BOEK
XVI
2. Caesar Julianus
valt de Alamannen aan, doodt ze, neemt ze gevangen of verjaagt ze
1.Voor
Julianus waren het hectische wintermaanden in die stad, Vienna, met de lucht
zwanger van allerlei gerucht, toen hij vernam dat de muren van de oude stad
Augustudunum [Autun], fors van omtrek maar verzwakt door eeuwenlang verval,
plotseling door barbaren waren bezet en terwijl het garnizoen als verlamd
werkeloos bleef, de stad gered was door alert ingrijpen van toegesnelde
veteranen, zoals vaker kritieke situaties met de moed der wanhoop worden
opgelost. 2.Dus nam de caesar zijn verantwoordelijkheid, wees de verlokkingen
af van een aangename en comfortabele tijdpassering waartoe lieden uit zijn
entourage hem probeerden over te halen, nam gepaste maatregelen en was op 24
juni in Augustudunum, als een ervaren generaal die het initiatief aan zich
hield, vastbesloten de overal rondzwervende barbaren te grijpen waar hij de
kans maar kreeg. 3.Met adviseurs die het gebied goed kenden overlegde hij over
een veilige verdere route, waarbij verschillende mogelijkheden werden
besproken: de één pleitte voor een weg over Arbor [?], een ander verzekerde
dat hij beter via Sedelaucum [Saulieu] en Cora [St Moré] kon gaan. 4.Maar
toen sommigen opmerkten, dat de magister
peditum Silvanus niet lang daarvóór het lef had gehad met 8000 man
sterke hulptroepen een korte, maar vanwege een dichte en donkere bebossing
riskante weg te nemen, besloot de caesar kort en goed, dat hij het stoute stuk
van die man ging herhalen. 5.Om geen tijd te verliezen nam hij alleen
gepantserde ruiters met zich mee en ballistaschutters (bepaald geen
specialisten om een generaal te verdedigen!) en koos de besproken weg naar
Autosudorum [Auxerre]. 6.Daar rustte hij wat met zijn mannen zoals hij gewoon
was en voort ging het weer, naar Tricasae [Troyes]. Werd hij aangevallen door
drommen barbaren en moest hij rekening houden met een overmacht, hield hij
zijn flanken kort en wachtte hij alleen maar af; andere keren, in een gunstige
positie, liep hij ze gemakkelijk onder de voet, ving er een paar die zich in
paniek overgaven, maar moest de overigen, die renden wat ze konden, laten
gaan, aangezien een achtervolging vanwege de zware bewapening van zijn mannen
uitgesloten was. 7.Door een en ander kreeg hij er een steeds groter vertrouwen
in dat hij zulke aanvallen kon weerstaan en bereikte na veel wederwaardigheden
Tricasae, maar zo onverwacht, dat toen hij om zo te zeggen aan de poorten
klopte, hij vanwege de angst voor de zwervende benden barbaren slechts na veel
nerveuze pourparlers de stad werd binnengelaten. 8.Hij bleef er kort om zijn
vermoeide soldaten op adem te laten komen, waarna hij zonder zich verder
oponthoud te veroorloven zijn weg vervolgde naar Remi [Rheims], waar het hele
leger zich in afwachting van zijn komst had samengetrokken met proviand voor
een maand, over welke operatie Marcellus, de opvolger van Ursicinus, het
commando had (Ursicinus kreeg zelf tot de beëindiging van de expeditie de
verantwoording ter plaatse). 9.Na krijgsraad werd besloten het volk van de
Alamannen aan te vallen via Decem Pagi, waarop de troepen in een opgewekte
stemming in gesloten gelederen daarheen afmarcheerden. 10.Maar het was een
mistige, donkere dag met uiterst beperkt zicht, zodat de vijand, bekend met
het terrein, kans zag via een omweg de twee legioenen die caesars achterhoede
vormden te overvallen. Alleen dankzij ingrijpen van hulptroepen van onze
bondgenoten, die op het plotselinge geschreeuw afkwamen, werd ternauwernood
voorkomen dat ze werden afgemaakt. 11.Vanaf dat moment bleef Julianus zich
ervan bewust, geen wegen of rivieren meer te kunnen oversteken zonder met de
mogelijkheid van hinderlagen te moeten rekenen en werd hij voorzichtiger en
minder gehaast, iets wat grote generaals typisch kenmerkt, gunstig is voor hun
legers en dikwijls hun redding. 12.Op het bericht, dat Argentoratus
[Straatsburg], Brotomagum [Brumath], Tabernae [Saverne], Saliso [Selz],
Nemetae [Speyer], Vangionae [Worms] en Mogontiacum [Mayence] in handen van de
barbaren waren (die zich in het buitengebied daarvan nestelden, want steden
meden ze alsof het met netten afgeschermde graven waren), besloot hij
allereerst Brotomagum terug te veroveren. Op weg daarheen kwam hem een
krijgshaftig dreigende horde Germanen tegemoet, (13.) waartegen hij zijn
troepen in een halvemaanvormige slagorde opstelde, zodat de vijand in het
volgende gevecht van man tegen man van twee kanten in het nauw raakte en
sommigen daarvan gevangen werden genomen, anderen in het heetst van de strijd
werden gedood, de overigen hun heil zochten in een snelle vlucht en ontkwamen.
3. Caesar Julianus
herovert Agrippina [Keulen] op de Franken en sluit vrede met de Frankische
koningen
1.Daarna
ontmoette Julianus geen tegenstand meer en besloot hij tot de herovering van
Colonia Agrippina, dat juist vóór zijn komst naar Gallië verwoest was. Die
stad ligt in een gebied waar geen andere stad en, afgezien van vlakbij een
enkele toren, geen fort te bekennen is, behalve dat bij Confluentes [Koblenz],
zo genoemd omdat daar de Moezel en de Rijn samenvloeien, de stad Rigomagum [Remagen]
ligt. 2.Hij trok de stad binnen en bleef er tot hij met de Frankische
koningen, die, geïntimideerd, lang zo krijgshaftig niet meer deden, een
verdrag had gesloten dat voorlopig kon dienen en hij de fortificatie stevig in
handen had. 3.Tevreden over deze eerste geslaagde wapenfeiten trok hij zich
via het land van de Treveren terug om te overwinteren in Senonae [Sens], een
daarvoor toen gunstig gelegen plaats. De zorgen om alle oorlogen die nog
gingen komen, drukten daar als een zware last op zijn schouders: troepen die
hun eigenlijke standplaatsen hadden verlaten, moesten worden overgebracht naar
bedreigde gebieden; volken die hadden samengezworen om de zaak van Rome
afbreuk te doen, moesten uiteen worden geslagen; en dan was er nog het
probleem van de proviandering van het leger als het in verschillende
richtingen ging opereren...
4. Julianus wordt in
Senonae door de Alamannen belegerd
1.Terwijl
hij zijn gedachten bij dit soort kwesties had, kreeg hij een massale aanval te
verduren van de Alamannen, die dachten de stad gemakkelijk in handen te kunnen
krijgen, aangezien ze van overlopers hadden gehoord dat Julianus noch over de
Scutarii, noch over de Gentiles beschikte, die hij namelijk met het oog op een
betere verzorging over verschillende plaatsen had verdeeld. 2.Dus nadat hij de
poorten had laten sluiten en de zwakke steeën in de muren had laten
versterken, zag men hem dag en nacht bij zijn soldaten tussen de bolwerken en
kantelen, kwaad op zichzelf, omdat, als hij af en toe een uitbraakpoging deed,
dit mislukte door zijn tekort aan manschappen. Na dertig dagen, tenslotte,
dropen de barbaren af, kankerend dat ze zo stom waren geweest om aan een
belegering van die stad te denken. 3.Maar dit moet aan de negatieve kant van
dit relaas geboekt worden, dat de magister
equitum Marcellus,3 die zich niet ver daarvandaan
ophield, het nog niet nodig had gevonden de caesar in zijn benarde positie te
hulp te komen, terwijl hij de stad zelfs afgezien van de aanwezigheid van de
caesar al met een sterk eskadron van haar belegeraars had moeten verlossen.
4.Eenmaal buiten gevaar gunde Julianus - efficiënt en stipt als hij altijd
was - zijn soldaten na hun langdurige inspanningen rust, kort weliswaar, maar
lang genoeg om weer op krachten te komen, hoewel het omliggende gebied
buitengewoon onvruchtbaar was en na herhaalde plunderingen weinig voedsel te
bieden had. 5.Pas toen hij ook hiervoor met zijn spreekwoordelijke
nauwgezetheid gezorgd had, zag hij de toekomst weer zonniger in en maakte hij
zich vol optimisme op voor de vele taken die hem wachtten.
5. De
voortreffelijke eigenschappen van caesar Julianus
6. Arbetio, een man
in de rang van consul, wordt aangeklaagd maar vrijgesproken
1.Dit waren de gebeurtenissen in Gallië in dat jaar [356], dat met aanvankelijk dubieuze vooruitzichten uiteindelijk goed afliep. Aan het hof van Augustus blaften intussen nijdige honden om Arbetio, als zou hij uit zijn op de troon en daarvoor de versierselen van de keizerlijke waardigheid al klaar hebben liggen. Er was een comes, Verissimus genaamd, die daarover ongelooflijk tegen hem tekeer ging en hem openlijk voorwierp, dat hij, begonnen als gewoon soldaat een topfunctie had bereikt, maar zelfs daarmee niet tevreden - alsof het een kleine stap was - nu zijn zinnen had gezet op het keizerschap. 2.Maar vooral een zekere Dorus had het op hem gemunt, een voormalige heelmeester van de Scutarii, van wie ik vroeger heb verteld dat hij onder Magnentius bevorderd was tot centurio, belast met het toezicht op de kunstwerken van Rome, en als zodanig de stadsprefect Adelphius van hoogverraad beschuldigde. 3.Maar toen het tot een gerechtelijk onderzoek kwam, al het nodige daarvoor was voorbereid en men op het punt stond de bewijzen voor de beschuldiging te horen, werd volgens een hardnekkig gerucht op voorstel van de cubicularii plotseling tot beëindiging van een pakket zaken besloten, waarna alle betrokkenen onder arrest werden vrijgelaten, Dorus verdween, en Verissimus op slag koest werd. En dat was het einde van de voorstelling!
7. Caesar Julianus
wordt voor de keizer tegen Marcellus verdedigd door zijn praepositus cubiculi
Eutherius. Lof voor Eutherius
1.In diezelfde tijd vernam Constantius bij geruchte dat Marcellus verzuimd had Julianus tijdens de belegering van Senonae te hulp te komen, ontsloeg hem uit de dienst met het bevel naar huis terug te keren. Alsof hem het grofste onrecht was aangedaan begon deze toen de caesar op allerlei manieren zwart te maken, waarvoor hij dacht gehoor te zullen vinden bij de keizer, die immers openstond voor beschuldigingen. 2.Dus toen hij [uit Gallië] vertrok, zond Julianus meteen zijn praepositus cubiculi achter hem aan om zijn eventuele verzinsels tegen te spreken. Daar wist Marcellus niets van, en toen hij razend en tierend (als een verwarde halve idioot) in Milaan arriveerde en door Constantius in audiëntie werd ontvangen, barstte hij los in beschuldigingen tegen de caesar: die was zo grenzeloos arrogant, dat hij al bezig was zich grotere vleugels aan te meten om des te hoger te kunnen stijgen (en hij illustreerde zijn woorden met geweldige armbewegingen). 3.Maar terwijl hij dit uit de vrije hand stond te verzinnen, werd Eutherius op diens verzoek ook binnengelaten. Uitgenodigd vrijuit te spreken, toonde deze in korte, rustige bewoordingen aan, dat de waarheid hier met leugens geweld werd aangedaan. Want toen hij, de magister armorum, met opzet (zo dacht men) werkeloos was gebleven, had de caesar tijdens de belegering van Senonae de barbaren lange tijd moedig van zich afgehouden. En Eutherius stond er met zijn hoofd voor in, dat Julianus zolang hij leefde een trouwe dienaar van zijn beschermheer zou blijven. 4.Dit geeft mij gelegenheid, over deze Eutherius nog een paar dingen te zeggen die misschien ongeloofwaardig zullen klinken, zoals ook wanneer een Numa Pompilius of een Socrates zelfs onder ede iets gunstigs zouden zeggen over een eunuch, men hen dat zou heten liegen. Maar aan doornstruiken bloeien rozen en sommige wilde dieren zijn tam,6 en zo zal ik in het kort over de goede dingen die van die man bekend zijn, vertellen. 5.In Armenië uit vrije ouders geboren, werd hij als kind geroofd door vijanden in die buurt, gecastreerd en verkocht aan Romeinse kooplieden, die hem aan het hof van Constantijn leverden. Daar groeide hij op in eer en deugd en gaf blijk over een goed verstand te beschikken. Geschoold in letteren en wetenschappen zover dat iemand in zijn situatie paste, onderscheidde hij zich door de buitengewone scherpzinnigheid waarmee hij moeilijke en ingewikkelde kwesties wist te analyseren en op te lossen. Hij had een fantastisch geheugen, was hulpvaardig en een goed raadgever, zodat als keizer Constans in het verleden naar hem geluisterd had wanneer deze hem als volwassen man behoorlijke en behartenswaardige raad gaf, hij geen misstappen zou hebben begaan, althans geen onvergeeflijke. 6.Als praepositus cubiculi wees hij af en toe ook Julianus wel terecht, die zich Aziatische manieren had aangewend en nogal wispelturig was. Toen hij zich tenslotte uit het publieke leven had teruggetrokken maar toch weer naar het hof genood werd, hield deze man, die altijd rustig zichzelf bleef, zich zo aan zijn hoge principes van trouw en zelfbeheersing, dat hij er nooit van kon worden beticht een geheim te hebben geschonden (of het moest zijn dat iemands leven ervan afhing) of - zoals zoveel anderen - een begeerte te hebben gekoesterd naar meer bezit. 7.Toen hij vervolgens naar Rome vertrok en zich daar permanent vestigde om er zijn laatste dagen te slijten, was zijn metgezel dan ook zijn gerust geweten. Hij werd door iedereen van hoog tot laag gerespecteerd en geëerd - terwijl zulke mensen die oneerlijk aan hun rijkdom zijn gekomen, gewoonlijk obscure schuilplaatsen opzoeken en, lichtschuw, het contact vermijden met al degenen die ze hebben benadeeld. 8.Ik heb veel oude boeken uitgerold om te zien met welke eunuch uit het verleden ik hem zou kunnen vergelijken, maar heb er geen gevonden. O ja, er zijn er wel geweest - hoogstens een paar - die betrouwbaar waren en plichtsgetrouw, maar dan altijd toch behept met bepaalde gebreken. Want degenen die misschien opvielen door hun aanleg of geleerdheid, waren anderzijds hebzuchtig, verachtelijk om hun ongevoeligheid, hardvochtig, kruiperig tegenover hoger geplaatsten of trots en hooghartig. Maar van één die zo in alle opzichten uitblonk moet ik zeggen nooit te hebben gelezen of gehoord - en wat onze eigen tijd betreft weet ik ook wel wat er te koop is. 9.Maar als misschien iemand die beter thuis is in de oude geschiedenis mij zou wijzen op Menophilus, de eunuch van Mithridates, de koning van Pontus, dan moge hij zich herinneren, dat over deze Menophilus niets anders geschreven is dan het volgende, waarmee hij zich in een crisissituatie roem verwierf. 10.De genoemde koning was na zijn nederlaag in een geweldige slag tegen de Romeinen onder Pompeius naar het koninkrijk Colchis gevlucht en had zijn bijna volwassen dochter Drypetina, die aan een ernstige ziekte leed, achtergelaten in de vesting Sinhorium onder de hoede van Menophilus. Deze zag kans het meisje met allerlei middelen te genezen en waakte gewetensvol over haar veiligheid tot haar vader haar zou halen. Toen Mallius Priscus, de legaat van Pompeius, de vesting waarin ze vastzaten, was begonnen te belegeren en Menophilus merkte, dat de verdedigers aan overgave dachten, vreesde hij dat het meisje tot schande van haar vader levend gevangen en geschonden zou worden, doodde haar, en stiet daarna direct ook het zwaard in zijn eigen lijf. En nu keer ik terug naar mijn eigenlijke onderwerp.
9. Onderhandelingen met de Perzen
1.In
plaats van zoals vroeger geregelde gevechten aan te gaan, hielden de Perzen in
die tijd in het oosten voortdurend roof- en plundertochten, waarbij ze mensen
en vee buitmaakten. Soms kwamen ze daarmee weg, als ze onverwachts opdoken;
vaak raakten ze hun buit ook weer kwijt wanneer ze te maken kregen met een
sterke legertroep van ons; terwijl het ook wel gebeurde dat ze helemaal geen
kans kregen iets van hun gading te vinden. 2.Maar de praefectus praetorio
Musonianus, een man die (zoals ik eerder heb gezegd) over veel gaven beschikte
maar corrupt was en het voor geld met de waarheid niet zo nauw nam, probeerde
via informanten die listig onder dekmantel wisten te opereren, achter de
plannen van de Perzen te komen, waarbij hij ook Cassianus betrok, de in tal
van expedities en gevaarlijke situaties geharde bevelhebber van Mesopotamië.
3.Toen het voor hen uit eensluidende rapporten van hun agenten kwam vast te
staan dat Sapor toen in het oostelijk grensgebied van zijn rijk doende was met
grote moeite en ten koste van veel doden en gewonden vijandige stammen onder
controle te krijgen, probeerden ze Tamsapor, de dichtstbijzijnde Perzische
bevelhebber, via anonieme soldaten in geheime contacten zover te krijgen dat
hij bij een goede gelegenheid zijn koning per brief zou adviseren eindelijk
vrede te sluiten met de Romeinse keizer om zodoende, met rust aan zijn
westelijk front, de handen vrij te hebben voor zijn acties tegen de niet
aflatende vijanden [in het oosten]. 4.Tamsapor viel daarvoor en berichtte in
goed vertrouwen op zijn zegslieden dat Constantius onder de druk van allerlei
oorlogvoering dringend om vrede vroeg. Maar het duurde erg lang vóór deze
berichten in het gebied van de Chionieten en de Cusenen aankwamen, waar Sapor
overwinterde.
10. Triomfale intocht
van Constantius in Rome
11. Caesar Julianus
valt de Alamannen aan op de eilanden in de Rijn waar ze zich met al hun
bezittingen in veiligheid hadden gebracht en herstelt Tres Tabernae
1.Toen
de turbulente wintermaanden in Senonae afliepen, kreeg Julianus haast om in
Reims te komen, want de Germaanse dreiging rumoerde alom. Dat was dus in het
jaar van het negende consulaat van Constantius en het tweede van hemzelf
[357]. Hij was in een opgewekte stemming, want de voortekenen waren gunstig,
en vol vertrouwen, want het leger werd aangevoerd door Severus, een man die
zich naar hem voegde zonder enige aanmatiging, iemand met een lange staat van
dienst te velde, die als hijzelf de troepen aanvoerde, hem volgde als een
plichtsgetrouw soldaat. 2.Van een andere kant naderde uit Italië op bevel van
Constantius met 25.000 man Barbatio, die na de dood van Silvanus tot magister peditum was
bevorderd. Zijn doel was Rauracum [Augst]. 3.Want volgens een grondig
voorbereid plan zouden de Alamannen, die woester dan ooit tekeer gingen en op
hun strooptochten verder uitzwermden dan gewoonlijk, door onze legers van twee
kanten in een tang genomen, in het nauw gebracht en vernietigd moeten worden.
4.Maar terwijl dit plan met voortvarendheid werd uitgevoerd, slopen de Laeten,
een wilde stam van sluwe rovers, onopgemerkt tussen de kampementen van de twee
legers door, attaqueerden onverwachts Lugdunum [Lyon] en zouden de stad zeker
geplunderd en volledig hebben platgebrand als de poorten het niet gehouden
hadden. Dus verwoestten ze toen alles wat ze in de omgeving ervan konden
vinden. 5.Meteen toen hij van dit onheil vernam zond Julianus drie beproefde
squadrons lichte cavalerie uit om de drie wegen onder controle te nemen
waarlangs de plunderaars, naar hij dacht, zouden terugkeren. Dat had hij goed
gezien. 6.Wat inderdaad over die wegen kwam, werd neergemaaid, terwijl de hele
buit werd terugveroverd. Alleen degenen die via het bewakingsgebied van
Barbatio vluchtten, brachten het leven er af. Die kans kregen ze doordat het
de tribuun Bainobaudes en (de latere keizer) Valentinianus, die met hun
ruiterafdelingen dezelfde opdracht hadden, door de met Barbatio meegekomen
tribuun der Scutarii Cella, verboden werd de weg te bewaken waarlangs de
Germanen te verwachten waren. 7.Daarbij liet de laffe, altijd op Julianus en
zijn successen jaloerse magister peditum
het niet, want wel beseffend dat zijn bevel het belang van Rome had geschaad (Cella
zou dit later, toen hij aangeklaagd werd, ook toegeven) deed hij het in zijn
verslag aan Constantius bedrieglijk voorkomen alsof de genoemde tribunen onder
het voorwendsel van een dienstopdracht feitelijk gekomen waren om de
manschappen onder zijn bevel op te ruien; die werden daarvoor van hun commando
ontheven om in burger naar huis terug te keren. 8.In diezelfde tijd raakten de
barbaren die aan onze kant van de Rijn woonachtig waren, door de komst van
onze legers in paniek. Sommigen begonnen vakkundig versperringen van zware
boomstammen aan te leggen op de wegen die toch al moeilijk begaanbaar en van
zichzelf tamelijk steil waren. Anderen bezetten de eilanden waarvan er her en
der nogal wat in de Rijn lagen en begonnen daarvandaan rauw en onheilspellend
schreeuwend de Romeinen en de caesar uit te jouwen. Daardoor getergd wilde
Julianus er een paar laten pakken en vroeg daarvoor van Barbatio zeven van de
schepen die deze klaar had liggen om ze aaneen te koppelen tot pontons voor
een oversteek van de rivier. Maar liever dan hem ter wille te zijn stak
Barbatio ze allemaal in brand.17 9.Daarna vernam Julianus echter
van een paar spionnen die gevangen waren, dat de rivier toen, juist in het
heetst van de zomer, doorwaadbaar was, waarop hij lichtbewapende hulptroepen
onder bevel van de tribuun van de Cornuti, Bainobaudes, aanmoedigde te zien of
ze dat waagstuk met enig geluk konden uithalen. En inderdaad raakten die,
wadend van de ene ondiepte naar de andere of ook wel liggend op hun schilden,
roeiend, bij het eerste eiland, waar ze aan land gingen en ieder die ze
tegenkwamen, man en vrouw, ongeacht hun leeftijd, afslachtten als schapen. In
bootjes die ze toen vonden, al waren ze wat wankel, voeren ze vervolgens
verder en bezochten nog verschillende andere eilanden, tot ze genoeg hadden
van het moorden en beladen met buit - waarvan ze een gedeelte weer in de
stroming verloren - tot de laatste man ongedeerd terugkeerden. 10.De overige
Germanen verlieten toen die eilanden, die toch niet zo veilig bleken, en
trokken met hun gezinnen, hun voorraden en hun schamele bezittingen dieper het
binnenland in. 11.Vanaf dat punt boog Julianus af naar de vestingstad Tres
Tabernae [Savernes] genaamd, die niet lang daarvóór door de vijand belegerd
en zwaar beschadigd was, om ze te herstellen ter beveiliging van het
binnenland van Gallië tegen de Germanen. Sneller dan gedacht werd dat karwei
geklaard, waarna voor het garnizoen dat er zou worden gestationeerd voorraden
voor een heel jaar werden aangelegd die de soldaten niet zonder gevaar
eigenhandig van de velden van de barbaren haalden. 12.Daarmee niet tevreden,
liet hij ook voor zichzelf voedsel voor twintig dagen verzamelen. Er zat
trouwens voor de soldaten weinig anders op dan te leven van wat ze zelf
vergaard hadden, omdat ze, tot hun grote ergernis, van de proviand die voor
hen kort daarvóór was aangevoerd, niets kregen: een deel daarvan had
Barbatio zich namelijk, zonder zich van iemand iets aan te trekken, toegeëigend
toen het transport in zijn buurt kwam, waarna hij de rest op een hoop had
gegooid en in brand gestoken! Of hij dit zomaar deed omdat hij gestoord was
dan wel in opdracht van de keizer brutaalweg telkens weer zulke schandalige
dingen uithaalde, is nooit duidelijk geworden. 13.In elk geval kon men overal
horen - al ging het maar om geruchten - dat Julianus niet gekozen was om de
problemen in Gallië op te lossen, maar om in bloedige oorlogen zijn ondergang
te vinden. Hij was immers, of ging door voor, onervaren en niet bestand tegen
krijgsgeweld ? 14.Terwijl de versterking van het legerkamp zijn voltooiing
naderde en een deel van de troepen posten betrok in de omgeving, een ander
deel behoedzaam, altijd bedacht op hinderlagen, bezig was graan te verzamelen,
kwam ongezien en ongehoord, een horde barbaren aangestormd, attaqueerde als
uit de lucht gevallen volkomen onverwachts Barbatio en de troepen onder zijn
bevel, afzijdig gelegerd van Julianus’ kamp, joeg ze op de vlucht en
achtervolgde ze tot Augst en zoveel verder als ze konden, roofden het grootste
deel van de bagage en de pakdieren met trosknechten en al en verdwenen weer
naar waar ze vandaan kwamen. 15.En Barbatio..., alsof hij een expeditie tot
een goed einde had gebracht, verdeelde Barbatio zijn soldaten over
winterkwartieren en keerde zelf terug naar het hof om op zijn bekende manier
Julianus zwart te maken.
12. Caesar Julianus
bindt de strijd aan met de zeven koningen der Alamannen die Gallië belagen en
verslaat de barbaren in een slag bij Argentoratus [Straatsburg]
1.Toen de geschiedenis van Barbatio’s smadelijke vlucht overal bekend werd, verenigden de koningen van de Alamannen, Chonodomarius en Vestralpus, Urius en Ursicinus, met Serapio, Suomarius en Hortarius, hun strijdkrachten, lieten de trompetten steken ten oorlog en rukten op in de richting van Straatsburg, denkend dat Julianus zich uit angst had teruggetrokken - terwijl hij in werkelijkheid nog steeds bezig was de vesting Tres Tabernae te versterken. 2.Zo zeker van zichzelf als ze al waren, werd hun zelfvertrouwen nog vergroot toen een deserteur van de Scutarii, die uit vrees voor straf voor een misdaad die hij had begaan, na de aftocht van zijn generaal naar hen overliep en het goede nieuws bracht dat Julianus nog maar dertienduizend man onder zich had. (Inderdaad was dit getal correct, en dat, terwijl de woeste barbaren rondom hem steeds oorlogszuchtiger werden!) 3.De stelligheid waarmee de overloper zijn bewering bleef herhalen, stijfde hen in hun overmoed. Zelfs zonden ze gezanten naar de caesar om hem feitelijk te bevelen het land dat zij zich met veel strijd verworven hadden, te verlaten. Maar hij kende het woord ‘vrees’ niet, werd er heet noch koud van, lachte om de hooghartigheid van die barbaren en hield de gezanten vast tot het herstelwerk aan de vesting voltooid was, zonder zich door wat dan ook van zijn stuk te laten brengen. 4.Nu was koning Chonodomarius een man die overal onrust en verwarring teweeg bracht, altijd prominent aanwezig was, vooraan als het om gewaagde ondernemingen ging. Hij straalde trots en arrogantie uit, overmoedig als hij was door zijn vele successen. 5.Want hij had in caesar Decentius een gelijkwaardige tegenstander ontmoet en hem verslagen, welvarende steden geplunderd en verwoest en lange tijd naar hartelust ongehinderd Gallië kunnen afstropen. Zijn eigendunk was nu niet weinig nog daardoor versterkt dat een generaal met nota bene een leger dat groter en sterker was dan het zijne voor hem op de vlucht was geslagen. 6.Want toen de Alamannen de emblemen zagen op de schilden van Arbatio’s soldaten, begrepen ze dat de mannen die op de loop waren gegaan voor niet meer dan een stel vrijbuiters dezelfden waren waarvoor zij zelf in het verleden in paniek en met grote verliezen gevlucht waren zelfs vóór het tot een gevecht was gekomen. Dit alles baarde Julianus ernstige zorgen, omdat hij het, als het eropaan kwam, zonder zijn deelgenoot in gevaar met zijn weinige (hoewel dappere) troepen zou moeten opnemen tegen massa’s zulke barbaren. 7.De eerste zonnestralen kleurden het oosten rood, toen onze infanterie onder trompetgeschal in een kalm tempo het kamp uit marcheerde, de flanken gedekt door eskadrons ruiterij waaronder kurassiers en boogschutters, een formidabele eenheid. 8.Maar toen de afstand tot het vijandelijke kamp op veertien leuga’s (dat is eenentwintig mijl) werd geschat vanaf het punt waar de Romeinse vaandels geheven waren, riep de caesar, met een goed gevoel voor voordeel en veiligheid, de voorhoede terug die al een stuk vooruit was, liet het gebruikelijke commando ‘plaats rust!’ geven en sprak op zijn karakteristieke kalme manier de om hem heen verzamelde troepen als volgt toe: 9.‘Een paar woorden, mannen! Met het oog op het handhaven van onze veiligheid, en niet uit vrees, acht ik het noodzakelijk u als uw caesar aan te raden en te vragen, om in het volste vertrouwen in onze beproefde moed en dapperheid toch de weg van de voorzichtigheid te verkiezen boven die van de riskante overhaasting, om aan te kunnen of te kunnen afwenden wat straks op ons afkomt. 10.Want het is natuurlijk dat jonge kerels in gevaarlijke situaties actie willen en hun durf willen tonen, maar een eerste noodzaak is toch, als de omstandigheden dat eisen, gehoorzaamheid en voorzichtigheid te betrachten. Ik zal dus in het kort uitleggen wat mijn plan is, en zien of u daarmee kunt instemmen of uw wrevel daarover kunt beheersen. 11.Het is al bijna middag; we zijn uitgeput van de mars; de weg vóór ons is onbekend en zal moeizaam zijn; het is afnemende maan en het wordt een sterrenloze nacht; het land vóór ons ligt in een smoorhitte waar absoluut geen water te vinden zal zijn. En als het ons gegeven mag zijn dit alles goed te doorstaan, wat doen we dan straks als horden barbaren over ons heen vallen die uitgerust zijn en goed gegeten en gedronken hebben? Hoeveel kracht zullen we dan in ons door honger, dorst en moeheid verzwakte lijf hebben om tegenstand te kunnen bieden? 12.Dus, aangezien het ook onder de moeilijkste omstandigheden helpt als tijdig voorzieningen worden getroffen, en een twijfelachtige situatie soms door hemels ingrijpen wordt gered als goede raad ter harte wordt genomen, stel ik u nu voor: laten we voor het moment een bivak opslaan, wachtposten uitzetten, rust nemen, de inwendige mens versterken en voorzover mogelijk wat slaap genieten, en dan, met respect voor de hemel gezegd, zodra de morgen aanbreekt onze adelaars en vaandels in triomf ter overwinning voeren’. 13.Maar ze lieten hem niet uitspreken. Woedend, tandenknarsend, sloegen ze met hun speren op hun schilden ten teken dat ze wilden vechten en eisten tegen de vijand te worden gevoerd die zich al op zichtafstand bevond, zo zeker waren ze van de gunst van de hemelse godheid, hun eigen kracht en de bewezen kundigheid van hun altijd fortuinlijke aanvoerder. Ook, zoals de afloop zou bewijzen, vuurde kennelijk de een of andere beschermgeest zolang die aanwezig was, de mannen aan tot de strijd. 14.Hun strijdlust vond bijval bij de hogere leiding en vooral bij de praefectus praetorio Florentius, die van mening was dat ondanks de risico’s het beste meteen een gevecht kon worden aangegaan nu de barbaren en bloc stonden, omdat, als ze zich zouden verspreiden, de spanning onder onze soldaten, die van nature heetgebakerd en tot insubordinatie geneigd waren, niet meer te houden zou zijn. Want dat hun - zo voelden ze het - de kans op een overwinning ontnomen zou worden, zouden ze niet verdragen en niemand wist wat dan kon gebeuren. 15.Nog twee overwegingen versterkten dat standpunt. Men had het in het afgelopen jaar meegemaakt hoe de Romeinen het gebied over de Rijn wijd en zijd doorkruist hadden en geen man daar zijn huis verdedigd had of zich tegen hen had verzet. Integendeel, de barbaren hadden alle paden versperd met barricades van omgehakte bomen en verkommerden onder erbarmelijke omstandigheden in de bittere kou, ver van het gevaar. Met de keizer in hun land hadden ze het niet gewaagd zich te verweren of zich zelfs maar te laten zien en hadden onderdanig om vrede gesmeekt, die hun gegund werd. 16.Maar het drong tot niemand door hoe de situatie was veranderd, want toen werden de barbaren van drie kanten in het nauw gebracht: de keizer bedreigde ze via Raetië, de caesar zat hen op de nek en gaf ze geen kans te ontsnappen en omringende stammen, die hun vanwege allerlei conflicten vijandig gezind waren, namen de kans om met ze af te rekenen wel niet waar, maar daarmee was alles gezegd. Sindsdien echter had de keizer daar vrede gesloten en was vertrokken, waren de stammenruzies bijgelegd en de buurvolken weer eensgezind en had de smadelijke afgang van Barbatio de woeste aard van de barbaren nog meer doen bovenkomen. 17.En er was nog iets wat de situatie voor de Romeinen er niet beter op maakte, namelijk dat van twee koninklijke broers, die het onder de vigeur van een vredespakt dat hun het jaar daarvóór door Constantius gegund was, niet gewaagd hadden onrust te veroorzaken of zich hoe dan ook te roeren, degene die het sterkst was en het gehoorzaamst aan de bepalingen van het verdrag, namelijk Gundomadus, verraderlijk was vermoord, waarna zijn hele stam zich met onze vijanden had verenigd en toen tegelijk ook het volk van Vadomarius zich (tegen diens wil zoals hij beweerde) bij de legers van de barbaren die om oorlog riepen had aangesloten. 18.[Om terug te komen:] Van hoog tot laag vonden dus allen dat het ’t beste was direct slag te leveren en koppig bleven ze daarbij. Een van de standaarddragers riep toen plotseling: ‘Vooruit caesar! meest succesvolle van alle caesars! naar waar het geluk u wacht! Door u voelen we dat moed en inzicht een gevecht beheersen. Met u voorop hebben we immers een moedige leider die in alles slaagt. U zult eens zien waartoe een soldaat in staat is als alles uit hem wordt gehaald onder de ogen van een generaal - met god in de hemel erbij - die getuige is van wat hij doet!’ 19.Dit was het sein waarop het leger zich zonder verder uitstel weer in beweging zette. Niet ver van de oevers van de Rijn bij een zacht oplopende heuvel gekomen die vol stond met rijp graan, zag men van de top drie vijandelijke verkenners te paard, kennelijk opgeschrikt, weg galopperen om de nadering van het Romeinse leger te melden, maar een krijger te voet die ze niet kon bijhouden werd door onze mannen gegrepen. Van hem kwamen we te weten dat drie dagen en drie nachten aan één stuk door Germanen de rivier waren overgestoken. 20.Onze officieren monsterden die zoals ze zich vlak vóór ons in dichte formaties begonnen op te stellen, hielden halt en vormden zelf een onneembare muur van twee linies diep tegenover de afwachtende vijandelijke formaties. 21.Zoals de eerder genoemde overloper de Germanen had voorspeld zagen ze onze hele ruiterij tegenover zich op de rechterflank en stelden dus alles wat ze aan ruiterij bezaten op hun linkerflank op, met daartussen lenige lichtbewapende schermutselaars, wat goed gezien en nodig was. 22.Want het was hun duidelijk dat zelfs hun best geoefende krijgers te paard met tegelijk teugel en schild in de ene hand en een trillende lans in de andere in een treffen met onze volkomen ingepantserde kurassiers niets konden uitrichten, terwijl zo’n voetknecht in het heetst van de strijd, met iedereen gefixeerd op de vijand tegenover zich, gebukt en onopgemerkt rond kon sluipen, een paard in de buik kon steken waardoor zijn berijder onverhoeds ten val kwam en het dan een eenvoudige zaak was hem af te maken. 23.Was dit hun opstelling op de linkerflank, op de rechterflank legden ze heimelijk onzichtbare hinderlagen. En al die woeste, strijdlustige stammen werden aangevoerd door Chonodomarius en Serapion, de machtigsten van al hun koningen. 24.Chonodomarius, die de aanstichter was van alle beroering, reed, herkenbaar aan zijn vlammend rode helmbos, vóór op de linkerflank, een stoere man, die boogde op de enorme kracht van zijn armen, een reus gelijk, altijd te vinden waar het heetst van een gevecht te verwachten was; boven alles en iedereen torende hij uit op zijn schuimende strijdros, steunend op zijn formidabele lans. Hij viel direct op tussen anderen vanwege zijn glanzend harnas, was zowel een geducht soldaat als een onvergelijkbare veldheer. 25.De rechtervleugel werd aangevoerd door Serapion, een jongeman nog met dons op de wangen maar bekwaam voor zijn leeftijd. Hij was de zoon van Chonodomarius’ broer Mederichus, die heel zijn leven een onbetrouwbare schurk was, en heette zo omdat zijn vader tijdens een langdurig gedwongen verblijf als gijzelaar in Gallië in aanraking was gekomen met zekere Griekse geheime cultussen en vandaar de oorspronkelijke naam van zijn zoon, Agenarichus, in die van Serapion had veranderd. 26.Dit tweetal werd gevolgd door vijf koningen die in de machtsverhoudingen direct onder hen kwamen, door tien prinsen, een lange stoet edelen en 35.000 krijgers, die deels tegen betaling, deels onder een akkoord van wederzijdse bijstand uit verschillende volken geworven waren. 27.Toen klonk het angstaanjagend geschal van de trompetten. De Romeinse generaal die de linkervleugel aanvoerde, Severus, rukte op tot aan de loopgraven vol gewapende barbaren, die, weggedoken, volgens plan plotseling te voorschijn moesten schieten om verwarring te stichten. Hij hield daar halt en waagde geen stap terug of vooruit, niet uit angst, maar uit onzekerheid over het soort hinderlaag dat hij vermoedde. 28.De caesar zag het en, koelbloedig als altijd onder de moeilijkste omstandigheden, nam op het kritieke moment tweehonderd ruiters met zich en spoorde de infanterieformaties aan zich onmiddellijk in de breedte te ontplooien. 29.Vanwege de grootte van het veld en de veelheid manschappen (maar ook omdat hij al te grote wrevel wilde vermijden door niet de schijn te wekken zich een rol aan te matigen die de keizer voorbehouden was), was een algemene harangue uitgesloten en reed hij zonder te achten op het vijandelijke geschut de regimenten langs om bekenden en onbekenden zo aan te moedigen tot de strijd: 30.‘Nu wordt het vechten, mannen! zoals jullie en ik al lang hebben gewild en jullie net nog hebben geëist toen jullie schreeuwden om oorlog!’ 31.En tegen de manschappen in slagorde achter de vaandels in de eerste linie riep hij: ‘Dit is de dag, mannen, de langverwachte dag waarop we met ons allen de oude schandvlekken moeten uitwissen en de hoogheid van Rome de luister teruggeven die haar toekomt! Dit zijn de wilden die het in hun waanzin tot deze fatale strijd hebben laten komen - een fatale strijd, omdat ze onvermijdelijk door ons vernietigd gaan worden!’ 32.Anderen, gehard in lange krijgsdienst, werden door hem tactisch gehergroepeerd en bemoedigd met de woorden: ‘Vooruit kerels, laten we nu keihard afrekenen met lasterpraat over het gedoe hier, waarom ik niet zo graag was de titel van caesar aan te nemen!’ 33.Maar als, aan de andere kant, soldaten buiten de orde het signaal eisten om aan te vallen en hij zag aankomen dat ze met doldrieste acties de discipline zouden ondermijnen, zei hij: ‘In godsnaam, doet geen afbreuk aan de glorie van de overwinning die we gaan behalen door onverantwoord achter de vijand aan te gaan als die op de vlucht slaat, en laat niemand terugwijken behalve in uiterste nood. Want wie misschien zal vluchten, hoeft op mij niet te rekenen, maar wie op de rug van de vijand inhouwt, maar beheerst en op eigen veiligheid bedacht, sta ik bij’. 34.Terwijl hij zulke en andere aansporingen bleef herhalen, stelde hij de hoofdmacht van zijn leger op tegenover het front der barbaren. Toen stegen plotseling kreten op uit de rijen van de Germaanse infanterie waarin ongenoegen doorklonk, met de eenstemmige eis, dat hun prinsen van hun paarden af moesten en zich bij hen moesten voegen, dit uit vrees, dat ze, als er iets misging, het gewone volk jammerlijk in de steek zouden laten en er makkelijk vandoor konden gaan. 35.Toen Chonodomarius dat hoorde, sprong hij meteen van zijn paard, waarna de anderen zonder aarzelen zijn voorbeeld volgden, want niemand twijfelde eraan of hun kant ging winnen. 36.Toen gaven aan beide kanten trompetblazers het gebruikelijke signaal ten aanval en begon een verschrikkelijk gevecht.18 Na een korte, inleidende regen van speren stormden de Germanen roekeloos, in razende vaart op onze eskadrons ruiterij af, speren in de rechtervuist, tandenknarsend in een ongekende razernij, angstaanjagend om te zien met hun wapperende haren en een schittering van waanzin in hun ogen. De onzen hielden daartegen onverschrokken stand, en terwijl ze hun gezichten beschutten met hun schilden, trokken ze hun zwaarden, staken met hun speren en joegen de aanvallers een doodschrik aan. 37 Toen het gevecht voluit aan de gang was, waarin de cavalerie goed in formatie bleef en de afdelingen infanterie hun flanken model dekten met een schutting van schilden, manoeuvreerden de partijen in dichte stofwolken met wisselend succes, hielden de onzen soms stand, weken soms terug, probeerden gehaaide vechters van de barbaren, met de druk van hun knieën [hun paarden aanzettend], hun tegenstanders terug te drijven, kwam het tot fanatiek handgemeen, knalde schildknop tegen schild en weergalmde de lucht van juichkreten van winnaars en gehuil van getroffenen. Terwijl onze linkervleugel, in een hechte formatie doordrukkend, de opdringende horden Germanen met geweld had teruggedreven en briesend midden tussen de barbaren belandde, ging onze ruiterij op de rechtervleugel er plotseling in verwarring vandoor, maar de eersten die vluchtten hinderden de laatsten, tot ze onder de bescherming van de legioenen kwamen en stopten, en de strijd konden hervatten. 38.Dit gebeurde daardoor, dat de kurassiers tijdens een herordening van hun front zagen dat hun aanvoerder (licht) gewond raakte en één van henzelf over de nek van zijn paard gleed dat onder het loutere gewicht van de bepantsering door zijn benen zakte, waarop ze naar alle kanten uiteenstoven en de infanterie zouden hebben vertrapt met een complete chaos als gevolg, was deze niet, dicht op elkaar gepakt en met de armen in elkaar gehaakt, als een muur blijven staan. Julianus zag van een afstand dat de ruiterij vluchtte, gaf zijn paard de sporen en posteerde zich onverbiddelijk op hun weg. 39.De tribuun van een van de eskadrons herkende zijn figuur aan de purperen drakenvaan die aan de spits van een lange lans woei met een staart als een afgeworpen slangenhuid, hield in en reed lijkbleek van schrik terug om de strijd te hervatten. 40.En zoals gewoonlijk in panieksituaties sprak de caesar zijn mannen afkeurend en verwijtend toe: ‘Waar gaat dat heen, flinke kerels?! Vluchten? Weten jullie niet dat vluchten niet helpt en hoogstens de stommiteit van zo’n hopeloze poging bewijst! Terug naar de kameraden! zodat we tenminste zullen delen in hun roem als we ze zo nodig in de steek moeten laten terwijl zíj voor hun land vechten!’ 41.Met deze gematigde woorden kreeg hij ze allen terug naar hun post om hun krijgsplicht te hervatten. Daarbij leek hij enigszins op Sulla destijds, die zijn leger tegen Mithridates’ generaal Archelaus in het veld had gebracht en afgemat door het hete gevecht en door al zijn soldaten in de steek gelaten naar voren was gestormd, een standaard had gegrepen en in de richting van de vijand had gegooid met de uitroep: ‘Gaan jullie maar, makkers! En als ze jullie soms vragen waar je aanvoerder is gebleven, zegt dan zoals het is: ‘‘Die vecht alléén in Boeotië en vergiet er zijn bloed voor ons allemaal!’’’ 42.Na onze ruiterij in disorde te hebben teruggeslagen vielen de Alamannen het front van onze infanterie aan, denkend dat het moreel van onze troepen gebroken was en ze daarmee gemakkelijk spel zouden hebben. 43.Maar toen het tot een gevecht van man tegen man kwam, bleef de strijd lang onbeslist. Want de Cornuti en de Bracchiati, gehard in langdurige krijgsdienst, joegen de barbaren schrik aan met woeste gebaren, terwijl ze een geweldige barritus aanhieven, een strijdkreet die in het heetst van een gevecht begint met een zacht gebrom en langzaam aanzwelt, als golven die tenslotte breken op de rotsen. Dichte vluchten speren vlogen suizend over en weer; wolken stof wervelden op boven beide kampen en benamen het zicht, zodat blindelings wapen tegen wapen sloeg, lijf op lijf botste. 44.In wanorde, in wilde woede, steeds feller, aangewakkerd als vuur, lieten de barbaren een regen van vernietigende slagen neerkomen op het schutdak van schilden boven de hoofden van de onzen. 45.Dat zagen de Bataven, die met de keurtroep de ‘Reges’ hun kameraden ijlings te hulp schoten en, onder angstaanjagend trompetgeschal vechtend wat ze konden, kans zagen hen uit de dodelijke val te redden. 46.De Alamannen gingen er voluit tegenaan, als bezeten van een soort razernij, met één doel voor ogen: alles op hun weg te vernietigen. En intussen vlogen onophoudelijk de werpspiesen en speren, regende het pijlen met ijzeren punten, terwijl in gevechten van man tegen man staal op staal sloeg, harnassen door zwaarden werden gekliefd en gewonden zich zolang ze nog bloed in hun lijf hadden voor een laatste heldendaad oprichtten. 47.Op een bepaalde manier was het een strijd tussen gelijken: de Alamannen waren sterker en groter, onze soldaten getraind en gedisciplineerd; zíj waren woest en onstuimig, de onzen kalm en berekenend; de onzen vertrouwden op hun moed, de Alamannen op hun geweldige corpus. 48.Vaak zag men een Romein die voor een overmacht was teruggedeinsd, weer terugkomen, en zag men een barbaar die van vermoeidheid niet meer op zijn benen kon staan, steunend op één knie nog een vijand uitdagen - een ultiem bewijs van zijn hardnekkigheid! 49.Zo stoof ook plotseling onstuimig een groep edelen naar voren, waaronder houwdegens van koningen, die met een horde krijgers achter zich aan als eersten een bres maakten in onze linies en zich een weg baanden tot aan het legioen van de Primani in het centrum - een sterke stelling, de castra praetoria geheten. Onze mannen daar stonden in dichte gelederen, onwrikbaar als palen en begonnen onverschrokken de strijd. Om niet gewond te raken hielden ze hun dekking als murmillo’s, als gladiatoren, en stieten het blanke staal in de flanken van de vijanden die ze in hun blinde woede blootgaven. 50.Zoals ze bleven proberen het hechte front van onze troepen te doorbreken, hadden de barbaren kennelijk hun leven over voor de overwinning. Ze sneuvelden de één na de ander, want wij maaiden ze onverbiddelijk neer, maar steeds weer anderen namen de plaats in van de gevallenen. En het gehuil van al die stervenden werd zo luid, dat ze tenslotte toch de moed verloren en in paniek raakten. 51.Onder zoveel tegenslag gaven ze op en vluchtten, bedacht op het vege lijf, hals over kop waarheen ze maar konden - zoals zeelui en reizigers het geeft niet waar de storm ze aan land drijft haast hebben aan de woedende baren te ontkomen - en ieder die er bij was zal het bevestigen: zo vurig de hoop, zo klein was de kans op ontsnapping. 52.De goedgunstigheid van een ons welgezinde godheid hielp: op de ruggen van de vluchtenden inhakkend sloegen onze soldaten hun zwaarden krom en als ze er niets meer mee konden, grepen ze de speren van de barbaren zelf en stootten die in hun lijven. En geen van de mannen die de slagen toebrachten, koelde zijn woede met hun bloed of verzadigde zijn slagarm met doden; geen liet uit erbarmen een smekeling gaan. 53.Een groot aantal vluchtenden viel dodelijk getroffen neer, biddend om een snelle verlossing door de dood; anderen lagen halfdood, met stokkende adem, zochten met hun brekende ogen voor het laatst nog het licht; van sommigen was het hoofd afgescheurd door polsdikke speren en hing net nog aan de keel; anderen waren op de slijkerige, glibberige grond uitgegleden in het bloed van hun strijdmakkers en stikten, zonder zelf gewond te zijn, onder hopen kameraden die op hen vielen. 54.Door deze wending ten goede gingen onze troepen, nu aan de winnende hand, er nog feller op los en sloegen struikelend over de glanzende schilden en de helmen die hun voor de voeten rolden, hun zwaarden bot. Aangezien bergen lijken de weg versperden kozen de barbaren tenslotte in uiterste nood de enige uitweg die restte: de rivier die vlak achter hen liep. 55.Met onze onvermoeibare soldaten ondanks het gewicht van hun wapenrusting vlak op de hielen, zochten de vluchtenden hun heil in de golven, denkend dat ze goed genoeg zwommen om aan het gevaar te kunnen ontkomen. Julianus begreep en voorzag direct wat toen dreigde te gebeuren en brulde mèt de tribunen en de andere officieren zijn mannen toe te stoppen en niet ook in hun doldrieste achtervolging in de kolkende rivier te springen. 56.En zo gebeurde het dat men de onzen op de oever kon zien staan terwijl ze de barbaren met allerlei projectielen bestookten; en als een Germaan door een snelle vlucht aan de dood ontsnapt was, werd hij soms nóg getroffen en zonk hij door het gewicht van zijn lichaam weg in de diepte. 57.En zoals toeschouwers in het theater bij het opengaan van het doek soms verbazingwekkende dingen te zien krijgen, zo kon men hier nu van een veilige afstand zien hoe mannen die niet konden zwemmen zich vastklampten aan krachtige zwemmers; hoe sommigen die door betere zwemmers waren afgeschud, wegdreven als boomstammen, anderen kopje-onder gingen en als het ware door de wild jachtende rivier werden opgeslokt; hoe nog weer anderen wegdreven op hun schilden en door handig te manoeuvreren de hoogste golven wisten te ontwijken en zo na menig kritiek moment de andere oever bereikten. Schuimend van het bloed van de barbaren verbaasde de verkleurde rivier zich over al het ongewone dat in haar bedding terecht kwam. 58.Intussen zag koning Chonodomarius met een klein gevolg kans tussen de bergen lijken door weg te glippen en joeg terug naar het kamp dat hij in zijn overmoed vlakbij de Romeinse vestingen Tribunci en Concordia had opgeslagen, met de bedoeling zich in te schepen op boten die hij eerder voor geval van nood klaar had laten leggen en zich op een veilige plaats te verbergen. 59.Aangezien hij alleen thuis kon komen door de Rijn over te steken, bedekte hij zijn gezicht onderweg om niet te worden herkend. Maar toen hij de oever naderde en om een moerassige lagune heen reed, gleed zijn paard uit op de weke, modderige grond en wierp hem af. Ondanks het feit dat hij dik en zwaar was, slaagde hij erin zich snel op een nabije heuvel in veiligheid te brengen, maar werd herkend (want hij kon niet verhullen wie hij was: een man van voorheen zo’n hoge stand!) dus ging een tribuun met zijn cohort direct in vliegende vaart achter hem aan, omsingelde met zijn soldaten de beboste heuvel, maar bleef wel voorzichtig aan de buitenkant en waagde het niet erin door te dringen, rekening houdend met de verrassing van een valstrik in de schaduwen onder het gebladerte. 60.Toen Chonodomarius ze zag, ontzonk hem volledig de moed; hij kwam te voorschijn en gaf zich vrijwillig over. Zijn metgezellen, tweehonderd in getal, waaronder drie van zijn naaste vrienden gaven zich eveneens gevangen, aangezien ze het een schande achtten hun vorst te overleven en niet voor hem te sterven als het lot het zo wilde. 61.Zo arrogant barbaren van nature zijn in voorspoed, zo klein worden ze in tegenspoed: Chonodomarius liet zich wegvoeren als een slaaf, radeloos van angst, zijn tong verlamd dor de gedachte aan zijn misdaden - een totaal andere man dan die na gruwelijk te hebben huisgehouden de spot dreef met de puinhopen van Gallië en dreigde met nog meer. 62.De slag was over, dankzij de gunst van een hemelse godheid en de dag was voorbij. De soldaten werden door trompetters tegen hun zin teruggeroepen en gelegerd niet ver van de Rijnoever achter verdubbelde wachtposten. Tijd voor eten. Tijd voor slaap... 63.In deze slag vielen aan de Romeinse kant 243 soldaten en vier officieren: Bainobaudes, tribuun van de Cornuti, en ook Laipso; en Innocentius, aanvoerder van de kurassiers, en een tribuun boven de sterkte waarvan de naam mij niet bekend is. Daarentegen werden zesduizend lichamen van Alamannen geteld en werden niet te schatten massa’s doden door de golven van de rivier meegesleurd. 64.Julianus had zijn feitelijke status overstegen en meer prestige gekregen door zijn prestaties dan hij bezat door het hem verleende commando. Daarom begroette het leger hem met een algemene acclamatie als Augustus. Maar hij keurde die ondoordachte reactie af, zijn soldaten onder ede verzekerend, die waardigheid niet te ambiëren en niet te zullen accepteren. 65.Om de vreugde over hun succes te vergroten riep hij een krijgsraad bijeen en stelde hij beloningen in het vooruitzicht, waarna hij Chonodomarius vóór zich liet brengen. Deze boog eerst voor hem en wierp zich vervolgens onderdanig voor zijn voeten, in zijn eigen taal smekend om vergeving, waarop de caesar hem kalmerend toesprak. 66.Een paar dagen later werd hij naar het hof van de keizer gezonden en later naar Rome gebracht, waar hij in de castra Peregrina op de mons Caelia aan slaapzucht overleed. 67.De goede afloop van niet alleen deze geschiedenis werd door bepaalde lieden aan het hof van Constantius aangegrepen om Julianus ten pleziere van de keizer zwart te maken. Ze noemden hem ook wel spottend de ‘victoriekraaier’, omdat hij wel bescheiden rapporteerde over zijn veldtochten maar vaak nederlagen van de Germanen meldde. 68.Door de voortdurende herhaling van ijdele loftuitingen en de ophef die ze maakten over alledaagse dingen, wat ook ter wereld tot stand kwam toeschrijvend aan zijn gelukkig gesternte, wakkerden ze de eigendunk van de keizer, die daarvoor van nature ontvankelijk was, steeds meer aan. 69.De pathetische frasen van die vleiers stegen hem zelfs zo naar het hoofd, dat hij in edicten die hij uitvaardigde van alles begon te liegen, zoals, dat híj het was (terwijl hij er zelfs niet bij was geweest) die in een strijd de overwinning had behaald, en koningen van vreemde volken die zich voor hem ter aarde hadden geworpen, genadig had opgericht. Als hij bijvoorbeeld zelf in Italië was verbleven en een van zijn generaals een succes had behaald tegen de Perzen, noemde hij die zelfs niet in een lang relaas daarover in brieven riekend van eigenroem die hij aan de provincies zond (wat deze weer geld kostte), maar deed het grootsprakig voorkomen alsof hij zelf in de voorste gelederen had gestreden. 70.In de staatsarchieven bevinden zich dus ook tal van documenten van zijn hand waarin hij zichzelf de hemel in prijst. Toen de slag bij Straatsburg plaatsvond, bevond hij zich veertig dagreizen daarvandaan. Dat weerhield hem er niet van, in een beschrijving van die gebeurtenis te beweren dat híj de slagorde had opgesteld, zelf tussen de vaandeldragers had gestaan en de barbaren in paniek op de vlucht had gejaagd; ook dat Chonodomarius zich aan hem persoonlijk had overgegeven, waarbij geen woord - hoe is het godsmogelijk! - over de glorieuze daden van Julianus, die, als het aan hem lag, volledig in vergetelheid zouden zijn geraakt! Maar Faam kent geen stilzwijgen over grote prestaties, hoevelen die ook zouden willen verhullen.
Noten
1.Cicero,
De Oratore, III,46,179.
2
.Deze legendarische vijfde koning van Athene zou zijn opgevoed door de
godin Athene (= Minerva). Naar hem is het Erechtheum op de Atheense acropolis
genoemd.
3.Marcellus heeft de door Ammianus vereerde Ursicinus vervangen en wordt door hem in een kwaad daglicht geplaatst. retour
4.Lycurgus,
legendarische wetgever van Sparta. Zijn wetten, neergelegd in de zg. rhètrai,
zouden oorspronkelijk van een orakel van Apollo afkomstig zijn. Solon, Grieks staatsman, 640-560, hervormde als archont
de sociale verhoudingen in Athene, keerde zich tegen de luxe en de hebzucht van
de hogere klasse. Zijn wetten zouden op houten tabletten zijn geschreven.
5.Cicero,
Ad Atticum, V,15,3.
6.Kennelijk
een spreekwoord.
7.Ze
bedoelden: ‘laten we de duisternis verdrijven’.
8.Na een overwinning in een burgeroorlog paste het niet een triomftocht te
houden.
9.Hoge functionarissen hadden het recht zich te doen voorafgaan door (gerechts)dienaren, lictoren, kenbaar aan de roedenbundel met bijl, de fascis, die ze droegen als symbool van macht en bevoegdheid tot berechting. retour
11.Keizer Claudius II zou zich in de strijd tegen de Goten plechtig ten dode hebben gewijd en de dood hebben gezocht (270) naar het voorbeeld van de Decii Mures, consuls, die sneuvelden resp. 295 vC tegen de Samnieten en de Galliërs en 279 vC tegen de koning van Epirus, Pyrrhus. retour
12.Keizer Galerius Maximianus, 250-311, keizer van 305 tot 311.
13.Cineas, 350-277, deed zijn uitspraak naar aanleiding
van een ontmoeting met de senaat i.v.m. vredesonderhandelingen. ‘Beschermheren
van de hele wereld’ dekt wellicht Ammianus’ ‘asylum totius mundi’.
14.In de volgende passages: de rostra, spreekgestoelte op het forum; de curia, senaatsgebouw; het palatium,
keizerlijk paleis; het Pantheon,
tempel gewijd aan alle goden; de Tempel van de Stad, tempel van Venus, gebouwd
door Hadrianus; het Forum van de Vrede, gebouwd door Vespasianus en genoemd naar
de tempel van Pax; het Odeon, theater
voor muziekuitvoeringen, gebouwd door Domitianus; het Stadion
voor wedstrijden, gebouwd door Domitianus; het Forum van Trajanus, het mooiste
van de keizerlijke fora.
15.Een gevluchte of verbannen Perzische prins aan het hof van Constantius. Hij zal meer waarschijnlijk gezegd hebben dat het enige wat hem tegenviel, was, gehoord te hebben dat ook in Rome de mensen sterfelijk waren (Gibbon). retour
16.Ammianus o.a. over zichzelf.
17.Niet erg waarschijnlijk. Volgens de redenaar Libanius (Or.
18,50) bouwde Barbatio een schipbrug, die door de barbaren werd vernietigd.
18.Het verloop van de slag is niet in alle opzichten duidelijk. De aansporingen van Julianus (30vv. en 40) zijn eerder literair dan realistisch op te vatten. De schande van de vlucht van de ruiterij (37vv.) zou volgens de redenaar Libanius zijn ‘uitgewist’; Ammianus komt er niet op terug. De historicus Zosimus vermeldt echter dat de vluchtenden werden gestraft retour