BOEK
XIV
1.
De wreedheid van caesar Gallus
1.Na
alle wederwaardigheden van die schier hopeloze oorlog [tegen de usurpator
Magnentius] 1 te hebben doorstaan, waren de troepen,
aangeslagen door de vele vermoeienissen en gevaren, uitgeput. Maar nog waren
de echo’s van de krijgstrompetten niet verklonken, nog hadden de troepen hun
winterkwartieren niet betrokken, of de adem van het grimmige Lot zwol aan tot
een nieuwe storm, die het rijk trof door de vele schanddaden van caesar
Gallus, 2 die als nog maar nauwelijks volwassen jongeman onverwacht
[door keizer Constantius] in één ruk uit de diepste diepte van miserie tot
bijna de top van de heerschappij was verheven, maar weldra de grenzen van de
hem toebedeelde macht te buiten ging en met zijn niets ontziende hardheid
grote ellende veroorzaakte. Door zijn verwantschap met het keizerlijk huis en
de band die hij had met de naam van Constantius, werd hij zo mateloos
arrogant, dat hij zich, had hij gekund, misschien zelfs tegen zijn eigen
weldoener zou hebben gekeerd. 2.Hij werd in zijn wreedheid nog aangemoedigd
door zijn vrouw, die zich op haar verwantschap met de keizer nogal liet
voorstaan (eerder was zij door haar vader Constantijn ten huwelijk gegeven aan
diens neef, koning Hannibalianus). Een soort Megaera in mensengedaante was ze,
niet minder bloeddorstig dan haar man, en hitste dit beest voortdurend op. Met
verloop van tijd werden de twee geleidelijk steeds meer bedreven in de
boosheid, en met medewerking van sluwe verklikkers, die valse informatie
verzamelden die hunzelf van pas kwam en gewoonlijk met opzet nog het een en
ander toevoegden aan wat ze te weten kwamen, verklaarden ze argeloze burgers
schuldig aan majesteitsschennis of magische praktijken. 3.Schokkend vooral was
- toen ze eenmaal de weg van de zwaardere misdaad op waren - de schandelijke
moord, zomaar, op een zekere Clematius, een voornaam man uit Alexandria. Diens
eigen schoonmoeder was volgens zeggen verliefd op hem geworden, maar had hem
niet kunnen verleiden en zich daarom listig toegang verschaft tot het paleis,
had de koningin een kostbaar halssnoer geschonken en op die manier gedaan
gekregen dat aan de toenmalige comes
Orientis Honoratus een schriftelijk doodvonnis over hem ter
uitvoering werd toegezonden. Zo werd deze Clematius, die volstrekt onschuldig
was, zonder dat hij in staat gesteld was zich te verdedigen of zelfs zijn mond
maar had mogen opendoen, ter dood gebracht. 4.Na
deze goddeloze daad, die menigeen begon te verontrusten, werd - alsof een
vrijbrief was gegeven voor het begaan van wreedheden - een aantal burgers op
grond van mistige verdenkingen schuldig geacht en veroordeeld. Sommigen werden
ter dood gebracht, anderen gestraft met confiscatie van hun bezittingen, van
huis en haard verdreven en verbannen, zodat ze, met niets meer dan jammer en
verdriet, bedelend in leven moesten zien te blijven. Doordat fatsoenlijk en
rechtvaardig bestuur plaats maakte voor niets ontziende willekeur, kwamen zo
de prachtigste huizen van welgestelden leeg te staan. 5.Zelfs de aanwezigheid
van een (desnoods ondergeschoven) aanklager werd in deze opeenstapeling van
kwalijke zaken niet nodig geacht om tenminste nog in schijn naar de regels van
de wet deze wandaden te kunnen bedrijven, zoals wrede regeerders vroeger nog
wel deden, maar wat ook de caesar onverbiddelijk besloot, werd, alsof het
nauwkeurig naar recht en wet was afgewogen, onmiddellijk ten uitvoer gebracht.
6.Een van hun vondsten was ook, een aantal onnozele typen, te onbetekenend om
wantrouwen te wekken, te rekruteren om links en rechts in Antiochia roddels te
verzamelen en te melden wat ze hadden gehoord. Rondzwervend in de stad, kwamen
die onder allerlei voorwendsels in aanraking met kringen van vooraanstaande
burgers, zagen kans, quasi als behoeftige ‘cliënt’ bij rijke lieden voet
over de drempel te zetten, waarna ze in het geheim via een achterdeur in het
paleis werden ontvangen om te melden wat ze te weten waren gekomen. Daarbij
verzonnen ze als bij onderlinge afspraak ook altijd nog het een en ander,
maakten het gehoorde twee keer zo erg, maar lieten eventuele loftuitingen op
de caesar weg die sommigen met moeite, maar uit vrees voor dreigend onheil
over de lippen hadden gekregen. 7.Soms kwam het voor, dat een huisvader
binnenskamers, zelfs niet in aanwezigheid van een vertrouwde dienaar, zijn
vrouw iets in het oor had gefluisterd en de caesar daar de volgende dag al van
op de hoogte was - alsof Amphiaraus of Marcius, befaamde zieners uit de
geschiedenis, het hem hadden onthuld. Dus begon men zelfs de muren,
deelgenoten in geheimen bij uitstek, te wantrouwen. 8.Gallus’ manie om over
letterlijk van alles informatie te willen vergaren nam steeds bedenkelijkere
vormen aan en werd nog aangewakkerd door zijn eega, die de hoge positie van
haar man fanatiek hielp ruïneren in plaats van hem met vrouwelijke zachtheid
en goede raad terug te voeren op het juiste pad, naar het voorbeeld van de
vrouw van de grimmige keizer Maximinus, die in de affaire van de Gordianen
handelde zoals ik vroeger verhaald heb. 9.Tenslotte
ging hij over tot een nog weer een nieuwe, bedreigende tactiek, toen hij
dezelfde laagheid beging die, zoals men zegt, ooit Gallienus tot zijn schande
in Rome praktiseerde, en met een paar heimelijk gewapende mannen ’s avonds
de herbergen en andere publieke plaatsen begon af te lopen waar hij in het
Grieks, dat hij goed beheerste, links en rechts vroeg wat iedereen van de
caesar dacht. Dat deed hij nota bene onbekommerd in een stad waar het ’s
nachts door het licht van de lampen gewoonlijk even helder was als op
klaarlichte dag! Pas toen hij een aantal keren herkend was en zich realiseerde
dat hij, als hij zo doorging, wel erg in opspraak zou komen, vertoonde hij
zich tenslotte alleen nog overdag in het openbaar om de dingen te doen die hij
van belang achtte. Met dit alles stortte hij velen in diepe ellende. 10.Nu was
in die tijd Thalassius praefectus praetorio
praesens. Zelf een arrogant man, was hij er getuige van hoe
Gallus’ steeds grotere driestheid zoveel slachtoffers maakte. Hij probeerde
die niet met wijze raad te temperen - zoals soms hoge ambtsdragers de toorn
van regeerders hebben weten te matigen - maar wakkerde de woede van de caesar
nog aan door hem te onpas tegen te spreken en te bekritiseren en de keizer bij
herhaling, zelfs met de nodige overdrijving en - de hemel weet waarom - zonder
dit te verheimelijken, over de gedragingen van Gallus te rapporteren. Die
raakte daardoor nog meer buiten zichzelf en raasde, als met het vaandel van
zijn drift nog hoger opgestoken, zonder pardon voor anderen en blind voor
eigen gevaar voort, niet te temmen, als een woeste rivier, alles vernietigend
wat in de weg kwam.
2.
Invallen van de Isauriërs
3
1.Toch
was dit niet het enige onheil dat het oosten trof. Want de Isauriërs, die
zich gewoonlijk rustig houden maar soms ineens met onverwachte strooptochten
paniek veroorzaken, waren, omdat dit laatste ongestraft bleef - waardoor ze
steeds brutaler werden -, van zulke sporadische, heimelijke plunderingen
overgegaan op regelrechte krijgstochten. Terwijl ze met hun rusteloze
dadendrang al lang in een krijgszuchtige stemming verkeerden, waren ze, zoals
ze beweerden, nu woedend over het feit dat gevangen stamgenoten in een
circusshow voor de wilde dieren waren gegooid. Dit ongehoorde feit had zich
voorgedaan bij Iconium, een stad in Pisidië. 2.En zoals volgens Cicero ook
roofdieren, door honger gedreven, vaak terugkomen waar ze eenmaal prooi hebben
gevonden, 4 zo kwamen ze in horden als een valwind van de ruige,
ontoegankelijke berghoogten omlaag naar de kust, waar ze zich verscholen in
kuilen en spelonken, van waaruit ze bij het invallen van de duisternis, in het
halflicht bij wassende maan, de zeelui observeerden. Toen ze die in diepe
slaap wisten, hesen ze zich met handen en voeten langs de ankertouwen omhoog,
lieten zich onhoorbaar in de boten neer, overvielen de nietsvermoedende
zeelieden, en met een woestheid, aangewakkerd door hun hebzucht, doodden ze
die tot de laatste man zonder ook degenen die zich niet verzetten te sparen,
waarna ze ongehinderd alles wat waardevol of van nut was meenamen. 3.Maar aan
die praktijken kwam gauw een eind, want toen het nieuws over de plunderingen
en moorden zich eenmaal verspreid had, deden schippers die havens niet meer
aan, maar voeren, als het ware de dodelijke kliffen van Sciron vermijdend,
voortaan onder Cyprus door, aan de overkant van de rotsen van Isaurië. 4.Toen
dus na enige tijd van overzee niets meer hun kant op kwam, verlieten de
bandieten de kuststreek en trokken naar het aan Isaurië grenzende Lycaonië,
waar ze met versperringen wegen blokkeerden en leefden van wat ze stalen van
bewoners en reizigers. 5.Dit bracht soldaten in het geweer die in
verschillende steden en forten in de omgeving in garnizoen lagen en nu zo goed
en zo kwaad ze konden de over steeds grotere afstanden in benden of op
zichzelf zwervende rovers probeerden terug te drijven. Maar die waren hen in
getal en sterkte de baas en bovendien, geboren en getogen in steil en ruig
berggebied, doorkruisten ze dat met een gemak als was het vlak land, terwijl
ze hun tegenstanders van ver met hun pijlen bestookten en met huiveringwekkend
krijgsgehuil schrik aanjoegen. 6.Als onze infanteristen soms bij een
achtervolging steile hoogten moesten beklimmen en er inderdaad in slaagden,
uitglijdend en zich vastklampend aan struiken en kreupelhout boven te komen,
waren ze door de engte en onbegaanbaarheid van het terrein niet in staat hoe
dan ook een slagorde te ontplooien of zich zelfs maar met moeite staande te
houden en moesten dan dus wel terug naar beneden, terwijl de Isauriërs
rondrennend rotsblokken lostrokken en omlaag gooiden, of gaven noodgedwongen
nog dapper partij onder een regen zware stenen. 7.Daarom werden ze daarna
voorzichtiger: wanneer de rovers de hoogten opzochten, lieten ze het
ongunstige terrein voor wat het was; maar als ze hen in de vlakte ontdekten -
wat ook vaak voorkwam - gaven ze hun nog niet de gelegenheid een arm uit te
strekken, laat staan hun werpspiesen te richten, waarvan ze er altijd twee of
drie bij zich hadden, maar slachtten ze af als weerloos vee. 8.Dus
trokken de rovers weer weg uit het overwegend vlakke Lycaonië, waar ze uit
ervaring wisten in staande gevechten niet tegen ons op te kunnen en kwamen via
sluipwegen in Pamphylië, dat een lange tijd van pais en vree had gekend, maar
uit vrees voor plundering en moord aan alle kanten met versterkingen beveiligd
was, terwijl ook in de omringende gebieden nogal wat garnizoenen gelegerd
waren. 9.Zo snel ze konden, om zodoende het alarm over hun bewegingen vóór
te zijn, en vertrouwend op hun kracht en behendigheid slopen ze langs
kronkelpaden de heuvels op. En toen ze na alle vermoeienissen laat op een
avond bij de steile oevers van de Melas kwamen, een diepe, kolkende rivier,
die met een bocht de bewoners daar omsloot en beveiligde als een muur, bleven
ze de nacht door waakzaam en op hun hoede in afwachting van het daglicht. Ze
dachten dan ongehinderd te kunnen oversteken en onverwachts in één run alles
aan de overkant onder de voet te lopen. Maar al hun moeite was vergeefs
geweest. 10.Want toen de zon opkwam, bleek de oversteek van de wel niet brede,
maar diepe en snelstromende rivier een onoverkomelijk probleem, en terwijl ze
naar eventuele vissersboten zochten of dachten misschien op haastig gevlochten
horden te kunnen oversteken, rukten de legioenen uit die toen bij Side
overwinterden en trokken in ijltempo op hen af. Ze plaatsten hun standaards op
de oever, stelden zich volgens de regels van de krijgskunst op achter een
dichte haag van schilden voor een lijf aan lijf gevecht en doodden zonder
moeite een paar Isauriërs die erin geslaagd waren, zwemmend of in holle
boomstammen ongezien de rivier over te komen. 11.De Isauriërs probeerden nog,
zonder resultaat, onze soldaten tactisch te overtroeven, maar bezweken voor de
overmacht, raakten in paniek en, niet goed wetend waarheen te gaan, weken uit
naar de omgeving van de stad Laranda. 12.Daar kwamen ze met voedsel en rust op
verhaal, vatten weer moed en vielen enkele welvarende dorpen aan tot een paar
toevallig passerende cohorten cavalerie deze te hulp schoten en ze zich
terugtrokken zonder zich op de wijde vlakte aan tegenstand te wagen. Tegelijk
lieten ze alle jongere mannen die ze thuis hadden gelaten, overkomen. 13.Omdat
ze nu met een ernstig tekort aan voedsel te kampen kregen, richtten ze zich
vervolgens op een zwaar ommuurde plaats, Paleae genaamd, niet ver van zee,
waar tot op de dag van vandaag nog steeds voorraden worden aangelegd ter
proviandering van de troepen belast met de verdediging van de grens met Isaurië.
Drie dagen en drie nachten belegerden ze deze vesting, maar aangezien ze een
steile helling niet op konden zonder levensgevaar, ook met ondergravingen
niets bereikten en met geen enkele andere belegeringstactiek succes hadden,
trokken ze zich teleurgesteld terug, door overmacht genoodzaakt tot een
onderneming die zelfs nog meer boven hun macht lag. 14.Want van honger en
wanhoop steeds driester wordend, richtten ze nu in grotere aantallen hun
mateloze verwoestingsdrift op de metropool Seleucia, die verdedigd werd door
drie in oorlogen geharde legioenen onder bevel van de comes Castricius. 15.Door betrouwbare verkenners tijdig van hun
komst op de hoogte gebracht, leidden de commandanten heel hun gewapende
troepenmacht met de gebruikelijke instructies snel de stad uit en de brug over
de Calycadnus over, een machtige rivier die onder langs de muurtorens loopt,
en stelden ze in slagorde op. Maar geen man mocht uit het gelid of kreeg
verlof tot een tweegevecht, zo beducht was men voor de overmacht van die
waanzinnig woedende horden, bereid zich zonder bedenken in onze zwaarden te
storten. 16.Toen die in de verte onze troepen ontwaarden en de trompetten
hoorden, hielden ze zich een moment in, maar trokken dan dreigend hun zwaarden
en kwamen langzaam naderbij. 17.De onzen stonden vastberaden klaar om ze warm
te ontvangen, rekten hun linies naar links en rechts, sloegen met hun speren
op hun schilden - hun manier om de eigen strijdlust aan te wakkeren en de
vijand te imponeren - en joegen daarmee inderdaad de voorste vechtersbazen
schrik aan. Maar terwijl ze zich al schrap zetten voor de aanval, werden ze
teruggehouden door hun commandanten, die het niet verantwoord achtten een
strijd te riskeren waarvan de uitkomst onzeker was, zo vlakbij de stadsmuren
bovendien, waarachter ze veilig konden zijn. 18.Dus werden de troepen
teruggecommandeerd de stad in, waarna alle toegangspoorten werden vergrendeld
en de mannen zich op de muren achter de borstweringen verschansten met stenen
die van alle kanten waren aangesleept en hun pijlen bij de hand, zodat wie
zich onder de muren mocht wagen, onder een lawine van projectielen en stenen
bedolven zou worden. 19.Toch raakten de belegerden nog in grote moeilijkheden
toen de Isauriërs kans zagen enkele schepen te kapen die over de rivier graan
vervoerden en dus meer dan genoeg te eten hadden, terwijl zij zelf hun normale
rantsoenen hadden verbruikt en dreigden te verhongeren. 20.Toen dit allerwegen
bekend werd, prikkelden de aanhoudende berichten daarover caesar Gallus tot
actie. Omdat de magister equitum
zich toevallig te ver weg bevond, gaf hij de comes
Orientis Nebridius opdracht troepen
te verzamelen om de belangrijke, want strategisch gelegen stad te ontzetten,
wat deze met grote voortvarendheid deed. Toen hielden de bandieten het voor
gezien. Zonder verder nog iets vermeldenswaardigs te ondernemen trokken ze weg
en zochten in kleine groepjes, zoals ze gewoon waren te doen, de woeste
berghoogten weer op.
3.
Een opzet van de Perzen mislukt
4.
Invallen van de Saracenen. Hun
gewoonten
6.
Verdorvenheid van de senaat en het volk
van Rome
1.In
die tijd lag het bestuur van de Eeuwige Stad in handen van de prefect Orfitus,
die zich deed gelden met een arrogantie die bepaald niet met zijn bevoegdheden
strookte. Hij was weliswaar bekwaam, met grote ervaring op rechtskundig
gebied, maar minder onderlegd in kunsten en wetenschappen dan een man van
stand zou betamen. In zijn ambtsperiode ontstonden ernstige ongeregeldheden
wegens een tekort aan wijn, waaraan het volk immers onmatig verslingerd is en
waarom het vaak tot oproer komt. 2.Maar omdat ik denk dat sommige
vreemdelingen die dit boek - wie weet - misschien zullen lezen, zich zullen
afvragen waarom ik het, zo vaak als ik in mijn verhaal afdwaal naar
gebeurtenissen in Rome, alleen maar heb over rellen, kroegen en meer zulke
vulgariteiten, zal ik in het kort de redenen daarvoor uiteenzetten, want in
geen enkel opzicht zal ik bewust en opzettelijk van de waarheid afwijken.
3.Ooit, toen Rome nog maar pas aan haar glorieuze opkomst begon, om te blijven
bestaan zo lang als de mensheid, sloten Virtus en Fortuna (gewoonlijk met
elkaar in strijd) een eeuwig vredesverdrag om haar die grote toekomst te
bezorgen - want als een van hen beiden het lot van de stad onverschillig was
geweest, had ze nooit die absolute hoogte bereikt. 4.Haar volk had van de wieg
tot het eind van zijn kindsheid - een periode van zo’n driehonderd jaar -
strijd te voeren om haar muren; toen het vervolgens de puberjaren inging, trok
het na vele moeizame oorlogen de Alpen en de zee over; als volwassen jonge man
bracht het lauweren en triomfen thuis uit alle streken die de immense wereld
telt; en op gevorderde leeftijd en superieur soms louter vanwege zijn naam, is
het nu tenslotte in kalmer vaarwater gekomen.7 5.Zo heeft deze
eerbiedwaardige stad de trotse nekken van wilde volken doen buigen, wetten
gemaakt - voor altijd de hechte fundamenten van de vrijheid - en als een
degelijke, wijze en vermogende ouder aan de caesars als aan haar zonen het
beheer van haar erfgoed toevertrouwd. 6.Nu heerst sinds lang rust in de tribus
en vrede in de centuriae8
wordt niet meer om de gunst van de kiezers
gestreden, maar zijn de onbekommerde dagen van Numa Pompilius teruggekeerd. En
intussen wordt deze stad in alle streken der aarde als meesteres en koningin
erkend, wordt de eerbiedwaardige grijsheid en het gezag van de senatoren en de
naam van het Romeinse volk gerespecteerd en met ontzag genoemd. 7.Helaas
echter wordt aan de glans en de glorie van onze hoge colleges afbreuk gedaan
door onbeschaafd gedrag van sommigen, die vergeten zijn waar ze zijn geboren,
en, alsof ze hun verdorvenheid ongeremd mogen botvieren, vervallen zijn tot
zedeloosheid en losbandigheid. (Maar leert niet de lyrische dichter Simonides,
dat wie in alle opzichten verantwoord en gelukkig wil leven, vóór alles een
roemrijk vaderland moet bezitten?). 8.Sommige van deze lieden menen zich door
hun standbeelden aan de eeuwigheid te kunnen aanbevelen en hebben daar alles
voor over - alsof iemand meer voldoening kan hebben van domme bronzen
afbeeldingen dan van het gevoel, eerlijk en goed te hebben geleefd. Zelfs
laten ze hun beelden nog vergulden ook - een praktijk die begonnen heet te
zijn door Acilius Glabrio, nadat hij door een tactische krijgsvoering koning
Antiochus [III] had verslagen9.
Maar hoeveel mooier is het niet,
geen waarde te hechten aan dergelijke onbetekenende dingen en de lange
moeizame weg omhoog te kiezen naar echte eer, zoals de dichter uit Ascra [Hesiodos]
het beschrijft en ook Cato de Censor heeft geleerd. Gevraagd, waarom deze of
gene wel en hij alleen géén standbeeld had, antwoordde deze namelijk: ‘Ik
heb liever dat brave lieden zich afvragen waarom ik er niet een verdiend zou
hebben, dan (wat erger is) in zichzelf mompelen, waarom eigenlijk wèl’.
9.Anderen menen eer in te leggen met koetsen van een meer dan gewone hoogte en
gepronk met dure kleren. Die zweten onder het gewicht van hun mantels, die ze
tot stikkens toe om hun keel sluiten, terwijl de wind dwars door de veel te
fijne stof waait. Ze wuiven almaar met de panden, die ze met beide handen
ophouden, vooral met de linker, zodat de lange franjes en de tunieken met de
veelkleurig geborduurde afbeeldingen van allerlei dieren goed opvallen.
10.Weer anderen pochen ongevraagd met quasi-gewichtige gezichten op hun enorme
bezittingen, liegen de helft van de jaarlijkse opbrengst van hun zogenaamd zo
goed bewerkte landerijen, die zich - als men ze hoort - wel zouden moeten
uitstrekken van de ene einder tot de andere. Ze beseffen zeker niet dat hun
voorvaderen, die het Romeinse rijk zijn grootse omvang hebben gegeven, zich
niet door rijkdom hebben onderscheiden maar door harde strijd, en zo, noch
door bezit, noch door levenswijze of kleding verschillend van het gewone
soldatenvolk, alle moeilijkheden hebben overwonnen. 11.Zo kon het gebeuren dat
de begrafenis van een man als Valerius Publicola bekostigd werd uit een
collecte; dat de vrouw van Regulus met haar kinderen in behoeftige
omstandigheden onderhouden werd door vrienden van haar man, en dat de staat de
bruidsschat van de dochter van Scipio voor zijn rekening nam toen het de
edelen verdroot, dat het meisje, al zo lang huwbaar, ongevraagd bleef wegens
de afwezigheid van haar toch al onbemiddelde vader. 12.Wel,
wanneer nu iemand als niet de eerste de beste nieuwkomer voor de eerste keer
zijn opwachting maakt bij een rijk heerschap - zo’n opgeblazen kikker -
wordt hij ontvangen alsof met smart op hem gewacht werd, en over alles
uitgevraagd, zodat hij soms maar wat moet liegen, terwijl hij zich
afvraagt hoe zo’n groot heer, die zijn bescheiden persoon nooit eerder heeft
gezien, daarvoor belangstelling
kan hebben - met spijt om die bijzondere belangstelling niet tien jaar eerder
naar Rome te zijn gekomen.10 13.Maar dan doet hij, aangemoedigd
door zoveel vriendelijkheid, de volgende dag net zo en laat men hem staan als
een onbekende die er niet thuis hoort, terwijl de man die hem de vorige dag
bezwoer terug te komen, zijn cliënten telt, maar bij hem aarzelt en zich
afvraagt wie en vanwaar hij wel mag zijn. Tenslotte wordt hij geaccepteerd en
tot de cliëntenkring toegelaten, maakt drie jaar lang elke ochtend nauwgezet
zijn beleefdheidsvisite, maar als hij dan eens drie dagen wegblijft om daarna
de gewone routine voort te zetten, wordt niet eens gevraagd waar hij geweest
was, en tenzij hij het teleurgesteld opgeeft, blijft hij zijn hele leven
nutteloos in ’s mans entourage verlummelen. 14.Ook, wanneer op gezette
tijden van die eindeloze feestmalen worden voorbereid die nog ongezond zijn
ook, of de uitdeling van gebruikelijke relatiegeschenken aan de orde komt,
wordt er een punt van gemaakt of men daarbij ook de een of andere vreemdeling
zou moeten vragen (afgezien van degenen die men [in verband met een eerdere
uitnodiging] terug moet nodigen), en als dan daartoe na uitvoerig beraad wordt
besloten, haalt men iemand binnen die voor het huis van wagenmenners pleegt
rond te hangen, of een beroepsdobbelaar of iemand die beweert bedreven te zijn
in magische kunsten. 15.Want beschaafd en serieus volk wordt gemeden als de
pest, waarbij nog komt, dat ceremoniemeesters, onverbeterlijke schnabbelaars,
de gewoonte hebben om tegen steekpenningen onbekend en obscuur volk op de
lijst te zetten voor de bedelingen en de etentjes. 16.Om niet te ver af te
dwalen zal ik zwijgen over zwelgerijen aan tafel en andere genietingen, maar
noem nog wel het verschijnsel, dat lieden te paard door de brede straten van
de stad roekeloos over ongelijk plaveisel jakkeren en hun paarden daarbij
voortjagen tot de vonken bij wijze van spreken van de hoeven spatten alsof ze
van de Post waren, met hele horden slaven achter zich aan als benden
bandieten, en zelfs sullige Sannio niet thuislaten (in de woorden van de
komediedichter 11. Zelfs doen sommige matrones het ze na en racen
gesluierd in draagstoelen door alle wijken van de stad. 17.En
zoals ervaren legeraanvoerders hun keurtroepen dicht opeen in de voorhoede
opstellen, daarachter de lichtgewapende, dan de speerwerpers en tenslotte -
voor het geval ze te hulp moeten komen - de reservetroepen, zo organiseren de
huismeiers van deftige families, herkenbaar aan de roeden die ze dragen,
pijnlijk nauwkeurig hun stoeten [dienaren, voor een reis], en als het commando
tot vertrek gegeven wordt, zet zich dan vooraan, naast de familiewagen, de
hele groep wevers in beweging, gevolgd door de beroete keukenbrigade en
vervolgens heel de rest van de slaven zonder onderscheid, met een zwerm
leeglopers uit de buurt er omheen. Aan het eind van de stoet komt dan nog een
massa eunuchen, van oude mannen tot jonge jongens, vaalbleek en zo
weerzinwekkend in hun mismaaktheid, dat wie ergens zulke troepen verminkte
mannen tegenkomt, de herinnering aan de oude koningin Samiramis vervloekt, die
de eerste was die jongens liet castreren. Ze deed daarmee, door haar geëigende
loop te belemmeren, als het ware de Natuur zelf geweld aan, die al bij het
ontstaan van nieuw leven volgens voor ons onbegrijpelijke regels de bronnen
aanlegt van het zaad waarmee ze de mogelijkheid schept tot verwekking van
nageslacht. 18.Zo is dat allemaal. En daarom wordt in de weinige families die
eertijds respect afdwongen om hun interesse in serieuze wetenschappen, nu de
tijd verveeld verdaan met beuzelarijen en klinkt uit hun huizen gezang en
muziek van fluiten en lieren. In plaats van een wijsgeer halen ze liever een
zanger in huis en een joker die ze kunstjes kan leren dan een leraar in de
welsprekendheid. En terwijl de bibliotheken definitief dicht blijven als
grafkelders, laten ze zich waterorgels bouwen en reuzenciters die niet op een
wagen kunnen en fluiten en weet ik wat voor instrumenten, voor acteurs te
zwaar om te hanteren. 19.Tenslotte zijn we zo diep gezonken, dat toen nog niet
lang geleden vanwege een dreigend voedseltekort van de ene dag op de andere
alle vreemdelingen Rome werden uitgezet 12 mèt de serieuze
kunstenaars en wetenschappers - en dat waren er zo veel niet! - die nog geen
tijd kregen om adem te halen, mochten wel de begeleiders van de mimespeelsters
of die zich er vanwege de omstandigheden voor uitgaven, hier blijven, net als
maar liefst drieduizend dansmeisjes met hun koren en evenzoveel dansmeesters.
20.En waar je ook kijkt, overal kun je vrouwen zien - vrouwen die wat hun
leeftijd betreft getrouwd en moeders van intussen drie kinderen konden zijn -
die met opgetuigde haartooi met hun voeten tot uitputting toe mozaïekvloeren
gladden, terwijl ze draaiend en kerend al die figuren nadansen die in de
theaters verzonnen worden. 21.Iedereen weet ook, dat toen Rome ooit het thuis
was van alle normen en waarden, de meeste patriciërs er vrijgeboren
vreemdelingen aan zich bonden met allerlei gunsten en eerbewijzen, zoals de
Lotuseters dat bij Homerus deden met zoete vruchten, (22.) terwijl nu bepaalde
personen in hun ijdele opgeblazenheid op alles neerkijken wat buiten de
stadsmuren is geboren, kinderlozen en vrijgezellen uitgezonderd - want het is
niet te geloven, hoe kruiperig in Rome kinderlozen het hof wordt gemaakt!
13 23.Aangezien
begrijpelijkerwijs hier, in de hoofdstad van de wereld, ziekten zulke
afschuwelijke vormen kunnen aannemen dat de hele medische professie niet bij
machte is ze te verzachten, heeft men ter zelfbescherming bedacht, dat niemand
een vriend die daaraan lijdt moet bezoeken, waarbij sommigen die extra
voorzichtig willen zijn, bovendien nog een andere doeltreffende
voorzorgsmaatregel nemen, namelijk, dat ze dienaren die in hun opdracht zijn
gaan navragen hoe bekenden het maken die door zo'n ziekte zijn getroffen, pas
weer in hun woning toelaten als ze zich met een bad hebben gereinigd. Zo bang
zijn ze voor besmetting met een ziekte die zelfs alleen maar door de ogen van
een ander is gezien. 24.Maar terwijl aan de ene kant zulke maatregelen zo
zorgvuldig in acht worden genomen, weten aan de andere kant sommigen, zo
kreupel en krakkemikkig als ze zijn, niet hoe snel ze, laten we zeggen, in
Spoletium moeten raken als ze daar voor een bruiloft zijn uitgenodigd waar ze
goudstukken in de holte van hun hand gedrukt krijgen. Zó zijn de manieren van
de patriciërs! 25.Maar sommigen van het laagste en armste soort brengen
nachten door in wijnhuizen of hokken onder de zonneschermen van de theaters
(een buitensporigheid, trouwens, door Catulus in zijn tijd als aedile
van de Campaniërs afgekeken en hier door hem als eerste geïntroduceerd)
terwijl ze met elkaar twisten onder het dobbelen en daarbij met vieze geluiden
hun ingehouden adem door hun neus uitsnuiven; of, wat ze nog liever doen,
staan van de ochtend tot de avond, de zon of de regen trotserend, tot in alle
bijzonderheden de voors en tegens van wagenmenners en hun paarden te
bestuderen. 26.En het is hoogst curieus om te zien hoe grote massa's volk met
grote spanning op de uitslag van wagenraces wachten. Dit soort dingen
verhindert dus dat er in Rome nog iets gebeurt wat de moeite waard is. Maar
laat ik terugkeren tot mijn onderwerp.
7.
De onmenselijke wreedheden van caesar
Gallus
8.
Beschrijving van de oostelijke
provincies
9.
Over caesar Constantius Gallus
1.Terwijl
deze tragedie zich afspeelde, werd Ursicinus, aan wie ik op keizerlijk bevel
was toegevoegd, weggeroepen uit zijn standplaats Nisibis en, ongevoelig voor
de complimenten van vleiers om hem heen, met grote tegenzin belast met
gerechtelijke onderzoeken waarbij levens op het spel stonden. Want hij was in
hart en nieren soldaat, legeraanvoerder, en van procesvoering had hij geen
enkel verstand. Bovendien duchtte hij gevaar voor zichzelf, want hij zag de
gelegenheidsaanklagers en zogenaamde rechters met wie hij te maken kreeg,
allemaal uit dezelfde krochten te voorschijn kruipen. Daarom berichtte hij in
het geheim aan keizer Constantius wat er heimelijk of openlijk gebeurde en
vroeg tegelijk dringend om hulp, in de hoop dat de caesar daardoor afgeschrikt
zijn machtsdrift zou matigen. 2.Maar door zijn scrupules kwam hij
van de regen in de drup, zoals ik nog zal vertellen, want rivalen
smeedden een gevaarlijk complot tegen hem bij Constantius, die overigens een
gematigd vorst was, maar een meedogenloze wreedaard werd als al was het maar
een vreemde hem bepaalde dingen in het oor fluisterde, en dan zichzelf niet
meer was. 3.Dus, toen de dag kwam
die voor de fatale verhoren bepaald was, hield de magister equitum zitting
quasi als rechter, samen met anderen, die vooraf geïnstrueerd waren over hoe
het moest gaan, en met assistentie van een stel snelschrijvers om de vragen en
antwoorden direct aan de caesar door te geven. Opgehitst door de
‘koningin’ - die af en toe door een gordijn de procesgang begluurde -
veroordeelde deze harteloos velen ter dood, zonder ze gelegenheid te geven
zich van blaam te zuiveren of zich te verdedigen. 4.Om te beginnen werden
Epigonus en Eusebius voorgeleid en louter wegens een bepaalde gelijknamigheid
ter dood gebracht. Want Montius had er, zoals ik heb verteld, vlak voor zijn
dood dusgenaamde voormannen van wapenfabrieken van beschuldigd, steun te
hebben toegezegd aan een op handen zijnde onderneming. 5.Wat Epigonus betreft:
alleen zijn kleding was die van een filosoof, zoals bleek, want vergeefs zocht
hij het eerst in smeekbeden, toen, in doodsangst, met verscheurde lendenen,
legde hij een zielige bekentenis af door te verklaren dat hij betrokken was
geweest bij plannen die nooit hadden bestaan, zodat hij niets gezien of
gehoord kon hebben - hij wist volstrekt niet hoe het in rechtszaken toeging.
Eusebius daarentegen ontkende beslist waarvan hij beschuldigd werd en bleef
ook op de martelbok standvastig, luid roepend dat dit geen rechtbank was maar
een boeventroep. 6.En toen hij, niet onbekend met de wet, hardnekkig een
formele aanklager en een proces volgens de regels bleef eisen en dit gemeld
werd aan de caesar, vatte deze zijn vrijmoedigheid op als arrogantie en beval
hem als een brutale schurk extra te folteren. Totaal verscheurd en met niets
heel meer aan zijn lijf dat nog gepijnigd kon worden, bad hij de hemel om
gerechtigheid en bleef met een minachtende grijns onwrikbaar, zonder zich
ertoe te verlagen zichzelf of iemand anders ergens van te beschuldigen.
Tenslotte, zonder te hebben bekend en zonder dat enig bewijs van zijn schuld
geleverd was, werd hij samen met zijn verachtelijke lotgenoot ter dood
veroordeeld. Onverschrokken werd hij weggevoerd, schamperend op de boosheid
der tijden, gelijk de oude stoïcijn Zeno, die, langdurig gemarteld om hem een
leugen te ontlokken, zijn eigen tong uitrukte en die met bloed en speeksel en
al zijn ondervrager, de koning van Cyprus in het gezicht wierp. 7.Daarna werd
‘de kwestie van het keizerlijk gewaad’ onderzocht, en toen lieden die
werkzaam waren in de purperververij, op de pijnbank hadden bekend dat een
bepaalde korte mouwloze tuniek was geweven, werd een zekere Maras voorgeleid,
die zoals de christenen dat noemen een diaken was. Van hem werd een in het
Grieks geschreven brief geproduceerd, gericht aan de voorman van een weverij
in Tyrus, waarin deze aangespoord werd, haast te maken met een opdracht die
niet nader werd aangeduid. Maar hoewel deze Maras tenslotte bijna tot de dood
toe gefolterd werd, kon hij niet tot enige bekentenis worden gedwongen. 8.Zo
werden er nog velen van hoog tot laag ondervraagd. Soms kwam daar iets
twijfelachtigs, soms iets onbelangrijks uit. Ze werden wel ter dood gebracht.
Vader en zoon Apollinaris werden in ballingschap gezonden, maar toen ze bij
hun landgoed Crateras, 24 mijl buiten Antiochia, waren aangekomen, werden hun
volgens bevel de benen gebroken en sloeg men ze dood. 9.Ook na die moord was
Gallus nog niet verzadigd en bleef hij, als een leeuw die mensenvlees heeft
geproefd, meer van hetzelfde zoeken. Maar ik zal daar niet verder over
uitweiden om niet de grenzen van wat ik me had voorgenomen te buiten te gaan
(wat een goede stelregel is).
10.
Constantius sluit vrede met de
Alamannen die daarom vragen
11.
Caesar Constantius Gallus, door Constantius ontboden, wordt geëxecuteerd
1.Eenmaal bevrijd van de last van andere zorgen, begon Constantius te bedenken, hoe hij zijn caesar in één klap kon uitschakelen. Alsof het om een helsmoeilijk geval ging, besprak hij in geheime, nachtelijke vergaderingen met zijn naaste medewerkers op welke manier, met list of geweld, dit het beste kon gebeuren vóór de man met zijn machtshonger de zaken nog verder ontregelde. Ze kozen er tenslotte voor, hem in een vriendelijk gestelde brief naar het hof te nodigen, zogenaamd voor de bespreking van een belangrijke staatszaak, zodat hij, eenmaal in een onbeschermde situatie gebracht, zonder probleem kon worden gedood. 2.Tegen dit besluit hadden bepaalde draaierige intriganten bedenkingen, onder wie Arbetio, een geslepen figuur vol slinkse streken, en de praepositus cubiculi Eusebius, ook al een man voor wie men moest oppassen. Zij voerden aan, dat het, met de caesar eenmaal weg uit het oosten, riskant zou zijn Ursicinus daar te laten, die dan namelijk ongehinderd zeker bepaalde hogere aspiraties zou volgen. 3.Ze werden daarin bijgevallen door de overige eunuchen aan het hof, lieden bezeten van een buitensporige geldzucht, die in hun vertrouwelijke functies rond de persoon van de keizer door bedekte toespelingen stiekem voedsel gaven aan valse verdenkingen. Zo laadden ze op Ursicinus, die een moedig man was, een zwaar odium: zijn opgroeiende zoons zouden dromen van heerschappij - en die waren populair vanwege hun jeugd en knap voorkomen, om hun kundigheid in het hanteren van verschillende wapens, hun behendigheid, dagelijks geoefend in vechtsporten, en hun goed verstand! Lieden uit de omgeving van Gallus nu zouden de caesar, die van nature onbeheerst was, opzettelijk tot wreedheden hebben aangezet, om, wanneer hij daardoor terecht eenmaal algemeen gehaat zou zijn, de weg vrij te maken voor de overdracht van de hoogste waardigheid op Ursicinus’ zonen. 4.Toen deze lasterpraat begon door te dringen tot ’s keizers gevoelige oren, die altijd attent waren en openstonden voor zulke geruchten, bedacht hij allerlei oplossingen voor dit probleem en koos tenslotte voor deze uitweg: om te beginnen verzocht hij Ursicinus in de meest hartelijke bewoordingen naar het hof te komen onder het voorwendsel dat, gezien de bestaande zorgelijke situatie, gezamenlijk overleg nodig was over versterking van de strijdkrachten om aan de druk van de oorlogszuchtige Parthische stammen een einde te maken. 5.Om er zeker van te zijn dat de man kwam zonder argwaan te krijgen, zond hij de comes Prosper om hem tot zijn terugkeer te vervangen. Na ontvangst van die missive, inclusief een royale vergunning om gebruik te maken van de Keizerlijke Post, haastten wij ons [Ursicinus en Ammianus] in lange dagreizen naar Milaan. 6.Nu restte Constantius nog, caesar Gallus met spoed te ontbieden. En om elke eventuele verdenking weg te nemen nodigde hij met gehuichelde hartelijkheid ook zijn eigen zuster [Gallus’ vrouw] uit, als verlangde hij er al lang naar haar weer eens te zien. Die aarzelde eerst daarop in te gaan - ze wist hoe gevaarlijk die man was - maar hij was haar broer, dus hopend een gunstige invloed op hem te kunnen uitoefenen, vertrok zij toch. Onderweg echter, in de post Caeni Gallicani in Bithynië, kreeg zij een hevige koortsaanval en stierf. Met dit verlies realiseerde haar man zich, een steun kwijt te zijn waarop hij gedacht had te kunnen rekenen, en aarzelde lang en bezorgd over wat hij nu moest beginnen. 7.Want in de hachelijke situatie waarin hij zich bevond, obsedeerde hem de gedachte, dat Constantius, die volstrekt eigenmachtig was, niet bepaald geneigd was excuses te aanvaarden of fouten te vergeven, en hem, gezien het gemak waarmee hij al eerder familieleden uit de weg had geruimd, als hij niet oppaste in een dodelijke val zou lokken. 8.Zo gezien moest hij behoedzaam te werk gaan of hij was een verloren man. Zelfs als hij al heimelijk overwoog de oppermacht te grijpen zo hij de kans kreeg, had hij rekening te houden met ontrouw van zijn naaste omgeving om een dubbel motief, ten eerste omdat men hem haatte vanwege zijn wreedheid en willekeur, en ten tweede omdat men al te goed wist dat Constantius in burgeroorlogen gewoonlijk het geluk aan zijn kant had. 9.Zo door zorgelijke gedachten gekweld ontving hij de ene missive na de andere van Constantius, waarin die hem maande aan zijn uitnodiging gehoor te geven en er daarbij op hintte dat niet geduld kon en mocht worden dat het rijk verdeeld raakte (dat leek een verwijzing naar de verwoestingen in Gallië), maar ieder zich daarvoor, wanneer het in nood was, naar vermogen moest inzetten. 10.Hij gaf daar nog als vrij recent voorbeeld bij, dat Diocletianus en zijn mede-augustus [Maximianus] gediend werden door hun caesars als vazallen die geen vaste standplaats hadden maar overal inzetbaar waren, en dat in Syrië Galerius, in purper gekleed, [alleen maar] over een afstand van bijna een mijl te voet voor de wagen van keizer Diocletianus uit moest lopen toen deze op hem vertoornd was. 11.Na verschillende anderen diende zich Scudilo bij hem aan, een tribuun der Scutarii, onder wiens wat boers voorkomen een gewiekst overredingstalent schuil ging. Hij was de enige die kans zag, Gallus met gevlei en valse voorspiegelingen over te halen te gaan, met een stalen gezicht telkens weer verzekerend dat zijn neef werkelijk verlangde hem weer te zien, en hem, zo goedaardig en toegeeflijk als hij immers was, zou vergeven wat misschien per ongeluk fout was gegaan en met hem de oppermacht wilde delen om samen orde op zaken te stellen in de noordelijke provincies, die daar, uitgeput door jarenlange troebelen dringend aan toe waren. 12.En aangezien de zinnen der mensen, wanneer de lotsgodinnen hun handen naar hen uitstrekken gewoonlijk verdoofd raken zodat ze hun waakzaamheid verliezen, bezweek Gallus voor de valse belofte van een glorieuzere toekomst. Blindelings een kwade demon volgend vertrok hij uit Antiochia en stortte zich hals over kop ‘uit de rook in het vuur’ zoals een oud gezegde luidt. Zelfs, in Constantinopel aangekomen, liet hij wagenspelen houden alsof er geen vuiltje aan de lucht was en zette hij de wagenmenner Thorax de overwinningskrans op het hoofd. 13.Toen Constantius daarvan hoorde, raakte hij totaal buiten zichzelf., En om te voorkomen dat Gallus op de een of andere manier onderweg, misschien toch, onzeker over zijn toekomst, iets zou proberen te ondernemen om zich veilig te stellen, liet hij opzettelijk de garnizoensbataljons verwijderen uit die steden waar hij door zou komen. 14.Het gebeurde een keer, dat Taurus, als quaestor op weg naar Armenië, hem brutaalweg passeerde zonder zich bij hem aan te dienen. In opdracht van de keizer werd hij wel door anderen bezocht, zogenaamd om zakelijke redenen, maar in werkelijkheid om hem onopvallend te bewaken, zodat hij niet kon verdwijnen of de een of andere slinkse streek kon uithalen. Bijvoorbeeld waren dat Leontius (de latere prefect van Rome) in zijn functie van quaestor, Lucillianus, die zich voordeed als een comes van de keizerlijke garde, en Bainobaudes, een tribuun van de Scutarii. 15.Intussen legde hij over gemakkelijk terrein grote afstanden af, tot hij in Hadrianopolis arriveerde, een stad in de buurt van de berg Haemus, vroeger Uscudama geheten, waar hij een dag of twaalf van zijn vermoeienissen bekwam. Van de Thebeïsche legioenen die in plaatsen dichtbij in winterkwartieren lagen, kwam hier een afvaardiging naar hem toe om hem met bepaalde beloften en verzekeringen over te halen daar te blijven. In de omgeving in grote kampementen gelegerd, wisten die zich een geduchte macht. Hij ervoer hiervan, maar zijn omgeving zorgde er wel voor dat hij geen enkele kans kreeg hen te zien, of te horen wat ze te zeggen hadden. 16.Dan kwam weer brief na brief, waarin hij gemaand werd zijn reis voort te zetten, wat hij deed, met gebruik van tien postwagens, met achterlating van zijn hele staf, behalve een paar kamer- en tafeldienaren die hij bij zich hield, langzamerhand vervuilend, voortgejaagd, met iedereen op zijn nek, dikwijls zichzelf vervloekend om zijn stomheid, waardoor hij zich als de eerste de beste onnozele hals door jan en alleman moest laten gezeggen. 17.En wanneer hij tijdens rustpozen wat sliep, werden zijn zinnen gekweld door de angstwekkende, krijsende gedaanten van de doden door zijn toedoen, met Domitianus en Montius voorop, die hem in zijn dromen grepen en in de klauwen van de Furiën wierpen. 18.Want los van de bindingen met het lichaam roept de onvermoeibaar bezige geest uit de verdrongen gedachten en zorgen die ’s mensen geheugen belasten, nachtelijke visioenen op, die wij [in het Grieks] phantasíai noemen. 19.Nu dus door een onverbiddelijke beschikking van het Lot was bepaald dat en hoe hij zijn macht en zijn leven zou verliezen, haastte hij zich regelrecht, telkens van paarden wisselend naar Petobio, een stad in Noricum, waar de zwarte sluier over het complot werd weggetrokken en plotseling de comes Barbatio verscheen, die de commandant van zijn lijfwacht was geweest, samen met Apodemius van de geheime dienst,14 en aan het hoofd van een afdeling soldaten die door Constantius waren geselecteerd omdat ze aan hem vanwege gunsten verplicht waren en dus niet vatbaar voor omkoping of medelijden. 20.Nu werd de zaak zonder verdere geheimdoenerij aangepakt. Een paleis dat buiten de muren lag, werd op bevel van Barbatio door soldaten omsingeld. Zelf zocht deze de caesar tegen de avond op, liet hem zijn purperen kleding afnemen en in plaats daarvan een tuniek en een gewone soldatenmantel geven. Verschillende malen zwoer hij, alsof hij namens de keizer sprak, dat hem verder niets zou gebeuren, maar beval hem vervolgens onmiddellijk op te staan, zette hem onverwachts in een privé wagen en bracht hem naar Histria in de buurt van de stad Pola, waar in het verleden, zoals we gehoord hebben, Crispus, de zoon ven Constantijn, gedood werd. 21.En terwijl hij daar in strikte afzondering werd gehouden, al halfdood van angst voor zijn naderend einde, arriveerden de praepositus cubiculi Eusebius, de notarius Pentadius en de tribuun van de paleisgarde Mallobaudes met orders van de keizer hem te dwingen van geval tot geval rekenschap af te leggen van de gronden waarop hij de executie had bevolen van zijn slachtoffers in Antiochia. 22.Lijkbleek als ooit Adrastus,15 wist hij slechts uit te brengen, dat hij de meesten had laten doden op instigatie van zijn vrouw Constantia. Hij wist zeker niet, dat toen de moeder van Alexander de Grote haar zoon eens preste een onschuldige te doden en hem almaar voorhield, dat zij hem negen maanden in haar schoot had gedragen in de hoop later te krijgen wat zij wilde, Alexander haar had geantwoord: ‘Lieve moeder, vraag me iets anders als beloning, want geen gunst weegt op tegen een mensenleven’. 23.Toen de keizer van Gallus’ antwoord hoorde, kreeg hij een aanval van woede en, niet meer te kalmeren, besloot hij ook voor zijn eigen veiligheid niet anders te kunnen doen dan die man te vernietigen. Dus zond hij Serenianus, van wie ik eerder heb verteld dat hij ooit, aangeklaagd wegens majesteitsschennis, op een merkwaardige manier was vrijgesproken, samen met de notarius Pentadius en Apodemius van de geheime dienst, om aan Gallus de doodstraf te voltrekken. Als een bandiet werd hij geboeid en onthoofd, waarna zijn hoofd en zijn gezicht onherkenbaar werden verminkt, zodat van de man die kort daarvóór nog de schrik was geweest van provincies en steden, niet méér overbleef dan een vormeloos kadaver. 24.Maar de hemelse gerechtigheid was waakzaam naar alle kanten, want niet alleen Gallus boette voor zijn wreedheden: niet lang daarna trof een pijnlijke dood ook de twee die hem, schuldig als hij uiteraard was, met mooie woorden en valse eden verraderlijk in een dodelijke val hadden gelokt. De één, Scudilo, kreeg een leverkwaal en stierf aan een bloedspuwing; de ander, Barbatio, die voortdurend valse beschuldigingen aan zijn adres had verzonnen, werd zelf slachtoffer van lasterpraat over zijn verondersteld streven naar een hogere rang dan die van magister peditum. Ter dood veroordeeld, verzoende hij met zijn treurig einde de schim van de caesar die mede door zijn intriges was omgebracht.
25.Zulke en talloze soortgelijke geschiedenissen zijn vaak het werk van Adrastia, die boosheid straft en deugd beloont (moge het altijd zo zijn!), de wreekster die wij met haar andere naam Nemesis noemen. Zij is als het ware de verpersoonlijking van de absolute rechtvaardigheid van een onverbiddelijke godheid, zetelend, zoals wel gedacht wordt, boven de sfeer van de maan, of ook wel, zoals anderen haar omschrijven, feitelijk een schutsgodin die de lotgevallen der mensen almachtig bestiert. Theologen van weleer beschouwden haar als een dochter van Justitia en zeiden dat ze vanuit een onbekende verblijfplaats in het heelal neerkeek op het aardse gebeuren. 26.Als majesteitelijke scheidsvrouwe oordelend over gedingen en gebeurtenissen beheert zij de urn met lotsbestemmingen, doet kansen keren, bezorgt soms zaken die we zijn begonnen een andere afloop dan we ons voorstellen door het samenweefsel van onze activiteiten te verstoren of te verwarren. Met onverbrekelijke banden kluistert zij ook de hoogmoed van zich vergeefs opblazende stervelingen aan een onafwendbare voorbestemming en tipt naar goeddunken de ene of de andere schaal van de balans van winst en verlies - daar is ze goed in - buigt en breekt de trotse nekken van hoogmoedigen en heft die dat verdienen op uit hun miserie naar een gelukkiger bestaan. Om al deze redenen beeldde men haar in de sagenrijke oudheid af met vleugels, om aan te geven dat zij ieder in snelle vlucht kon bereiken, en gaf men haar een helmstok in de handen en een wiel onder de voeten, opdat ieder goed zou weten dat zij alle elementen doorkruist en het heelal regeert. 27.Vroegtijdig dus, al walgde hij misschien van zichzelf, scheidde Gallus uit het leven in zijn negenentwintigste jaar, na een regering van vier jaar. Hij was geboortig uit Massa Veternensis in Etrurië als zoon van Constantius, een broer van keizer Constantijn, en Galla, een zuster van Rufinus en Cerealis, die beiden bekleed waren geweest met het ambt van consul en prefect. 28.Hij was een opvallend knappe verschijning, recht van lijf en leden, had zacht, blond haar, nog maar een donzige vlasbaard, maar zo jong was niettemin zijn groeiende autoriteit al onmiskenbaar. Hij was even verschillend van zijn broer Julianus, die een bezonnen mens was, als Domitianus was van Titus, de zonen van Vespasianus. 29.Toen hij dank zij vrouwe Fortuna het toppunt van zijn roem had bereikt, ervoer hij haar wispelturigheid, die stervelingen vaak parten speelt, sommigen eerst hemelhoog verheft, maar dan prijsgeeft aan de wateren van de Cocytus [in de onderwereld]. Daarvan zijn talloze voorbeelden te geven, waarvan ik er een paar in het kort zal noemen. 30.Het was deze onberekenbare geluksgodin die de Siciliaanse pottenbakker Agathocles tot koning kroonde en Dionysius, de schrik van volkeren, liet eindigen als hoofd van een lagere school in Corinthe. 31.Zij was het die Andriscus van Adramyttium, die in een volmolen was geboren, als Pseudophilippus liet optreden en de legitieme zoon van Perseus het smidsambacht leerde om in zijn onderhoud te voorzien. 32.Ook speelde zij Mancinus, die opperbevelhebber was geweest, de Numantiërs in handen, leverde Veturius over aan de wreedheid van de Samnieten, Claudius aan de Corsicanen en Regulus aan de woestheid van de Carthagers. Zij was zo onrechtvaardig om Pompeius, nadat hij zich door roemrijke daden de bijnaam van ‘de Grote’ had verworven, tot vermaak van eunuchen in Egypte te laten vermoorden. 33.Maar een zekere Eunus, een slaaf uit een werkhuis, werd aanvoerder van een leger weggelopen slaven op Sicilië. Hoeveel Romeinen van illustere families zijn niet door de luimen van deze zelfde machtige heerseres smekelingen geworden van Viriathus of Spartacus! Hoeveel hoofden waarvoor volken hebben gebeefd, zijn niet gevallen onder het bloedige zwaard van scherprechters! Zo wordt de één in boeien weggevoerd, de ander onverwacht met macht bekleed en een derde van de hoogste waardigheid beroofd. 34.Maar wie alle gevallen zou willen kennen van wat zich in dit opzicht in allerlei vormen heeft voorgedaan en nog steeds voordoet, zou zo dwaas zijn als iemand die korrels zand wil tellen of het gewicht van bergen zou willen wegen...
Noten
1.Flavius
Magnus Magnentius, tegenkeizer in het westen van het rijk van 350 tot 353,
aanvankelijk in alliantie met Vetranio, tegenkeizer in Illyricum. In augustus
353 maakten hij en zijn neef, caesar Decentius, verslagen, een eind aan hun
leven.
2.Flavius
Claudius Constantius Gallus, gehuwd met Constantia, dochter van Constantijn de
Grote.
3.Isaurië,
Romeinse provincie aan de zuidkust van Anatolië, omsloten door Lycaonië,
Pamphilië en Cilicië.
4.Cicero,
Pro Cluentio, 67.
5.Sapor
II, 310-379, de gevaarlijkste tegenstander van de Romeinse keizers in de 4e
eeuw.
6.In
323 werd Constantius (met zijn broers Constantijn II en Crispus) door
Constantijn de Grote tot caesar benoemd. Vanaf dat jaar ‘regeert’ hij
in 353 dertig jaar.Retour
7.Aldus
een destijds populaire voorstelling van Rome’s ontwikkelingsgang.
8.Termen
voor indelingen van de Romeinse bevolking in verband met stemrecht.Retour
9.Bij
Thermopylae in 191 vC.
10.Aanzienlijke
en invloedrijke burgers verleenden aan hun toegedane medeburgers, hun clientes,
bescherming en bijstand in financieel opzicht, in rechtszaken enz. Daartegenover
steunden de clientes hun beschermheer
bij verkiezingen en betuigden ze hem ostentatief respect tijdens dagelijkse
gemeenschappelijke beleefdheidsvisites.Retour
11.Sannio,
een figuur uit het blijspel Eunuchus van Terentius.
12.In
383. Dit lot trof kennelijk ook Ammianus.Retour
13.Met
het oog op een erfenis.
14.De
schola van agentes
in rebus (‘agenten in
den lande’), een corps van geheime agenten, spionnen (vandaar ook wel curiosi
genoemd), die tot taak hadden wetten en keizerlijke decreten door het rijk te
bezorgen en aan het hof hun bevindingen te rapporteren. Constantius breidde hun
bevoegdheden uit met het toezicht op de cursus
publicus, het wegennet van de
Staatspost, waarvan ze zelf belangrijke gebruikers waren.
15.Een
van de ‘Zeven tegen Thebe’. Bij de aanval op Thebe sneuvelden zijn
schoonzoons Tydeus en Polynices. Van verdriet hierover verloor hij voor altijd
zijn huidskleur.Retour