enige schuld, louter vanwege onze schatkistproblemen, vogelvrij verklaard en pleegde zelfmoord door vergif in te nemen, waarna het eiland ons schatplichtig werd en zijn schatten door Cato als oorlogsbuit op onze schepen geladen naar Rome werden afgevoerd. Ik zal nu de draad van de geschiedenis weer opnemen.    

9. Over caesar Constantius Gallus  

1.Terwijl deze tragedie zich afspeelde, werd Ursicinus, aan wie ik op keizerlijk bevel was toegevoegd, weggeroepen uit zijn standplaats Nisibis en, ongevoelig voor de complimenten van vleiers om hem heen, met grote tegenzin belast met gerechtelijke onderzoeken waarbij levens op het spel stonden. Want hij was in hart en nieren soldaat, legeraanvoerder, en van procesvoering had hij geen enkel verstand. Bovendien duchtte hij gevaar voor zichzelf, want hij zag de gelegenheidsaanklagers en zogenaamde rechters met wie hij te maken kreeg, allemaal uit dezelfde krochten te voorschijn kruipen. Daarom berichtte hij in het geheim aan keizer Constantius wat er heimelijk of openlijk gebeurde en vroeg tegelijk dringend om hulp, in de hoop dat de caesar daardoor afgeschrikt zijn machtsdrift zou matigen. 2.Maar door zijn scrupules kwam hij  van de regen in de drup, zoals ik nog zal vertellen, want rivalen smeedden een gevaarlijk complot tegen hem bij Constantius, die overigens een gematigd vorst was, maar een meedogenloze wreedaard werd als al was het maar een vreemde hem bepaalde dingen in het oor fluisterde, en dan zichzelf niet meer was. 3.Dus, toen de dag kwam die voor de fatale verhoren bepaald was, hield de magister equitum zitting quasi als rechter, samen met anderen, die vooraf geïnstrueerd waren over hoe het moest gaan, en met assistentie van een stel snelschrijvers om de vragen en antwoorden direct aan de caesar door te geven. Opgehitst door de ‘koningin’ - die af en toe door een gordijn de procesgang begluurde - veroordeelde deze harteloos velen ter dood, zonder ze gelegenheid te geven zich van blaam te zuiveren of zich te verdedigen. 4.Om te beginnen werden Epigonus en Eusebius voorgeleid en louter wegens een bepaalde gelijknamigheid ter dood gebracht. Want Montius had er, zoals ik heb verteld, vlak voor zijn dood dusgenaamde voormannen van wapenfabrieken van beschuldigd, steun te hebben toegezegd aan een op handen zijnde onderneming. 5.Wat Epigonus betreft: alleen zijn kleding was die van een filosoof, zoals bleek, want vergeefs zocht hij het eerst in smeekbeden, toen, in doodsangst, met verscheurde lendenen, legde hij een zielige bekentenis af door te verklaren dat hij betrokken was geweest bij plannen die nooit hadden bestaan, zodat hij niets gezien of gehoord kon hebben - hij wist volstrekt niet hoe het in rechtszaken toeging. Eusebius daarentegen ontkende beslist waarvan hij beschuldigd werd en bleef ook op de martelbok standvastig, luid roepend dat dit geen rechtbank was maar een boeventroep. 6.En toen hij, niet onbekend met de wet, hardnekkig een formele aanklager en een proces volgens de regels bleef eisen en dit gemeld werd aan de caesar, vatte deze zijn vrijmoedigheid op als arrogantie en beval hem als een brutale schurk extra te folteren. Totaal verscheurd en met niets heel meer aan zijn lijf dat nog gepijnigd kon worden, bad hij de hemel om gerechtigheid en bleef met een minachtende grijns onwrikbaar, zonder zich ertoe te verlagen zichzelf of iemand anders ergens van te beschuldigen. Tenslotte, zonder te hebben bekend en zonder dat enig bewijs van zijn schuld geleverd was, werd hij samen met zijn verachtelijke lotgenoot ter dood veroordeeld. Onverschrokken werd hij weggevoerd, schamperend op de boosheid der tijden, gelijk de oude stoïcijn Zeno, die, langdurig gemarteld om hem een leugen te ontlokken, zijn eigen tong uitrukte en die met bloed en speeksel en al zijn ondervrager, de koning van Cyprus in het gezicht wierp. 7.Daarna werd ‘de kwestie van het keizerlijk gewaad’ onderzocht, en toen lieden die werkzaam waren in de purperververij, op de pijnbank hadden bekend dat een bepaalde korte mouwloze tuniek was geweven, werd een zekere Maras voorgeleid, die zoals de christenen dat noemen een diaken was. Van hem werd een in het Grieks geschreven brief geproduceerd, gericht aan de voorman van een weverij in Tyrus, waarin deze aangespoord werd, haast te maken met een opdracht die niet nader werd aangeduid. Maar hoewel deze Maras tenslotte bijna tot de dood toe gefolterd werd, kon hij niet tot enige bekentenis worden gedwongen. 8.Zo werden er nog velen van hoog tot laag ondervraagd. Soms kwam daar iets twijfelachtigs, soms iets onbelangrijks uit. Ze werden wel ter dood gebracht. Vader en zoon Apollinaris werden in ballingschap gezonden, maar toen ze bij hun landgoed Crateras, 24 mijl buiten Antiochia, waren aangekomen, werden hun volgens bevel de benen gebroken en sloeg men ze dood. 9.Ook na die moord was Gallus nog niet verzadigd en bleef hij, als een leeuw die mensenvlees heeft geproefd, meer van hetzelfde zoeken. Maar ik zal daar niet verder over uitweiden om niet de grenzen van wat ik me had voorgenomen te buiten te gaan (wat een goede stelregel is).        

10. Constantius sluit vrede met de Alamannen die daarom vragen

  1.Dat alles had het oosten lange tijd te verduren. Intussen begon Constantius - tijdens zijn zevende consulaat en Gallus’ tweede - in het vroege voorjaar [van 354] een campagne tegen  twee koningen der Alamannen, de gebroeders Gundomadus en Vadomarius, die regelmatig verwoestende invallen deden in dat deel van Gallië dat aan hun eigen gebied grensde. Uit Arelate [Arles] vertrokken, kwam hij in Valentia [Valence], (2.) waar hij lang moest wachten op bevoorrading, die niet doorkwam uit Aquitanië omdat door talrijke voorjaarsregens de rivieren tot woest kolkende massa’s gezwollen waren. Daar arriveerde toen Herculanus van de keizerlijke garde, een zoon van Hermogenes, de voormalige magister equitum die, zoals vroeger verteld, tijdens een volksoproer in Constantinopel was gelyncht. Hij bracht, waarheidsgetrouw, verslag uit over de wandaden van Gallus en zijn vrouw, gebeurtenissen die Constantius betreurde en met zorg vervulden voor de toekomst, al liet hij van zijn ongerustheid zo lang mogelijk niets merken. 3.Het leger, dat tegen die tijd in de buurt van Cabyllona [Châlon] verzameld was, begon intussen het wachten moe en oproerig te worden bovendien vanwege het tekort aan levensmiddelen door de stagnatie in de aanvoer. 4.Daardoor kwam de toenmalige praefectus praetorio Rufinus nog in een levensgevaarlijke situatie, toen hij opdracht kreeg persoonlijk de troepen te confronteren, ze te kalmeren en uit te leggen waardoor de voedselaanvoer stagneerde. Aangezien ze, toch al  onhandelbaar van nature, burgerlijke autoriteiten traditioneel vijandig gezind, en nu in een gevaarlijke stemming waren, (5.) werd hem daarmee feitelijk een sluw bedachte val gezet, in de hoop dat deze oom van Gallus het er niet levend van af zou brengen en zo werd voorkomen, dat hij, een machtig man, zijn neef in zijn overmoed zou sterken en aanmoedigen mocht hij snode plannen koesteren. Echter, anderzijds wilde men voorzichtig te werk gaan, en het plan werd uitgesteld. Dus werd vervolgens de praepositus cubiculi Eusebius naar Cabyllana gehaald met een geldbuidel, waaruit onder de aanstokers van de rebellie heimelijk werd uitgedeeld, waarna de opstandigheid van de troepen verliep, zodat voor de prefect het gevaar geweken was. Daarna arriveerde voedsel in overvloed en brak men op de vastgestelde dag het kamp op. 6.Zo, na nog veel moeilijkheden te hebben overwonnen - de meeste bergwegen waren dichtgesneeuwd - bereikte het leger in de buurt van Rauracum [Augst] de oever van de Rijn. Daar stuitte het op een sterke strijdmacht van de Alamannen, die de Romeinen met een hagel van projectielen van alle kanten vandaan verhinderden een schipbrug te slaan. Toen dit dan ook onmogelijk bleek, wist de keizer, uit het veld geslagen, niet goed hoe hij verder moest. 7.Maar, een wonder!, onverwacht diende zich een gids aan die ter plaatse goed bekend was en tegen betaling ’s nachts een plaats in de rivier wees vol ondiepten waar ze doorwaadbaar was. Inderdaad had daar het leger, eenmaal de aandacht van de vijand afgeleid, kunnen oversteken en onverwachts het hele land kunnen verwoesten, als niet - vermoedelijk - een paar stamgenoten die bij ons in hogere militaire rangen dienden, dit hun volk door geheime boodschappers hadden verraden. 8.De verdenking daarvan viel op Latinus, een comes van de keizerlijke garde, de tribunus stabuli Agilo, en Scudilo, commandant van de Scutarii, die toen in hoge achting stonden als ware steunpilaren van de staat. 9.Met de weerbaarheid van de barbaren was het echter intussen slecht gesteld, misschien doordat ongunstige voortekenen waren gezien, of de ingewanden van offerdieren aangaven dat strijd vermeden moest worden. Dus zonden ze vanwege beide koningen hoge vertegenwoordigers naar ons toe om vergeving voor vergrijpen en vrede te vragen. 10.Die werden door ons onder bewaking gesteld, terwijl de kwestie in het geheim van alle kanten werd bezien. De uitkomst daarvan luidde unaniem, dat het verzoek om vrede, gezien de redelijke voorwaarden, ook uit opportuniteitsoverwegingen gehonoreerd moest worden, waarna de keizer de troepen liet opcommanderen om ze over de nieuw ontstane situatie kort toe te spreken. Staande op een verhoog, omringd door zijn staf, sprak hij dan als volgt: 11.‘Verwondert u alstublieft niet, als het lijkt dat ik, na alle doorstane vermoeienissen van lange dagmarsen, eindelijk voldoende bevoorraad, dank zij uw moed en dapperheid nu in het zicht van de woongebieden van de barbaren, plotseling mij bedenk en vredelievend word. 12.Want ieder van u, hoe ook uw positie en instelling, zal het er bij enig nadenken mee eens zijn, dat een soldaat - hij mag nog zo moedig en sterk zijn - altijd en overal in de eerste plaats voor zichzelf, voor zijn eigen leven vecht. Maar een plichtsgetrouw veldheer, die beseft dat een heel volk naar hem opziet om bescherming, dient het welzijn en de veiligheid van allen en heeft dus slagvaardig alle mogelijkheden te benutten die zich onder de gegeven omstandigheden aanbieden, en die soms als uit de hemel komen vallen. 13.Om het niet te lang te maken en u meteen te verklaren waarom ik u, mijn trouwe medestrijders, hier samen heb geroepen, luistert welwillend naar de paar woorden die ik u te zeggen heb (eenvoud is immers kenmerk van het ware). 14.Bevreesd geworden voor de roep die van uw dapperheid uitgaat, die steeds luider klinkt en tot de bewoners van de verste landen is doorgedrongen, vragen de koningen en de volken van de Alamannen bij monde van gezanten die u hier met gebogen hoofd ziet staan, om vrede en vergeving voor begane misdaden. En aangezien u mij kent als iemand die niet overhaast en steeds voorzichtig te werk gaat en de omstandigheden weet te benutten, ben ik - als u akkoord gaat - om verschillende redenen geneigd daarop in te gaan. Ten eerste namelijk om de onzekerheden van het krijgsgeluk te vermijden, vervolgens om in deze volken voortaan bondgenoten te hebben in plaats van vijanden en zonder bloedvergieten hun woestheid te temmen, waarvan onze provincies zo dikwijls te lijden hebben gehad, en tenslotte uit de overweging, dat niet alleen die vijand voor overwonnen geldt die, overweldigd door een overmacht aan manschappen en wapens, in krijgsgeweld het onderspit delft, maar ook de vijand, die, terwijl de krijgstrompetten zwijgen, vrijwillig onder ons juk door gaat, wetend uit ervaring, dat het ons, Romeinen, noch aan moed ontbreekt tegenover rebellen, noch aan mildheid jegens smekelingen. 15.Om kort te gaan: ik wacht af wat u mij als scheidsrechters raadt, maar persoonlijk ben ik er vóór, geneigd tot vrede als ik ben, dat wij ons beheersen en maat houden wanneer het geluk met ons is. Want gelooft u mij, een juist besluit in die zin zal men niet toeschrijven aan lafheid maar aan zelfbeheersing en menselijkheid.’ 16.Toen de keizer uitgesproken was, sloot zijn hele gehoor zich met applaus bij zijn voorstel aan en stemde unaniem voor vrede - niet in de laatste plaats ook daarom, dat de ervaring tijdens verschillende expedities had geleerd, dat hij het geluk slechts aan zijn kant had bij de bestrijding van binnenlandse onlusten, maar krijgsondernemingen over de grenzen heen vaak slecht afliepen. Dus werd volgens de regels van het volkenrecht een verdrag gesloten, na welke ceremonie de keizer afreisde naar Milaan voor de winter.

11. Caesar Constantius Gallus, door Constantius ontboden, wordt geëxecuteerd 

1.Eenmaal bevrijd van de last van andere zorgen, begon Constantius te bedenken, hoe hij zijn caesar in één klap kon uitschakelen. Alsof het om een helsmoeilijk geval ging, besprak hij in geheime, nachtelijke vergaderingen met zijn naaste medewerkers op welke manier, met list of geweld, dit het beste kon gebeuren vóór de man met zijn machtshonger de zaken nog verder ontregelde. Ze kozen er tenslotte voor, hem in een vriendelijk gestelde brief naar het hof te nodigen, zogenaamd voor de bespreking van een belangrijke staatszaak, zodat hij, eenmaal in een onbeschermde situatie gebracht, zonder probleem kon worden gedood. 2.Tegen dit besluit hadden bepaalde draaierige intriganten bedenkingen, onder wie Arbetio, een geslepen figuur vol slinkse streken, en de praepositus cubiculi Eusebius, ook al een man voor wie men moest oppassen. Zij voerden aan, dat het, met de caesar eenmaal weg uit het oosten, riskant zou zijn Ursicinus daar te laten, die dan namelijk ongehinderd zeker bepaalde hogere aspiraties zou volgen. 3.Ze werden daarin bijgevallen door de overige eunuchen aan het hof, lieden bezeten van een buitensporige geldzucht, die in hun vertrouwelijke functies rond de persoon van de keizer door bedekte toespelingen stiekem voedsel gaven aan valse verdenkingen. Zo laadden ze op Ursicinus, die een moedig man was, een zwaar odium: zijn opgroeiende zoons zouden dromen van heerschappij - en die waren populair vanwege hun jeugd en knap voorkomen, om hun kundigheid in het hanteren van verschillende wapens, hun behendigheid, dagelijks geoefend in vechtsporten, en hun goed verstand! Lieden uit de omgeving van Gallus nu zouden de caesar, die van nature onbeheerst was, opzettelijk tot wreedheden hebben aangezet, om, wanneer hij daardoor terecht eenmaal algemeen gehaat zou zijn, de weg vrij te maken voor de overdracht van de hoogste waardigheid op Ursicinus’ zonen. 4.Toen deze lasterpraat begon door te dringen tot ’s keizers gevoelige oren, die altijd attent waren en openstonden voor zulke geruchten, bedacht hij allerlei oplossingen voor dit probleem en koos tenslotte voor deze uitweg: om te beginnen verzocht hij Ursicinus in de meest hartelijke bewoordingen naar het hof te komen onder het voorwendsel dat, gezien de bestaande zorgelijke situatie, gezamenlijk overleg nodig was over versterking van de strijdkrachten om aan de druk van de oorlogszuchtige Parthische stammen een einde te maken. 5.Om er zeker van te zijn dat de man kwam zonder argwaan te krijgen, zond hij de comes Prosper om hem tot zijn terugkeer te vervangen. Na ontvangst van die missive, inclusief een royale vergunning om gebruik te maken van de Keizerlijke Post, haastten wij ons [Ursicinus en Ammianus] in lange dagreizen naar Milaan. 6.Nu restte Constantius nog, caesar Gallus met spoed te ontbieden. En om elke eventuele verdenking weg te nemen nodigde hij met gehuichelde hartelijkheid ook zijn eigen zuster [Gallus’ vrouw] uit, als verlangde hij er al lang naar haar weer eens te zien. Die aarzelde eerst daarop in te gaan - ze wist hoe gevaarlijk die man was - maar hij was haar broer, dus hopend een gunstige invloed op hem te kunnen uitoefenen, vertrok zij toch. Onderweg echter, in de post Caeni Gallicani in Bithynië, kreeg zij een hevige koortsaanval en stierf. Met dit verlies realiseerde haar man zich, een steun kwijt te zijn waarop hij gedacht had te kunnen rekenen, en aarzelde lang en bezorgd over wat hij nu moest beginnen. 7.Want in de hachelijke situatie waarin hij zich bevond, obsedeerde hem de gedachte, dat Constantius, die volstrekt eigenmachtig was, niet bepaald geneigd was excuses te aanvaarden of fouten te vergeven, en hem, gezien het gemak waarmee hij al eerder familieleden uit de weg had geruimd, als hij niet oppaste in een dodelijke val zou lokken. 8.Zo gezien moest hij behoedzaam te werk gaan of hij was een verloren man. Zelfs als hij al heimelijk overwoog de oppermacht te grijpen zo hij de kans kreeg, had hij rekening te houden met ontrouw van zijn naaste omgeving om een dubbel motief, ten eerste omdat men hem haatte vanwege zijn wreedheid en willekeur, en ten tweede omdat men al te goed wist dat Constantius in burgeroorlogen gewoonlijk het geluk aan zijn kant had. 9.Zo door zorgelijke gedachten gekweld ontving hij de ene missive na de andere van Constantius, waarin die hem maande aan zijn uitnodiging gehoor te geven en er daarbij op hintte dat niet geduld kon en mocht worden dat het rijk verdeeld raakte (dat leek een verwijzing naar de verwoestingen in Gallië), maar ieder zich daarvoor, wanneer het in nood was, naar vermogen moest inzetten. 10.Hij gaf daar nog als vrij recent voorbeeld bij, dat Diocletianus en zijn mede-augustus [Maximianus] gediend werden door hun caesars als vazallen die geen vaste standplaats hadden maar overal inzetbaar waren, en dat in Syrië Galerius, in purper gekleed, [alleen maar] over een afstand van bijna een mijl te voet voor de wagen van keizer Diocletianus uit moest lopen toen deze op hem vertoornd was. 11.Na verschillende anderen diende zich Scudilo bij hem aan, een tribuun der Scutarii, onder wiens wat boers voorkomen een gewiekst overredingstalent schuil ging. Hij was de enige die kans zag, Gallus met gevlei en valse voorspiegelingen over te halen te gaan, met een stalen gezicht telkens weer verzekerend dat zijn neef werkelijk verlangde hem weer te zien, en hem, zo goedaardig en toegeeflijk als hij immers was, zou vergeven wat misschien per ongeluk fout was gegaan en met hem de oppermacht wilde delen om samen orde op zaken te stellen in de noordelijke provincies, die daar, uitgeput door jarenlange troebelen dringend aan toe waren. 12.En aangezien de zinnen der mensen, wanneer de lotsgodinnen hun handen naar hen uitstrekken gewoonlijk verdoofd raken zodat ze hun waakzaamheid verliezen, bezweek Gallus voor de valse belofte van een glorieuzere toekomst. Blindelings een kwade demon volgend vertrok hij uit Antiochia en stortte zich hals over kop ‘uit de rook in het vuur’ zoals een oud gezegde luidt. Zelfs, in Constantinopel aangekomen, liet hij wagenspelen houden alsof er geen vuiltje aan de lucht was en zette hij de wagenmenner Thorax de overwinningskrans op het hoofd. 13.Toen Constantius daarvan hoorde, raakte hij totaal buiten zichzelf., En om te voorkomen dat Gallus op de een of andere manier onderweg, misschien toch, onzeker over zijn toekomst, iets zou proberen te ondernemen om zich veilig te stellen, liet hij opzettelijk de garnizoensbataljons verwijderen uit die steden waar hij door zou komen. 14.Het gebeurde een keer, dat Taurus, als quaestor op weg naar Armenië, hem brutaalweg passeerde zonder zich bij hem aan te dienen. In opdracht van de keizer werd hij wel door anderen bezocht, zogenaamd om zakelijke redenen, maar in werkelijkheid om hem onopvallend te bewaken, zodat hij niet kon verdwijnen of de een of andere slinkse streek kon uithalen. Bijvoorbeeld waren dat Leontius (de latere prefect van Rome) in zijn functie van quaestor, Lucillianus, die zich voordeed als een comes van de keizerlijke garde, en Bainobaudes, een tribuun van de Scutarii. 15.Intussen legde hij over gemakkelijk terrein grote afstanden af, tot hij in Hadrianopolis arriveerde, een stad in de buurt van de berg Haemus, vroeger Uscudama geheten, waar hij een dag of twaalf van zijn vermoeienissen bekwam. Van de Thebeïsche legioenen die in plaatsen dichtbij in winterkwartieren lagen, kwam hier een afvaardiging naar hem toe om hem met bepaalde beloften en verzekeringen over te halen daar te blijven. In de omgeving in grote kampementen gelegerd, wisten die zich een geduchte macht. Hij ervoer hiervan, maar zijn omgeving zorgde er wel voor dat hij geen enkele kans kreeg hen te zien, of te horen wat ze te zeggen hadden. 16.Dan kwam weer brief na brief, waarin hij gemaand werd zijn reis voort te zetten, wat hij deed, met gebruik van tien postwagens, met achterlating van zijn hele staf, behalve een paar kamer- en tafeldienaren die hij bij zich hield, langzamerhand vervuilend, voortgejaagd, met iedereen op zijn nek, dikwijls zichzelf vervloekend om zijn stomheid, waardoor hij zich als de eerste de beste onnozele hals door jan en alleman moest laten gezeggen. 17.En wanneer hij tijdens rustpozen wat sliep, werden zijn zinnen gekweld door de angstwekkende, krijsende gedaanten van de doden door zijn toedoen, met Domitianus en Montius voorop, die hem in zijn dromen grepen en in de klauwen van de Furiën wierpen. 18.Want los van de bindingen met het lichaam roept de onvermoeibaar bezige geest uit de verdrongen gedachten en zorgen die ’s mensen geheugen belasten, nachtelijke visioenen op, die wij [in het Grieks] phantasíai noemen. 19.Nu dus door een onverbiddelijke beschikking van het Lot was bepaald dat en hoe hij zijn macht en zijn leven zou verliezen, haastte hij zich regelrecht, telkens van paarden wisselend naar Petobio, een stad in Noricum, waar de zwarte sluier over het complot werd weggetrokken en plotseling de comes Barbatio verscheen, die de commandant van zijn lijfwacht was geweest, samen met Apodemius van de geheime dienst,14 en aan het hoofd van een afdeling soldaten die door Constantius waren geselecteerd omdat ze aan hem vanwege gunsten verplicht waren en dus niet vatbaar voor omkoping of medelijden. 20.Nu werd de zaak zonder verdere geheimdoenerij aangepakt. Een paleis dat buiten de muren lag, werd op bevel van Barbatio door soldaten omsingeld. Zelf zocht deze de caesar tegen de avond op, liet hem zijn purperen kleding afnemen en in plaats daarvan een tuniek en een gewone soldatenmantel geven. Verschillende malen zwoer hij, alsof hij namens de keizer sprak, dat hem verder niets zou gebeuren, maar beval hem vervolgens onmiddellijk op te staan, zette hem onverwachts in een privé wagen en bracht hem naar Histria in de buurt van de stad Pola, waar in het verleden, zoals we gehoord hebben, Crispus, de zoon ven Constantijn, gedood werd. 21.En terwijl hij daar in strikte afzondering werd gehouden, al halfdood van angst voor zijn naderend einde, arriveerden de praepositus cubiculi Eusebius, de notarius Pentadius en de tribuun van de paleisgarde Mallobaudes met orders van de keizer hem te dwingen van geval tot geval rekenschap af te leggen van de gronden waarop hij de executie had bevolen van zijn slachtoffers in Antiochia. 22.Lijkbleek als ooit Adrastus,15 wist hij slechts uit te brengen, dat hij de meesten had laten doden op instigatie van zijn vrouw Constantia. Hij wist zeker niet, dat toen de moeder van Alexander de Grote haar zoon eens preste een onschuldige te doden en hem almaar voorhield, dat zij hem negen maanden in haar schoot had gedragen in de hoop later te krijgen wat zij wilde, Alexander haar had geantwoord: ‘Lieve moeder, vraag me iets anders als beloning, want geen gunst weegt op tegen een mensenleven’. 23.Toen de keizer van Gallus’ antwoord hoorde, kreeg hij een aanval van woede en, niet meer te kalmeren, besloot hij ook voor zijn eigen veiligheid niet anders te kunnen doen dan die man te vernietigen. Dus zond hij Serenianus, van wie ik eerder heb verteld dat hij ooit, aangeklaagd wegens majesteitsschennis, op een merkwaardige manier was vrijgesproken, samen met de notarius Pentadius en Apodemius van de geheime dienst, om aan Gallus de doodstraf te voltrekken. Als een bandiet werd hij geboeid en onthoofd, waarna zijn hoofd en zijn gezicht onherkenbaar werden verminkt, zodat van de man die kort daarvóór nog de schrik was geweest van provincies en steden, niet méér overbleef dan een vormeloos kadaver. 24.Maar de hemelse gerechtigheid was waakzaam naar alle kanten, want niet alleen Gallus boette voor zijn wreedheden: niet lang daarna trof een pijnlijke dood ook de twee die hem, schuldig als hij uiteraard was, met mooie woorden en valse eden verraderlijk in een dodelijke val hadden gelokt. De één, Scudilo, kreeg een leverkwaal en stierf aan een bloedspuwing; de ander, Barbatio, die voortdurend valse beschuldigingen aan zijn adres had verzonnen, werd zelf slachtoffer van lasterpraat over zijn verondersteld streven naar een hogere rang dan die van magister peditum. Ter dood veroordeeld, verzoende hij met zijn treurig einde de schim van de caesar die mede door zijn intriges was omgebracht.

25.Zulke en talloze soortgelijke geschiedenissen zijn vaak het werk van Adrastia, die boosheid straft en deugd beloont (moge het altijd zo zijn!), de wreekster die wij met haar andere naam Nemesis noemen. Zij is als het ware de verpersoonlijking van de absolute rechtvaardigheid van een onverbiddelijke godheid, zetelend, zoals wel gedacht wordt, boven de sfeer van de maan, of ook wel, zoals anderen haar omschrijven, feitelijk een schutsgodin die de lotgevallen der mensen almachtig bestiert. Theologen van weleer beschouwden haar als een dochter van Justitia en zeiden dat ze vanuit een onbekende verblijfplaats in het heelal neerkeek op het aardse gebeuren. 26.Als majesteitelijke scheidsvrouwe oordelend over gedingen en gebeurtenissen beheert zij de urn met lotsbestemmingen, doet kansen keren, bezorgt soms zaken die we zijn begonnen een andere afloop dan we ons voorstellen door het samenweefsel van onze activiteiten te verstoren of te verwarren. Met onverbrekelijke banden kluistert zij ook de hoogmoed van zich vergeefs opblazende stervelingen aan een onafwendbare voorbestemming en tipt naar goeddunken de ene of de andere schaal van de balans van winst en verlies - daar is ze goed in - buigt en breekt de trotse nekken van hoogmoedigen en heft die dat verdienen op uit hun miserie naar een gelukkiger bestaan. Om al deze redenen beeldde men haar in de sagenrijke oudheid af met vleugels, om aan te geven dat zij ieder in snelle vlucht kon bereiken, en gaf men haar een helmstok in de handen en een wiel onder de voeten, opdat ieder goed zou weten dat zij alle elementen doorkruist en het heelal regeert. 27.Vroegtijdig dus, al walgde hij misschien van zichzelf, scheidde Gallus uit het leven in zijn negenentwintigste jaar, na een regering van vier jaar. Hij was geboortig uit Massa Veternensis in Etrurië als zoon van Constantius, een broer van keizer Constantijn, en Galla, een zuster van Rufinus en Cerealis, die beiden bekleed waren geweest met het ambt van consul en prefect. 28.Hij was een opvallend knappe verschijning, recht van lijf en leden, had zacht, blond haar, nog maar een donzige vlasbaard, maar zo jong was niettemin zijn groeiende autoriteit al onmiskenbaar. Hij was even verschillend van zijn broer Julianus, die een bezonnen mens was, als Domitianus was van Titus, de zonen van Vespasianus. 29.Toen hij dank zij vrouwe Fortuna het toppunt van zijn roem had bereikt, ervoer hij haar wispelturigheid, die stervelingen vaak parten speelt, sommigen eerst hemelhoog verheft, maar dan prijsgeeft aan de wateren van de Cocytus [in de onderwereld]. Daarvan zijn talloze voorbeelden te geven, waarvan ik er een paar in het kort zal noemen. 30.Het was deze onberekenbare geluksgodin die de Siciliaanse pottenbakker Agathocles tot koning kroonde en Dionysius, de schrik van volkeren, liet eindigen als hoofd van een lagere school in Corinthe. 31.Zij was het die Andriscus van Adramyttium, die in een volmolen was geboren, als Pseudophilippus liet optreden en de legitieme zoon van Perseus het smidsambacht leerde om in zijn onderhoud te voorzien. 32.Ook speelde zij Mancinus, die opperbevelhebber was geweest, de Numantiërs in handen, leverde Veturius over aan de wreedheid van de Samnieten, Claudius aan de Corsicanen en Regulus aan de woestheid van de Carthagers. Zij was zo onrechtvaardig om Pompeius, nadat hij zich door roemrijke daden de bijnaam van ‘de Grote’ had verworven, tot vermaak van eunuchen in Egypte te laten vermoorden. 33.Maar een zekere Eunus, een slaaf uit een werkhuis, werd aanvoerder van een leger weggelopen slaven op Sicilië. Hoeveel Romeinen van illustere families zijn niet door de luimen van deze zelfde machtige heerseres smekelingen geworden van Viriathus of Spartacus! Hoeveel hoofden waarvoor volken hebben gebeefd, zijn niet gevallen onder het bloedige zwaard van scherprechters! Zo wordt de één in boeien weggevoerd, de ander onverwacht met macht bekleed en een derde van de hoogste waardigheid beroofd. 34.Maar wie alle gevallen zou willen kennen van wat zich in dit opzicht in allerlei vormen heeft voorgedaan en nog steeds voordoet, zou zo dwaas zijn als iemand die korrels zand wil tellen of het gewicht van bergen zou willen wegen...

Noten

 1.Flavius Magnus Magnentius, tegenkeizer in het westen van het rijk van 350 tot 353, aanvankelijk in alliantie met Vetranio, tegenkeizer in Illyricum. In augustus 353 maakten hij en zijn neef, caesar Decentius, verslagen, een eind aan hun leven.  Retour

 2.Flavius Claudius Constantius Gallus, gehuwd met Constantia, dochter van Constantijn de Grote. Retour

 3.Isaurië, Romeinse provincie aan de zuidkust van Anatolië, omsloten door Lycaonië, Pamphilië en Cilicië. Retour

 4.Cicero, Pro Cluentio, 67. Retour

 5.Sapor II, 310-379, de gevaarlijkste tegenstander van de Romeinse keizers in de 4e eeuw. Retour

 6.In 323 werd Constantius (met zijn broers Constantijn II en Crispus) door Constantijn de Grote tot caesar benoemd. Vanaf dat jaar ‘regeert’ hij  in 353 dertig jaar.Retour

 7.Aldus een destijds populaire voorstelling van Rome’s ontwikkelingsgang. Retour

 8.Termen voor indelingen van de Romeinse bevolking in verband met stemrecht.Retour

 9.Bij Thermopylae in 191 vC. Retour

10.Aanzienlijke en invloedrijke burgers verleenden aan hun toegedane medeburgers, hun clientes, bescherming en bijstand in financieel opzicht, in rechtszaken enz. Daartegenover steunden de clientes hun beschermheer bij verkiezingen en betuigden ze hem ostentatief respect tijdens dagelijkse gemeenschappelijke beleefdheidsvisites.Retour

11.Sannio, een figuur uit het blijspel Eunuchus van Terentius. Retour

12.In 383. Dit lot trof kennelijk ook Ammianus.Retour

13.Met het oog op een erfenis. Retour

14.De schola van agentes in rebus (‘agenten in den lande’), een corps van geheime agenten, spionnen (vandaar ook wel curiosi genoemd), die tot taak hadden wetten en keizerlijke decreten door het rijk te bezorgen en aan het hof hun bevindingen te rapporteren. Constantius breidde hun bevoegdheden uit met het toezicht op de cursus publicus, het wegennet van de Staatspost, waarvan ze zelf belangrijke gebruikers waren. Retour

15.Een van de ‘Zeven tegen Thebe’. Bij de aanval op Thebe sneuvelden zijn schoonzoons Tydeus en Polynices. Van verdriet hierover verloor hij voor altijd zijn huidskleur.Retour