BOEK XV

1. Aan keizer Constantius wordt de dood van caesar Gallus gemeld

  1.Zover ik de feiten heb kunnen onderzoeken, heb ik wat ik in mijn tijd zelf heb meegemaakt of te weten ben gekomen door uitvoerige ondervraging van lieden die bij de betreffende zaken betrokken zijn geweest, op ordentelijke wijze verteld. Dat, waarvan in het volgende relaas sprake zal zijn, zal ik naar mijn beste vermogen nog nauwkeuriger behandelen, zonder me te storen aan degenen die bezwaar hebben tegen de naar hun mening te grote wijdlopigheid van dit werk, want bondigheid valt te prijzen wanneer wel van onnutte uitweidingen wordt afgezien maar in niets tekort wordt gedaan aan wat voor een juist begrip van de gebeurtenissen nodig is. 2.Nauwelijks stond Gallus in Noricum naakt uitgekleed, of de eeuwig op sensatie beluste Apodemius nam ’s mans laarzen in beslag en reed ermee, telkens van paarden wisselend, zo snel dat sommige daarvan, afgejakkerd, onder hem bezweken, naar Milaan om er als eerste het nieuws te brengen. Tot de keizer toegelaten, wierp hij de laarzen voor diens voeten alsof ze waren buitgemaakt op een verslagen Perzenkoning. En toen zijn bericht zo plotseling uit de hemel kwam vallen en men zich realiseerde dat een moeilijke zaak tegen alle verwachting in zo eenvoudig als het maar kon was opgelost, prezen de hogere dignitarissen aan het hof, die om ’s keizers gunst geen gelegenheid verzuimden diens ijdelheid te strelen, zijn moed en geluk hemelhoog. Want waren niet op zijn bevel (weliswaar op verschillende tijdstippen) twee potentaten, de usurpator Veteranio1 en de caesar Gallus, als gewoon voetvolk uitgeschakeld? 3.Die berekende vleierij steeg Constantius compleet naar het hoofd. Van dan af waande hij zich in elk opzicht onkwetsbaar en vertoonde op slag zo'n buitensporig, abnormaal gedrag, dat hij soms zelfs eigenhandig wat hij dicteerde onderschreef met ‘Mijne Eeuwigheid’ en zich in door hemzelf geschreven stukken ‘Heer van de hele wereld’ noemde - wat deze man, als een ander dat gedaan had, met verontwaardiging zou hebben afgekeurd, juist hij, die er zich op beroemde consequent daarnaar te streven zijn hele levenswandel in te richten naar het voorbeeld van beschaafde keizers. 4.Maar had hij geheerst over het oneindig aantal werelden dat Democritus aannam te bestaan en waarvan Alexander de Grote droomde - hij had dit van [zijn leermeester] Anaxarchus - zou hij hebben kunnen lezen of horen dat, zoals de astronomen eenstemmig verklaren, de omvang van de hele aarde, die ons zo immens groot voorkomt, in vergelijking met het machtige heelal niet méér is dan een stip.

  2. Ursicinus, magister equitum in de Oriënt, Julianus, de broer van caesar Gallus, en Gorgonius, diens praepositus cubiculi, worden van hoogverraad beschuldigd

  1.Niet lang nadat caesar Gallus zijn onzalig lot had ondergaan, werd de stormbal gehesen over de rechtspleging en werd Ursicinus aangeklaagd wegens hoogverraad. In werkelijkheid was hij slachtoffer van een sluipende jaloezie - waaraan iemand wie het goed gaat gemakkelijk komt bloot te staan. 2.Zijn probleem was, dat ’s keizers oren doof waren voor wat ten gunste van iemand kon worden aangevoerd, maar openstonden voor arglistige influisteringen van intriganten, die in dit geval verzonnen dat in heel het oosten de naam van Constantius nergens meer werd genoemd, maar de mensen in deze generaal, de schrik van de Perzen, hun redder zagen. 3.Maar toen hem dit overkwam, bleef deze man trots overeind, verlaagde zich niet tot kruiperigheid, maar betreurde het wel dat rechtschapenheid zo weinig heul vond in de wereld, en nog meer dat zijn eertijds talrijke vrienden nu overliepen naar de partij van de macht - als lictors, die vanzelfsprekend telkens opvolgende magistraten dienen. 4.Tegen hem was er ook één die deed alsof hij hem goed gezind was en hem herhaaldelijk in het openbaar zijn ‘collega’, ‘een prachtkerel’ noemde; dat was Arbetio, die toen veel macht bezat en buitengewoon sluw vaak argelozen dodelijke strikken spande. Als een ondergronds serpent dat vanuit zijn schuilplaats loert op wat voorbijkomt en daar plotseling op af schiet, zo bezoedelde die man zijn geweten keer op keer uit afgunst op andermans fortuin - terwijl hij zelf nota bene in het leger tot de hoogste rang was opgeklommen - en uit een onverzadigbare machtswellust, zonder zelf gekrenkt of uitgelokt te zijn. 5.Het kwam zover, dat in heimelijk overleg van enkele ingewijden samen met de keizer besloten en geregeld werd dat Ursicinus op een nacht zou worden ontvoerd en ver buiten het zicht van zijn soldaten zonder vorm van proces zou worden gedood - zoals ooit Domitius Corbulo naar men zegt vermoord werd, een man die temidden van de algemene corruptie onder Nero loyaal en gewetensvol verschillende provincies had bestuurd. 6.Maar toen alle voorbereidingen waren getroffen en degenen die daarvoor waren aangewezen op het vastgestelde tijdstip wachtten, werd het besluit toch nog teruggedraaid en de misdaad uitgesteld voor nadere overweging. 7.Daarna richtten de pijlen van de laster zich op Julianus, de latere fameuze keizer. Rauwelijks ontboden, werd hij ten onrechte aan een tweevoudig vergrijp schuldig geacht: ten eerste zou hij eigenmachtig van het landgoed Macellum,2   in Cappadocië, vertrokken zijn naar Asia om er te gaan studeren, en ten tweede was hij via Constantinopel gereisd, waar hij zijn broer Gallus had bezocht. 8.Hoewel hij deze aantijgingen kon weerleggen en kon aantonen dat hij niets daarvan gedaan had zonder toestemming, zou hij de intriges van de hofkliek niet hebben overleefd als hij niet door tussenkomst van een hemelse goedheid de gunst had genoten van keizerin Eusebia, zodat hij na een kort verblijf in de stad Comum, bij Milaan, verlof kreeg zijn studies in Griekenland te voltooien, wat zijn hartenwens was. 9.Dit wil niet zeggen dat deze affaires, die goddank goed afliepen, geen vervolg hadden: afgezien van zaken die op niets gebaseerd bleken en doodliepen, eindigden tal van andere aanklachten in een terechte veroordeling. Hoewel, ook gebeurde het wel dat lieden met geld aanklopten bij invloedrijke personen, zich als klimopranken aan hoge bomen aan hen vastklampten en zich met enorme bedragen aan smeergeld vrijkochten. Eenvoudiger volk met weinig of geen middelen om zich op die manier veilig te stellen, werd zonder pardon veroordeeld. Zo werd de waarheid verdoezeld met bedrog en gingen leugens soms door voor de waarheid. 10.In die dagen werd ook de voormalige praepositus cubiculi van de caesar, Gorgonius, voor de rechter gedaagd. Hij bekende dat hij niet alleen deelgenoot was geweest in diens wandaden, maar hem soms ook daartoe had aangezet; maar door konkelarij van de eunuchen aan het hof werd het recht afgedekt met een samenspinsel van leugens en raakte hij toch uit de nesten.

  3. Vrienden en medewerkers van caesar Gallus gestraft

  1.Terwijl dit alles plaatsvond in Milaan, werden grote aantallen militairen en verschillende hofbeambten, als handlangers van    Gallus verdacht van betrokkenheid bij het lynchen van Domitianus en Montius en de ondergang daarna van nog anderen, tot stikken toe beladen met ketenen, liever dood dan dat langer te moeten verdragen, van het oosten overgebracht naar Aquileia. 2.Arbetio en de praepositus cubiculi Eusebius, blaaskaken allebei, die voor elkaar in minachting voor het recht en in wreedheid niet onderdeden, kregen de opdracht hun zaken te behandelen. Zonder enig onderzoek dat die naam mocht hebben, zonder bokken van schapen te scheiden, veroordeelden ze sommigen na geseling of foltering tot verbanning, degradeerden ze anderen tot de laagste militaire rang en verwezen ze de rest naar de scherprechter. Grafkuilen vol slachtoffers lieten ze achter toen ze haast triomfantelijk naar huis terugkeerden om verslag uit te brengen aan de keizer, die wat zulke affaires betrof hard en onverbiddelijk was. 3.Vanaf dat moment toonde Constantius zich, alsof hij erop uit was de beschikkingen van het Lot opzettelijk te doorkruisen, steeds gretiger toegankelijk voor intriganten. Het gevolg was, dat nu plots overal speurhonden in actie kwamen, die als wilde dieren hun tanden zetten in zelfs de meest hooggeplaatsten en later op armen en rijken zonder onderscheid aanvielen - dus niet zoals de bekende broers uit Cibyra, die zich onderdanig uitsloofden voor het tribunaal van alleen maar de legaat Verres, maar met hun kwalijke praktijken de burgers van het hele rijk belaagden. 4.Allereerst waren dat de Pers van geboorte Paulus en de Daciër Mercurius, de eerste een notarius, de ander, een voormalige hofmeester, destijds een rationalis. Paulus, zoals eerder gezegd 3 had de bijnaam van ‘de Keten’, omdat hij als geen ander valse aanklachten aan elkaar wist te schakelen, onuitputtelijk als hij was in het bedenken van steeds weer andere trucs (zoals ook gehaaide worstelaars weten welke grepen ze moeten toepassen). 5.Mercurius werd wel de ‘comes van dromen’ genoemd, omdat hij als een kwaaie hond aanhankelijk kwispelstaartend zijn valsheid verborg, zich graag liet uitnodigen op maaltijden en feesten, maar dan, als iemand zijn vrienden vertelde wat hij in zijn dromen had gezien (wanneer de natuur vrijelijk haar gang gaat), daarvan een vuil gekleurd verhaal maakte, waarvoor hij gretig gehoor vond bij de keizer. Vervolgens werd die verteller, alsof hij aan iets onvergeeflijks schuldig was, onder het volle gewicht van Justitia verpletterd. 6.Toen gerucht daarover, met de nodige overdrijvingen, de ronde begon te doen, gingen mensen zover, dat ze in gezelschap nog liever beweerden zelfs niet te hebben geslapen dan zich ook maar iets te laten ontvallen over hun nachtelijke gezichten. En sommigen die daarvan wisten, betreurden het, niet bij de berg Atlas geboren te zijn, waar men zegt nooit te dromen - maar hoe dat zit, laten we maar aan de geleerden over. 7.Terwijl deze terreur gaande was, vond in Illyricum een ernstig incident plaats dat begon met loos gepraat en tenslotte velen in grote moeilijkheden bracht. Tijdens een maaltijd ten huize van Africanus, de gouverneur van Neder Pannonië, in Sirmium, begonnen sommige gasten die een slordige beker gedronken hadden en niet vermoedden dat er een spion was in hun gezelschap, af te geven op de regering - een schrikbewind volgens hen - waarop anderen hen verzekerden, alsof ze dat uit voortekenen afleidden dat een gewenste ommekeer niet lang meer op zich zou laten wachten, en nog anderen zo ongelooflijk dom waren om te beweren dat oude voorspellingen daarop inderdaad wezen, en dat zij het zelf zouden meemaken. 8.Maar een geheim agent onder de aanwezigen, Gaudentius,4 een domme, onnadenkende kerel, briefde dit, alsof het allemaal ernst was, over aan het bureauhoofd van de praetoriaanse prefectuur, Rufinus genaamd, die bekend stond als een door en door onbetrouwbare sensatiezoeker. 9.Die wist niet hoe gauw hij dit aan het keizerlijk hof moest melden. Constantius, wie zulke verdachtmakingen altijd welkom waren, stookte hij er zo mee op dat hij zonder bedenken beval Africanus en al zijn onzalige tafelgenoten in het gevang te smijten. (Waarna de onheilstichter die de zaak had aangebracht meer smaak kreeg in dat geniepige werk - want zo zijn mensen - en op zijn verzoek daarmee nog twee jaar mocht doorgaan.) 10.Teutomeres, van een bataljon Protectores werd samen met een collega belast met de arrestaties en zette de arme drommels, volgens bevel, beladen met ketenen op transport. Maar toen ze in Aquileia aankwamen, bleef Marinus, een voormalige drilmeester en tribuun buiten dienst, die nota bene het ongelukkige gesprek was begonnen, in een pleisterplaats tijdens de voorbereiding van de verdere reis even onbewaakt. Hij kreeg toevallig een groot mes in handen en, heethoofd die hij was, stiet dat in zijn buik, zodat zijn ingewanden eruit puilden, en stierf. 11.De overigen werden naar Milaan gebracht, vreselijk gefolterd en gedwongen te bekennen dat ze tijdens die maaltijd in een jolige stemming het een en ander hadden miszegd. Daarop werden ze op bevel van Constantius in verzekerde bewaring gehouden, wat hun enige (twijfelachtige) hoop gaf op vrijlating. Maar omdat Marinus door de schuld van de bewakers zelfmoord had kunnen plegen, werden die gestraft met verbanning, waar ze echter op voorspraak van Arbetio onderuit kwamen.  

4. Een stam van de Alamannen, in de buurt van Lentia, door keizer Constantius deels vernietigd, deels verjaagd

  1.Na afloop van die geschiedenis verklaarde Constantius de oorlog aan enkele stammen der Alamannen, met name die der (...) en Lentiënsers, die regelmatig de rijksgrenzen schonden en ver doordrongen op Romeins gebied. De keizer nam zelf het commando over die expeditie op zich. In de Campi Canini in Raetië aangekomen, leek het hem na ampel beraad nuttig (niet laf), daar zelf met een deel van de troepen te wachten, terwijl Arbetio, die de ruiterij aanvoerde, met een sterkere troepenmacht langs de oever van het meer van Brigantia [Constans] zou optrekken om de barbaren rechtstreeks aan te vallen. Ik zal de gesteldheid van dat gebied, voorzover hier van belang, in het kort beschrijven. 2.In een engte in het hooggebergte ontsprongen, spoedt zich de machtige stroom van de Rijn met geweld over de rotsen voort, zonder toevloed uit zijrivieren, zoals ook de Nijl zich van cataract naar cataract omlaag stort. En hij zou vanaf zijn oorsprong, wat zijn watermassa betreft, bevaarbaar zijn, was hij niet zo'n kolkende stroom maar een ordentelijke rivier. 3.Na enige tijd bereikt hij een vlakker terrein en vervolgt dan zijn weg tussen hoge, wijd uiteen liggende oevers tot hij zich uitstort in een groot rond meer, dat de omwonende Raetiërs Brigantia noemen. Dit meer is 460 stadiën lang en bijna even breed; door duistere, ondoordringbare bossen omgeven, is het onbenaderbaar, behalve daar waar de Romeinen met hun ouderwetse, praktische aanpak, ondanks tegenstand van de barbaren, terreinproblemen en slechte weersomstandigheden een brede weg hebben aangelegd. 4.Als de rivier daverend, kolkend met schuimkoppen dit moerasachtige water binnenstroomt en er de rust en stilstand van verstoort, gaat hij er in een rechte lijn dwars doorheen om het voor eeuwig verdeelde element weer met dezelfde watermassa te verlaten als waarmee hij erin kwam, nog onder dezelfde naam, even geweldig als tevoren, en bereikt tenslotte zonder verdere storingen de open zee. 5.Het vreemde is, dat de rust van het meer door die wilde rivier aan weerszijden daarvan door geen rimpel verstoord wordt, de stroom zelf door de drabbige substantie van het meer niet wordt afgeremd en de twee wateren elkaar raken maar strikt gescheiden blijven. Wie dat niet met eigen ogen ziet gebeuren, zou niet geloven dat het kon. 6.Zo gaat het ook met de rivier de Alpheüs, die in Arcadië ontspringt en zich, volgens de mythen, hunkerend naar de bron Arethusa een weg baant door de Ionische Zee naar het woongebied van de begeerde nimf. 7.Arbetio, intussen, kreeg eerder dan hij verwachtte, tegelijk met het eerste bericht dat ze in aantocht waren, contact met de barbaren. En hoewel hij het krijgsbedrijf met zijn risico’s best kende, liet hij zich dom in een hinderlaag lokken, waar hij tot zijn ontzetting plotseling geen manoeuvreerruimte meer had. 8.Onverwachts sprongen de vijanden van alle kanten uit hun schuilplaatsen te voorschijn en schoten met alles wat ze hadden op alles wat bewoog, en raak, zodat de onzen niet aan verdedigen konden denken en heil zochten in een overhaaste vlucht. In paniek alle kanten op rennend, met maar één gedachte: hun huid te redden, gaven ze zich juist ruggelings bloot aan de treffers. Velen toch zagen kans via allerlei paadjes en sluipwegen, later geholpen door de invallende duisternis, aan het gevaar te ontsnappen, herstelden zich bij het aanbreken van de morgen en zochten ieder weer aansluiting bij hun eigen eenheid. In dit onverwachte, ernstige incident hadden we het verlies van een groot aantal manschappen en tien tribunen te betreuren. 9.Als gevolg doken de Alamannen de volgende dag nog woester en krijgshaftiger uit de ochtendnevels bij onze schansen op en renden, zwaaiend met hun zwaarden, tandenknarsend, dreigend en uitdagend op en neer. Dat lokte een snelle uitval uit van onze Scutarii, die echter door de dichte horden barbaren werden teruggeslagen en, tot staan gebracht, naar hun achtergebleven kameraden om versterking riepen. 10.Maar de meesten daarvan waren nog niet bekomen van de schrik van gisteren, en Arbetio zelf aarzelde, niet wetend of het wel geraden was verder te vechten. Toen stormden drie tribunen tegelijk naar voren: Arintheüs, ondercommandant van de zwaargewapende garde, Seniauchus met een squadron garderuiterij onder zich en Bappo met zijn veteranen. 11.Met  hun mannen zetten ze zich in voor de algemene zaak, naar het voorbeeld van de Decii, vroeger, vielen als een stormwind over de barbaren heen. En niet in één ordelijk gevecht maar in een aantal bliksemacties joegen ze die smadelijk op de vlucht. In disorde probeerden ze alle kanten uit met moeite te ontkomen, waarbij ze zonder rugdekking door de onzen met zwaardhouwen en lanssteken werden neergemaaid. 12.Ruiters, met paard en al gedood, lagen overal in het rond alsof ze nog in het zadel zaten. En degenen die geaarzeld hadden met hun kameraden de strijd te hervatten, kwamen, toen ze dit zagen gebeuren, achter hun verschansingen vandaan, en zonder zich nog te ontzien, over hopen lijken heen, besmeurd met het bloed van de gesneuvelden, hakten ze de barbaren die het vege lijf niet konden redden, genadeloos in de pan. 13.Zo eindigde die slag, waarna de keizer in een opperbeste stemming in triomf terugkeerde naar Milaan voor de winter.

  5. De Frank Silvanus, magister peditum in Gallië, wordt in Keulen tot keizer uitgeroepen, maar wordt op de 28e dag van zijn bewind verraderlijk omgebracht

  1.Alsof er nog niet genoeg gaande was, brak opnieuw onheil uit, met voor de provincies veel ellende als gevolg. En in één keer zou daar alles mis zijn gegaan als niet Fortuna, de bestuurster van de menselijke lotgevallen, snel had ingegrepen en aan een gevaarlijke opstand een eind had gemaakt. 2.Aangezien de Gallische gouwen door langdurige verwaarlozing de prooi waren van rondzwervende barbaren, en massamoorden, plunderingen en brandstichtingen aan de orde van de dag waren zonder dat iemand daar iets aan deed, werd de infanteriecommandant Silvanus er door de keizer heengezonden als iemand die in staat moest zijn orde op zaken te stellen. Het was Arbetio die er sterk op had aangedrongen dat daarmee haast zou worden gemaakt, en met name dat zijn rivaal, die hij liever dood dan levend zag, weg uit zijn omgeving, met die gevaarlijke opdracht zou worden opgezadeld. 3.Een zekere Dynamius nu, die verantwoordelijk was voor de verzorging van de keizerlijke lastdieren, had deze Silvanus om aanbevelingsbrieven voor zijn vrienden gevraagd om het te doen voorkomen dat hij een bijzondere relatie met hem had. Maar toen hij kreeg wat hij vroeg - want Silvanus gaf argeloos aan zijn wens gehoor - bewaarde hij die brieven om er te zijner tijd misbruik van te kunnen maken. 4.Dus, toen de commandant in dienst van de staat door heel Gallië de barbaren zodanig achtervolgde dat die hun moed en brutaliteit al gauw kwijt waren, kwam de sluwe aartsbedrieger Dynamius in actie en bedacht een gemeen plan. Volgens geruchten, weliswaar, werd hij daarbij opgestookt en gesteund door de praefectus praetorio Lampadius, de gewezen comes rei privatae Eusebius (bijgenaamd Mattyocopus, de smulpaap) en de voormalige magister memoriae Aedesius, voor welke laatste twee, zijnde zijn naaste vrienden, Lampadius een consulaat geregeld had. Met een spons wiste hij de tekst uit, zodat alleen de handtekening overbleef, waarboven hij een andere, van het origineel geheel verschillende tekst schreef, waaruit zou zijn af te leiden dat Silvanus medestanders aan het hof en anderen, zoals Tuscus Albinus, verzocht hem in zijn ambities te steunen, want dat hij binnenkort de keizerlijke troon zou bestijgen. 5.Deze verzameling vervalste brieven, levensgevaarlijk voor de onschuldige Silvanus, speelde Dynamius toe aan de prefect, die ze op zijn beurt bij een goede gelegenheid tijdens een persoonlijke ontmoeting aan de keizer overhandigde, die zulke affaires gretig placht te laten onderzoeken. De listig veranderde teksten werden dan ook in ’s keizers consistorium 5 voorgelezen, waarna het bevel uitging de tribunen die erin werden genoemd te arresteren en de ook geïmpliceerde burgers uit de provincies op te halen. 6.Maar de commandant van de Gentiles, Malarichus, nam dit hele kwalijke gedoe niet, riep zijn collega’s bij elkaar en bezwoer ze, dat mannen die het rijk waren toegedaan niet het slachtoffer mochten worden van een kliek bedriegers. Hij stelde voor, dat hij zijn familieleden als gijzelaars zou achterlaten en met Mallobaudes, de tribuun van de zwaarbewapende garde, als borg voor zijn terugkeer, meteen persoonlijk Silvanus zou gaan halen, die zeker niet zulke plannen had als bepaalde vuilakken verzonnen hadden - of anders, dat Mallobaudes onder dezelfde voorwaarden maar met hemzelf als borg zou doen wat hij voorstelde. 7.Want als een ander dan hijzelf of Mallobaudes bij Silvanus zou aankomen, die nogal paniekerig kon reageren zelfs als er niets aan de hand was, wist hij wel wat er zou gebeuren, zei hij: de man zou alles op stelten zetten. 8.Het was een zinnig en doordacht voorstel, maar tegen dovemans oren gezegd. Want op advies van Arbetio werd Apodemius, een man die geen fatsoenlijke burger met rust kon laten, met een schriftelijke oproep naar Silvanus gestuurd. Eenmaal in Gallië echter, kwam die de opdracht waarmee hij vertrokken was niet na, liet Silvanus links liggen, overhandigde hem ook de brandbrief niet, maar begon onder het goedkeurend oog van de rationalis van de provincie wel de cliënten en de slaven van de commandant te koeioneren alsof de man vogelvrij verklaard en al zo goed als dood was. 9.Terwijl dus [in Milaan] op Silvanus’ komst gewacht werd en Apodemius de zaken alleen maar in de war liet lopen, fabriceerde Dynamius, om met een nog sterker bewijsstuk de geloofwaardigheid van zijn gewetenloze bedenksels te bevestigen, alweer een soortgelijke brief als die hij via de prefect aan de keizer had doen toekomen, nu gericht aan de tribuun van de wapenfabriek in Cremona en zogenaamd afkomstig van Silvanus en Malarichus. Daarin werd de tribuun, alsof hij ingewijd was in hun geheime plannen aangespoord ‘alles op korte termijn in gereedheid te brengen’. 10.Toen de tribuun die brief las, was hij lange tijd perplex en begreep in de verste verte niet wat dit te betekenen had, want hij herinnerde zich niet dat degenen die hem dit schreven ooit met hem over enige vertrouwelijke aangelegenheid hadden gesproken. Tenslotte liet hij het epistel door de brenger ervan onder begeleiding van een soldaat aan Malarichus retourneren, met het verzoek duidelijk te zeggen wat hij bedoelde en hem niet te laten raden, want dat hij maar een eenvoudig man was, die niet begreep waarop hier werd gezinspeeld. 11.Toen dit Malarichus onverwachts op het dak viel, schrok hij enorm en, ernstig beducht voor wat voor hemzelf en zijn landgenoot Silvanus werd bekokstoofd, riep hij de Franken bij elkaar die destijds aan het hof in hoog aanzien stonden en gooide er nu in zijn kwaadheid alles uit: hoe het hem duidelijk was geworden, dat een complot werd gesmeed, want dat een stuk bedrog aan het licht was gekomen waaruit zonneklaar bleek dat men het op zijn leven gemunt had... 12.Dit kwam de keizer ter ore, die zijn geheime raad opdracht gaf de zaak met alle betrokken officieren grondig te onderzoeken. Ter zitting van dit college nu, ontdekte de plaatsvervangend magister officiorum Florentius, een zoon van Nigrinianus, bij nauwkeurige beschouwing van de schrifturen de moeten of sporen van letters die er eerder hadden gestaan en begreep daaruit wat er was gebeurd, namelijk dat er met een oorspronkelijke tekst was geknoeid en daar overheen een andere geschreven was dan Silvanus had gedicteerd, zodat sprake was van opzettelijk bedrog. 13.Zo werd deze mystificatie opgehelderd. En de keizer, hierover gerapporteerd, onthief de prefect van zijn functie met het bevel hem aan een ondervraging te onderwerpen (maar die kwam vrij dank zij bepaalde dringende interventies). De voormalige comes rei privatae Eusebius gaf op de martelbok toe dat de zaak met zijn medeweten op touw was gezet. 14.Aedesius, die krachtig ontkende er ook maar iets van te hebben geweten, kwam met de schrik vrij. En het eindigde ermee, dat al degenen die op grond van de valse beschuldigingen waren gearresteerd, van rechtsvervolging werden ontslagen - maar dat Dynamius, alsof hij zich door bijzondere prestaties had onderscheiden, in de rang van corrector belast werd met het bestuur over Etrurië en Umbrië(!). 15.Ondertussen werd Silvanus, die zich in de buurt van Keulen bevond, door vrienden regelmatig op de hoogte gebracht van Apodemius’ acties tegen zijn persoon, en, wetend hoe gemakkelijk de keizer met zijn grillig karakter te bewerken was, vreesde hij zonder gezien of gehoord te zijn te zullen worden omgebracht. Zo ernstig voelde hij zich in het nauw, dat hij er zelfs over dacht zich op genade of ongenade over te geven aan de barbaren. 16.Dat werd hem afgeraden door de tribuun Laniogaisus, die, zoals ik vroeger heb verteld, destijds als lid van Constans’ lijfwacht de enige getuige was van diens dood. Zijn mening was, dat de Franken - hij was er zelf één - hem zeker zouden doden of hem anders tegen een beloning zouden uitleveren. Toen Silvanus uit de gegeven situatie dus geen uitweg meer zag dan met een noodsprong, nam hij de officieren van zijn staf één voor één in vertrouwen, kreeg ze met beloften van grote beloningen aan zijn kant, verzamelde alle purperen versierselen van de drakenstandaards en vanen voor een provisorisch gewaad en liet zich tot keizer uitroepen. 17.Toen in Gallië daarmee dus een geheel nieuwe situatie was ontstaan, kwam op een dag tegen het vallen van de avond in Milaan onverwachts het bericht binnen, dat Silvanus, niet langer tevreden met het commando over de infanterie en meegesleept door zijn ambities, het leger op zijn hand had gekregen en tot keizer was verheven. Er was geen twijfel aan: het bericht was juist. 18.Als door de bliksem van het Lot getroffen en overdonderd door de omvang van de ramp riep Constantius midden in de nacht zijn geheime raad bijeen. En toen niemand van de haastig in het paleis vergaderde hoge functionarissen wist te zeggen of zelfs te bedenken wat te doen stond, werd aarzelend de naam gefluisterd van Ursicinus, die zichzelf in de moeilijkste oorlogssituaties had bewezen en zonder reden en volkomen onterecht was zwartgemaakt. Door de magister admissionum, de hofceremoniarius (en dat was een eer!) ontboden, werd hem bij binnenkomst in het consistorium het purper voorgehouden voor de begroetingskus, zo minzaam als het hem nooit eerder was overkomen. (Het was keizer Diocletianus die deze uitheemse mode [het kleed van de keizer te kussen] had ingevoerd; we weten, dat daarvóór keizers op dezelfde manier werden begroet als hoge functionarissen.) 19.Zo werd de man die kort tevoren nog door kwade tongen was afgeschilderd als het noodlot van het oosten, als iemand die eropuit was via zijn zonen de hoogste macht aan zich te trekken, plotseling de kundigste militaire leider en grote medestrijder van de keizer, de enige die de brand kon blussen! Dat hij werd aangezocht was uiteraard terecht, maar had sinistere bijbedoelingen, want het ging er natuurlijk om, de geduchte opstandeling Silvanus te vernietigen, maar als het anders zou uitpakken Ursicinus, die al een getekende was, uit de weg te kunnen ruimen, zodat in elk geval één gevaar bezworen zou zijn. 20.Terwijl haastig voorbereidingen werden getroffen voor zijn vertrek, probeerde de generaal zich eerst nog bij de keizer vrij te pleiten van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht, maar deze wuifde dit af, want, zei hij niet onvriendelijk, dit was niet de tijd om een verweer in een geschil te beginnen, terwijl de ernst van de situatie vorderde, dat partijen wederzijds hun vroegere verstandhouding terugvonden vóór nog verder uit de hand liep wat nu dringend moest worden opgelost. 21.Uitvoerig werd ook de belangrijke vraag besproken, hoe Silvanus in de waan kon worden gelaten dat de keizer nog steeds geen notie had van wat hij uitvoerde, waarbij men bij een aannemelijke constructie uitkwam, namelijk dat hem, om niet zijn argwaan te wekken, in een complimenteus schrijven zou worden verzocht Ursicinus als zijn opvolger te accepteren en met zijn functie en rang onverlet terug te keren naar het hof. 22.Aldus werd besloten. Ursicinus vertrok onmiddellijk, op zijn verzoek begeleid door een aantal tribunen en tien protectores om hem bij de uitvoering van zijn taak te assisteren, onder wie ook mijn persoon en mijn collega Verinianus, en verder alleen vertrouwelingen [van de keizer]. 23.Eenmaal op weg, reden we om beurten een lang eind met de commandant op, ieder vol zorg over zijn eigen veiligheid. Maar hoewel onze positie was als die van gladiatoren bestemd voor wildedierengevechten, bedachten we dat alle slechte zaken tenslotte dit positiefs hadden: zich ten goede te kunnen keren. Ons troostte de uitspraak van Cicero, die zo waar is als wat: ‘dat hoewel we niets liever hebben dan dat ons geluk onveranderlijk en bestendig is, zo’n gelijkmatigheid in ons leven niet zoveel voldoening geeft als wanneer het geluk ons na verdriet en tegenspoed weer tegenlacht’6 24.We haastten ons dus in lange dagreizen voort, aangezien Ursicinus met alle geweld in het omstreden gebied wilde aankomen vóór enig bericht over de machtsgreep Italië bereikte. Maar zo’n haast konden we niet maken of het gerucht dat wij op komst waren, was ons als het ware vooruit gevlogen, en toen we in Keulen arriveerden, constateerden we dat de zaak ons al uit de handen was geslagen. 25.Een van alle kanten samengestroomde menigte juichte Silvanus’ onderneming, die zo aarzelend begonnen was, toe, terwijl de troepenmacht die we aantroffen, niet gering was. Bij die stand van zaken koos onze commandant daarom voor de tactiek, de zaak en de bedoelingen van de nieuwbakken keizer te steunen en hem in de waan te laten dat hij in ons nog weer nieuwe medestanders had. Door zo diens gevoel, safe te zijn, door blijken van instemming te versterken, zou hij dan in een onbewaakt ogenblik de hand op hem kunnen leggen. 26.Dat was gemakkelijker gedacht dan gedaan, want alles hing ervan af, of die actie op precies het juiste ogenblik zou worden uitgevoerd: niet te vroeg en niet te laat. En lekte ze voortijdig uit, was onze groep zonder twijfel collectief ten dode opgeschreven. 27.Maar onze commandant werd hartelijk ontvangen en had de ‘eer’ - omwille van onze opdracht moesten we ons wel het een en ander laten welgevallen - plechtig voor de protserig gepurperde man te mogen knielen, waarna hij behandeld werd als de meest gewaardeerde vriend. Met onbeperkte toegang tot de ‘keizer’ en een ereplaats aan diens tafel werd hij bevoorrecht boven anderen; zelfs werd hij vertrouwelijk over de belangrijkste zaken geraadpleegd. 28.Silvanus hield niet op, tegenover wie het maar horen wilde lucht te geven aan zijn ergernis over het feit, dat terwijl allerlei sujetten verheven waren tot het consulaat of andere hoge posities, alleen hij en Ursicinus, die zich herhaaldelijk in dienst van de staat hadden afgesloofd, daarvoor te min waren geacht; hijzelf nota bene de schandelijke behandeling had moeten ondergaan van een vernederend onderzoek, inclusief een verhoor van zijn vrienden, in verband met een beschuldiging van hoogverraad, en Ursicinus uit het oosten was weggehaald en aan de haat van zijn vijanden was overgeleverd. 29.Maar meer dan dit geklaag verontrustte ons het gemor van de soldaten om ons heen over hun gebrekkige verzorging, waarom ze het liefst meteen door de passen van de Cottische Alpen Italië zouden binnenstormen.7 30.Koortsachtig probeerden we daarom intussen onder elkaar een plan te bedenken met een goede kans van slagen. Hoewel we daarbij, overvoorzichtig, vaak van gedachten veranderden, kwamen we tenslotte tot het besluit zorgvuldig enkele discrete tussenpersonen te selecteren en met hen onder heilige eden tot geheimhouding te bespreken wat we wilden, namelijk hen de Bracchiati en Cornuti te laten opruien, onderdelen van een twijfelachtige loyaliteit, die van het ene moment op het andere voor een goede beloning konden overlopen. 31.Zo werd die zaak inderdaad geregeld via een paar gewone soldaten die dat onopvallend konden doen. Dus op een vroege morgen dook plotseling een groep gewapende mannen op, belust op de uitgeloofde premie, die, na de wachten te hebben uitgeschakeld, met driest geweld - zoals dat gaat in hachelijke situaties - inbraken in het paleis, Silvanus te voorschijn sleurden uit een nis waarin hij zich, juist op weg naar een christelijke ceremonie, doodsbang verborgen had, en hem afslachtten met hun zwaarden. 32.Dat was het einde van een generaal van niet geringe verdienste, die, verstrikt in een web van laster dat een kliek vijanden tijdens zijn afwezigheid om hem gesponnen hadden, om zijn leven te redden in wanhoop naar een uiterste middel had gegrepen. 33.Weliswaar had hij Constantius aan zich verplicht door destijds vóór de slag bij Mursa [tegen Magnentius] met zijn troepen naar hem over te lopen - wat toen zeer gelegen kwam - maar hij kende ’s keizers wispelturige, onbetrouwbare aard en was voor hem op zijn hoede, zelfs al had hij bovendien nog het krediet van de moedige daden van zijn vader Bonitus, een Frank weliswaar, maar één die zich in de burgeroorlog dikwijls aan de kant van Constantijn dapper geweerd had tegen de troepen van Licinius.34.Nu was het merkwaardig, dat vóór er ook maar in de verste verte sprake was van de beschreven gebeurtenissen, het publiek in het Circus Maximus in Rome luidkeels had geroepen: ‘Silvanus is verslagen!’ En niemand weet of dit kwam door het een of andere bericht of door een voorgevoel.  35.Toen dus Silvanus, zoals gezegd, in Keulen was omgebracht en dit aan de keizer werd gemeld, was deze daar juichend over en, opgeblazen van trots, schreef hij ook dit toe aan zijn gelukkig gesternte, wat in de lijn lag van zijn houding in het algemeen tegenover sterke figuren, die hij haatte - zoals ook ooit Domitianus - en op alle mogelijke manieren tegenwerkte. 36.Zo was het ook verre van hem, Ursicinus te prijzen om de voortvarendheid waarmee hij zijn opdracht had uitgevoerd; integendeel liet hij zelfs nog iets noteren over verduistering van gelden uit de Gallische schatkist, waar niemand aan geraakt had. Dit liet hij nauwkeurig onderzoeken door ondervraging van Remigius, die destijds in dienst van de bevelhebber verantwoordelijk was voor de bevoorrading (dezelfde die zich vele jaren later, onder Valentinianus, verhing in verband met de affaire van het gezantschap uit Tripolis8) 37.En toen dit alles achter de rug was, liep Constantius met het hoofd in de wolken alsof hij voortaan meester was van het lot van de gewone stervelingen, des te verwaander door de bombast van zijn hielenlikkers, waarvan er steeds meer kwamen door zijn eigen toedoen, doordat hij iedereen verachtelijk van zich afstootte die niet genoeg in die kunst bedreven was - zoals we kunnen lezen dat ook Croesus Solon zijn rijk uitgooide om het simpele feit dat deze niet wist hoe hem te vleien, en zoals Dionysius de dichter Philoxenus dreigde te vermoorden omdat hij als enige zwijgend toehoorde toen de tiran onder applaus van alle andere aanwezigen zijn povere, eigengeknutselde rijmelarijen voordroeg. 38.Zo is eigendunk een valse voedstermoeder van nijd. Want dan pas komt een hooggeplaatste lof toe, als er soms ook plaats is voor afkeuring van wat minder goed gedaan is.  

6. Vrienden en medestanders van Silvanus worden ter dood gebracht 

1.Nauwelijks was de rust weergekeerd, of de gebruikelijke onderzoeken leverden weer schuldigen op, die geboeid en geketend werden gestraft. Want de duivelse aanklager Paulus meldde zich weer met het grootste plezier present om zich in zijn gore specialisme onbeperkt uit te leven. De leden van ’s keizers geheime raad en de officieren die met de ondervraging waren belast, lieten Proculus, Silvanus’ adjudant, op de martelbok spannen - dat was een tengere en ziekelijke man - en iedereen vreesde, dat zijn kwetsbare lichaam tegen al te forse martelingen niet bestand zou zijn en hij lukraak vele anderen van vreselijke misdaden zou beschuldigen. Maar dat pakte anders uit. 2.Want de man herinnerde zich een droom, waarin hij gewaarschuwd werd, zoals hij zelf zei, geen onschuldige in het ongeluk te storten, en noemde, bijna doodgemarteld, geen enkele naam en beschuldigde niemand. Zelfs verdedigde hij Silvanus, die volgens hem niet uit eerzucht tot zijn daad was gekomen maar onder dwang van de omstandigheden. En hij had daarvoor een hard bewijs. 3.Als overtuigend en ook door anderen bevestigd argument voor zijn stelling voerde hij namelijk aan dat Silvanus vier dagen vóór hij zich met de purperen linten tooide, zijn soldaten uit naam van Constantius hun soldij had uitbetaald en ze had aangespoord tot moedige en trouwe dienst. En het sprak toch vanzelf dat als hij werkelijk van plan was geweest zich de keizerlijke onderscheidingstekens toe te eigenen, hij zo’n groot bedrag aan goud als zijn eigen gift zou hebben uitgedeeld! 4.Na hem voltrok zich het noodlot der verdoemden aan Poemenius, en de man die, zoals ik vroeger eens heb verteld, door de burgers van Trier tot hun verdediger werd gekozen toen hun stad haar poorten sloot voor caesar Decentius, 9 vond de dood onder het zwaard, waarna ook de comites Asclepiodotus, Lutto en Maudio, samen met vele anderen werden geëxecuteerd als gevolg van verwarde onderzoeken die aan de orde van de dag waren.

  7. De stadsprefect van Rome, Leontius, onderdrukt een volksoproer. Bisschop Liberius afgezet

  1.Toen deze heilloze affaire speelde, met veel kommer en kwel als gevolg, was Leontius gouverneur over de Eeuwige Stad. Hij bewees in tal van zaken een uitstekend rechter te zijn, efficiënt en streng rechtvaardig in onderzoeken en uitspraken, een vriendelijk mens, hoewel volgens sommigen te bedacht op eerbiediging van zijn gezag en als het daarom ging te snel geneigd iemand te veroordelen. 2.De eerste keer dat hij met volksverzet te maken kreeg, had dit een banale oorzaak. Toen namelijk de wagenmenner Philoromus werd gearresteerd, ging heel het plebs er achteraan om deze lieveling van het publiek in bescherming te nemen en ging het woedend te keer tegen de prefect, in de veronderstelling zeker dat dit indruk op hem zou maken. Maar hij wist van geen wijken, bleef er koelbloedig onder en zond zijn gerechtsdienaren op de menigte af, die sommigen in de boeien sloegen en hard aanpakten, waarna hij ze, zonder dat iemand protesteerde of zich verzette, strafte met verbanning naar een eiland. 3.Een paar dagen later, toen de gemoederen opnieuw verhit raakten omdat er een tekort aan wijn zou dreigen, en het gepeupel nu bij het Septemzodium 10 te hoop liep, wat een druk punt was in de stad, waar keizer Marcus Aurelius een protserig Nympheum had gebouwd, ging de prefect er persoonlijk resoluut op af, hoewel hem door toga en tunica dringend werd afgeraden zich in die uitdagende en dreigende menigte te begeven, die nog nakookte van de vorige keer. Voor geen kleintje vervaard, ging hij er regelrecht op in; zelfs liet een deel van zijn entourage hem daarbij in de steek, zo levensgevaarlijk leek de situatie waaraan hij zich blootstelde. 4.Vanuit zijn karos nam hij, uiterlijk onverstoorbaar, met zijn doordringende blik nauwkeurig de gezichten op in de razende menigte die om hem heen kolkte - als een kronkelende hoop slangen - en liet alle beledigingen over zich heen gaan, tot hij een roodharige reus van een kerel herkende die boven de rest uitstak, wie hij vroeg of hij niet Peter was, bijgenaamd Valvomeres, zoals hij meende te weten. En toen de man op een brutale toon antwoordde dat hij dat was, liet de gouverneur deze hem bekende raddraaier, ondanks protesten uit de menigte, de handen op de rug binden en ophijsen [voor een pak met de zweep]. 5.En toen men hem zo zag hangen en vergeefs zijn kornuiten om hulp hoorde roepen, vluchtte iedereen door de zijstraten weg, zodat de net nog dichte menigte zich zo volledig oploste, dat de relschopper zijn afranseling even ongezien onderging als kreeg hij ze in een besloten krocht onder het gerechtsgebouw. Hij werd vervolgens naar Picenum verjaagd, waar hij later het lef had zich aan een meisje van goede familie te vergrijpen en daarvoor door de consularis Patruïnus ter dood werd veroordeeld. 6.Tijdens het bewind van Leontius werd een bisschop van de christelijke cultus [Liberius] door Constantius voor zijn geheime raad gedaagd wegens verzet tegen een keizerlijk decreet en de besluiten van de meerderheid van zijn ambtsbroeders in een aangelegenheid die ik in het kort zal uitleggen. 7.De toenmalige bisschop van Alexandria, Athanasius, was iemand die zijn bevoegdheden te buiten ging door zich te bemoeien met zaken die hem niet aangingen (althans zo wilden het hardnekkige geruchten) en was om die reden door een vergadering van vertegenwoordigers van die cultus - een synode noemen ze dat - uit zijn ambt gezet. 8.Onder andere werd gezegd dat hij bedreven was in de uitleg van orakelspreuken en de geheime betekenis van de vlucht van vogels, in verband waarmee hij soms toekomstvoorspellingen had gedaan. Daarnaast werd hij beschuldigd van andere praktijken die vloekten met de doelstellingen van de cultusgemeenschap waarin hij een leidende positie bekleedde. 9.Deze Athanasius moest dus op bevel van Constantius door bisschop Liberius door medeondertekening van het synodale besluit van zijn bisschoppelijke zetel vervallen worden verklaard, maar hoewel deze daarover niet anders dacht dan de rest [van de bisschoppen], had hij daar groot bezwaar tegen, want, zo liet hij duidelijk en herhaaldelijk weten, het was een goddeloze onrechtvaardigheid iemand te veroordelen zonder hem gezien of gehoord te hebben, en legde het bevel van de keizer naast zich neer. 10.Het was namelijk zo, dat Constantius, die een grote hekel aan Athanasius had, wel wist dat de zaak [van diens afzetting] beklonken was, maar er toch zeer aan hechtte, dat ook de bisschop van de Eeuwige Stad met zijn hoger gezag daarmee officieel akkoord ging. Dus toen hij dat niet van hem gedaan kreeg, moest Liberius verdwijnen, wat niet eenvoudig was en midden in de nacht moest gebeuren met het oog op het volk, dat hem hartstochtelijk aanhing.11

  8. Julianus, de broer van Gallus, wordt door zijn neef, keizer Constantius, tot caesar benoemd en over Gallië aangesteld  

1.Deze dingen, hierboven beschreven, speelden zich dus af in Rome. Constantius maakte zich intussen zorgen over de deplorabele staat waarin Gallië zich bevond, waar volgens aanhoudende berichten barbaren allesverwoestend huishielden zonder dat iemand dat een halt toeriep. Lang aarzelde hij over de vraag, hoe de problemen daar aan te vatten (zelf wilde hij namelijk niet uit Italië weg, want hij voelde er niets voor, zich in zulke verre gewesten in gevaar te begeven) tot hij op de gedachte kwam zijn neef Julianus, die hij kort daarvóór uit de provincie Achaia had laten overkomen - een student was dat nog - naast zich in het bestuur van het rijk op te nemen. 2.Maar toen hij onder de druk van de omstandigheden zijn naaste medewerkers daarover in vertrouwen nam en openhartig bekende (wat hij nog nooit gedaan had), dat hij alléén tegen zo veel en telkens weer nieuwe perikelen niet was opgewassen, was het antwoord van deze gekwalificeerde mooipraters - en ze hielden niet op, dat te herhalen - dat er geen moeilijkheid was zo groot, dat hij ze niet met zijn genialiteit en bovenmenselijk geluk de baas kon. Zo was het immers altijd?  Sommigen met een kwaad geweten12 voegden daar nog aan toe, dat de caesartitel beter voor altijd vermeden werd, gezien wat gebeurd was onder het bewind van Gallus. 3.Alleen de keizerin verzette zich tegen hun hardnekkig gedram, misschien omdat ze opzag tegen een reis naar een ver land of omdat ze met haar aangeboren nuchterheid het algemeen belang voor ogen hield, en verklaarde dat een naaste verwant verkieslijk was boven wie dan ook. Het voor en tegen van de zaak werd zo keer op keer tegen elkaar afgewogen, maar uiteindelijk wuifde Constantius alle niet ter zake doende argumenten weg. Zijn besluit stond vast: hij verkoos inderdaad het keizerschap met Julianus te delen. 4.Nadat deze dus was ontboden, werden op een daarvoor bepaalde dag alle legerafdelingen, voorzover aanwezig, verzameld rond een met adelaars en standaards omgeven verhoogd platform, waarop de keizer plaatsnam, Julianus bij de rechterhand nam en op rustige toon de volgende toespraak hield. 5.‘Wij verschijnen voor u, onvolprezen verdedigers van ons land, om in een geest van eensgezindheid een zaak te regelen die ons allen aangaat. En ik vraag uw nuchter oordeel over hoe ik dit, in het kort gezegd, van plan ben te doen. 6.Na de dood van de opstandige tirannen, die door een waanzinnige woede gedreven de doelen najoegen die ze voor ogen hadden, hebben nu de barbaren, alsof ze Romeins bloed moeten offeren aan hun schimmen in de onderwereld, de vrede aan onze grenzen verbroken. Aangemoedigd door de gedachte dat onze handen gebonden zijn door ernstige problemen in allerlei uithoeken van ons rijk, stropen ze heel Gallië af. 7.Als deze misstand, die alle perken langzamerhand te buiten gaat, nu het nog tijd is, door een gezamenlijke maatregel van ons en van u wordt aangepakt, zullen deze vermetelen de nek moeten buigen en zal de veiligheid van onze rijksgrenzen verzekerd zijn. Alleen moet u daar van harte mee instemmen en zodoende het vertrouwen dat ik zelf heb in de toekomst versterken. 8.Julianus hier, mijn neef zoals u weet, die ik hoogacht en die mij dierbaar is om zijn bescheidenheid en onze bloedverwantschap, een jonge man vol energie bovendien, wens ik met mij te verbinden in de rang van caesar, wat naar ik hoop door u - als u dat positief acht - met uw instemming zal worden bekrachtigd.’ 9.Hij wilde nog meer zeggen, maar de verzamelde troepen verhinderden dat met goedkeurende kreten, roepend - alsof ze in de toekomst konden zien - dat dit eerder een besluit van de hoogste godheid was dan een menselijke beslissing. 10.De keizer bleef bewegingloos staan tot ze stil waren en sprak toen met groter zelfvertrouwen verder: ‘Aangezien uit uw toejuichingen blijkt, dat ook u akkoord gaat, laat dan deze kalme, maar daadkrachtige jongeman, wiens eenvoudige levensstijl eerder navolging dan lof verdient, verheven worden tot de eer die hem met gods zegen wordt aangeboden. Zijn voortreffelijke aanleg, ontwikkeld door zijn studies, denk ik voldoende te hebben aangetoond door het feit dat ik hem gekozen heb. Dus zal ik hem nu, onder het goedkeurend oog van god in de hemel, bekleden met het keizerlijk gewaad.’ 11.Met deze woorden legde hij Julianus het dynastieke purper om, verklaarde hem onder bijval van het leger tot caesar en sprak toen tot de jongeman, die er wat ongelukkig en zorgelijk bij stond: 12.‘Mijn allerdierbaarste broeder, U hebt zojuist op nog jonge leeftijd de eer gekregen die uw geboorterecht is en het lijkt wel of de glans van mijn eigen glorie daardoor is toegenomen en ik nog meer roem geniet door aan een edele prins die aan mij verwant is een bijna gelijke macht toe te kennen dan door de macht zelf te bezitten. 13.Sta mij dus bij. Deel met mij de zwarigheden en gevaren en neem de taak op u, Gallië te beschermen en te verdedigen en de situatie waarin die zwaar bezochte provincies verkeren, hoe dan ook te verlichten. Als het tot een gevecht moet komen met vijandelijke horden, sta pal midden tussen de standaarddragers. Als de omstandigheden het eisen, spoor na goed overleg aan tot moedige acties. Vuur uw manschappen aan in de strijd door ze vóór te gaan, maar denk om uzelf. Raken ze in problemen, kom ze te hulp met versterkingen. Roep achterblijvers tot de orde, maar val ze niet te hard. Wees er altijd bij om te zien wie dapper zijn of laf. 14.Een dringend probleem vraagt om een oplossing. Neem dus als een moedig man het commando over een moedig leger. Wij zullen elkaar wederkerig bijstaan in voortdurende mannelijke genegenheid voor elkaar. We zullen samen strijden en als god onze gebeden verhoort samen even gematigd en in gerechtigheid regeren over een wereld in vrede. Het zal zijn alsof u overal met mij bent, en ik zal u niet mankeren bij wat u ook zal ondernemen. Tenslotte, ga nu snel met de goede wensen van ons allen om met nimmer aflatende zorg en waakzaamheid de taak te volvoeren die u als het ware door het land zelf is opgelegd.’ 15.Nauwelijks was Constantius uitgesproken of er ging een gejuich op en alle soldaten sloegen met groot geraas hun schilden tegen hun knieën (dit is een teken van volledige instemming; want als ze met de speren op hun schilden slaan, is dat een uiting van woede en teleurstelling) en het was ongelooflijk hoe zo goed als iedereen de keuze van de keizer goedkeurde en met passend respect de nieuwe caesar begroette, die daar stond te stralen in het keizerlijk purper. 16.Lange tijd bleven ze hem met grote belangstelling bekijken en probeerden ze van zijn innemende en levendige gezicht met ogen die gezag en tegelijk zachtheid uitstraalden, af te lezen wat voor een man hij zou zijn - alsof ze door studie uit oude geschriften geleerd hadden, hoe lichamelijke kenmerken iemands innerlijk en karakter verraden. Ze prezen hem niet overmatig, uit respect voor de autoriteit van een hogere rang [Constantius], maar ook niet minder dan passend was, en zo leken hun uitingen meer op die van censors (zo afgemeten) dan op die van soldatenvolk. 17.Tenslotte werd Julianus door de keizer uitgenodigd naast hem plaats te nemen in zijn rijtuig en naar het paleis gereden, terwijl hij zacht voor zich heen het vers uit Homerus’ Ilias citeerde: ‘Mij geviel een purperen dood en het machtige noodlot’ 13 Dit gebeurde op de zesde november van het jaar waarin Arbetio en Lollianus consuls waren. 18.Een paar dagen later werd een zus van Constantius, Helena, een maagd nog, met de nieuwe caesar in de echt verbonden, en toen alles in gereedheid was voor diens snelle vertrek, reisde hij op de eerste december [355] met een kleine escorte af, door de keizer zelf begeleid tot aan de plaats die bekend is vanwege twee zuilen, tussen Laumellum en Ticinum [Pavia], regelrecht naar Taurini [Turijn]. Daar kreeg hij een verpletterend bericht, dat al eerder het keizerlijk hof had bereikt maar opzettelijk was stil gehouden om de voorbereidingen niet te frustreren. 19.De boodschap was, dat de welbekende stad Keulen in Neder Germanië na een fanatieke belegering door barbaren met een grote overmacht was bestormd en verwoest. 20.Daardoor diep getroffen, want hij zag er een voorteken in van verder onheil, mompelde hij vaak mistroostig voor zich heen dat hij niets anders had bereikt dan dat hij onder een zwaardere last ging sterven. 21.Maar toen kwam hij in Vienna [Vienne] aan, waar jong en oud, arm en rijk, te hoop liep om hem bij zijn intocht als een lang verwachte redder met alle eer te begroeten! Al toen men hem van ver zag aankomen, ging er een roep op onder het volk van de stad en het omringende land: dáár was de genadige en verlossende heer! Het ging voor hem uit in een feestelijke stoet, riep eenstemmige acclamaties en bezag de wettige vorst in zijn triomf met gretige blikken. In zijn komst zag men het einde van alle rampspoed; het was alsof midden in een wanhopige situatie een reddende engel was verschenen. 22.Er was een oude blinde vrouw, die vroeg wie daar was aangekomen, en toen ze hoorde dat het caesar Julianus was, riep ze uit: ‘Die gaat de tempels van de goden herstellen!’

  9. De herkomst der Galliërs. Waarom Kelten en Galaten zo genoemd worden. En over hun geleerden 

1.Aangezien ik nu, zoals de verheven zanger uit Mantua dichtte, ‘een grootser werk begin, een grootsere reeks gebeurtenissen zich voor mijn ogen zie ontrollen’,14  meen ik dat dit het moment is om de gebieden der Galliërs en hun ligging te beschrijven, omdat ik anders in mijn verhaal over zware gevechten en wisselend krijgsgeluk misschien dingen zou zeggen waarmee sommigen niet vertrouwd zijn en dan lijk op nalatige zeelui die genoodzaakt zijn bij storm en ontij hun versleten want en zeilwerk te repareren, wat ze gemakkelijker eerder hadden kunnen doen. 2.Oude schrijvers hebben ons in hun onzekerheid over de oorspronkelijke herkomst van de Galliërs daarover een gebrekkige voorstelling gegeven, maar Timagenes, een echte Griek wat zijn nauwkeurigheid en helderheid van taal betreft, heeft later uit verschillende boeken de volgende lang vergeten feiten verzameld, die ik op zijn gezag met vermijding van twijfelachtigheden hier zo helder mogelijk zal weergeven. 3.Volgens sommigen werden de eerste bewoners die in deze regionen gezien zijn, ‘Kelten’ genoemd naar een populaire vorst en ‘Galaten’ (de naam van de Kelten in het Grieks) naar diens moeder. Anderen zeggen dat het Doriërs waren, die zich met de oudere Hercules 15  in die streken aan de oceaan settelden. 4.De druïden beweren dat een deel van het volk hier eigenlijk altijd heeft gewoond en dat later anderen, afkomstig van verre eilanden en van over de Rijn, zich hier vestigden na uit hun woonsteden verdreven te zijn door voortdurende oorlogen en stormvloeden. 5.Sommigen zeggen, dat na de verwoesting van Troje enkelen van degenen die aan de Grieken ontkomen waren en overal verspreid terecht kwamen, deze eertijds verlaten streken bezetten. 6.Maar de bewoners zelf verzekeren met grote stelligheid (en ik heb dat ook uit inscripties op hun gedenktekens kunnen lezen) dat Hercules, de zoon van Amphytrion, na korte metten te hebben gemaakt met de wrede tirannen Geryon en Tauriscus, waarvan de één Spanje onderdrukte, de ander Gallië, na zijn overwinning op hen beiden met verscheidene edele vrouwen gemeenschap had en talrijke kinderen verwekte, die de gebieden waarover ze heersten, naar hun eigen naam hebben genoemd. 7.Het zit echter zo: een volk uit Phocaea in Asia is, om te ontkomen aan de terreur van Harpalus, de stadhouder van koning Cyrus, over zee naar Italië geëmigreerd. Een deel daarvan stichtte de stad Velia in Lucanië, een ander deel Massilia [Marseille] in het gebied van Vienne. Naarmate hun macht groeide, stichtten die dan later nog een groot aantal steden. Maar ik kan beter afzien van een bespreking van de verschillende meningen, aangezien men daar meestal snel genoeg van krijgt... 8.In die streken ontstond langzamerhand een beschaving en kwamen vrije kunsten en wetenschappen tot bloei dank zij barden, euhagen en druïden. De barden bezongen in heldendichten, begeleid door schone akkoorden op de lier, de dappere daden van beroemde mannen; euhagen bestudeerden de hemelverschijnselen en trachtten de aard van de natuurwetten te verklaren; de druïden, wijzere mannen dan de anderen, sloten zich aaneen in broederschappen, zoals ook Pythagoras had aanbevolen, vervolmaakten zich door onderzoek van geheime, hogere dingen en leerden, met minachting voor het gewoon-menselijke, de onsterfelijkheid van de ziel.    

10. Over de Gallische Alpen en de verschillende Alpenpassen 

1.Dit land, Gallië, is vanwege zijn enorme gebergten met hun ijzingwekkende, eeuwig besneeuwde toppen, lange tijd terra incognita gebleven, behalve voorzover het aan zee grenst, ontoegankelijk als het is door natuurlijke barrières die het omgeven, alsof ze door mensenhanden zijn gemaakt. 2.In het zuiden wordt het bespoeld door de Tyrrheense en de Gallische zee; onder de hemelstreek van de Grote Beer scheiden de rivierarmen van de Rijn het van woeste volken; onder de neergaande zon wordt het begrensd door de oceaan en de Pyreneeën; onder de opgaande zon door de Cottische Alpen. Daar hield zich na de onderwerping van Gallië koning Cottius schuil, veilig in de ontoegankelijke en onherbergzame eenzaamheid, tot hij eindelijk zijn trots overwon en door keizer Octavianus in vriendschap werd aangenomen. Ter herdenking daarvan legde hij ten gerieve van reizigers korte doorsteken aan tussen al bestaande Alpenpassen, een enorm werk, waarover ik later zal vertellen wat ik weet. 3.In die Cottische Alpen, die beginnen bij de stad Segusio [Susa], verheft zich een hoge bergrug, die vrijwel niet zonder gevaar is over te steken. 4.Wanneer men namelijk van de kant van Gallië nadert, komt men aan een enorm steile helling naar omlaag, wat ook vanwege aan beide kanten overhangende rotsen een afschrikwekkend gezicht is, vooral in de lente, wanneer het ijs smelt en de sneeuw onder de lauwe wind wegdooit en mens en dier via steilwandige kloven en ravijnen waarin dat zich allemaal ophoopt, voetje voor voetje slippend en glijdend moet proberen af te dalen. En dan de wagens... De enige manier die men heeft kunnen bedenken om fatale ongelukken te voorkomen is, er een aantal van met sterke touwen aan elkaar te binden, ze vanachteren met man en macht en met ossen tegen te houden en heel langzaam en voorzichtig omlaag te laten glijden. Zo gaat het dus, zoals ik gezegd heb, in het voorjaar. 5.Maar in de winter is de grond met een ijskorst bedekt en zo glad als een spiegel. Wie zich daarop begeeft, gaat onherroepelijk naar beneden. En soms, wanneer reizigers vlakke gedeelten denken te kunnen oversteken, verdwijnen ze plotseling in brede kloven, die verraderlijk met ijs bedekt zijn. Daarom planten degenen die ter plaatse goed bekend zijn, lange houten staken in de grond waarlangs passanten van de ene naar de andere een enigszins veilige weg kunnen volgen, hoewel, als die ondergesneeuwd raken of door van de bergen neerstortende massa's omver zijn gehaald, de bergpaden zelfs met plaatselijke bewoners als gids moeilijk te begaan zijn. 6.Hoog in dit Italiaanse berggebied ligt een plateau dat zich over een afstand van zeven mijl uitstrekt tot de post Mars [Oulx] genaamd, vanwaar een andere, nog hogere en ook moeilijk te passeren bergmassa doorloopt tot aan de top van de Matrona, zo genoemd naar een edele dame die daar verongelukt is. Daarvandaan loopt een weliswaar steile, maar gemakkelijker begaanbare weg tot aan de vesting Brigantia [Briançon]. 7.Het graf van de koning, die, zoals gezegd, deze wegen heeft aangelegd, bevindt zich onder de muren van Segusio, waar zijn schim eerbiedig wordt vereerd om twee redenen: omdat hij zijn volk rechtvaardig regeerde en het, na een bondgenootschap te hebben gesloten met de Romeinse staat, voor altijd verzekerde van vrede. 8.En die weg die ik beschreven heb, is een doorsteek, een korte verbindingsweg, waarom er druk gebruik van wordt gemaakt, maar er zijn ook andere wegen, die van verschillende veel eerdere tijden dateren. 9.De eerste daarvan, door de Thebaanse Hercules aangelegd terwijl hij langzaamaan op weg was om Geryon en Tauriscus aan te pakken, ligt aan de kant van de Maritieme Alpen, door hem de Graiaanse Alpen genaamd. Ook bouwde hij de burcht en legde hij de haven van Monoecus [Monaco] aan tot zijn eeuwige nagedachtenis. Eeuwen later is voor die Alpen om de volgende reden de naam van Puninische Alpen bedacht. 10.Toen Publius Cornelius Scipio, de vader van de oudere Africanus, het trouwe en betreurenswaardige Saguntum tijdens een belegering door de Carthagers te hulp wilde komen, stak hij met een vloot en een sterk leger over naar Spanje. Helaas bleek de stad bij zijn aankomst al overweldigd en verwoest te zijn, en aangezien het geen zin had Hannibal achterna te gaan, die drie dagen eerder de Rhône al was overgestoken en op weg was naar Italië, voer hij snel over naar Genua in Ligurië - een niet al te grote afstand - om te zien of hij daar uit de bergen te voorschijn zou komen en hij hem dan als hij de kans kreeg, vermoeid van de zware tocht, in de vlakte een beslissende slag zou kunnen toebrengen. 11.Niets aan het toeval overlatend, zond hij tegelijk zijn broer Gnaeus Scipio naar Spanje om Hasdrubal te stoppen, die eveneens op het punt stond daarvandaan op te breken. Maar Hannibal hoorde hiervan van overlopers en, listig als hij was, liet hij zich door een paar Tauriners door het gebied van de Tricassiners en langs de grenzen van het gebied der Vocontiërs naar de Tricorische passen gidsen. En toen hij die voorbij was, baande hij zich een weg door tot dan toe ontoegankelijk gebied: eerst ruimde hij daarvoor een enorme steenmassa uit de weg door er azijn op te gieten en dan te doen springen door ze met vuur te verhitten, daarna marcheerde hij op langs de Druentia [de Durance], een gevaarlijke rivier met verraderlijke draaikolken, en kwam zo in Etrurisch gebied. Tot zover over de Alpen. Nu over de rest van het gebied.  

11. Een korte beschrijving van de verschillende delen van Gallië. De loop van de Rhône

  1.In vroeger tijden, toen deze gebieden ons nog onbekend waren en bewoond werden door barbaren, zouden ze in drieën gedeeld zijn geweest, namelijk dat van de Kelten (oftewel Galliërs), dat van de Aquitaniërs en dat van de Belgen, volken die ieder een eigen taal, eigen gewoonten en wetten hadden. 2.De woongebieden van de Galliërs (de Kelten dus) worden van die van de Aquitaniërs gescheiden door de rivier de Garumna [de Garonne], die op de heuvels van de Pyreneeën ontspringt, langs een groot aantal steden stroomt en uitmondt in de oceaan. 3.Van die van de Belgen worden ze gescheiden door de Matrona [de Marne] en de Sequana [de Seine], twee even grote rivieren, die door Gallia Lugdunensis [‘van Lyon’] stromen, dan om de vesting Lutetia [Parijs] heen, om zich met elkaar te verenigen en als één rivier verder te stromen en voorbij Castra Constantia [Harfleur?] in zee uit te monden. 4.Van de genoemde volken heetten de Belgen bij de oude schrijvers het dapperst, omdat ze ver van de beschaafde wereld en niet verwend met ingevoerde luxe lange tijd met de Germanen van over de Rijn in oorlog waren. 5.Daarentegen liggen de direct bereikbare, veilige kusten van de Aquitaniërs wel open voor import van buiten. Dat volk is dan ook verwekelijkt en zodoende gemakkelijk onder Romeinse gezag geraakt. 6.Eenmaal na veel strijd onderworpen door de dictator Julius Caesar, vielen de Gallische gouwen onder een viervoudig bestuur. Het eerste daarvan ging over Gallia Narbonensis met het gebied van Vienne en Lyon, het tweede over heel Aquitanië, het derde en vierde samen over Opper en Neder Germanië plus België. 7.In haar totaliteit telt Gallië nu de volgende provincies: Neder Germanië, beginnend in het uiterste westen, sterk door de grote, welvarende steden Agrippina [Keulen] en Tungri [Tongeren]. 8.Dan Opper Germanië met, afgezien van andere steden: Mogontiacus [Mainz], Vangiones [Worms], Nemetae [Speyer] en Argentoratus [Straatsburg], bekend van de nederlaag die de barbaren daar hebben geleden. 9.De eerste Belgische provincie, vervolgens, beroemt zich op Mediomatricum [Metz] en Treveri [Trier], een schitterende keizerstad. 10.Daarop sluit de tweede Belgische provincie aan met als belangrijkste steden Ambiani [Amiens], Catelauni [Chalôns] en Remi [Reims]. 11.In de provincie van de Sequanen liggen Bisontii [Besançon] en Rauracium [Augst], om de belangrijkste van een groot aantal steden te noemen. De provincie Lugdunensis Prima siert zich met Lugdunus [Lyon], Cabyllona [Châlon sur Saône], Senones [Sens], Biturigae [Bourges] en Augustudunum [Autun], een stad met oude, hoge muren. 12.In Lugdunensis Secunda zijn Rotomagi [Rouen], Turini [Tours], Mediolanum [Evreux] en Tricasae [Troyes] het bekendst. In de Graiaanse en Puninische Alpen kennen we, naast plaatsen van mindere betekenis de stad Aventicum [Avenches], die nu weliswaar verlaten ligt, maar eens niet onbelangrijk is geweest, zoals aan halfverwoeste gebouwen nog steeds is te zien. Dit zijn dus de provincies en de belangrijkste steden van Gallië. 13.Van Aquitanië, dat aansluit aan de Pyreneeën en dat deel van de oceaan dat zich uitstrekt tot Spanje, is Aquitanica de eerste provincie, met een groot aantal steden die het aanzien waard zijn, waarvan ik in de eerste plaats Burdigala [Bordeaux] en Arverni [Clermont] moet noemen, en verder Santones [Saintorige] en Pictavi [Poitiers]. 14.Ausci [Auch] en Vasatae [Bazas] zijn favoriete steden van de ‘Negen Volken’16 In de Narbonensische provincie zijn te noemen: Elusa [Eauze], Narbona [Narbonne] en Tolosa [Toulouse]. De Viennensische provincie verheugt zich in het bezit van tal van steden die haar sieren, zoals Vienna [Vienne] zelf, Arelate [Arles], Valentia [Valence] en nog Massilia [Marseille], dat als machtige bondgenoot, zoals we kunnen lezen, Rome in kritieke situaties verschillende malen tot steun is geweest. 15.Niet ver daarvandaan liggen Salluvii [Aix-en-Provence], Nicaea [Nice] en Antipolis [Antibes] en de Stoechades [Iles d'Hyères]. 16.En aangezien ik nu in mijn beschrijving in dit gebied ben aangekomen, mag ik, wil ik niet van nalatigheid worden beschuldigd, niet verzuimen het een en ander te zeggen over de Rhône, immers een belangrijke rivier. Ze ontspringt in de Puninische Alpen uit een groot aantal bronnen en stroomt vandaar met sterk verval naar lager, vlakker gebied. Ze vormt haar eigen bedding, stroomt recht door de moerassige Lacus Lemannus [Meer van Genève] zonder zich ermee te vermengen - ze beroert slechts oppervlakkig links en rechts het troebele water - en zoekt en baant zich krachtig een uitweg. 17 Daarvandaan spoedt ze zich zonder verlies van massa tussen Sapaudia [Savoye] en Sequani [Seine] door, schuurt dan links langs de Viennensische provincie en rechts langs de Lugdunensische, ontvangt na een heel kronkelig verloop het water van de Arar, ook wel de Sauconna [Saône] genaamd, die tussen Opper Germanië en de provincie Seine stroomt, waarnaar ze genoemd wordt. Precies daar begint Gallië en vanaf dat punt worden afstanden niet in mijlen gemeten, maar in Leuga’s. 18.Verrijkt door de toevloed van de zijrivier de Isara [Isère] is de Rhône dan bevaarbaar voor de grootste schepen, ook bij zware wind of storm, en nadat ze zich zo naar de veranderingen in haar natuurlijke omgeving heeft gevoegd, stort ze zich met schuimkoppen in de Gallische Zee, via een wijde baai, die Ad Gradus [Golf van Lyon] wordt genoemd, zo'n 18 mijl van Arles vandaan. Ik laat het hierbij wat de topografie betreft. Nu iets over de gestalte en de gewoonten van de bewoners. 

12. Over de zeden en gewoonten van de Galliërs

  1.Galliërs zijn over het algemeen fors van gestalte, rossig blond, hebben een angstaanjagende, grimmige blik in hun ogen, zijn vechtlustig en hondsbrutaal. Een hele troep kerels die ze niet kent, zou in een vechtpartij één enkele Galliër nog niet aankunnen, vooral niet als zijn vrouw erbij komt met haar grijze ogen, die nog sterker is dan hij, en met gespannen nekspieren tandenknarsend haar stevige witte armen uitslaat en klappen en trappen begint uit te delen als een regen projectielen afgeschoten van de pezen van een catapult. 2.De meesten hebben verschrikkelijk harde stemmen, of ze nu vriendelijk zijn of kwaad, maar allemaal zijn ze even schoon en verzorgd, en in die streken ziet men geen man of vrouw, hoe arm ook, in vuile of kapotte kleren. Dat is elders wel anders. 3.Op elke leeftijd zijn ze geschikt voor de krijgsdienst; een oudere man gaat er even welgemoed en dapper ten strijde als een jonge knaap, want gehard door koude en voortdurende inspanningen ziet hij nergens tegenop. Ook zal niemand zich ooit (zoals in Italië wel gebeurt) om de dienst van Mars te ontgaan een duim afsnijden (zo één noemen ze met een lokaal woord een ‘murcus’, een lafaard). 4.Hun soort heeft een onlesbare dorst naar wijn en grijpt naar allerlei andere drank zolang die maar op wijn lijkt, en sommigen onder hen van het laagste allooi, die afgestompt zijn door een voortdurende beneveling (door Cato een staat van vrijwillige waanzin genoemd) slingeren maar wat rond, zodat het wel een waar woord lijkt wat Cicero sprak in zijn verdediging van Fonteius: ‘De Galliërs zullen nog eens aangelengde wijn drinken, wat ze tot nu toe vergif vinden’ 17 5.Deze gebieden - en in het bijzonder die grenzend aan Italië - zijn van lieverlee en zonder veel moeite onder Romeins bestuur gebracht: een eerste poging daartoe deed Fulvius; vervolgens werden ze door Sextius Calvinus in kleine veldslagen murw gemaakt; tenslotte onderworpen door Fabius Maximus, die aan de volledige afronding van die geschiedenis met zijn overwinning op de geduchte stam van de Allobrogen zijn bijnaam Allobrogicus dankte. 6.Maar heel Gallië, met uitzondering van die delen die, zoals we van Sallustius weten, moerassig en ontoegankelijk waren, werd later door de dictator Caesar na tien jaar oorlog met wisselend krijgsgeluk onderworpen en met ons in een eeuwig bondgenootschap verenigd. Maar ik ben ver afgedwaald; ik keer dus terug naar waar ik gebleven was.  

13. Het optreden van de praefectus praetorio Musonianus in het oosten

  1.Na de gruwelijke dood van Domitianus kwam de Oriënt onder het bestuur van de prefect Musonianus, een man die gezocht was om zijn tweetaligheid en zodoende een hogere rang bereikte dan anders voor de hand had gelegen. 2.Het volgende was namelijk het geval. Toen Constantijn een diepgaand onderzoek liet instellen naar de verschillende godsdienstige sekten, zoals die van de Manicheeërs 18 en dergelijken, en hij daarvoor geen geschikte tolk kon vinden, nam hij deze man, die hem was aanbevolen als iemand die dat aankon. Inderdaad kweet hij zich bekwaam van zijn taak, waarna Constantijn hem Musonianus wenste te noemen, terwijl hij oorspronkelijk Strategius heette. Sindsdien doorliep hij verschillende eervolle rangen en bracht het tot prefect. In het algemeen was hij een verstandig man, voor de provincies heel acceptabel, gematigd en vriendelijk, maar eeuwig en altijd door een minderwaardige zucht naar gewin bezeten, waarvoor hij elke gelegenheid uitbuitte, vooral twistgedingen (wat uiterst kwalijk was). Voorbeelden daarvan te over, maar het kwam het duidelijkst aan de dag bij het gerechtelijk onderzoek naar de dood van Theophilus, de gouverneur van Syrië, die na die gemene zet van caesar Gallus door een woedende meute gelyncht was: verschillende arme drommels kregen een veroordeling, zelfs als het vast stond, dat ze niet eens in de buurt waren toen het gebeurde, terwijl rijke figuren die tot de daad hadden aangezet, er vanaf kwamen met verlies van hun vermogen. 3.Van hetzelfde kaliber als hij was Prosper die toentertijd [in de Oriënt] de magister equitum Ursicinus verving en daar de hoogste militaire autoriteit was, een abjecte luiaard, die naar de woorden van de komische dichter het verfijnde dievenwerk versmaadde en openlijk roofde en stal. 4.Terwijl deze mannen zich eendrachtig verrijkten en elkaar over en weer lucratieve zaken toespeelden, werden onze provincies - de ene keer Armenië, de andere keer Mesopotamië - geteisterd door plunderende benden onder commando van Perzische officieren in kwartier in het rivierengebied, die, met Sapor doende in een ander deel van zijn rijk, ongehinderd hun gang konden gaan, aangezien onze eigen officieren het te druk hadden met het oplichten van hun ondergeschikten.

Noten

1.Veteranio, beter Vetranio, bevelhebber van het Donauleger, in 350 door zijn soldaten tot tegenkeizer uitgeroepen, werd aanvankelijk door Constantius gebruikt tegen Magnentius, maar later terzijde geschoven en geëxecuteerd. retour

2.Constantius’ neven Gallus en Julianus, gespaard bij de vermoording van andere leden der keizerlijke familie in 337, brachten hier onder een streng regiem hun jeugd door. retour

3.Zie boek xiv,5,8.   retour

4.Een lid van het corps der Agentes in Rebus, (zie boek xiv, noot 15); later zou hij belast worden met opdrachten in Gallië en Africa, maar tenslotte onder Julianus worden geëxecuteerd. retour

5.Consistorium, keizerlijke geheime raad, zo genaamd omdat de leden in de aanwezigheid van de keizer moesten staan (consistere).  retour

 

6 Een bij Cicero niet bekende passage. retour

7.Om tegen Constantius op te trekken. retour

 

8.Zie de boeken xxviii,6,8,30 en xxx,2,10-12. retour

 

 9.Decentius Magnus, een broer van tegenkeizer Magnentius, door hem tot caesar benoemd (350-353). retour

 

10.Een overigens onbekend gebouw, genoemd naar de zeven planeten.   retour

11.Athanasius, bisschop van Alexandria, speelde een hoofdrol in de kerkstrijd in de vierde eeuw over de verhouding tussen God de Vader en God de Zoon. Hij was een vertegenwoordiger van de Orthodoxie tegenover het Arianisme, genoemd naar de priester Arius, die hield dat God de Zoon een mindere God was. De Arianen, met wie Constantius sympathiseerde, hadden lange tijd de overhand. Ammianus heeft kennelijk slechts een vaag idee van de problemen rond Athanasius, die een stokebrand was en, deels terecht, deels ten onrechte, van allerlei beschuldigd werd, o.a. van magische praktijken.  retour

12.Vanwege hun vijandige houding tegenover Julianus. retour

13.Homerus, Ilias, V,83. retour

14.Vergilius, Aeneis, VII,44-45, ten naaste bij geciteerd.   retour

15.Een oude held, niet te verwarren met de Thebaanse Hercules (Heracles), de zoon van Amphytrion (eigenlijk van Zeus), beroemd vanwege de ‘12 werken’. retour

16.Onbekende volken. retour

 

17.Cicero, Pro Fonteio, 4,9. retour

18.Een godsdienstige stroming, genoemd naar Mani, die haar leer geopenbaard heeft, gaande over de kosmische strijd tussen Goed en Kwaad. retour