BOEK XVI

  1. Lofprijzing van caesar Julianus

  1.Terwijl deze gebeurtenissen door een samenweefsel van lotsbeschikkingen binnen Rome’s rijksgrenzen plaatsvonden, werd caesar Julianus in Vienna [Vienne] door Constantius Augustus voor diens achtste consulaat als collega in de consulslijst opgenomen. Als altijd bruisend van energie droomde hij al van krijgsrumoer en vernietiging van barbaren en zag hij zich in de toekomst de scherven van de provincie bijeenrapen, zo Fortuna hem genadig mocht zijn. 2.Omdat de prestaties die hij in Gallië dankzij zijn moed (en geluk) op zijn naam bracht, veel grootse daden van de Ouden overtroffen, wil ik daarvan chronologisch verslag doen met inzet van heel mijn bescheiden talent, hopend dat dit toereikend zal blijken. 3.En wat ik ga vertellen, zonder loze opsmuk, maar eerlijk en waarheidsgetrouw, met staving van getuigenissen en bewijzen, zal stellig bijna als een lofrede klinken. 4.Want het lijkt wel of een wet van een hoger soort leven het lot van deze jonge man vanaf zijn nobele geboorte tot zijn laatste ademtocht bepaalde. Zo snel rees zijn ster in oorlog en vrede, dat hij om zijn wijsheid als een tweede Titus, de zoon van Vespasianus, werd gezien, om zijn roemrijke veldtochten op Trajanus leek, om zijn mildheid op Antoninus Pius en om zijn honger naar kennis van het ware wezen der dingen op Marcus Aurelius, die hij in handel en wandel bewust trachtte te evenaren. 5.En worden wij (zoals de wijze Cicero leert 1 ‘geboeid door de hoogten van edele kunsten en wetenschappen als door die van bomen, maar niet door hun stammen en wortels’, toch was veel van de beginjaren van dit fenomeen, hoewel nog versluierd, opmerkelijker dan zijn vele latere bewonderenswaardige prestaties, omdat hij nota bene als aankomende jongeman, opgevoed als Erechtheus 2 in Minerva’s hoven recht onder het geruste lommer van de Academie vandaan, en niet uit een legerbarak, naar het slagveld werd gestuurd, Germanië overwon, vrede schiep langs de meanders van de koude Rijn en hier koningen terwijl ze hun bedreigingen uitbraakten, in hun bloed smoorde, daar hun handen met ketenen boeide.

2. Caesar Julianus valt de Alamannen aan, doodt ze, neemt ze gevangen of verjaagt ze 

1.Voor Julianus waren het hectische wintermaanden in die stad, Vienna, met de lucht zwanger van allerlei gerucht, toen hij vernam dat de muren van de oude stad Augustudunum [Autun], fors van omtrek maar verzwakt door eeuwenlang verval, plotseling door barbaren waren bezet en terwijl het garnizoen als verlamd werkeloos bleef, de stad gered was door alert ingrijpen van toegesnelde veteranen, zoals vaker kritieke situaties met de moed der wanhoop worden opgelost. 2.Dus nam de caesar zijn verantwoordelijkheid, wees de verlokkingen af van een aangename en comfortabele tijdpassering waartoe lieden uit zijn entourage hem probeerden over te halen, nam gepaste maatregelen en was op 24 juni in Augustudunum, als een ervaren generaal die het initiatief aan zich hield, vastbesloten de overal rondzwervende barbaren te grijpen waar hij de kans maar kreeg. 3.Met adviseurs die het gebied goed kenden overlegde hij over een veilige verdere route, waarbij verschillende mogelijkheden werden besproken: de één pleitte voor een weg over Arbor [?], een ander verzekerde dat hij beter via Sedelaucum [Saulieu] en Cora [St Moré] kon gaan. 4.Maar toen sommigen opmerkten, dat de magister peditum Silvanus niet lang daarvóór het lef had gehad met 8000 man sterke hulptroepen een korte, maar vanwege een dichte en donkere bebossing riskante weg te nemen, besloot de caesar kort en goed, dat hij het stoute stuk van die man ging herhalen. 5.Om geen tijd te verliezen nam hij alleen gepantserde ruiters met zich mee en ballistaschutters (bepaald geen specialisten om een generaal te verdedigen!) en koos de besproken weg naar Autosudorum [Auxerre]. 6.Daar rustte hij wat met zijn mannen zoals hij gewoon was en voort ging het weer, naar Tricasae [Troyes]. Werd hij aangevallen door drommen barbaren en moest hij rekening houden met een overmacht, hield hij zijn flanken kort en wachtte hij alleen maar af; andere keren, in een gunstige positie, liep hij ze gemakkelijk onder de voet, ving er een paar die zich in paniek overgaven, maar moest de overigen, die renden wat ze konden, laten gaan, aangezien een achtervolging vanwege de zware bewapening van zijn mannen uitgesloten was. 7.Door een en ander kreeg hij er een steeds groter vertrouwen in dat hij zulke aanvallen kon weerstaan en bereikte na veel wederwaardigheden Tricasae, maar zo onverwacht, dat toen hij om zo te zeggen aan de poorten klopte, hij vanwege de angst voor de zwervende benden barbaren slechts na veel nerveuze pourparlers de stad werd binnengelaten. 8.Hij bleef er kort om zijn vermoeide soldaten op adem te laten komen, waarna hij zonder zich verder oponthoud te veroorloven zijn weg vervolgde naar Remi [Rheims], waar het hele leger zich in afwachting van zijn komst had samengetrokken met proviand voor een maand, over welke operatie Marcellus, de opvolger van Ursicinus, het commando had (Ursicinus kreeg zelf tot de beëindiging van de expeditie de verantwoording ter plaatse). 9.Na krijgsraad werd besloten het volk van de Alamannen aan te vallen via Decem Pagi, waarop de troepen in een opgewekte stemming in gesloten gelederen daarheen afmarcheerden. 10.Maar het was een mistige, donkere dag met uiterst beperkt zicht, zodat de vijand, bekend met het terrein, kans zag via een omweg de twee legioenen die caesars achterhoede vormden te overvallen. Alleen dankzij ingrijpen van hulptroepen van onze bondgenoten, die op het plotselinge geschreeuw afkwamen, werd ternauwernood voorkomen dat ze werden afgemaakt. 11.Vanaf dat moment bleef Julianus zich ervan bewust, geen wegen of rivieren meer te kunnen oversteken zonder met de mogelijkheid van hinderlagen te moeten rekenen en werd hij voorzichtiger en minder gehaast, iets wat grote generaals typisch kenmerkt, gunstig is voor hun legers en dikwijls hun redding. 12.Op het bericht, dat Argentoratus [Straatsburg], Brotomagum [Brumath], Tabernae [Saverne], Saliso [Selz], Nemetae [Speyer], Vangionae [Worms] en Mogontiacum [Mayence] in handen van de barbaren waren (die zich in het buitengebied daarvan nestelden, want steden meden ze alsof het met netten afgeschermde graven waren), besloot hij allereerst Brotomagum terug te veroveren. Op weg daarheen kwam hem een krijgshaftig dreigende horde Germanen tegemoet, (13.) waartegen hij zijn troepen in een halvemaanvormige slagorde opstelde, zodat de vijand in het volgende gevecht van man tegen man van twee kanten in het nauw raakte en sommigen daarvan gevangen werden genomen, anderen in het heetst van de strijd werden gedood, de overigen hun heil zochten in een snelle vlucht en ontkwamen.  

3. Caesar Julianus herovert Agrippina [Keulen] op de Franken en sluit vrede met de Frankische koningen  

1.Daarna ontmoette Julianus geen tegenstand meer en besloot hij tot de herovering van Colonia Agrippina, dat juist vóór zijn komst naar Gallië verwoest was. Die stad ligt in een gebied waar geen andere stad en, afgezien van vlakbij een enkele toren, geen fort te bekennen is, behalve dat bij Confluentes [Koblenz], zo genoemd omdat daar de Moezel en de Rijn samenvloeien, de stad Rigomagum [Remagen] ligt. 2.Hij trok de stad binnen en bleef er tot hij met de Frankische koningen, die, geïntimideerd, lang zo krijgshaftig niet meer deden, een verdrag had gesloten dat voorlopig kon dienen en hij de fortificatie stevig in handen had. 3.Tevreden over deze eerste geslaagde wapenfeiten trok hij zich via het land van de Treveren terug om te overwinteren in Senonae [Sens], een daarvoor toen gunstig gelegen plaats. De zorgen om alle oorlogen die nog gingen komen, drukten daar als een zware last op zijn schouders: troepen die hun eigenlijke standplaatsen hadden verlaten, moesten worden overgebracht naar bedreigde gebieden; volken die hadden samengezworen om de zaak van Rome afbreuk te doen, moesten uiteen worden geslagen; en dan was er nog het probleem van de proviandering van het leger als het in verschillende richtingen ging opereren...             

4. Julianus wordt in Senonae door de Alamannen belegerd  

1.Terwijl hij zijn gedachten bij dit soort kwesties had, kreeg hij een massale aanval te verduren van de Alamannen, die dachten de stad gemakkelijk in handen te kunnen krijgen, aangezien ze van overlopers hadden gehoord dat Julianus noch over de Scutarii, noch over de Gentiles beschikte, die hij namelijk met het oog op een betere verzorging over verschillende plaatsen had verdeeld. 2.Dus nadat hij de poorten had laten sluiten en de zwakke steeën in de muren had laten versterken, zag men hem dag en nacht bij zijn soldaten tussen de bolwerken en kantelen, kwaad op zichzelf, omdat, als hij af en toe een uitbraakpoging deed, dit mislukte door zijn tekort aan manschappen. Na dertig dagen, tenslotte, dropen de barbaren af, kankerend dat ze zo stom waren geweest om aan een belegering van die stad te denken. 3.Maar dit moet aan de negatieve kant van dit relaas geboekt worden, dat de magister equitum Marcellus,3 die zich niet ver daarvandaan ophield, het nog niet nodig had gevonden de caesar in zijn benarde positie te hulp te komen, terwijl hij de stad zelfs afgezien van de aanwezigheid van de caesar al met een sterk eskadron van haar belegeraars had moeten verlossen. 4.Eenmaal buiten gevaar gunde Julianus - efficiënt en stipt als hij altijd was - zijn soldaten na hun langdurige inspanningen rust, kort weliswaar, maar lang genoeg om weer op krachten te komen, hoewel het omliggende gebied buitengewoon onvruchtbaar was en na herhaalde plunderingen weinig voedsel te bieden had. 5.Pas toen hij ook hiervoor met zijn spreekwoordelijke nauwgezetheid gezorgd had, zag hij de toekomst weer zonniger in en maakte hij zich vol optimisme op voor de vele taken die hem wachtten.

5. De voortreffelijke eigenschappen van caesar Julianus

  1.Om te beginnen met iets wat niet eenvoudig is te volbrengen: hij legde zichzelf een matigheid op en bleef die betrachten alsof hij leefde volgens de Edicten tegen de weelde, de Rhètrai, van Lycurgus, of de Houten Tabletten - dat zijn de Áxones [van Solon] 4 - die ook in Rome werden ingevoerd, daar lang werden onderhouden maar in onbruik raakten tot Sulla ze langzamerhand herinvoerde, gedachtig het gezegde van Democritus, dat Fortuna een welvoorziene dis aanricht, maar Deugd een sobere tafel dekt. 2.Ook Cato van Tusculum, wiens strenge levenswijze hem de bijnaam Censorius  bezorgde, merkte eens snedig ditzelfde op met de woorden ‘veel geneugt, weinig deugd’. 3.En hoewel hij, tenslotte, regelmatig het geschrift las dat Constantius met eigen hand voor hem geschreven had als voor een aangenomen zoon die hij voor studie naar elders zond, waarin hij royaal inging op wat aan des caesars tafel mocht worden besteed, verbood Julianus fazant, vulva en uierboord van zeug in te kopen of op te dienen en stelde hij zich tevreden met de eenvoudige kost van een gewoon soldaat of met wat toevallig voorhanden was. 4.Zo verdeelde hij ook zijn nachten in drieën: één deel voor slaap, één voor staatszaken en één voor studie, zoals we weten dat ook Alexander de Grote deed, maar zíjn geval was sterker. Want Alexander zette een bronzen bekken naast zijn bed en hield daarboven met gestrekte arm een zilveren bal, zodat wanneer hij begon te dommelen en zijn greep verslapte, de klap van dat ding als het viel, hem wakker riep. 5.Maar Julianus werd zonder enig hulpmiddel wakker zo vaak hij wilde, stond midden in de nacht op, niet uit een veren bed met veelkleurig glanzende zijden dekens, maar van een kleed op de vloer met een pelsdek, wat eenvoudige lieden een susurna noemen, bad in stilte tot Mercurius, die volgens de leer van theologen de gevleugelde geest van het Al is die het menselijk denken stimuleert, en zo, zonder enig comfort, wijdde hij zich dan volledig aan de staatszaken. 6.Na beëindiging van deze belangrijke taak werkte hij vervolgens aan de vervolmaking van zijn geest en het is niet te geloven met hoeveel ijver hij zich verdiepte in de hogere wetenschap van alle dingen en alsof hij voedsel zocht voor zijn omhoog strevende ziel alle aspecten van de filosofie overdacht en doorvorste. 7.Niet dat hij bij het zorgvuldig en systematisch vergaren van al deze wijsheid de meer nederige kunsten veronachtzaamde. Want hij deed wat aan poëzie, beoefende de retorica, zoals de zuivere en verheven vorm van zijn oraties en brieven bewijst, en bestudeerde de wisselvallige geschiedenis van ons rijk en van andere staten. Daarnaast beschikte hij over voldoende kennis van het Latijn om zich ook in die taal te kunnen uitdrukken. 8.Als het waar is wat sommige schrijvers berichten, dat koning Cyrus en de lyricus Simonides en Hippias van Elis, de scherpzinnigste van de sofisten, zo’n goed geheugen hadden door het drinken van bepaalde stimulerende middelen, zou men haast geloven dat Julianus op zijn jonge leeftijd al een heel vat van zo’n geheugendrank (als die bestond) had leeggedronken. Dit over zijn nachtelijke bezigheden, die zijn serieuze inborst en zijn wilskracht karakteriseerden.9.Hoe hij vlot en elegant converseerde, hoe hij zich voorbereidde op oorlog of feitelijk slag leverde, of in het burgerlijk bestuur grootmoedig en doortastend verbeteringen doorvoerde, zal later als het te pas komt in detail behandeld worden. 10.Toen deze filosoof als vorst genoodzaakt werd zich te oefenen in de beginselen van het militaire bedrijf en moest leren in de pas te blijven in de wapendans op muziek van fluiten, riep hij wel eens het oude spreekwoord (met een verwijzing naar Plato): ‘Geen probleem! Het is een os die lasten draagt, niet ik! 5 11.Eens, toen hij de agentes (in rebus) met anderen bij een feestelijke gelegenheid in zijn raadszaal had genodigd voor de uitdeling van hun beloning in goud, en een van hen die niet, zoals de gewoonte is, in zijn opgehouden cape, maar in de kom van zijn handen wilde ontvangen, zei hij: ‘agenten zijn beter in pakken dan aannemen!’ 12.Een andere keer, toen de ouders van een meisje dat ontvoerd en verkracht was, zich tot hem wendden om juridische genoegdoening en hij de dader, wiens schuld vaststond, slechts tot verbanning veroordeelde, antwoordde hij op hun verontwaardigde reactie dat de man de doodstraf had behoren te krijgen: ‘Laat mijn clementie strijdig zijn met de wetten, maar een milde vorst mag over wetten heenstappen’. 13.Op het punt te vertrekken voor een expeditie, werd hij nogal eens lastig gevallen door lieden met klachten en grieven. Die adviseerde hij dan zich te wenden tot hun provinciale gouverneurs. Maar na zijn terugkeer wilde hij wel weten hoe in elk van die gevallen geoordeeld was, waarbij hij met zijn karakteristieke goedigheid eventueel opgelegde straffen verlaagde. 14.Om tenslotte, afgezien van de overwinningen die hij behaalde op barbaren, die dikwijls trots en ongebroken ten onder gingen, het mooiste voorbeeld aan te halen van de zegen die hij was voor de Gallische gouwen die in de ellendigste omstandigheden verkeerden: toen hij daar aankwam, bevond hij dat elke belastingaansprakelijke voor vijfentwintig goudstukken per jaar werd aangeslagen, maar toen hij vertrok, met niet meer dan zeven goudstukken aan al zijn verplichtingen had voldaan, waarover het volk, alsof na een sombere nacht een heldere zon was opgegaan, zijn vreugde uitte met zang en dans. 15.Waar hij zich ook, zoals we weten, tot het einde van zijn regering, dus van zijn leven, aan gehouden heeft, is, dat hij nooit uit toegeeflijkheid enig uitstel van belastingbetaling verleende, want hij wist dat hij daardoor de rijkeren zou bevoordelen, terwijl de armen, zoals algemeen bekend, bij het begin van elke nieuwe belastingperiode zonder pardon alles moesten betalen. 16.Terwijl hij op deze wijze het bestuur in goede banen leidde, een voorbeeld van gematigdheid voor goede vorsten, bereikte de woede der barbaren opnieuw het kookpunt. Als wilde dieren, die leven van roof waar herders nalatig zijn, en er zelfs niet vandoor gaan als die vervangen zijn door meer oplettende herders, maar zich stervend van honger en de dood trotserend op kudden runderen en schapen storten, zo haalden ook deze barbaren als ze het eerder geroofde op hadden, door honger gedreven telkens nieuwe buit - maar crepeerden soms vóór ze iets gevonden hadden.     

6. Arbetio, een man in de rang van consul, wordt aangeklaagd maar vrijgesproken  

1.Dit waren de gebeurtenissen in Gallië in dat jaar [356], dat met aanvankelijk dubieuze vooruitzichten uiteindelijk goed afliep. Aan het hof van Augustus blaften intussen nijdige honden om Arbetio, als zou hij uit zijn op de troon en daarvoor de versierselen van de keizerlijke waardigheid al klaar hebben liggen. Er was een comes, Verissimus genaamd, die daarover ongelooflijk tegen hem tekeer ging en hem openlijk voorwierp, dat hij, begonnen als gewoon soldaat een topfunctie had bereikt, maar zelfs daarmee niet tevreden - alsof het een kleine stap was - nu zijn zinnen had gezet op het keizerschap. 2.Maar vooral een zekere Dorus had het op hem gemunt, een voormalige heelmeester van de Scutarii, van wie ik vroeger heb verteld dat hij onder Magnentius bevorderd was tot centurio, belast met het toezicht op de kunstwerken van Rome, en als zodanig de stadsprefect Adelphius van hoogverraad beschuldigde. 3.Maar toen het tot een gerechtelijk onderzoek kwam, al het nodige daarvoor was voorbereid en men op het punt stond de bewijzen voor de beschuldiging te horen, werd volgens een hardnekkig gerucht op voorstel van de cubicularii plotseling tot beëindiging van een pakket zaken besloten, waarna alle betrokkenen onder arrest werden vrijgelaten, Dorus verdween, en Verissimus op slag koest werd. En dat was het einde van de voorstelling! 

7. Caesar Julianus wordt voor de keizer tegen Marcellus verdedigd door zijn praepositus cubiculi Eutherius. Lof voor Eutherius 

1.In diezelfde tijd vernam Constantius bij geruchte dat Marcellus verzuimd had Julianus tijdens de belegering van Senonae te hulp te komen, ontsloeg hem uit de dienst met het bevel naar huis terug te keren. Alsof hem het grofste onrecht was aangedaan begon deze toen de caesar op allerlei manieren zwart te maken, waarvoor hij dacht gehoor te zullen vinden bij de keizer, die immers openstond voor beschuldigingen. 2.Dus toen hij [uit Gallië] vertrok, zond Julianus meteen zijn praepositus cubiculi achter hem aan om zijn eventuele verzinsels tegen te spreken. Daar wist Marcellus niets van, en toen hij razend en tierend (als een verwarde halve idioot) in Milaan arriveerde en door Constantius in audiëntie werd ontvangen, barstte hij los in beschuldigingen tegen de caesar: die was zo grenzeloos arrogant, dat hij al bezig was zich grotere vleugels aan te meten om des te hoger te kunnen stijgen (en hij illustreerde zijn woorden met geweldige armbewegingen). 3.Maar terwijl hij dit uit de vrije hand stond te verzinnen, werd Eutherius op diens verzoek ook binnengelaten. Uitgenodigd vrijuit te spreken, toonde deze in korte, rustige bewoordingen aan, dat de waarheid hier met leugens geweld werd aangedaan. Want toen hij, de magister armorum, met opzet (zo dacht men) werkeloos was gebleven, had de caesar tijdens de belegering van Senonae de barbaren lange tijd moedig van zich afgehouden. En Eutherius stond er met zijn hoofd voor in, dat Julianus zolang hij leefde een trouwe dienaar van zijn beschermheer zou blijven. 4.Dit geeft mij gelegenheid, over deze Eutherius nog een paar dingen te zeggen die misschien ongeloofwaardig zullen klinken, zoals ook wanneer een Numa Pompilius of een Socrates zelfs onder ede iets gunstigs zouden zeggen over een eunuch, men hen dat zou heten liegen. Maar aan doornstruiken bloeien rozen en sommige wilde dieren zijn tam,6  en zo zal ik in het kort over de goede dingen die van die man bekend zijn, vertellen. 5.In Armenië uit vrije ouders geboren, werd hij als kind geroofd door vijanden in die buurt, gecastreerd en verkocht aan Romeinse kooplieden, die hem aan het hof van Constantijn leverden. Daar groeide hij op in eer en deugd en gaf blijk over een goed verstand te beschikken. Geschoold in letteren en wetenschappen zover dat iemand in zijn situatie paste, onderscheidde hij zich door de buitengewone scherpzinnigheid waarmee hij moeilijke en ingewikkelde kwesties wist te analyseren en op te lossen. Hij had een fantastisch geheugen, was hulpvaardig en een goed raadgever, zodat als keizer Constans in het verleden naar hem geluisterd had wanneer deze hem als volwassen man behoorlijke en behartenswaardige raad gaf, hij geen misstappen zou hebben begaan, althans geen onvergeeflijke. 6.Als praepositus cubiculi wees hij af en toe ook Julianus wel terecht, die zich Aziatische manieren had aangewend en nogal wispelturig was. Toen hij zich tenslotte uit het publieke leven had teruggetrokken maar toch weer naar het hof genood werd, hield deze man, die altijd rustig zichzelf bleef, zich zo aan zijn hoge principes van trouw en zelfbeheersing, dat hij er nooit van kon worden beticht een geheim te hebben geschonden (of het moest zijn dat iemands leven ervan afhing) of - zoals zoveel anderen - een begeerte te hebben gekoesterd naar meer bezit. 7.Toen hij vervolgens naar Rome vertrok en zich daar permanent vestigde om er zijn laatste dagen te slijten, was zijn metgezel dan ook zijn gerust geweten. Hij werd door iedereen van hoog tot laag gerespecteerd en geëerd - terwijl zulke mensen die oneerlijk aan hun rijkdom zijn gekomen, gewoonlijk obscure schuilplaatsen opzoeken en, lichtschuw, het contact vermijden met al degenen die ze hebben benadeeld. 8.Ik heb veel oude boeken uitgerold om te zien met welke eunuch uit het verleden ik hem zou kunnen vergelijken, maar heb er geen gevonden. O ja, er zijn er wel geweest - hoogstens een paar - die betrouwbaar waren en plichtsgetrouw, maar dan altijd toch behept met bepaalde gebreken. Want degenen die misschien opvielen door hun aanleg of geleerdheid, waren anderzijds hebzuchtig, verachtelijk om hun ongevoeligheid, hardvochtig, kruiperig tegenover hoger geplaatsten of trots en hooghartig. Maar van één die zo in alle opzichten uitblonk moet ik zeggen nooit te hebben gelezen of gehoord - en wat onze eigen tijd betreft weet ik ook wel wat er te koop is. 9.Maar als misschien iemand die beter thuis is in de oude geschiedenis mij zou wijzen op Menophilus, de eunuch van Mithridates, de koning van Pontus, dan moge hij zich herinneren, dat over deze Menophilus niets anders geschreven is dan het volgende, waarmee hij zich in een crisissituatie roem verwierf. 10.De genoemde koning was na zijn nederlaag in een geweldige slag tegen de Romeinen onder Pompeius naar het koninkrijk Colchis gevlucht en had zijn bijna volwassen dochter Drypetina, die aan een ernstige ziekte leed, achtergelaten in de vesting Sinhorium onder de hoede van Menophilus. Deze zag kans het meisje met allerlei middelen te genezen en waakte gewetensvol over haar veiligheid tot haar vader haar zou halen. Toen Mallius Priscus, de legaat van Pompeius, de vesting waarin ze vastzaten, was begonnen te belegeren en Menophilus merkte, dat de verdedigers aan overgave dachten, vreesde hij dat het meisje tot schande van haar vader levend gevangen en geschonden zou worden, doodde haar, en stiet daarna direct ook het zwaard in zijn eigen lijf. En nu keer ik terug naar mijn eigenlijke onderwerp.

  8. Laster en kwaadsprekerij aan het hof van Constantius. Hebzucht van de hovelingen

  1.Nadat Marcellus, zoals gezegd, was afgetroefd en teruggekeerd was naar Serdica [Sofia], waar hij vandaan kwam, werd aan het hof van Augustus zogenaamd om zijne keizerlijke majesteit te beschermen de ene wandaad na de andere gepleegd. 2.Want als iemand een figuur met verstand van die dingen geraadpleegd had over de betekenis van een angstig gepiep van een muis, van het feit dat een wezel zijn pad had gekruist of van een ander soortgelijk voorteken, of een oud wijfje de een of andere pijn had laten bezweren (waar ook de medische wetenschap niets op tegen heeft), kon hij verraden worden door hij wist niet wie, voor het gerecht gesleept en met de dood worden gestraft. 3.Ongeveer in die tijd was een zekere Danus, een slaaf, door zijn vrouw, louter om hem te intimideren, van iets onnozels beschuldigd. Die vrouw werd daarop benaderd door Rufinus, die haar op de een of andere manier kende. (Terzijde: dit was dezelfde Rufinus die met bepaalde informatie die hij van de geheime agent Gaudentius had gekregen, de dood had bewerkt van de consularis van Pannonië, Africanus, en diens tafelgenoten, waarover ik eerder heb verteld. Nu was hij vanwege zijn toewijding hoofd van de administratie van de praetoriaanse prefectuur.) 4.Eerst, zo liet deze Rufinus graag horen, had hij de makkelijk te beïnvloeden vrouw tot overspel verleid en haar vervolgens voor een gevaarlijk staaltje bedrog gestrikt: hij kreeg haar zo ver, dat zij haar onschuldige man met een samenspinsel van leugens van majesteitsschennis beschuldigde, met name door te beweren dat hij met een paar anderen een purperen kleed van de tombe van Diocletianus had weggenomen en ergens verborgen had. 5.Het web dat velen noodlottig moest worden, aldus gesponnen zijnde, haastte Rufinus zich naar het keizerlijke hof om het schandaal op zijn bekende manier aan het licht te brengen, en zag zijn bevordering al in het verschiet. Zijn ‘onthulling’ leidde ertoe dat de toenmalige praefectus praetorio Mavortius, een rechtlijnige man, opdracht kreeg de zaak tot op de bodem uit te zoeken, samen met de comes largitionum Ursulus, ook iemand van een prijzenswaardige gestrengheid. 6.Zoals dat altijd ging, werd de zaak enorm opgeblazen en werd er veel gefolterd, maar er kwam niets uit en de rechters wisten er geen raad mee, totdat er tenslotte licht kwam in de duisternis toen de vrouw onder zware druk bekende dat Rufinus alles verzonnen had. Zelfs het schandelijke overspel verzweeg ze niet. Toen was het gauw gebeurd: volgens recht en wet veroordeelden de rechters eensgezind beiden ter dood. 7.Constantius was woedend toen hij dit vernam. Alsof hij de dood van zijn persoonlijke beschermer had te betreuren, joeg hij er ruiters op af en eiste van Ursulus onder dreigementen diens onmiddellijke terugkeer naar het hof. Toen deze zich bij zijn aankomst bij de keizer aandiende, werd hij gedwarsboomd door hovelingen die hem wilden beletten voor de waarheid uit te komen. Maar hij had geen boodschap aan de lui die hem probeerden tegen te houden, stapte zelfverzekerd de raadzaal binnen en verklaarde openhartig en zonder iets te verbloemen wat er was gebeurd. Door dit vrijmoedige optreden snoerde hij de hofvleiers de mond en weerde hij een dreigend gevaar af voor de prefect en zichzelf. 8.Toen gebeurde er in Aquitanië iets waarvan het verhaal wijd en zijd de ronde deed. Een oude grappenmaker, die op een chic diner gevraagd was - zo’n schitterend banket als in die streken vaak wordt aangericht - merkte dat de purperen zomen van de linnen spreien over de sofa’s en van de kleden over de tafels zo breed waren, dat handige bedienden ze als één stuk aan elkaar hadden weten te passen. Hij keerde toen met twee handen de voorzijde van zijn bovenkleed naar binnen en drapeerde zich zodanig in het purper dat het leek alsof hij een keizerlijk gewaad aanhad. Die grap ruïneerde een rijke familie. 9.Even kwaadaardig en laaghartig werd in Spanje een nobel huis ten gronde gericht door een geheim agent, die er [net als een vorige] uitgenodigd was voor een diner en toen de gebruikelijke uitroep van bedienden bij het binnenbrengen van de lampen ’s avonds, namelijk ‘mogen wij overwinnen!’,7  letterlijk opvatte. 10.Deze en soortgelijke gebeurtenissen deden zich steeds vaker voor, omdat Constantius, voortdurend beducht voor gevaar en in angst om zijn leven, elk ogenblik een mes op zijn keel verwachtte - zoals de bekende tiran van Sicilië, Dionysius, die, met dezelfde afwijking behept, zijn dochters het baardscheren liet leren om zijn wangen niet aan een vreemde te hoeven toevertrouwen, en een klein gebouw waarin hij gewoonlijk sliep, met een diepe gracht omgaf met een demontabele brug erover, waarvan hij de planken en spijlen losmaakte en meenam als hij zich terugtrok voor de nacht en weer in elkaar zette als hij ’s morgens vertrok. 11.Ook hovelingen in hoge posities zongen mee in het misdadig koor, azend op de eigendommen van veroordeelden om ze bij hun eigen bezit te voegen en in staat te zijn dat in hun omgeving nog verder te vergroten. 12.Want het is een bewezen feit, dat Constantijn als eerste de vraatzucht van zijn gunstelingen opwekte, maar het was Constantius die ze ten koste van de provincies vetmestte. 13.Onder hem ontbrandden de aanvoerders van alle klassen in een ongebreidelde begeerte naar rijkdom, zonder te malen om wet of recht. Van de civiele beambten was dat allereerst de praefectus praetorio Rufinus; van de militairen de magister equitum Arbetio; verder de praepositus cubiculi Eusebius en de quaestor (...). In Rome was het de familie van de Anicii, waarvan de jongste generatie niet wenste onder te doen voor hun voorvaders en waarvoor niets ooit genoeg was.  

9. Onderhandelingen met de Perzen 

1.In plaats van zoals vroeger geregelde gevechten aan te gaan, hielden de Perzen in die tijd in het oosten voortdurend roof- en plundertochten, waarbij ze mensen en vee buitmaakten. Soms kwamen ze daarmee weg, als ze onverwachts opdoken; vaak raakten ze hun buit ook weer kwijt wanneer ze te maken kregen met een sterke legertroep van ons; terwijl het ook wel gebeurde dat ze helemaal geen kans kregen iets van hun gading te vinden. 2.Maar de praefectus praetorio Musonianus, een man die (zoals ik eerder heb gezegd) over veel gaven beschikte maar corrupt was en het voor geld met de waarheid niet zo nauw nam, probeerde via informanten die listig onder dekmantel wisten te opereren, achter de plannen van de Perzen te komen, waarbij hij ook Cassianus betrok, de in tal van expedities en gevaarlijke situaties geharde bevelhebber van Mesopotamië. 3.Toen het voor hen uit eensluidende rapporten van hun agenten kwam vast te staan dat Sapor toen in het oostelijk grensgebied van zijn rijk doende was met grote moeite en ten koste van veel doden en gewonden vijandige stammen onder controle te krijgen, probeerden ze Tamsapor, de dichtstbijzijnde Perzische bevelhebber, via anonieme soldaten in geheime contacten zover te krijgen dat hij bij een goede gelegenheid zijn koning per brief zou adviseren eindelijk vrede te sluiten met de Romeinse keizer om zodoende, met rust aan zijn westelijk front, de handen vrij te hebben voor zijn acties tegen de niet aflatende vijanden [in het oosten]. 4.Tamsapor viel daarvoor en berichtte in goed vertrouwen op zijn zegslieden dat Constantius onder de druk van allerlei oorlogvoering dringend om vrede vroeg. Maar het duurde erg lang vóór deze berichten in het gebied van de Chionieten en de Cusenen aankwamen, waar Sapor overwinterde.  

10. Triomfale intocht van Constantius in Rome

  1.Terwijl zo in de Oriënt en in Gallië naargelang de omstandigheden het eisten het een en ander geregeld werd, wenste Constantius, alsof de tempel van Janus gesloten was en al zijn vijanden verslagen waren, Rome te bezoeken en de stad na de zelfmoord van [de usurpator] Magnentius op geen andere titel dan wegens het vergieten van Romeins bloed als triomfator binnen te trekken 8 .Op geen titel... 2.Want nooit had hij persoonlijk enig volk in een oorlog overwonnen; nooit was hem zo’n overwinning door zijn generaals bericht; aan het grondgebied van zijn rijk had hij geen duim toegevoegd; in kritieke situaties had men hem nooit vooraan of onder de voorsten gezien. Niettemin wenste hij met een onafzienbare parade, met banieren stijf van goudstiksel en met de pracht en praal van zijn gevolg een volk te verbluffen dat in volstrekte vrede leefde en zo’n spektakel verwachtte noch wenste te zien. 3.Misschien wist hij niet dat sommige vroegere keizers in vredestijd tevreden waren met een begeleiding van lictoren,9 maar wanneer in het heetst van een oorlog alles op alles moest worden gezet, de een zich in een gierende storm in een vissersbootje waagde,10  een ander naar het voorbeeld van de Decii zijn leven aan de staat wijdde,11 een derde persoonlijk, samen met gewone soldaten een vijandelijk kamp verkende,12 en verschillende anderen, tenslotte, beroemd werden door andere opzienbarende daden waarvan ze ons de eeuwige herinnering hebben nagelaten. 4.Nadat met veel aandacht voor pracht en praal de nodige voorbereidingen waren getroffen, reisde hij in de tweede ambtsperiode van de stadsprefect [van Rome], Orfitus, af via Ocriculum [Ocriculi], verguld met de eer die hem overal onderweg werd bewezen, en begeleid door ontzagwekkende legerscharen alsof hij met zijn troepen uitrukte ten oorlog. En wie het zag, bleef als aan de grond genageld...  5.Toen hij de stad naderde, beschouwde hij uiterlijk onaangedaan de respectvolle houding van de senaat, de eerbiedwaardige gestalten van de patriciërs, en kwam het hem voor, niet als de bekende gezant van Pyrrhus, Cineas, dat hij een menigte koningen vóór zich verzameld zag, maar de beschermheren van de hele wereld.13  6.Van hen zich wendend tot het volk, verbaasde hij zich over de enorme massa’s mensen van alle naties der aarde die in Rome waren samengestroomd. Alsof hij de Euphraat of de Rijn met groot wapenvertoon wilde imponeren zat hij, links en rechts voorafgegaan door veldtekens, alleen op een gouden karos, bezet met schitterende edelstenen die fonkelend en flonkerend het licht over en weer weerkaatsten. 7.Een indrukwekkende stoet ging voor hem uit. Dan kwam hij zelf, omgeven door zijn keizerlijke standaards: van purperdraad geweven draken, bevestigd aan gouden met edelstenen bezette speerpunten, hun bekken wijd open alsof ze sisten van kwaadheid, hun staarten golvend in de wind. 8.Aan zijn zijden marcheerden dubbele rijen infanteristen in glanzende harnassen met schitterende schilden en wuivende helmpluimen, met daartussen zwaargewapende ruiters, clibanarii, volledig gepantserd, met vizierhelmen op en metalen gordels om, alsof het geen mannen waren maar beelden door Praxiteles’ hand gepolijst. Dunne metalen schijfjes die zich naar hun lichaam voegden, bedekten al hun leden met zo’n hechte samenhang, dat hun pantsers bij alle bewegingen perfect bleven passen. 9. De luide acclamaties, waarvan bergen en kusten de daverende echo’s weerkaatsten, nam hij onbewogen in ontvangst, zo kalm en beheerst als hij zich ook in de provincies toonde. 10.Hij boog zich diep als hij onder hoge poorten doorging, ofschoon hij klein van gestalte was, maar alsof zijn nek vastgeklemd zat, hield hij zijn blik recht vooruit gericht, keek naar rechts noch links, bleef star en stijf als een beeld ook als de wagen hotste en botste, spuwde niet, wiste zijn gezicht en wreef zijn neus niet en nooit zag men hem zijn handen bewegen. 11.Dit alles was natuurlijk een bewuste pose, maar zulke en nog andere bijzonderheden van zijn persoonlijk gedrag verrieden wel een meer dan gewone zelfbeheersing, die als typisch en kenmerkend voor hem werd beschreven. 12.In heel zijn regeringsperiode liet hij in zijn koets nooit iemand naast zich plaatsnemen; nooit accepteerde hij een privé persoon als medeconsul, zoals andere, vergoddelijkte, keizers wel deden. En aan veel van deze gewoonten hield hij in de overmaat van zijn trots vast alsof het de meest fundamentele wetten betrof - maar ik zal daar nu niet verder op ingaan, want ik herinner me erover verteld te hebben waar het te pas kwam. 13.Dus zo ging hij Rome in, de bakermat van het gemenebest en van alle goeds,14  en bij de rostra gekomen, het oudste en beroemdste forum van het rijk, bleef hij als verpletterd staan, en waarheen hij zijn blik ook richtte, werd hij verblind door wonderen van schoonheid. In de curia sprak hij de senatoren toe, vanaf de rostra het volk. In het palatium met groot eerbetoon ontvangen zoals hij het zich had voorgesteld, genoot hij daar zichtbaar van. Als hij soms wagenspelen liet houden, had hij groot plezier om de commentaren en uitvallen van het publiek, dat zonder de perken te buiten te gaan wel zijn verworven rechten uitleefde, en ook zelf hield hij zich zoals het behoorde aan de regels. 14.Want anders dan in andere steden liet hij de wedstrijden niet stoppen wanneer hij het genoeg vond, maar liet ze gewoon gaan zoals het uitkwam. Tijdens een bezichtiging van de stad zelf en haar omgeving toerend door de verschillende wijken op de glooiingen en in de dalen tussen de zeven heuvels, leek het hem dat van alles wat in zijn blikveld kwam het een nog indrukwekkender was dan het ander: het heiligdom van Jupiter Tarpeius, van een bovenaardse, goddelijke schoonheid; de uitgestrekte thermen; het kolossale amphitheater, zo solide, van travertijn, en zo hoog als het menselijk oog maar juist reikte; het ronde Pantheon, wel zo groot als een heel district, met zijn majestueuze overkoepeling; de hoogoprijzende zuilen die men [binnendoor] kan beklimmen tot op de platforms met de beelden van vroegere keizers; de Tempel van de Stad, het Forum van de Vrede, het theater van Pompeius, het Odeon, het stadion en al wat verder de Eeuwige Stad sierde. 15.Maar toen hij aan het Forum van Trajanus kwam, een bouwwerk dat, denk ik, uniek is onder de hemel - een wonder, daarover zullen zelfs de goden het eens zijn - bleef hij overdonderd staan terwijl hij dat hele gigantische complex beschouwde, dat elke beschrijving tart en door geen sterveling ooit zal worden geëvenaard. Elke gedachte opzij schuivend dat hij ooit ook maar een poging daartoe zou kunnen doen, zei hij dat hij alleen het beeld van het paard van Trajanus met de keizer in het zadel, dat midden in het atrium staat, wel zou willen en kunnen laten kopiëren. 16.‘Maar dan, majesteit,’ zei gevat prins Hormisdas,15  die naast hem stond (en wiens vlucht uit Perzië ik vroeger heb beschreven) ‘zult u toch eerst zo’n zelfde ‘‘stal’’ moeten laten bouwen, als u kunt, zodat het paard dat u wilt laten maken de ruimte krijgt die het hier heeft...’ Op de vraag wat hij van Rome vond, zei deze Hormisdas, dat het hem goed deed te hebben gehoord dat ook hier de mensen sterfelijk waren. 17.Eindelijk bekomen van zijn verbazing over alles wat hij had gezien, had de keizer een klacht over de Faam, namelijk dat ze altijd alles overdreef, maar feitelijk maar benepen en kleingeestig was, want niet bij machte te beschrijven wat Rome te bieden had, en na lang peinzen over wat hij zelf daartoe zou kunnen bijdragen, besloot hij de stad nóg een sieraad te schenken door in het Circus Maximus de obelisk te laten oprichten waarvan ik de herkomst en de bijzonderheden later zal beschrijven. 18.In die tijd was Constantius’ zuster Helena, de vrouw van Julianus, naar Rome genodigd, schijnbaar als gebaar van vriendelijkheid, maar feitelijk met sinistere bedoelingen. Keizerin Eusebia, die zelf haar hele leven kinderloos was gebleven, liet de vrouw namelijk listig een speciale drank innemen waardoor ze altijd wanneer ze zwanger zou zijn een miskraam zou krijgen. 19.Ook al eerder, in Gallië, had Helena een pasgeboren kind daardoor verloren dat de omgekochte vroedvrouw de navelstreng te kort afsneed, waardoor de baby stierf. Zoveel moeite deed men en zoveel had men ervoor over om te voorkomen dat zo’n voortreffelijke man nakomelingen zou hebben. 20.Nu had Constantius wel langer willen blijven in de eerbiedwaardigste stad ter wereld om zonder problemen aan zijn hoofd te genieten van rust en ontspanning, echter, voortdurend bereikten hem alarmerende berichten die hij niet kon negeren: over Sueben die Raetië, en Quaden die Valeria teisterden, en Sarmaten, een doortrapt roversvolk, die Opper Moesië en Neder Pannonië verwoestten. Daardoor genoodzaakt verliet hij Rome op de dertigste dag na zijn aankomst, op 29 mei, en begaf zich zo snel mogelijk via Tridentum [Trente] naar Illyrië. 21.Daar aangekomen zond hij Severus, een commandant met een lange staat van dienst te velde, naar Marcellus als diens opvolger, en riep tegelijk Ursicinus op. Verguld met deze oproep begaf die zich met zijn staf direct naar Sirmium, waar lang gedelibereerd werd over de mogelijkheid van vrede met de Perzen volgens hetgeen Musonianus daarover gerapporteerd had. Vervolgens werd Ursicinus als bevelhebber teruggestuurd naar het oostfront, terwijl de oudere leden van zijn staf met promotie eveneens commando’s werden toebedeeld en wij, de jongeren, toegevoegd bleven aan Ursicinus’ staf met de opdracht zijn bevelen in het landsbelang uit te voeren.16  

11. Caesar Julianus valt de Alamannen aan op de eilanden in de Rijn waar ze zich met al hun bezittingen in veiligheid hadden gebracht en herstelt Tres Tabernae 

1.Toen de turbulente wintermaanden in Senonae afliepen, kreeg Julianus haast om in Reims te komen, want de Germaanse dreiging rumoerde alom. Dat was dus in het jaar van het negende consulaat van Constantius en het tweede van hemzelf [357]. Hij was in een opgewekte stemming, want de voortekenen waren gunstig, en vol vertrouwen, want het leger werd aangevoerd door Severus, een man die zich naar hem voegde zonder enige aanmatiging, iemand met een lange staat van dienst te velde, die als hijzelf de troepen aanvoerde, hem volgde als een plichtsgetrouw soldaat. 2.Van een andere kant naderde uit Italië op bevel van Constantius met 25.000 man Barbatio, die na de dood van Silvanus tot magister peditum was bevorderd. Zijn doel was Rauracum [Augst]. 3.Want volgens een grondig voorbereid plan zouden de Alamannen, die woester dan ooit tekeer gingen en op hun strooptochten verder uitzwermden dan gewoonlijk, door onze legers van twee kanten in een tang genomen, in het nauw gebracht en vernietigd moeten worden. 4.Maar terwijl dit plan met voortvarendheid werd uitgevoerd, slopen de Laeten, een wilde stam van sluwe rovers, onopgemerkt tussen de kampementen van de twee legers door, attaqueerden onverwachts Lugdunum [Lyon] en zouden de stad zeker geplunderd en volledig hebben platgebrand als de poorten het niet gehouden hadden. Dus verwoestten ze toen alles wat ze in de omgeving ervan konden vinden. 5.Meteen toen hij van dit onheil vernam zond Julianus drie beproefde squadrons lichte cavalerie uit om de drie wegen onder controle te nemen waarlangs de plunderaars, naar hij dacht, zouden terugkeren. Dat had hij goed gezien. 6.Wat inderdaad over die wegen kwam, werd neergemaaid, terwijl de hele buit werd terugveroverd. Alleen degenen die via het bewakingsgebied van Barbatio vluchtten, brachten het leven er af. Die kans kregen ze doordat het de tribuun Bainobaudes en (de latere keizer) Valentinianus, die met hun ruiterafdelingen dezelfde opdracht hadden, door de met Barbatio meegekomen tribuun der Scutarii Cella, verboden werd de weg te bewaken waarlangs de Germanen te verwachten waren. 7.Daarbij liet de laffe, altijd op Julianus en zijn successen jaloerse magister peditum het niet, want wel beseffend dat zijn bevel het belang van Rome had geschaad (Cella zou dit later, toen hij aangeklaagd werd, ook toegeven) deed hij het in zijn verslag aan Constantius bedrieglijk voorkomen alsof de genoemde tribunen onder het voorwendsel van een dienstopdracht feitelijk gekomen waren om de manschappen onder zijn bevel op te ruien; die werden daarvoor van hun commando ontheven om in burger naar huis terug te keren. 8.In diezelfde tijd raakten de barbaren die aan onze kant van de Rijn woonachtig waren, door de komst van onze legers in paniek. Sommigen begonnen vakkundig versperringen van zware boomstammen aan te leggen op de wegen die toch al moeilijk begaanbaar en van zichzelf tamelijk steil waren. Anderen bezetten de eilanden waarvan er her en der nogal wat in de Rijn lagen en begonnen daarvandaan rauw en onheilspellend schreeuwend de Romeinen en de caesar uit te jouwen. Daardoor getergd wilde Julianus er een paar laten pakken en vroeg daarvoor van Barbatio zeven van de schepen die deze klaar had liggen om ze aaneen te koppelen tot pontons voor een oversteek van de rivier. Maar liever dan hem ter wille te zijn stak Barbatio ze allemaal in brand.17 9.Daarna vernam Julianus echter van een paar spionnen die gevangen waren, dat de rivier toen, juist in het heetst van de zomer, doorwaadbaar was, waarop hij lichtbewapende hulptroepen onder bevel van de tribuun van de Cornuti, Bainobaudes, aanmoedigde te zien of ze dat waagstuk met enig geluk konden uithalen. En inderdaad raakten die, wadend van de ene ondiepte naar de andere of ook wel liggend op hun schilden, roeiend, bij het eerste eiland, waar ze aan land gingen en ieder die ze tegenkwamen, man en vrouw, ongeacht hun leeftijd, afslachtten als schapen. In bootjes die ze toen vonden, al waren ze wat wankel, voeren ze vervolgens verder en bezochten nog verschillende andere eilanden, tot ze genoeg hadden van het moorden en beladen met buit - waarvan ze een gedeelte weer in de stroming verloren - tot de laatste man ongedeerd terugkeerden. 10.De overige Germanen verlieten toen die eilanden, die toch niet zo veilig bleken, en trokken met hun gezinnen, hun voorraden en hun schamele bezittingen dieper het binnenland in. 11.Vanaf dat punt boog Julianus af naar de vestingstad Tres Tabernae [Savernes] genaamd, die niet lang daarvóór door de vijand belegerd en zwaar beschadigd was, om ze te herstellen ter beveiliging van het binnenland van Gallië tegen de Germanen. Sneller dan gedacht werd dat karwei geklaard, waarna voor het garnizoen dat er zou worden gestationeerd voorraden voor een heel jaar werden aangelegd die de soldaten niet zonder gevaar eigenhandig van de velden van de barbaren haalden. 12.Daarmee niet tevreden, liet hij ook voor zichzelf voedsel voor twintig dagen verzamelen. Er zat trouwens voor de soldaten weinig anders op dan te leven van wat ze zelf vergaard hadden, omdat ze, tot hun grote ergernis, van de proviand die voor hen kort daarvóór was aangevoerd, niets kregen: een deel daarvan had Barbatio zich namelijk, zonder zich van iemand iets aan te trekken, toegeëigend toen het transport in zijn buurt kwam, waarna hij de rest op een hoop had gegooid en in brand gestoken! Of hij dit zomaar deed omdat hij gestoord was dan wel in opdracht van de keizer brutaalweg telkens weer zulke schandalige dingen uithaalde, is nooit duidelijk geworden. 13.In elk geval kon men overal horen - al ging het maar om geruchten - dat Julianus niet gekozen was om de problemen in Gallië op te lossen, maar om in bloedige oorlogen zijn ondergang te vinden. Hij was immers, of ging door voor, onervaren en niet bestand tegen krijgsgeweld ? 14.Terwijl de versterking van het legerkamp zijn voltooiing naderde en een deel van de troepen posten betrok in de omgeving, een ander deel behoedzaam, altijd bedacht op hinderlagen, bezig was graan te verzamelen, kwam ongezien en ongehoord, een horde barbaren aangestormd, attaqueerde als uit de lucht gevallen volkomen onverwachts Barbatio en de troepen onder zijn bevel, afzijdig gelegerd van Julianus’ kamp, joeg ze op de vlucht en achtervolgde ze tot Augst en zoveel verder als ze konden, roofden het grootste deel van de bagage en de pakdieren met trosknechten en al en verdwenen weer naar waar ze vandaan kwamen. 15.En Barbatio..., alsof hij een expeditie tot een goed einde had gebracht, verdeelde Barbatio zijn soldaten over winterkwartieren en keerde zelf terug naar het hof om op zijn bekende manier Julianus zwart te maken.     

12. Caesar Julianus bindt de strijd aan met de zeven koningen der Alamannen die Gallië belagen en verslaat de barbaren in een slag bij Argentoratus [Straatsburg]  

1.Toen de geschiedenis van Barbatio’s smadelijke vlucht overal bekend werd, verenigden de koningen van de Alamannen, Chonodomarius en Vestralpus, Urius en Ursicinus, met Serapio, Suomarius en Hortarius, hun strijdkrachten, lieten de trompetten steken ten oorlog en rukten op in de richting van Straatsburg, denkend dat Julianus zich uit angst had teruggetrokken - terwijl hij in werkelijkheid nog steeds bezig was de vesting Tres Tabernae te versterken. 2.Zo zeker van zichzelf als ze al waren, werd hun zelfvertrouwen nog vergroot toen een deserteur van de Scutarii, die uit vrees voor straf voor een misdaad die hij had begaan, na de aftocht van zijn generaal naar hen overliep en het goede nieuws bracht dat Julianus nog maar dertienduizend man onder zich had. (Inderdaad was dit getal correct, en dat, terwijl de woeste barbaren rondom hem steeds oorlogszuchtiger werden!) 3.De stelligheid waarmee de overloper zijn bewering bleef herhalen, stijfde hen in hun overmoed. Zelfs zonden ze gezanten naar de caesar om hem feitelijk te bevelen het land dat zij zich met veel strijd verworven hadden, te verlaten. Maar hij kende het woord ‘vrees’ niet, werd er heet noch koud van, lachte om de hooghartigheid van die barbaren en hield de gezanten vast tot het herstelwerk aan de vesting voltooid was, zonder zich door wat dan ook van zijn stuk te laten brengen. 4.Nu was koning Chonodomarius een man die overal onrust en verwarring teweeg bracht, altijd prominent aanwezig was, vooraan als het om gewaagde ondernemingen ging. Hij straalde trots en arrogantie uit, overmoedig als hij was door zijn vele successen. 5.Want hij had in caesar Decentius een gelijkwaardige tegenstander ontmoet en hem verslagen, welvarende steden geplunderd en verwoest en lange tijd naar hartelust ongehinderd Gallië kunnen afstropen. Zijn eigendunk was nu niet weinig nog daardoor versterkt dat een generaal met nota bene een leger dat groter en sterker was dan het zijne voor hem op de vlucht was geslagen. 6.Want toen de Alamannen de emblemen zagen op de schilden van Arbatio’s soldaten, begrepen ze dat de mannen die op de loop waren gegaan voor niet meer dan een stel vrijbuiters dezelfden waren waarvoor zij zelf in het verleden in paniek en met grote verliezen gevlucht waren zelfs vóór het tot een gevecht was gekomen. Dit alles baarde Julianus ernstige zorgen, omdat hij het, als het eropaan kwam, zonder zijn deelgenoot in gevaar met zijn weinige (hoewel dappere) troepen zou moeten opnemen tegen massa’s zulke barbaren. 7.De eerste zonnestralen kleurden het oosten rood, toen onze infanterie onder trompetgeschal in een kalm tempo het kamp uit marcheerde, de flanken gedekt door eskadrons ruiterij waaronder kurassiers en boogschutters, een formidabele eenheid. 8.Maar toen de afstand tot het vijandelijke kamp op veertien leuga’s (dat is eenentwintig mijl) werd geschat vanaf het punt waar de Romeinse vaandels geheven waren, riep de caesar, met een goed gevoel voor voordeel en veiligheid, de voorhoede terug die al een stuk vooruit was, liet het gebruikelijke commando ‘plaats rust!’ geven en sprak op zijn karakteristieke kalme manier de om hem heen verzamelde troepen als volgt toe: 9.‘Een paar woorden, mannen! Met het oog op het handhaven van onze veiligheid, en niet uit vrees, acht ik het noodzakelijk u als uw caesar aan te raden en te vragen, om in het volste vertrouwen in onze beproefde moed en dapperheid toch de weg van de voorzichtigheid te verkiezen boven die van de riskante overhaasting, om aan te kunnen of te kunnen afwenden wat straks op ons afkomt. 10.Want het is natuurlijk dat jonge kerels in gevaarlijke situaties actie willen en hun durf willen tonen, maar een eerste noodzaak is toch, als de omstandigheden dat eisen, gehoorzaamheid en voorzichtigheid te betrachten. Ik zal dus in het kort uitleggen wat mijn plan is, en zien of u daarmee kunt instemmen of uw wrevel daarover kunt beheersen. 11.Het is al bijna middag; we zijn uitgeput van de mars; de weg vóór ons is onbekend en zal moeizaam zijn; het is afnemende maan en het wordt een sterrenloze nacht; het land vóór ons ligt in een smoorhitte waar absoluut geen water te vinden zal zijn. En als het ons gegeven mag zijn dit alles goed te doorstaan, wat doen we dan straks als horden barbaren over ons heen vallen die uitgerust zijn en goed gegeten en gedronken hebben? Hoeveel kracht zullen we dan in ons door honger, dorst en moeheid verzwakte lijf hebben om tegenstand te kunnen bieden? 12.Dus, aangezien het ook onder de moeilijkste omstandigheden helpt als tijdig voorzieningen worden getroffen, en een twijfelachtige situatie soms door hemels ingrijpen wordt gered als goede raad ter harte wordt genomen, stel ik u nu voor: laten we voor het moment een bivak opslaan, wachtposten uitzetten, rust nemen, de inwendige mens versterken en voorzover mogelijk wat slaap genieten, en dan, met respect voor de hemel gezegd, zodra de morgen aanbreekt onze adelaars en vaandels in triomf ter overwinning voeren’. 13.Maar ze lieten hem niet uitspreken. Woedend, tandenknarsend, sloegen ze met hun speren op hun schilden ten teken dat ze wilden vechten en eisten tegen de vijand te worden gevoerd die zich al op zichtafstand bevond, zo zeker waren ze van de gunst van de hemelse godheid, hun eigen kracht en de bewezen kundigheid van hun altijd fortuinlijke aanvoerder. Ook, zoals de afloop zou bewijzen, vuurde kennelijk de een of andere beschermgeest zolang die aanwezig was, de mannen aan tot de strijd. 14.Hun strijdlust vond bijval bij de hogere leiding en vooral bij de praefectus praetorio Florentius, die van mening was dat ondanks de risico’s het beste meteen een gevecht kon worden aangegaan nu de barbaren en bloc stonden, omdat, als ze zich zouden verspreiden, de spanning onder onze soldaten, die van nature heetgebakerd en tot insubordinatie geneigd waren, niet meer te houden zou zijn. Want dat hun - zo voelden ze het - de kans op een overwinning ontnomen zou worden, zouden ze niet verdragen en niemand wist wat dan kon gebeuren. 15.Nog twee overwegingen versterkten dat standpunt. Men had het in het afgelopen jaar meegemaakt hoe de Romeinen het gebied over de Rijn wijd en zijd doorkruist hadden en geen man daar zijn huis verdedigd had of zich tegen hen had verzet. Integendeel, de barbaren hadden alle paden versperd met barricades van omgehakte bomen en verkommerden onder erbarmelijke omstandigheden in de bittere kou, ver van het gevaar. Met de keizer in hun land hadden ze het niet gewaagd zich te verweren of zich zelfs maar te laten zien en hadden onderdanig om vrede gesmeekt, die hun gegund werd. 16.Maar het drong tot niemand door hoe de situatie was veranderd, want toen werden de barbaren van drie kanten in het nauw gebracht: de keizer bedreigde ze via Raetië, de caesar zat hen op de nek en gaf ze geen kans te ontsnappen en omringende stammen, die hun vanwege allerlei conflicten vijandig gezind waren, namen de kans om met ze af te rekenen wel niet waar, maar daarmee was alles gezegd. Sindsdien echter had de keizer daar vrede gesloten en was vertrokken, waren de stammenruzies bijgelegd en de buurvolken weer eensgezind en had de smadelijke afgang van Barbatio de woeste aard van de barbaren nog meer doen bovenkomen. 17.En er was nog iets wat de situatie voor de Romeinen er niet beter op maakte, namelijk dat van twee koninklijke broers, die het onder de vigeur van een vredespakt dat hun het jaar daarvóór door Constantius gegund was, niet gewaagd hadden onrust te veroorzaken of zich hoe dan ook te roeren, degene die het sterkst was en het gehoorzaamst aan de bepalingen van het verdrag, namelijk Gundomadus, verraderlijk was vermoord, waarna zijn hele stam zich met onze vijanden had verenigd en toen tegelijk ook het volk van Vadomarius zich (tegen diens wil zoals hij beweerde) bij de legers van de barbaren die om oorlog riepen had aangesloten. 18.[Om terug te komen:] Van hoog tot laag vonden dus allen dat het ’t beste was direct slag te leveren en koppig bleven ze daarbij. Een van de standaarddragers riep toen plotseling: ‘Vooruit caesar! meest succesvolle van alle caesars! naar waar het geluk u wacht! Door u voelen we dat moed en inzicht een gevecht beheersen. Met u voorop hebben we immers een moedige leider die in alles slaagt. U zult eens zien waartoe een soldaat in staat is als alles uit hem wordt gehaald onder de ogen van een generaal - met god in de hemel erbij - die getuige is van wat hij doet!’ 19.Dit was het sein waarop het leger zich zonder verder uitstel weer in beweging zette. Niet ver van de oevers van de Rijn bij een zacht oplopende heuvel gekomen die vol stond met rijp graan, zag men van de top drie vijandelijke verkenners te paard, kennelijk opgeschrikt, weg galopperen om de nadering van het Romeinse leger te melden, maar een krijger te voet die ze niet kon bijhouden werd door onze mannen gegrepen. Van hem kwamen we te weten dat drie dagen en drie nachten aan één stuk door Germanen de rivier waren overgestoken. 20.Onze officieren monsterden die zoals ze zich vlak vóór ons in dichte formaties begonnen op te stellen, hielden halt en vormden zelf een onneembare muur van twee linies diep tegenover de afwachtende vijandelijke formaties. 21.Zoals de eerder genoemde overloper de Germanen had voorspeld zagen ze onze hele ruiterij tegenover zich op de rechterflank en stelden dus alles wat ze aan ruiterij bezaten op hun linkerflank op, met daartussen lenige lichtbewapende schermutselaars, wat goed gezien en nodig was. 22.Want het was hun duidelijk dat zelfs hun best geoefende krijgers te paard met tegelijk teugel en schild in de ene hand en een trillende lans in de andere in een treffen met onze volkomen ingepantserde kurassiers niets konden uitrichten, terwijl zo’n voetknecht in het heetst van de strijd, met iedereen gefixeerd op de vijand tegenover zich, gebukt en onopgemerkt rond kon sluipen, een paard in de buik kon steken waardoor zijn berijder onverhoeds ten val kwam en het dan een eenvoudige zaak was hem af te maken. 23.Was dit hun opstelling op de linkerflank, op de rechterflank legden ze heimelijk onzichtbare hinderlagen. En al die woeste, strijdlustige stammen werden aangevoerd door Chonodomarius en Serapion, de machtigsten van al hun koningen. 24.Chonodomarius, die de aanstichter was van alle beroering, reed, herkenbaar aan zijn vlammend rode helmbos, vóór op de linkerflank, een stoere man, die boogde op de enorme kracht van zijn armen, een reus gelijk, altijd te vinden waar het heetst van een gevecht te verwachten was; boven alles en iedereen torende hij uit op zijn schuimende strijdros, steunend op zijn formidabele lans. Hij viel direct op tussen anderen vanwege zijn glanzend harnas, was zowel een geducht soldaat als een onvergelijkbare veldheer. 25.De rechtervleugel werd aangevoerd door Serapion, een jongeman nog met dons op de wangen maar bekwaam voor zijn leeftijd. Hij was de zoon van Chonodomarius’ broer Mederichus, die heel zijn leven een onbetrouwbare schurk was, en heette zo omdat zijn vader tijdens een langdurig gedwongen verblijf als gijzelaar in Gallië in aanraking was gekomen met zekere Griekse geheime cultussen en vandaar de oorspronkelijke naam van zijn zoon, Agenarichus, in die van Serapion had veranderd. 26.Dit tweetal werd gevolgd door vijf koningen die in de machtsverhoudingen direct onder hen kwamen, door tien prinsen, een lange stoet edelen en 35.000 krijgers, die deels tegen betaling, deels onder een akkoord van wederzijdse bijstand uit verschillende volken geworven waren. 27.Toen klonk het angstaanjagend geschal van de trompetten. De Romeinse generaal die de linkervleugel aanvoerde, Severus, rukte op tot aan de loopgraven vol gewapende barbaren, die, weggedoken, volgens plan plotseling te voorschijn moesten schieten om verwarring te stichten. Hij hield daar halt en waagde geen stap terug of vooruit, niet uit angst, maar uit onzekerheid over het soort hinderlaag dat hij vermoedde. 28.De caesar zag het en, koelbloedig als altijd onder de moeilijkste omstandigheden, nam op het kritieke moment tweehonderd ruiters met zich en spoorde de infanterieformaties aan zich onmiddellijk in de breedte te ontplooien. 29.Vanwege de grootte van het veld en de veelheid manschappen (maar ook omdat hij al te grote wrevel wilde vermijden door niet de schijn te wekken zich een rol aan te matigen die de keizer voorbehouden was), was een algemene harangue uitgesloten en reed hij zonder te achten op het vijandelijke geschut de regimenten langs om bekenden en onbekenden zo aan te moedigen tot de strijd: 30.‘Nu wordt het vechten, mannen! zoals jullie en ik al lang hebben gewild en jullie net nog hebben geëist toen jullie schreeuwden om oorlog!’ 31.En tegen de manschappen in slagorde achter de vaandels in de eerste linie riep hij: ‘Dit is de dag, mannen, de langverwachte dag waarop we met ons allen de oude schandvlekken moeten uitwissen en de hoogheid van Rome de luister teruggeven die haar toekomt! Dit zijn de wilden die het in hun waanzin tot deze fatale strijd hebben laten komen - een fatale strijd, omdat ze onvermijdelijk door ons vernietigd gaan worden!’ 32.Anderen, gehard in lange krijgsdienst, werden door hem tactisch gehergroepeerd en bemoedigd met de woorden: ‘Vooruit kerels, laten we nu keihard afrekenen met lasterpraat over het gedoe hier, waarom ik niet zo graag was de titel van caesar aan te nemen!’ 33.Maar als, aan de andere kant, soldaten buiten de orde het signaal eisten om aan te vallen en hij zag aankomen dat ze met doldrieste acties de discipline zouden ondermijnen, zei hij: ‘In godsnaam, doet geen afbreuk aan de glorie van de overwinning die we gaan behalen door onverantwoord achter de vijand aan te gaan als die op de vlucht slaat, en laat niemand terugwijken behalve in uiterste nood. Want wie misschien zal vluchten, hoeft op mij niet te rekenen, maar wie op de rug van de vijand inhouwt, maar beheerst en op eigen veiligheid bedacht, sta ik bij’. 34.Terwijl hij zulke en andere aansporingen bleef herhalen, stelde hij de hoofdmacht van zijn leger op tegenover het front der barbaren. Toen stegen plotseling kreten op uit de rijen van de Germaanse infanterie waarin ongenoegen doorklonk, met de eenstemmige eis, dat hun prinsen van hun paarden af moesten en zich bij hen moesten voegen, dit uit vrees, dat ze, als er iets misging, het gewone volk jammerlijk in de steek zouden laten en er makkelijk vandoor konden gaan. 35.Toen Chonodomarius dat hoorde, sprong hij meteen van zijn paard, waarna de anderen zonder aarzelen zijn voorbeeld volgden, want niemand twijfelde eraan of hun kant ging winnen. 36.Toen gaven aan beide kanten trompetblazers het gebruikelijke signaal ten aanval en begon een verschrikkelijk gevecht.18 Na een korte, inleidende regen van speren stormden de Germanen roekeloos, in razende vaart op onze eskadrons ruiterij af, speren in de rechtervuist, tandenknarsend in een ongekende razernij, angstaanjagend om te zien met hun wapperende haren en een schittering van waanzin in hun ogen. De onzen hielden daartegen onverschrokken stand, en terwijl ze hun gezichten beschutten met hun schilden, trokken ze hun zwaarden, staken met hun speren en joegen de aanvallers een doodschrik aan. 37 Toen het gevecht voluit aan de gang was, waarin de cavalerie goed in formatie bleef en de afdelingen infanterie hun flanken model dekten met een schutting van schilden, manoeuvreerden de partijen in dichte stofwolken met wisselend succes, hielden de onzen soms stand, weken soms terug, probeerden gehaaide vechters van de barbaren, met de druk van hun knieën [hun paarden aanzettend], hun tegenstanders terug te drijven, kwam het tot fanatiek handgemeen, knalde schildknop tegen schild en weergalmde de lucht van juichkreten van winnaars en gehuil van getroffenen. Terwijl onze linkervleugel, in een hechte formatie doordrukkend, de opdringende horden Germanen met geweld had teruggedreven en briesend midden tussen de barbaren belandde, ging onze ruiterij op de rechtervleugel er plotseling in verwarring vandoor, maar de eersten die vluchtten hinderden de laatsten, tot ze onder de bescherming van de legioenen kwamen en stopten, en de strijd konden hervatten. 38.Dit gebeurde daardoor, dat de kurassiers tijdens een herordening van hun front zagen dat hun aanvoerder (licht) gewond raakte en één van henzelf over de nek van zijn paard gleed dat onder het loutere gewicht van de bepantsering door zijn benen zakte, waarop ze naar alle kanten uiteenstoven en de infanterie zouden hebben vertrapt met een complete chaos als gevolg, was deze niet, dicht op elkaar gepakt en met de armen in elkaar gehaakt, als een muur blijven staan. Julianus zag van een afstand dat de ruiterij vluchtte, gaf zijn paard de sporen en posteerde zich onverbiddelijk op hun weg. 39.De tribuun van een van de eskadrons herkende zijn figuur aan de purperen drakenvaan die aan de spits van een lange lans woei met een staart als een afgeworpen slangenhuid, hield in en reed lijkbleek van schrik terug om de strijd te hervatten. 40.En zoals gewoonlijk in panieksituaties sprak de caesar zijn mannen afkeurend en verwijtend toe: ‘Waar gaat dat heen, flinke kerels?! Vluchten? Weten jullie niet dat vluchten niet helpt en hoogstens de stommiteit van zo’n hopeloze poging bewijst! Terug naar de kameraden! zodat we tenminste zullen delen in hun roem als we ze zo nodig in de steek moeten laten terwijl zíj voor hun land vechten!’ 41.Met deze gematigde woorden kreeg hij ze allen terug naar hun post om hun krijgsplicht te hervatten. Daarbij leek hij enigszins op Sulla destijds, die zijn leger tegen Mithridates’ generaal Archelaus in het veld had gebracht en afgemat door het hete gevecht en door al zijn soldaten in de steek gelaten naar voren was gestormd, een standaard had gegrepen en in de richting van de vijand had gegooid met de uitroep: ‘Gaan jullie maar, makkers! En als ze jullie soms vragen waar je aanvoerder is gebleven, zegt dan zoals het is: ‘‘Die vecht alléén in Boeotië en vergiet er zijn bloed voor ons allemaal!’’’ 42.Na onze ruiterij in disorde te hebben teruggeslagen vielen de Alamannen het front van onze infanterie aan, denkend dat het moreel van onze troepen gebroken was en ze daarmee gemakkelijk spel zouden hebben. 43.Maar toen het tot een gevecht van man tegen man kwam, bleef de strijd lang onbeslist. Want de Cornuti en de Bracchiati, gehard in langdurige krijgsdienst, joegen de barbaren schrik aan met woeste gebaren, terwijl ze een geweldige barritus aanhieven, een strijdkreet die in het heetst van een gevecht begint met een zacht gebrom en langzaam aanzwelt, als golven die tenslotte breken op de rotsen. Dichte vluchten speren vlogen suizend over en weer; wolken stof wervelden op boven beide kampen en benamen het zicht, zodat blindelings wapen tegen wapen sloeg, lijf op lijf botste. 44.In wanorde, in wilde woede, steeds feller, aangewakkerd als vuur, lieten de barbaren een regen van vernietigende slagen neerkomen op het schutdak van schilden boven de hoofden van de onzen. 45.Dat zagen de Bataven, die met de keurtroep de ‘Reges’ hun kameraden ijlings te hulp schoten en, onder angstaanjagend trompetgeschal vechtend wat ze konden, kans zagen hen uit de dodelijke val te redden. 46.De Alamannen gingen er voluit tegenaan, als bezeten van een soort razernij, met één doel voor ogen: alles op hun weg te vernietigen. En intussen vlogen onophoudelijk de werpspiesen en speren, regende het pijlen met ijzeren punten, terwijl in gevechten van man tegen man staal op staal sloeg, harnassen door zwaarden werden gekliefd en gewonden zich zolang ze nog bloed in hun lijf hadden voor een laatste heldendaad oprichtten. 47.Op een bepaalde manier was het een strijd tussen gelijken: de Alamannen waren sterker en groter, onze soldaten getraind en gedisciplineerd; zíj waren woest en onstuimig, de onzen kalm en berekenend; de onzen vertrouwden op hun moed, de Alamannen op hun geweldige corpus. 48.Vaak zag men een Romein die voor een overmacht was teruggedeinsd, weer terugkomen, en zag men een barbaar die van vermoeidheid niet meer op zijn benen kon staan, steunend op één knie nog een vijand uitdagen - een ultiem bewijs van zijn hardnekkigheid! 49.Zo stoof ook plotseling onstuimig een groep edelen naar voren, waaronder houwdegens van koningen, die met een horde krijgers achter zich aan als eersten een bres maakten in onze linies en zich een weg baanden tot aan het legioen van de Primani in het centrum - een sterke stelling, de castra praetoria geheten. Onze mannen daar stonden in dichte gelederen, onwrikbaar als palen en begonnen onverschrokken de strijd. Om niet gewond te raken hielden ze hun dekking als murmillo’s, als gladiatoren, en stieten het blanke staal in de flanken van de vijanden die ze in hun blinde woede blootgaven. 50.Zoals ze bleven proberen het hechte front van onze troepen te doorbreken, hadden de barbaren kennelijk hun leven over voor de overwinning. Ze sneuvelden de één na de ander, want wij maaiden ze onverbiddelijk neer, maar steeds weer anderen namen de plaats in van de gevallenen. En het gehuil van al die stervenden werd zo luid, dat ze tenslotte toch de moed verloren en in paniek raakten. 51.Onder zoveel tegenslag gaven ze op en vluchtten, bedacht op het vege lijf, hals over kop waarheen ze maar konden - zoals zeelui en reizigers het geeft niet waar de storm ze aan land drijft haast hebben aan de woedende baren te ontkomen - en ieder die er bij was zal het bevestigen: zo vurig de hoop, zo klein was de kans op ontsnapping. 52.De goedgunstigheid van een ons welgezinde godheid hielp: op de ruggen van de vluchtenden inhakkend sloegen onze soldaten hun zwaarden krom en als ze er niets meer mee konden, grepen ze de speren van de barbaren zelf en stootten die in hun lijven. En geen van de mannen die de slagen toebrachten, koelde zijn woede met hun bloed of verzadigde zijn slagarm met doden; geen liet uit erbarmen een smekeling gaan. 53.Een groot aantal vluchtenden viel dodelijk getroffen neer, biddend om een snelle verlossing door de dood; anderen lagen halfdood, met stokkende adem, zochten met hun brekende ogen voor het laatst nog het licht; van sommigen was het hoofd afgescheurd door polsdikke speren en hing net nog aan de keel; anderen waren op de slijkerige, glibberige grond uitgegleden in het bloed van hun strijdmakkers en stikten, zonder zelf gewond te zijn, onder hopen kameraden die op hen vielen. 54.Door deze wending ten goede gingen onze troepen, nu aan de winnende hand, er nog feller op los en sloegen struikelend over de glanzende schilden en de helmen die hun voor de voeten rolden, hun zwaarden bot. Aangezien bergen lijken de weg versperden kozen de barbaren tenslotte in uiterste nood de enige uitweg die restte: de rivier die vlak achter hen liep. 55.Met onze onvermoeibare soldaten ondanks het gewicht van hun wapenrusting vlak op de hielen, zochten de vluchtenden hun heil in de golven, denkend dat ze goed genoeg zwommen om aan het gevaar te kunnen ontkomen. Julianus begreep en voorzag direct wat toen dreigde te gebeuren en brulde mèt de tribunen en de andere officieren zijn mannen toe te stoppen en niet ook in hun doldrieste achtervolging in de kolkende rivier te springen. 56.En zo gebeurde het dat men de onzen op de oever kon zien staan terwijl ze de barbaren met allerlei projectielen bestookten; en als een Germaan door een snelle vlucht aan de dood ontsnapt was, werd hij soms nóg getroffen en zonk hij door het gewicht van zijn lichaam weg in de diepte. 57.En zoals toeschouwers in het theater bij het opengaan van het doek soms verbazingwekkende dingen te zien krijgen, zo kon men hier nu van een veilige afstand zien hoe mannen die niet konden zwemmen zich vastklampten aan krachtige zwemmers; hoe sommigen die door betere zwemmers waren afgeschud, wegdreven als boomstammen, anderen kopje-onder gingen en als het ware door de wild jachtende rivier werden opgeslokt; hoe nog weer anderen wegdreven op hun schilden en door handig te manoeuvreren de hoogste golven wisten te ontwijken en zo na menig kritiek moment de andere oever bereikten. Schuimend van het bloed van de barbaren verbaasde de verkleurde rivier zich over al het ongewone dat in haar bedding terecht kwam. 58.Intussen zag koning Chonodomarius met een klein gevolg kans tussen de bergen lijken door weg te glippen en joeg terug naar het kamp dat hij in zijn overmoed vlakbij de Romeinse vestingen Tribunci en Concordia had opgeslagen, met de bedoeling zich in te schepen op boten die hij eerder voor geval van nood klaar had laten leggen en zich op een veilige plaats te verbergen. 59.Aangezien hij alleen thuis kon komen door de Rijn over te steken, bedekte hij zijn gezicht onderweg om niet te worden herkend. Maar toen hij de oever naderde en om een moerassige lagune heen reed, gleed zijn paard uit op de weke, modderige grond en wierp hem af. Ondanks het feit dat hij dik en zwaar was, slaagde hij erin zich snel op een nabije heuvel in veiligheid te brengen, maar werd herkend (want hij kon niet verhullen wie hij was: een man van voorheen zo’n hoge stand!) dus ging een tribuun met zijn cohort direct in vliegende vaart achter hem aan, omsingelde met zijn soldaten de beboste heuvel, maar bleef wel voorzichtig aan de buitenkant en waagde het niet erin door te dringen, rekening houdend met de verrassing van een valstrik in de schaduwen onder het gebladerte. 60.Toen Chonodomarius ze zag, ontzonk hem volledig de moed; hij kwam te voorschijn en gaf zich vrijwillig over. Zijn metgezellen, tweehonderd in getal, waaronder drie van zijn naaste vrienden gaven zich eveneens gevangen, aangezien ze het een schande achtten hun vorst te overleven en niet voor hem te sterven als het lot het zo wilde. 61.Zo arrogant barbaren van nature zijn in voorspoed, zo klein worden ze in tegenspoed: Chonodomarius liet zich wegvoeren als een slaaf, radeloos van angst, zijn tong verlamd dor de gedachte aan zijn misdaden - een totaal andere man dan die na gruwelijk te hebben huisgehouden de spot dreef met de puinhopen van Gallië en dreigde met nog meer. 62.De slag was over, dankzij de gunst van een hemelse godheid en de dag was voorbij. De soldaten werden door trompetters tegen hun zin teruggeroepen en gelegerd niet ver van de Rijnoever achter verdubbelde wachtposten. Tijd voor eten. Tijd voor slaap... 63.In deze slag vielen aan de Romeinse kant 243 soldaten en vier officieren: Bainobaudes, tribuun van de Cornuti, en ook Laipso; en Innocentius, aanvoerder van de kurassiers, en een tribuun boven de sterkte waarvan de naam mij niet bekend is. Daarentegen werden zesduizend lichamen van Alamannen geteld en werden niet te schatten massa’s doden door de golven van de rivier meegesleurd. 64.Julianus had zijn feitelijke status overstegen en meer prestige gekregen door zijn prestaties dan hij bezat door het hem verleende commando. Daarom begroette het leger hem met een algemene acclamatie als Augustus. Maar hij keurde die ondoordachte reactie af, zijn soldaten onder ede verzekerend, die waardigheid niet te ambiëren en niet te zullen accepteren. 65.Om de vreugde over hun succes te vergroten riep hij een krijgsraad bijeen en stelde hij beloningen in het vooruitzicht, waarna hij Chonodomarius vóór zich liet brengen. Deze boog eerst voor hem en wierp zich vervolgens onderdanig voor zijn voeten, in zijn eigen taal smekend om vergeving, waarop de caesar hem kalmerend toesprak. 66.Een paar dagen later werd hij naar het hof van de keizer gezonden en later naar Rome gebracht, waar hij in de castra Peregrina op de mons Caelia aan slaapzucht overleed. 67.De goede afloop van niet alleen deze geschiedenis werd door bepaalde lieden aan het hof van Constantius aangegrepen om Julianus ten pleziere van de keizer zwart te maken. Ze noemden hem ook wel spottend de ‘victoriekraaier’, omdat hij wel bescheiden rapporteerde over zijn veldtochten maar vaak nederlagen van de Germanen meldde. 68.Door de voortdurende herhaling van ijdele loftuitingen en de ophef die ze maakten over alledaagse dingen, wat ook ter wereld tot stand kwam toeschrijvend aan zijn gelukkig gesternte, wakkerden ze de eigendunk van de keizer, die daarvoor van nature ontvankelijk was, steeds meer aan. 69.De pathetische frasen van die vleiers stegen hem zelfs zo naar het hoofd, dat hij in edicten die hij uitvaardigde van alles begon te liegen, zoals, dat híj het was (terwijl hij er zelfs niet bij was geweest) die in een strijd de overwinning had behaald, en koningen van vreemde volken die zich voor hem ter aarde hadden geworpen, genadig had opgericht. Als hij bijvoorbeeld zelf in Italië was verbleven en een van zijn generaals een succes had behaald tegen de Perzen, noemde hij die zelfs niet in een lang relaas daarover in brieven riekend van eigenroem die hij aan de provincies zond (wat deze weer geld kostte), maar deed het grootsprakig voorkomen alsof hij zelf in de voorste gelederen had gestreden. 70.In de staatsarchieven bevinden zich dus ook tal van documenten van zijn hand waarin hij zichzelf de hemel in prijst. Toen de slag bij Straatsburg plaatsvond, bevond hij zich veertig dagreizen daarvandaan. Dat weerhield hem er niet van, in een beschrijving van die gebeurtenis te beweren dat híj de slagorde had opgesteld, zelf tussen de vaandeldragers had gestaan en de barbaren in paniek op de vlucht had gejaagd; ook dat Chonodomarius zich aan hem persoonlijk had overgegeven, waarbij geen woord - hoe is het godsmogelijk! - over de glorieuze daden van Julianus, die, als het aan hem lag, volledig in vergetelheid zouden zijn geraakt! Maar Faam kent geen stilzwijgen over grote prestaties, hoevelen die ook zouden willen verhullen.

Noten

1.Cicero, De Oratore, III,46,179.  retour

2 .Deze legendarische vijfde koning van Athene zou zijn opgevoed door de godin Athene (= Minerva). Naar hem is het Erechtheum op de Atheense acropolis genoemd.  retour

3.Marcellus heeft de door Ammianus vereerde Ursicinus vervangen en wordt door hem in een kwaad daglicht geplaatst.  retour

4.Lycurgus, legendarische wetgever van Sparta. Zijn wetten, neergelegd in de zg. rhètrai, zouden oorspronkelijk van een orakel van Apollo afkomstig zijn. Solon, Grieks staatsman, 640-560, hervormde als archont de sociale verhoudingen in Athene, keerde zich tegen de luxe en de hebzucht van de hogere klasse. Zijn wetten zouden op houten tabletten zijn geschreven.  retour

5.Cicero, Ad Atticum, V,15,3.   retour

 

6.Kennelijk een spreekwoord.   retour

7.Ze bedoelden: ‘laten we de duisternis verdrijven’.   retour

8.Na een overwinning in een burgeroorlog paste het niet een triomftocht te houden.  retour

9.Hoge functionarissen hadden het recht zich te doen voorafgaan door (gerechts)dienaren, lictoren, kenbaar aan de roedenbundel met bijl, de fascis, die ze droegen als symbool van macht en bevoegdheid tot berechting. retour

10.Julius Caesar.  retour

11.Keizer Claudius II zou zich in de strijd tegen de Goten plechtig ten dode hebben gewijd en de dood hebben gezocht (270) naar het voorbeeld van de Decii Mures, consuls, die sneuvelden resp. 295 vC tegen de Samnieten en de Galliërs en 279 vC tegen de koning van Epirus, Pyrrhus. retour

12.Keizer Galerius Maximianus, 250-311, keizer van 305 tot 311.  retour

13.Cineas, 350-277, deed zijn uitspraak naar aanleiding van een ontmoeting met de senaat i.v.m. vredesonderhandelingen. ‘Beschermheren van de hele wereld’ dekt wellicht Ammianus’ ‘asylum totius mundi’.   retour

14.In de volgende passages: de rostra, spreekgestoelte op het forum; de curia, senaatsgebouw; het palatium, keizerlijk paleis; het Pantheon, tempel gewijd aan alle goden; de Tempel van de Stad, tempel van Venus, gebouwd door Hadrianus; het Forum van de Vrede, gebouwd door Vespasianus en genoemd naar de tempel van Pax; het Odeon, theater voor muziekuitvoeringen, gebouwd door Domitianus; het Stadion voor wedstrijden, gebouwd door Domitianus; het Forum van Trajanus, het mooiste van de keizerlijke fora.   retour

15.Een gevluchte of verbannen Perzische prins aan het hof van Constantius. Hij zal meer waarschijnlijk gezegd hebben dat het enige wat hem tegenviel, was, gehoord te hebben dat ook in Rome de mensen sterfelijk waren (Gibbon). retour

16.Ammianus o.a. over zichzelf.  retour

17.Niet erg waarschijnlijk. Volgens de redenaar Libanius (Or. 18,50) bouwde Barbatio een schipbrug, die door de barbaren werd vernietigd.  retour

18.Het verloop van de slag is niet in alle opzichten duidelijk. De aansporingen van Julianus (30vv. en 40) zijn eerder literair dan realistisch op te vatten. De schande van de vlucht van de ruiterij (37vv.) zou volgens de redenaar Libanius zijn ‘uitgewist’;       Ammianus komt er niet op terug. De historicus Zosimus vermeldt echter dat de vluchtenden werden gestraft retour