BOEK XVII  

1. Julianus steekt de Rijn over en brandt de dorpen van de Alamannen plat. Hij herstelt een fort van keizer Trajanus en komt met de barbaren een wapenstilstand van tien maanden overeen  

1.Toen alles wat ik zojuist verteld heb achter de rug was en alle gevaar geweken - de Rijn stroomde voort alsof bij Straatsburg geen slag geleverd was - liet de jonge oorlogsheer alle gesneuvelden zonder onderscheid begraven om te voorkomen dat de lijken een prooi werden van roofvogels. Daarna liet hij de gezanten vrij die zich, zoals gezegd, vóór de slag met brutale eisen bij hem hadden aangediend, en keerde terug naar Tres Tabernae [Savernes]. 2.Daarvandaan liet hij de hele krijgsbuit, inclusief de gevangenen, voorlopig naar Mediomatrici [Metz] overbrengen in afwachting van zijn komst daar. Zijn plan was namelijk, zelf naar Mogantiacum [Mainz] te gaan, daar een brug over de Rijn te slaan, over te steken en de barbaren mores te leren op hun eigen territorium nu er op ons gebied geen meer waren. Zijn troepen waren daar sterk op tegen, maar met de overredingskracht die hem eigen was, wist hij ze gemakkelijk voor zijn plan te winnen. Want na alles wat ze hadden meegemaakt, was hun aanhankelijkheid jegens hem groter dan ooit, wat hen blindelings die man deed volgen die zich keer op keer had doen kennen als een goede strijdmakker en een krachtig en bekwaam legerleider, die van zichzelf meer vergde dan van een gewoon soldaat. Zodra ze dus de bedoelde plaats bereikten, sloegen ze de brug en zetten voet op vijandelijk gebied. 3.De barbaren, die er weinig op verdacht waren uit hun rustig bestaan te worden opgeschrikt, waren verbijsterd over de omvang van die onderneming en realiseerden zich tot hun ontzetting welk lot hun wachtte, gezien wat hun stamgenoten was overkomen. Om het onheil tenminste voorlopig af te weren smeekten ze huichelachtig om vrede, althans gaven ze aan gezanten de boodschap mee, dat wat hun betrof de gesloten verdragen onveranderd golden. Maar waarom weten we niet, veranderden ze toen plotseling van tactiek en zonden er meteen andere boodschappers achteraan die dreigden dat het oorlog werd - en menens - als we ons niet uit hun gebied terugtrokken. 4.Toen dit aan de caesar werd gemeld, liet hij tijdens de eerste wacht achthonderd manschappen inschepen in kleine, snelle boten met de opdracht twintig stadiën stroomopwaarts aan land te gaan en daar alles wat ze tegenkwamen te vuur en te zwaard te verwoesten. 5.De volgende dag bij zonsopgang zagen we barbaren op de berghoogten, maar toen onze mannen daar resoluut op afgingen, troffen ze geen vijanden meer aan. (Die hadden dit zien aankomen en zich ijlings teruggetrokken.) In de verte stegen intussen enorme rookwolken op, een teken dat de onzen in vijandelijk gebied bezig waren verwoestingen aan te richten. 6.Dit brak de weerstand van de Germanen. Ze lieten de hinderlagen die ze ons gelegd hadden in engten en ruigten voor wat ze waren en staken haastig de Menus [de Main] over om hun verwanten hulp te bieden. 7.Maar zoals dat meestal gaat in crisissituaties - nu met van de ene kant de plotselinge charge van onze ruiterij en van de andere kant de onverwachte actie van de bemanningen van onze boten - raakten ze volkomen in de war. Slechts dankzij hun kennis van het terrein konden ze zich snel in veiligheid brengen. En toen ze verdwenen waren, zwermden onze soldaten uit zonder nog enige tegenstand te ontmoeten, plunderden niets ontziend de hofsteden die rijk waren aan vee en graan, bevrijdden gevangenen en staken alle huizen, die keurig in Romeinse stijl gebouwd bleken te zijn, in brand. 8.Maar toen ze ongeveer tien mijl verderop bij een afschrikwekkend donker woud kwamen, hield hun aanvoerder daarvoor lang halt en aarzelde hij verder te gaan omdat er zich volgens een overloper een groot aantal vijanden verstopt zou hebben in mangaten en vertakte loopgraven om bij de eerste de beste gelegenheid te voorschijn te springen. 9.Tenslotte waagden ze het erop en gingen dapper verder tot ze hun weg versperd vonden door omgehakte eiken, essen en vooral veel dennenstammen. Pas toen achtten ze het geraden zich terug te trekken, zij het met nauwelijks verholen teleurstelling, want het was duidelijk dat er nu niets anders opzat dan een lange en moeizame omweg te maken. 10.Maar in de barre kou en gezien de bijzonder gevaarlijke omstandigheden had al dit gedoe geen zin meer. De herfstequinox was al gepasseerd en er was in die streken zelfs al sneeuw gevallen die de bergen en de vlakten bedekte. Dus werd inderhaast een alternatief karwei aangepakt. 11.Zonder dat enige tegenstand werd ondervonden, werd in minder dan geen tijd een vesting hersteld die Trajanus in het gebied van de Alamannen had gebouwd en zijn naam had gegeven, en die kort tevoren aan zware aanvallen had blootgestaan. De tijdelijke bezetting ervan werd bevoorraad met wat onder de ogen van de barbaren geplunderd was. 12.Toen die zagen hoe deze onderneming, die hun niets goeds voorspelde, zo snel klaar kwam en ze de gevolgen vreesden, kwamen ze haastig bij elkaar en zonden boodschappers die met smeekbeden in uiterste onderdanigheid om vrede vroegen. Julianus bezag dit verzoek van alle kanten, nam een berekend risico, en ging akkoord voor tien maanden, want hij bedacht dat de vesting die hem onverwacht zonder problemen in handen was gevallen, ook nog met geschut op de muren en andere middelen beveiligd moest worden. 13.Aangemoedigd [door Julianus’ houding] dienden zich toen ook drie beruchte koningen aan, enigszins nerveus wel, aangezien zij, met anderen, de overwonnenen bij Straatsburg hulp hadden gezonden, en zwoeren in naar ’s lands wijs gestelde bewoordingen dat ze tot een afgesproken dag niets vijandigs zouden ondernemen, maar zich aan een overeenkomst zouden houden die wij dicteerden, en de vesting ongemoeid zouden laten. Bovendien zouden ze persoonlijk de verzorging van de bezetting op zich nemen als die liet weten ergens behoefte aan te hebben. Kennelijk hield vrees hun onbetrouwbaarheid in toom: ze hielden zich aan beide beloften. 14.In deze gedenkwaardige oorlog, die men wel met de Punische en Teutoonse zou kunnen vergelijken, zij het dat ze met geringe verliezen voor de Romeinse staat gepaard ging, mocht de caesar zich om zijn succes terecht gelukkig prijzen. En men zou misschien diegenen kunnen geloven die het uit afgunst zo voorstelden als zou hij overal zo’n leeuwenmoed hebben getoond omdat hij liever dapper vechtend ten onder ging dan, zoals hij moest vrezen, als een misdadiger het lot van zijn broer Gallus te moeten delen, ware het niet dat hij ook na de dood van Constantius even doelbewust door opzienbarende daden roem  vergaarde...

  2. Julianus belegert zeshonderd Franken die hadden huisgehouden in Neder Germanië. Door honger gedwongen geven ze zich over   

1.Toen Julianus de situatie hier redelijk onder controle had, keerde hij terug naar zijn winterkwartier, maar kreeg nog met een volgend probleem te maken. Onderweg naar Reims via Agrippina [Keulen] en Juliacum [Juliers] was de magister equitum Severus op een paar groepen Franken gestuit, zo’n zeshonderd man in totaal zoals later bleek, die bliksemsnel en lichtbewapend waren en ravages aanrichtten in niet door garnizoenen beschermde streken. Begunstigd door de omstandigheid dat de caesar in een gebied ver daarvandaan de handen vol had aan de Alamannen, waren ze nogal driest en misdadig tekeergegaan, denkend ongehinderd een boel buit te kunnen maken. Uit schrik voor het terugkerende leger hadden ze nu echter een toevlucht gezocht in twee forten die al een tijd verlaten stonden en probeerden zich daar zo goed mogelijk te verdedigen. 2.Verrast door dit nieuwe feit en bezorgd over wat er zou gebeuren als hij ze daar zou laten, onderbrak Julianus zijn mars voor een belegering van de forten (die aan de Maas gelegen waren). En toch nog vierenvijftig dagen, de hele maanden december en januari, rekte zich dit beleg, zo ongelooflijk hardnekkig bleven de barbaren weerstand bieden. 3.Met alles rekening houdend, ook met de mogelijkheid dat ze in een maanloze nacht via de bevroren rivier konden wegkomen, liet de caesar elke nacht van zonsondergang tot de ochtend manschappen in kleine schepen 1  de rivier op en af varen om het ijs te breken zodat niemand op die manier zou kunnen ontsnappen. Daardoor en uitgeput van honger en slaapgebrek en volkomen ontmoedigd gaven de barbaren zich tenslotte vrijwillig over, waarna ze linea recta naar Constantius’ hof werden gestuurd. 4.Een grote troep Franken was nog op weg gegaan om ze uit hun benarde situatie te bevrijden, maar op het bericht dat ze gevangen waren genomen en afgevoerd, had die zonder verder nog iets te ondernemen rechtsomkeert gemaakt. Na dit succes keerde Julianus naar Parijs terug voor de rest van de winter.  

3. Caesar Julianus zet zich in voor verzachting van de belastingdruk op de Galliërs 

1.Aangezien te verwachten was dat meerdere stammen zich zouden aaneensluiten en een niet te onderschatten macht zouden gaan vormen, zag onze caesar, in alle nuchterheid zich bewust van het ongewisse van oorlogskansen, grote problemen voor zich opdoemen. Van de korte wapenstilstand zo goed mogelijk gebruik makend, wilde hij onder meer de landeigenaren, die enorme verliezen hadden geleden, tegemoetkomen door verlichting van de belastingdruk. 2.Dus toen de praefectus praetorio Florentius bij hem kwam met de bewering dat hij precies berekend had wat aan de opbrengst van de hoofdelijke belasting ontbrak en zei dit per se met geforceerde heffingen te willen aanzuiveren, verklaarde Julianus, die wel wist hoe dat ging, dat hij liever doodviel dan toe te laten dat zoiets gebeurde. 3.Want dikwijls, wist hij, hadden de onheelbare wonden die door zulke gebruiken, of liever wangebruiken, geslagen waren, hele provincies aan de grond gebracht (Illyricum bijvoorbeeld, dat volkomen geruïneerd was, zoals later nog aan de orde zal komen2. 4.Op de nijdige reactie van de prefect dat hij het niet nam dat zijn functie zo maar ondermijnd werd, terwijl de keizer zelf hem met de uiteindelijke verantwoordelijkheid had belast, toonde Julianus kalmweg met een nauwkeurige berekening aan, dat de belastingopbrengst niet alleen voldoende maar zelfs meer dan voldoende de noodzakelijke uitgaven van het bestuur dekte. 5.Toen hem een tijd later niettemin een voorstel voor een verhoging van de census3 werd voorgelegd, weigerde hij dat dan ook te lezen of te ondertekenen en gooide het weg. En op een brief van Constantius (die door de prefect was ingelicht) waarin hij gemaand werd niet zo moeilijk te doen, waardoor het leek alsof hij in Florentius niet veel vertrouwen had, schreef hij terug al blij te zijn als de bewoners van de provincies, die het namelijk zwaar hadden, tenminste het normaal verschuldigde konden opbrengen, zonder meer, want dat was met geen geweld uit ze te persen zo berooid als ze waren. En zo gebeurde het toen en bleef het daarna, dat dankzij de vasthoudendheid van één man niemand méér belasting van de Galliërs probeerde af te dwingen dan was vastgesteld. 6.Tenslotte kreeg de caesar van de prefect gedaan - wat destijds ongehoord was - dat hem de verantwoordelijkheid over Neder België werd overgedragen, een gebied dat grotelijks van van alles te lijden had, onder voorwaarde dat geen beambte van de prefect of van de gouverneur wie dan ook tot betaling van belasting zou dwingen. Als gevolg hiervan ademden allen die hij onder zijn bescherming had genomen, verlicht op en voldeden ze zonder dat ze gemaand behoefden te worden zelfs vóór de vastgestelde datum aan hun verplichtingen.

  4. Keizer Constantius laat in het Circus Maximus een obelisk oprichten. Over obelisken en hiërogliefen

  1.Zo werd een begin gemaakt met het herstel van Gallië. Nu wil ik, omdat het zo te pas komt, iets zeggen over de obelisk die ook in die tijd, nog in de tweede ambtsperiode van Orfitus als stadsprefect, in het Circus Maximus te Rome werd opgericht.  2.In de grijze oudheid bestond een stad, Thebe, die beroemd was om haar machtige muren en haar honderd toegangspoorten, waarom ze door haar stichters Hecatompylos (het honderdpoortige) Thebe werd genoemd. (Naar die stad heet tot op de dag van vandaag de provincie Thebaïs.) 3.Toen het vroege Carthago expansiepolitiek begon te bedrijven, werd het bij een onverwachte aanval door Punische krijgsheren verwoest. Later was het de wrede Perzische koning Cambyses,4 een man die al zijn leven hongerde naar andermans bezit, die de herbouwde stad veroverde om haar begerenswaardige schatten te roven, waarbij hij zelfs de wijgeschenken aan de goden niet ontzag. 4.Het gebeurde toen, dat hij, terwijl hij opgewonden tussen zijn plunderende soldaten rondliep, gehinderd door zijn wijde kleding kwam te vallen, waarbij de dolk die hij op zijn rechter dij droeg door de schok uit de schede schoot en hem zo verwondde dat hij bijna het leven liet. 5.Nog weer veel later, onder de regering van Octavianus, zoog de procurator Cornelius Gallus5 de stad uit door verduisteringen op grote schaal, wat hem na zijn terugkeer in Rome op een gerechtelijke vervolging kwam te staan wegens diefstal en uitplundering van de provincie. Uit angst voor de hevig verontwaardigde senatoren aan wie de keizer het onderzoek in die zaak had opgedragen stortte hij zich toen in zijn zwaard. Hij is (als ik het goed heb) de dichter Gallus die door Vergilius in de laatste van zijn Eclogae in lieflijke, melancholieke verzen bezongen wordt. 6.In die stad heb ik behalve machtige tempelcomplexen kolossale beelden gezien die Egyptische goden voorstelden, en een groot aantal obelisken, waarvan er enkele in stukken op de grond lagen, die koningen van weleer na de onderwerping van volken in oorlogen of uit trots over de voltooiing van grote werken uit de aders van gebergten die ze zelfs in de verste uithoeken van de wereld wisten, hadden laten houwen en hadden opgericht ter ere van hun hemelse goden. 7.Een obelisk is van zeer harde steen en heeft de vorm van een keerzuil [in een renbaan], maar is veel hoger. Hij heeft vier met vakmanschap gepolijste zijden, wordt naar boven toe steeds slanker en eindigt in een punt. 8.De vele tekens, hiërogliefen genoemd, die er aan alle kanten in zijn uitgebeiteld, hebben van ingewijden in een oeroude wetenschap hun betekenis gekregen. 9.Met die afbeeldingen, van allerlei soorten vogels en andere, ook exotische dieren, legden ze namelijk voor alle latere generaties de herinnering vast aan een verleden waarin koningen geloften aflegden en inlosten. 10.Want de oude Egyptenaren schreven niet zoals wij bepaalde, eenvoudige reeksen letters, die alles kunnen uitdrukken wat in ’s mensen geest opkomt, maar bedienden zich van op zich staande karakters die elk een ding of een werking aanduidden of soms zelfs hele zinnen. 11.Hoe dit werkt, wil ik met een paar voorbeelden verduidelijken: met een gier beeldden ze het begrip ‘natuur’ uit, omdat die vogelsoort volgens de natuurkundigen geen mannetjes kent; en met de afbeelding van een honingbij ‘een koning’, omdat een heerser niet alleen beminnelijk moet kunnen zijn, maar ook over een angel dient te beschikken. Enzovoort. 12.Omdat de hofvleiers Constantius, om zijn ijdelheid te prikkelen, voortdurend in het oor bliezen, dat toen keizer Octavianus de twee obelisken uit Heliopolis in Egypte had laten overbrengen waarvan de ene in het Circus Maximus, de andere op het Marsveld staat,6 hij zich niet gewaagd had aan degene die nu pas gehaald is, omdat die hem te groot was en hij hem daarom op zijn plaats liet staan, kan ik ieder die het niet weet vertellen, wat de ware reden was waarom deze oude keizer, die inderdaad verschillende obelisken naar Rome liet transporteren, de hier bedoelde ontzag: namelijk dat die als een speciaal geschenk aan de Zonnegod was gewijd en in zijn tempel hoog boven alles uitstekend op een heilige plaats stond die niet ontwijd mocht worden. 13.Pas Constantijn, die zich hier weinig van aantrok, liet de kolos van zijn fundamenten wrikken, aangezien hij terecht meende geen heiligschennis te plegen als hij dit wonderwerk uit een tempel weghaalde en opnieuw wijdde in de tempel van de wereld, Rome dus. Hij liet hem eerst lange tijd liggen om het verdere transport voor te bereiden. Over de Nijl werd de obelisk vervolgens naar Alexandria vervoerd en daar gedeponeerd tot een schip gebouwd was zo groot als nog nooit vertoond, dat door driehonderd roeiers zou moeten worden gevaren. 14.Maar toen men zover was, overleed Constantijn en kreeg de onderneming voorlopig een lage prioriteit, tot de obelisk dan tenslotte op dat schip werd geladen en over zee en via de Tiber, die wel moest vrezen dit geschenk van de haar onbekende Nijl nauwelijks zonder haar eigen loop te hinderen tot aan de muren van haar pleegdochter [Rome] te kunnen brengen, naar het gehucht Alexandri getransporteerd, drie mijl vóór de stad. Daar werd hij op sleden geladen en voorzichtig door de Porta Ostiensis en langs de Piscina Publica gesleept naar het Circus Maximus. 15.Daarna bleef ‘alleen nog’ het probleem dat hij rechtop moest worden gezet, wat nauwelijks doenbaar of zelfs ondoenbaar leek. Maar het lukte als volgt. Aan zo’n groot aantal lange rechtopstaande palen dat het wel een woud van laadbomen leek, werden lange, zware tuien bevestigd die onderling verweven een dicht, haast ondoorzichtig netwerk vormden. Daaraan werd de met schrifttekens versierde kolos vastgemaakt, waarna hij langzaam door de leegte omhoog werd getrokken. Lang hing hij zo, terwijl duizenden mannen aan raderen draaiden zo groot als molenstenen en vond tenslotte zijn plaats midden in het Circus. Op zijn punt kwam een bronzen bol, glanzend van bladgoud, die, nadat ze meteen al door hemelvuur getroffen was, werd vervangen door een bronzen toorts, eveneens bekleed met bladgoud, die schitterde als een laaiende fakkel. 16. Daarna zijn nog andere obelisken aangevoerd, waarvan er één werd opgericht op de Mons Vaticanus,7 een andere in de tuinen van Sallustius8 en nog twee bij het mausoleum van Augustus.9 17.De tekst van de tekens die gegrift zijn in de oude obelisk die we in het Circus zien, laat ik hieronder volgen volgens de Griekse vertaling van Hermapion10.

                              De vertaling begint met de zuidzijde

                                             De eerste regel:

18.‘Helios spreekt tot koning Ramestes: Ik heb U gegeven met vreugde te heersen over de hele wereld, U dien Helios bemint - en de machtige Apollo, die de waarheid liefheeft, de zoon van Hero, de uit god geboren grondvester der wereld, die door Helios is uitverkoren, de dappere zoon van Ares, koning Ramestes. Aan hem is de hele aarde door zijn moed en dapperheid ondergeschikt. Koning Ramestes, de eeuwige zoon van Helios’. 

                                             De tweede regel:

19.‘Machtige Apollo, die op de waarheid staat, Heer van de Diadeem, die Egypte, zijn bezit, geëerd heeft, die de stad van Helios heeft verheerlijkt, en de rest van de wereld heeft geschapen en de goden die in de stad van Helios zijn opgericht met eerbewijzen heeft overladen, hem heeft Helios lief’. 

                                              De derde regel:

20.‘Machtige Apollo, zoon van Helios, de altijd stralende, die door Helios is uitverkoren en door de dappere Ares is begiftigd. Wiens zegeningen zullen zijn voor altijd, hem heeft Ammon lief sinds hij zijn tempel heeft gevuld met de vruchten van de dadelpalm. Wien de goden een lang leven hebben beschoren’.  

‘Machtige Apollo, zoon van Hero, Ramestes, heerser der wereld, die Egypte heeft beschermd door vreemde volken te verslaan, die door Helios wordt bemind, wien de goden een lang leven hebben beschoren. Heer van de wereld, Ramestes, de eeuwig levende’.

                                   De westzijde. De tweede regel:

21.‘Helios, grote god, Heer van de hemel. Ik heb U een leven geschonken zoals U niet voorzien hebt. Apollo, de machtige, niet te evenaren Heer van de Diadeem, die standbeelden van de goden heeft opgericht in dit koninkrijk, heerser over Egypte, die de stad van Helios schoonheid heeft gegeven zoals ook hemzelf, Helios, de Heer van de hemel. Hij heeft een goed werk voltooid, de zoon van Helios, de eeuwig levende koning’.

                                               De derde regel: 

22.‘De God Helios, de Heer van de hemel, aan koning Ramestes. Ik heb u de heerschappij en de macht gegeven over alle mensen. U die Apollo, de minnaar der waarheid, de Heer van de seizoenen, en Hephaistos, de vader van goden, hebben uitverkoren om Ares. Eeuwig gelukkige koning, zoon van Helios, dien Helios liefheeft’.

                                     De oostzijde. De eerste regel:                 

23.‘De grote God van Heliopolis, de hemelse, machtige Apollo, de zoon van Hero, dien Helios heeft liefgehad, die door de goden is geëerd, de heerser over de hele aarde, dien Helios heeft uitverkoren, de door Ares dappere koning, die door Ammon wordt bemind. En de stralende, die hem met zich gelijkgesteld heeft, een koning voor eeuwig’. Enzovoort.     

5. Keizer Constantius en koning Sapor onderhandelen schriftelijk en via gezanten over vrede, maar zonder succes 

1.Toen in het jaar van Datianus’ en Cerealis’ consulaat [358] in Gallië over de hele linie orde op zaken werd gesteld en de schrik er bij de barbaren na alle geleden verliezen zodanig inzat dat ze zich voorlopig aan geen avonturen meer waagden, bevond de koning der Perzen zich nog steeds ver weg in de gebieden van zijn buurvolken, waar hij een vredesverdrag sloot met de oorlogszuchtigsten daarvan, de Chionieten en de Gelanen, en zich juist opmaakte om naar huis terug te keren, toen hij de brief van Tamsapor ontving met het bericht dat de Romeinse keizer dringend om vrede vroeg.11 2.Het kon niet anders, dacht hij, of een dergelijk initiatief hield verband met een verslechterende situatie van het rijk, wat zijn arrogantie niet weinig aanwakkerde. Hij veinsde belangstelling voor vrede, maar onder harde voorwaarden, en vaardigde een zekere Narses af als zijn onderhandelaar met geschenken en een brief voor Constantius waarin hij geen grein van zijn hooghartigheid liet varen, en die, zoals ik vernomen heb, als volgt luidde: 3.‘Wij, koning der koningen, Sapor, van het maaksel der sterren, broeder van de Zon en de Maan, groeten onze broeder, caesar Constantius, hartelijk. Het verheugt ons zeer, dat u eindelijk op de goede weg bent teruggekeerd en gehoor hebt gegeven aan de stem van de onveranderlijke Gerechtigheid, nadat u aan den lijve hebt ondervonden welke schade vaak het gevolg is van een hardnekkige begeerte naar vreemd bezit. 4.Aangezien de waarheid duidelijk en onomwonden gezegd moet worden en het hooggeplaatsten past te spreken zoals zij denken, zullen wij ons standpunt kort samenvatten, bedenkend dat wij het volgende al vaker hebben gezegd. 5.Zoals u ook in uw eigen oude geschriften kunt lezen, heeft het rijk van onze voorvaderen zich ooit uitgestrekt tot aan de rivier de Strymon [de Struma] en de grenzen van Macedonië. Wij zijn dus in ons recht als wij die gebieden terugverlangen (moge dat geen aanmatiging zijn van onze kant), wij, die in luister en door onze buitengewone daden de oude koningen nog overtreffen. Wat recht is, gaat ons ter harte; van jongs af zijn wij gewend nooit iets toe te laten wat niet deugt. 6.Daarom moeten wij Armenië en Mesopotamië terugeisen, landen die door list en leugens onze grootvader12 ontwrongen zijn, en verwerpen principieel wat u zo hooghartig beweert: dat elk succes in oorlog geldt, ongeacht of door dapperheid of door list behaald. 7.En als u een goede raad wilt aannemen: maakt u zich dan niet langer druk om een klein stuk land dat altijd ellende heeft veroorzaakt en bloed heeft gekost, zodat u de rest van uw rijk in vrede kunt regeren, bedenkend dat bekwame artsen ook soms branden, snijden en zelfs lichaamsdelen amputeren zodat de rest van een lichaam in gezondheid kan blijven functioneren, ja, dat zelfs wilde dieren zoiets dikwijls doen: datgene bewust opgeven waar ze voelen hopeloos mee in een klem te zitten, om zonder vrees te kunnen blijven leven. 8.En dit kondigen wij u alvast aan: dat wij, zou ons gezantschap met lege handen terugkeren, na de winterrust met heel onze legermacht komen en met het geluk en het gelijk aan onze kant, voorzover dat menselijkerwijs mogelijk is, overtuigd zijn te zullen slagen’. 9.Lang werd over deze brief beraadslaagd voordat, met elk woord gewikt en gewogen, het volgende antwoord werd opgesteld: ‘Wij, Constantius, zegevierend te land en ter zee, Augustus voor altijd, groeten onze broeder Sapor van ganser harte. 10.Wij verheugen ons over uw welzijn, en als u wilt zal er vriendschap zijn tussen ons. Maar uw ongebreidelde, steeds meer om zich heen grijpende hebzucht moeten wij absoluut veroordelen. 11.U eist Mesopotamië op, evenals Armenië, alsof die gebieden van u zouden zijn, en adviseert bepaalde ledematen van een gezond lichaam te amputeren om die gezondheid daarmee verder veilig te stellen, wat wij een verwerpelijke suggestie vinden en geenszins kunnen onderschrijven, laat staan bevestigen. Laat ons u uitleggen wat naar waarheid gebeurd is, klaar en helder, zonder woordenkramerij en niet onder de indruk van loze dreigementen: 12.In de overtuiging iets te ondernemen wat het algemeen belang diende, heeft onze praefectus praetorio via een paar onbekende figuren en zonder met ons te overleggen besprekingen over vrede gevoerd met een generaal van u. Wij verwerpen dat niet en hebben daarop geen kritiek zolang de waardigheid en de eer niet in het geding komen en geen afbreuk wordt gedaan aan ons zelfrespect en onze majesteit. 13.Maar nu een hele reeks ondernemingen ons glans verleent (moge de Nijd geen wraak op ons nemen), nu alle opstandelingen vernietigd zijn en de hele Romeinse wereld ons gehoorzaamt, zou het wel ongehoord en dwaas zijn op te geven wat wij lange tijd als ons onbestreden bezit onder ons hebben gehad, nog van toen ons machtsgebied tot de Oriënt beperkt was.13  14.Dus verzoeken wij u op te houden met uw intimidaties, waarmee u ons voortdurend probeert te ontmoedigen, aangezien het buiten twijfel is dat hoewel wij niet uit zwakte maar uit zelfbeheersing soms aan verdediging de voorkeur hebben gegeven boven een aanval, wij, eenmaal aangevallen, ons grondgebied, overtuigd van onze goede zaak, tot het uiterste verdedigen, uit eigen ervaring wel bewust van het feit dat Rome in bepaalde veldslagen wel (maar zelden) gewankeld heeft, maar uiteindelijk geen enkele oorlog heeft verloren’. 15.Het Perzische gezantschap werd daarmee onverrichter zake heengezonden, want op de ongehoorde eisen van de koning was verder geen antwoord mogelijk. Het werd enige dagen later gevolgd door de comes Prosper, de notarius Spectatus, een tribuun, en, op een suggestie van Musonianus, de filosoof Eustathius, een meester in de overredingskunst, met brieven van de keizer en geschenken plus de opdracht te proberen Sapor af te remmen, zodat hij zijn noordelijke provincies niet extra voor aanvalsdoeleinden zou versterken.  

6. De Juthungen, een stam van de Alamannen, die verwoestingen aanrichten in Raetië, worden door de Romeinen verslagen en op de vlucht gejaagd  

1.Het was nu afwachten. Intussen begonnen de Juthungen, een stam der Alamannen waarvan het woongebied grensde aan Italië, ondanks het geldende vredesverdrag waarom ze zelf gevraagd hadden, verwoestingen aan te richten in Raetië, waarbij ze zelfs, tegen hun gewoonte, in de enorme chaos die ze veroorzaakten, probeerden steden te belegeren. 2.Om ze daar weg te krijgen werd een sterk leger in het veld gebracht onder Barbatio, die als opvolger van Silvanus tot magister peditum was bevorderd. Hij was weliswaar geen held, maar goed van de tongriem gesneden en wist zijn mannen zo op te hitsen dat ze een groot deel van de vijand genadeloos in de pan hakten. Slechts enkelen, die van angst op de vlucht waren geslagen, konden met moeite ontkomen en kwamen huilend en jammerend weer thuis. Aan deze expeditie nam ook de latere consul Nevitta deel als commandant van een eskadron ruiterij en liet zich, zoals mij is verteld, geducht gelden

  7. Nicomedia wordt door een aardbeving verwoest. Hoe aardbevingen ontstaan

  1.In die dagen teisterden verschrikkelijke aardbevingen Macedonië, Asia en Pontus, waar tal van steden en bergen door schok op schok werden getroffen. In de herinnering aan al die ellende komt vooral de complete verwoesting van Nicomedia, de metropolis van Bithynië, boven, waarvan ik zo goed mogelijk in het kort verslag zal doen. 2.Op de 24e augustus, ’s morgens in alle vroegte, spreidden dichte, donkere wolkenmassa’s zich uit over de hemel, die kort daarvóór nog een vriendelijke aanblik had geboden, en verduisterden de zon. Op meters afstand, zelfs nog dichterbij, kon niemand nog iets onderscheiden, zo beperkt was het zicht doordat ook een grijze, dichte mist kwam aanrollen en zich over het land legde. 3.Meteen was het alsof een machtige god dodelijke bliksems begon te slingeren en winden opjoeg uit alle hoeken van de aarde. Een razende storm brak los, beukte de bergen tot ze ervan kreunden, zweepte de zeeën op tot vloedgolven zich met geweld op de kust stortten; tyfoons met onweders gepaard en een enorme aardbeving verwoestten volledig de stad met voorsteden en al. 4.Toen bijna alle gebouwen langs de hellingen van de heuvels in elkaar zakten, op en over elkaar, verging horen en zien. Hoogten weergalmden van het gegil van mensen die hun man of vrouw of hun kinderen zochten of hun verwanten. 5.Dat duurde tot na het tweede uur. Eindelijk, vóór het derde, klaarde de hemel weer op en onthulde wat aan dood en verwoesting nog niet zichtbaar was geweest: tallozen lagen dood, verpletterd onder het geweld van instortende gebouwen; anderen, die half begraven lagen onder de ruïnes en hadden kunnen overleven als iemand ze geholpen had, stierven omdat niemand dat deed; nog anderen hingen gespietst aan uitstekende stukken hout. 6.Maar de meesten waren op slag dood en overal zag men vormeloze hopen van wat kort daarvóór nog mensen waren geweest. Sommigen kwamen ongedeerd opgesloten te zitten onder ingezakte daken en stierven van honger of door luchtgebrek, zoals bijvoorbeeld Aristaenetus, de ondergouverneur van het kortelings gevormde diocees dat Constantius ter ere van zijn vrouw Eusebia ‘Pietas’ had genoemd, die door dit ongeluk werd getroffen en na een lange kwelling de geest gaf. 7.Er waren er, die met zwaar hoofdletsel of afgerukte ledematen tussen leven en dood zweefden en anderen wie hetzelfde was overkomen om hulp riepen, maar ondanks al hun bidden en smeken aan hun lot werden overgelaten. Sommigen die door de plotselinge ineenstorting van de stad verrast werden, liggen tot op de dag van vandaag nog onder het puin. 8.Toch zouden veel tempels en woonhuizen nog gespaard zijn gebleven, als niet een plotselinge vuurstorm vijf dagen en nachten lang alles verzengd had wat brandbaar was. 9.Ik denk dat dit een goed moment is om iets te zeggen over de theorieën die sinds jaar en dag over aardbevingen in omloop zijn. Theorieën inderdaad, want de diepe geheimen van de natuur als zodanig zijn nog niet uitgevorst, niet alleen niet door ons, die daarin niet gespecialiseerd zijn, maar zelfs niet door de natuurfilosofen, die er ondanks al hun gestudeer met hun eeuwige discussies nog niet uit zijn. 10.Vandaar wordt in de rituele voorschriften en in de boeken over de uitoefening van het priesterambt voorzichtigheidshalve niets gezegd over de veroorzaker van aardbevingen om te voorkomen dat als een bepaalde god genoemd zou worden in plaats van een andere, zolang het niet duidelijk is wie van hen de aarde schudt, een oneerbiedigheid zou worden begaan. 11.Nu ontstaan aardbevingen volgens verschillende geleerden - maar Aristoteles is onzeker en twijfelt - ofwel onder de voortdurende druk van opgestuwd water in enge onderaardse gangen, die we in het Grieks súringas noemen, ofwel, zoals tenminste Anaxagoras beweert, door het geweld van winden die in het binnenste van de aarde zijn doorgedrongen, daarbij op een harde, ondoordringbare massa gestuit zijn zodat ze geen kant meer op kunnen en dan, steeds meer opzwellend, die plaatsen van de aardbodem doen schudden waaronder ze zijn blijven steken. Vandaar dat algemeen wordt waargenomen, dat tijdens aardbevingen geen zuchtje wind wordt gevoeld: de winden vullen dan onderaardse schachten. 12.Anaximander zegt, dat de aarde na een bijzonder droge zomer of ook na hevige regens gapende scheuren kan gaan vertonen waarin met groot geweld lucht binnendringt en door heftige stoten daarvan geschokt, begint te trillen en schudden op haar grondvesten. Zodoende gebeuren zulke rampen ofwel in extra hete zomers ofwel na extreme regenval. Daarom ook noemen oude dichters en theologen Neptunus, die heerst over het natte element, ‘Ennosigaeos’ of ‘Sisichthon’ (de aardschudder). 13.Nu zijn er vier soorten aardbevingen: ten eerste de brasmatiae, ‘opwellingen’, waarbij de aardbodem vanuit de diepte wordt opgeheven als door een golf en er enorme grondmassa’s omhoog worden gedrukt, waardoor bijvoorbeeld in Asia Delos boven het zee oppervlak is gekomen, en Hiera en Anaphe en Rhodos (vroeger Ophiusa en Pelagia geheten en ooit bedolven onder een goudregen14, en Eleusis in Boeotië, Vulcanus in de Tyrrheense Zee, en nog veel andere eilanden; vervolgens de climatiae, ‘zijdelingse’, die in een schuine lijn verlopen en gebouwen, hele steden en bergen met de grond gelijk maken; dan de chasmatiae, ‘splijters’, die met een heftige beweging plotseling diepe kloven doen ontstaan die hele stukken van de aarde opslokken, zoals in de Atlantische Oceaan een eiland [Atlantis] dat groter was dan heel Europa, in de Criseïsche Golf [Golf van Salona] Helice en Bura en in het Ciminische gebied [het zuiden] van Italië de stad Saccumum, die alle in de diepste krochten van Erebus zijn weggezonken, waar eeuwige duisternis heerst. 14.Tussen deze drie soorten aardbevingen worden ook nog de mycematiae, ‘brullers’, gehoord met donderend geraas, wanneer de elementen zich ontbinden en op elkaar botsen, daarna zich herstellen en de aarde tot rust komt. Dan moet het kraken en dreunen van de aarde lijken op het loeien van een woedende stier.Maar nu terug naar mijn relaas.  

8. Caesar Julianus accepteert de overgave van de Frankische Saliërs. Hij doodt sommigen van de Chamaven, neemt anderen gevangen en laat de overigen met rust 

1.Overwinterend in Parijs, telde Julianus ongeduldig de dagen tot hij kon opbreken om de Alamannen een slag vóór te zijn die na hun nederlaag bij Straatsburg in een toestand van waanzinnige razernij verkeerden en zich nog niet opnieuw verenigd hadden. Echter, het was nog geen juli, de maand waarin gewoonlijk de campagnes in Gallië begonnen, als sneeuw en ijs waren weggedooid en in het begin van het warme seizoen graan was aangevoerd uit Aquitanië. 2.Maar goed overleg leidt meestal tot een oplossing voor moeilijkheden, en zo kwam hij al piekerend tot de slotsom, dat hem maar één ding te doen stond: het geëigende seizoen niet af te wachten, maar de barbaren aan te vallen vóór ze erop verdacht waren. Toen dat besluit eenmaal vaststond, liet hij van graan uit de voorraad bestemd voor de overwintering voor twintig dagen goed houdbare kaken bakken (of hoe ze in de volksmond mogen heten), in de ransels van zijn soldaten pakken die maar al te graag weg wilden, en rukte optimistisch gestemd door gunstige voortekenen uit, zoals vaker, in de verwachting nog in mei of juni twee noodzakelijke expedities tot een goed einde te kunnen brengen. 3.Voldoende voorbereid ging hij allereerst op de Franken af die gewoonlijk Saliërs worden genoemd en zich al een tijd daarvóór brutaalweg op Romeins gebied gevestigd hadden, in de buurt van Toxandria [Tessenderloo]. Maar bij Tungri [Tongeren] ontmoetten hem gezanten van dat volk die [onderweg waren] in de veronderstelling de caesar nog in zijn winterkwartier te zullen aantreffen, en vrede beloofden als hun volk niet zou worden aangevallen of anderszins gemolesteerd zolang het vreedzaam leefde als in het eigen stamgebied. Die zaak werd grondig met hen doorgesproken, waarbij hun heel precieze voorwaarden werden gesteld, waarna Julianus hen met geschenken wegzond en deed alsof hij ter plaatse zou blijven tot ze zouden terugkomen. 4.Maar na hun vertrek ging hij bliksemsnel achter ze aan, terwijl generaal Severus langs de [Maas]oever optrok, overviel het volk onverwachts en raasde er zo woest doorheen dat het niet aan tegenstand dacht en op de knieën ging. Dus liet hij, gezien het succes van zijn actie verder genade gelden en accepteerde hij hun onderwerping met hun bezittingen en kinderen en al. 5.In één ruk door overviel hij vervolgens de Chamaven, die dezelfde brutaliteit ten toon spreidden, doodde sommigen, sloeg anderen die zich heftig verzetten en levend gevangen werden, in de boeien, maar liet de overigen, die halsoverkop naar huis vluchtten voorlopig gaan, om zijn mannen zich niet in een lange achtervolging te laten afmatten. Die zonden later gezanten om vrede te vragen en een regeling te krijgen voor hun behoud. En toen ze zich voor zijn ogen ter aarde wierpen, schonk hij hun dat op voorwaarde dat ze naar hun woongebied zouden terugkeren, en liet ze verder ongemoeid.   

9. Caesar Julianus herbouwt drie door de barbaren verwoeste forten aan de Maas. Hij wordt bedreigd en beledigd door zijn soldaten die honger lijden 

1.Nadat dit alles bevredigend was afgehandeld, ging Julianus voort, met nimmer aflatende energie, de veiligheid van de provincies in alle opzichten te consolideren en besloot drie forten die in een rechte lijn langs de oever van de Maas stonden en lang daarvóór door barbaren waren aangevallen en verwoest, tenminste provisorisch te herstellen. Voor die herbouw, die de hoogste prioriteit kreeg, werd de veldtocht korte tijd onderbroken. 2.En om het boogde doel meteen veilig te stellen nam hij van de proviand, nog voor zeventien dagen, die zijn soldaten op mars meedroegen, een gedeelte af dat hij opsloeg in die forten, erop rekenend het tekort uit de oogst van de Chamaven te kunnen aanvullen. 3.Maar het liep heel anders. Want het koren was nog lang niet rijp, en toen de manschappen hadden opgebruikt wat ze bij zich hadden en nergens ander voedsel konden vinden, begonnen ze Julianus te bedreigen en met scheldwoorden en verwijten te overladen: een Aziër, een halve Griek en een bedrieger noemden ze hem, een domkop die zich voordeed. En aangezien er onder het soldatenvolk gewoonlijk wel de nodigen zijn die niet op hun bek zijn gevallen, bleven die hem zulk soort dingen toeschreeuwen: 4.‘Waar worden we eigenlijk heen gesleept zonder dat we er beter van worden! Al die tijd hebben we ontberingen geleden en de zwaarste moeilijkheden doorstaan, in sneeuw en gruwelijke vrieskou. En nu we, bij alle goden!, de vijand er bijna onder hebben, vergaan we hier van de honger. Erger bestaat toch niet?! 5.En laat niemand het wagen ons voor oproerkraaiers uit te maken. Mogen we asjeblieft voor onszelf opkomen! We vragen geen goud of zilver - dat hebben we trouwens al lang niet meer gezien, laat staan in onze handen gehad, want dat wordt ons onthouden, alsof we als veroordeelde vijanden van de staat zo hebben moeten zwoegen en aan gevaren zijn blootgesteld!’ 6.Die klachten waren gegrond, want in hun hele dienst met alle successen en hachelijke momenten, in die campagnejaren in Gallië onder Julianus, hadden ze nog geen cent soldij, laat staan een extra beloning ontvangen, aangezien hemzelf geen middelen ter beschikking stonden waaruit hij kon putten en Constantius niet toestond dat de normale betalingen werden gedaan. 7.Trouwens, het bleek wel daaruit dat dit een kwestie was van boos opzet en niet van misplaatste zuinigheid, dat als hij wel eens een gewone soldaat op diens toch niet onredelijke vraag om wat geld om zich te laten scheren een muntje gaf, hij vernederende kritiek te verduren kreeg van Gaudentius,15  een notarius die speciaal in Gallië gestationeerd was om het doen en laten van de caesar te bespioneren. Later zou Julianus hem ter dood laten brengen, zoals ik zal berichten als dat te pas komt.16  

10. De koningen der Alamannen Suomarius en Hortarius geven hun krijgsgevangenen terug. Julianus sluit vrede 

1.Toen het oproer eindelijk met veel gepaai gesust was, werd een schipbrug over de Rijn geslagen en de rivier overgestoken, maar eenmaal in het woongebied van de Alamannen, verloor de magister equitum Severus, tot dan toe een echte die-hard en een energiek commandant, plotseling de moed. 2.Dezelfde die voorheen zijn soldaten, soms man voor man, tot grote daden wist te inspireren, ried nu aan de strijd te staken en leek plotseling een lafaard geworden - misschien had hij een voorgevoel van zijn naderende dood, zoals we in de boeken van Tages of van Vegoe17] kunnen lezen dat mensen die door de bliksem getroffen gaan worden, zo verdoofd en verlamd raken dat het geraas van de donder of zelfs nog groter lawaai niet tot hen doordringt. Tegen zijn gewoonte had hij het leger slechts langzaam laten vorderen, waarna hij de gidsen, die hem te snel vooruit gingen, onder druk zette en onder zware bedreigingen dwong eenstemmig en met zoveel woorden te verklaren dat ze in het gebied volstrekt onbekend waren. Tegen zijn verbod en machtswoord in waagden ze het daarna niet meer te ver vooruit te gaan. 3.Tijdens deze vertraging kwam koning Suomarius van de Alamannen18  onverwacht uit zichzelf met zijn gevolg de Romeinen tegemoet. En deze barbaar, die eertijds zo krijgshaftig was en een gevaar voor de Romeinse zaak, bleek het nu al als winst te beschouwen als hij mocht houden wat hij bezat! Met zijn blik en zijn gang was hij het toonbeeld van de smekeling, maar hij werd bemoedigd en gerustgesteld, waarop hij zich volledig overgaf en op zijn knieën om vrede vroeg. 4.Die werd hem gegund met een streep door alles wat gebeurd was, op voorwaarde dat hij zijn gevangenen aan ons teruggaf en onze troepen zo vaak als nodig van proviand zou voorzien, dit laatste tegen ontvangstbewijzen voor het geleverde zoals in de gewone handel, bij gebreke waarvan hij erop moest rekenen dat hetzelfde opnieuw van hem geëist zou worden. 5.Nadat dit was afgehandeld, kwam een expeditie tegen de gouw van de volgende koning, Hortarius,19 aan de orde. Aangezien daarvoor geen gidsen bij de hand waren, gaf Julianus aan Nestica, een tribuun van de Scutarii, en Charietto, een man die befaamd was om zijn moed, opdracht er hoe dan ook een te vinden, te vangen en bij hem te brengen. Al gauw werd een jonge Alaman gegrepen en binnengebracht, die tegen de belofte dat zijn leven gespaard zou worden, bereid was de weg te wijzen. 6.Met hem voorop ging het leger op weg, tot het zijn doortocht versperd vond door een barricade van omgehakte bomen. Het was dus via lange, moeizame omwegen dat het doel tenslotte bereikt werd, en tegen die tijd waren de mannen zo woedend, dat ze de velden in brand staken en zich aan vee en mensen vergrepen, waarbij ze ieder die zich verzette genadeloos afslachtten. 7.De aanblik van zijn land met de resten van al die verbrande dorpen maakte op Hortarius zo’n verpletterende indruk, dat hij, beseffend dat alles verloren was, evenals Suomarius om vrede vroeg, zwerend alles te zullen doen wat hem bevolen werd. Maar aan de eis al zijn gevangenen uit te leveren gaf hij maar halfhartig gevolg, want hij hield er een groot deel van achter en gaf er niet meer dan een paar. 8.Julianus ontstak daarover terecht in woede, en toen de koning zich aandiende om de traditionele geschenken in ontvangst te nemen, liet hij diens vier machtigste en trouwste vazallen vasthouden tot alle gevangenen terug waren. 9.Daarna werd hij opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud met de caesar, voor wie hij schichtig en onzeker zijn onderdanigheid betuigde, overweldigd door de aanblik van de veroveraar. Hem werd een zware verplichting opgelegd, namelijk, aangezien na de geslaagde acties nu de heropbouw van de door de barbaren verwoeste steden aan de orde was, daarvoor uit zijn eigen middelen en die van zijn onderdanen het materiaal en het transport te leveren. Nadat de koning dit beloofd had en gezworen had de niet-nakoming daarvan met zijn bloed te zullen boeten, mocht hij terug naar huis. Graan kon van hem niet geëist worden, zoals van Suomarius, aangezien zijn velden verwoest waren en er niets op te vinden was wat hij zou kunnen leveren. 10.Zo bogen deze eens zo trotse koningen, die zich plachten te verrijken ten koste van onze onderdanen, hun nek onder het Romeinse juk en gehoorzaamden ze, alsof ze geboren en getogen schatplichtigen waren, zonder protest aan onze bevelen.Na deze gebeurtenissen verdeelde de caesar zijn troepen over de gebruikelijke garnizoensplaatsen en keerde hij zelf terug naar zijn winterkwartier.  

11. Na deze succesvolle acties in Gallië wordt caesar Julianus aan het hof van keizer Constantius door jaloerse hovelingen belachelijk gemaakt: hij zou slap en bangelijk zijn 

1.Nieuws daarover ging in Constantius’ entourage van mond tot mond - want zoals elke ondergeschikte was ook de caesar verplicht over zijn doen en laten aan de keizer verantwoording af te leggen - en de hogere hofdignitarissen, erkende meesters in de vleierij, trokken natuurlijk Julianus’ beslissingen en verrichtingen weer in het belachelijke, zulke flauwiteiten debiterend als: ‘die geitensik, dat mietje, wordt langzamerhand onuitstaanbaar met zijn veroveringen’, sneerden op zijn behaardheid, noemden hem ‘die mompelende mol, die aap in het purper, die Griekse lettergek’ enzovoort, en als kleppermannen, om zo te zeggen, toeterden ze dat fraais in de oren van de keizer die daarvoor wijd open stonden, of probeerden ze de verdiensten van de caesar te kleineren met andere schaamteloze en beledigende opmerkingen, als was hij een slappeling, een angsthaas en een luiaard die zijn mislukkingen met mooie praatjes verdoezelde. Maar dat gebeurde niet voor het eerst in de geschiedenis. 2.Want juist de hoogste glorie lokt gewoonlijk afgunst uit, zoals we kunnen lezen dat uit misnoegen opgewekt door hun schitterende successen ook aan befaamde legerleiders in het verleden feilen en fouten zijn toegedicht waarvoor geen grond was. 3.Zoals bijvoorbeeld Cimon, de zoon van Miltiades van incest werd beschuldigd, terwijl hij verschillende malen en met name bij de rivier de Eurymedon in Pamphylië menigten Perzen had vernietigd en dat aanmatigende volk op de knieën had gedwongen, smekend om vrede. Zo werd ook Scipio Aemilianus door jaloerse rivalen van traagheid beschuldigd, ofschoon dank zij zijn niet aflatende waakzaamheid twee machtige steden die op Rome’s ondergang uit waren, verwoest waren20  4.Zelfs over Pompeius hadden kwaadsprekers, die ondanks veel moeite niets hadden kunnen vinden waarvan ze hem konden betichten, deze twee onzinnige, rechtuit belachelijke dingen te zeggen: dat hij op een bepaalde karakteristieke manier met één vinger op zijn hoofd krabde, en een tijdlang een witte zwachtel om zijn been droeg (om een lelijke zweer te bedekken); het ene deed hij volgens die lieden uit verstrooidheid, het andere omdat hij op een staatsgreep zon, want volgens deze kletskoek zou het hem om het even zijn om welk lichaamsdeel hij een witte hoofdband als teken van koninklijke waardigheid droeg - en dit over een man die zich bewijsbaar uit louter vaderlandsliefde meer afsloofde dan wie ook! 5.In die tijd werd in Rome Artemius, die het ambt van vice-prefect bekleedde, tot opvolger aangewezen van Bassus, die kort nadat hij tot prefect was benoemd een natuurlijke dood was gestorven. Zijn ambtstermijn werd, afgezien van oproerige bewegingen, door niets gekenmerkt wat de moeite van het vermelden waard is.  

12. De eens zo superieure, maar nu verdreven Sarmaten, en de Quaden, de schrik van Pannonië en Moesië, worden door Constantius gedwongen gijzelaars te leveren en hun gevangenen op te geven. Constantius hergeeft de   Sarmaten de vrijheid, met verlof terug te keren naar hun stamgebied en stelt een koning over hen aan21  

1.Keizer Constantius bereikten intussen in zijn winterverblijf te Sirmium het ene slechte bericht na het andere over de Sarmaten en de Quaden, buurvolken van elkaar met gelijke zeden en dezelfde soorten wapens, die gemene zaak maakten en in benden invallen deden in Opper en Neder Pannonië en Neder Moesië. 2.Deze barbaren, die beter zijn in rooftochten dan in open strijd, zijn gewapend met lange speren en dragen harnassen van linnen hemden waarop als schubben gepolijste plaatjes van hoorn genaaid zijn. Hun paarden worden meestal met opzet geruind om te voorkomen dat ze in opwinding raken bij het zien van merries en losbreken of in een hinderlaag wild worden en door gehinnik de aanwezigheid van hun berijders verraden. 3.In achtervolging of op de vlucht leggen ze op die snelle, goed gedresseerde paarden enorme afstanden af, waarbij ze er nog één of twee als reserve meevoeren en ze in topconditie houden door ze regelmatig te wisselen en om beurten te laten bekomen. 4.Toen de lente-equinox gepasseerd was, mobiliseerde Constantius een sterke legermacht en rukte uit onder redelijk gunstige voortekenen. Op een geschikt punt stak hij over de dekken van schepen die onderling verbonden waren tot een brug de door smeltwater sterk gezwollen Donau over en overviel de barbaren op hun eigen gebied om ze mores te leren. Door de snelheid van zijn opmars zagen die plotseling onze troepen in volle oorlogsuitrusting opdagen - wat ze in dat vroege jaargetijde normalerwijs onbestaanbaar achtten - wachtten, volkomen verrast, nog niet om adem te scheppen en vluchtten in panische angst wat ze konden, met de dood op de hielen. 5.Velen die, met loden benen van angst, niet snel genoeg wegkwamen, werden neergemaaid. Degenen die de dood wisten te ontlopen en zich in donkere bergengten verborgen, moesten met lede ogen aanzien hoe hun land te vuur en te zwaard werd verwoest, wat ze hadden kunnen voorkomen, hadden ze zich even hard verzet als ze waren weggevlucht. 6.Dit vond plaats in dat deel van Sarmatië dat grenst aan Neder Pannonië, en even meedogenloos verwoestten onze stormtroepen de barbaarse nederzettingen in de omgeving van Valeria, waarbij ze alles verbrandden en plunderden wat ze tegenkwamen. 7.Geschokt door de omvang van deze ramp besloten de Sarmaten zich niet verborgen te houden zoals ze aanvankelijk van plan waren, maar te doen alsof ze vrede wilden om ons dan in drie groepen zo onverwacht aan te vallen dat we geen tijd zouden hebben de wapens te trekken, het bloedig geweld af te weren of zelfs - laatste redmiddel in benauwde situaties - te vluchten. 8.Meteen waren daar ook de Quaden, de welhaast onafscheidelijke kompanen van de Sarmaten op hun rooftochten, om hun aandeel in de raid te leveren. Maar hun drieste actie had geen ander resultaat dan dat ze zelf in acuut gevaar kwamen. 9.Velen sneuvelden daarbij, waarna degenen die het vege lijf wisten te redden, via allerlei bergpaden een goed heenkomen zochten. Opgeladen door dit succes trok ons leger onmiddellijk in gesloten formaties het gebied van de Quaden binnen, die uit eerdere ervaringen begrepen wat hun te wachten stond en zich berouwvol bij de keizer aandienden met een verzoek om vrede, niet zonder hoop ook, omdat deze zich in zulke gevallen nogal mild placht op te stellen. Op de dag waarop ze gesommeerd waren de voorwaarden in ontvangst te nemen, stelde de koningszoon Zizais, een rijzige jongeman, de Sarmaten in volle wapenrusting in het gelid voor de formele smeekbede. Toen, in het aangezicht van de keizer, legde hij zijn wapens af en wierp zich languit, plat op de grond, als dood. Maar toen hij moest spreken, weigerde zijn stem van angst de dienst - wat ieder ontroerde - en telkens opnieuw beginnend kwam hij snikkend niet verder dan maar met een paar woorden zijn verzoek te doen. 10.Eindelijk enigszins hersteld, werd hij verzocht zich op te richten, maar hij bleef geknield en zo, weer in staat te spreken, smeekte hij zijn misdaden te vergeven en te vergeten. Daarna kreeg de hele manschap de gelegenheid de smekingen te herhalen, maar die bleef bang en zwijgend staan zolang het lot van hun aanvoerder nog onzeker was. Pas toen hij verlof kreeg op te staan en hij de wachtenden het teken gaf zich uit te spreken, wierpen ze hun schilden en speren neer, strekten smekend hun handen uit en wisten niet hoe ze nog beter dan hun prins hun onderwerping zouden tonen. 11.Zizais had met de rest van de Sarmaten ook de prinsen Rumo, Zinafer en Fragiledus en verschillende edelen meegebracht, die eveneens hoopten op begenadiging als ze zich onderwierpen. Overgelukkig met de hun verleende gratie waren ze bereid aan de zwaarste voorwaarden te voldoen om hun vijandige daden goed te maken en zouden zich zelfs met al wat ze bezaten, met hun vrouwen en kinderen en hun land aan de Romeinen hebben overgeleverd. Maar Constantius liet zowel genade als recht gelden en liet ze in het onbelemmerde bezit van hun woonsteden, waarop zij van hun kant alle Romeinse gevangenen opgaven, de gijzelaars leverden die gevraagd werden en beloofden voortaan aan al onze eisen stipt te zullen voldoen. 12.Aangemoedigd door zoveel clementie kwamen toen ook met hun manschappen prins Araharius en een edele van hoge rang, Usafer, beiden aanvoerders van hun stamverbanden, waarvan de een over een deel van de Transjugitanen en Quaden regeerde, de ander over een deel van de Sarmaten, groepen die naast elkaar woonden en in woestheid niet voor elkaar onderdeden. Constantius wantrouwde al dat volk, dat misschien wel onder het mom van vrede te zoeken plotseling naar de wapens zou kunnen grijpen, liet het dus uit elkaar halen en beval de voorsprekers voor de Sarmaten zich te verwijderen tot hij de zaak van Ahararius en de Quaden zou hebben behandeld. 13.Die werden voorgeleid als misdadigers, stonden vóór hem met gebogen hoofden, niet in staat zich van hun ernstige daden vrij te pleiten, en gaven uit angst voor een vreselijk lot gewillig de gijzelaars die van hen geëist werden - voor de eerste keer gedwongen onderpanden te leveren voor een verdrag. 14.Nadat dit meer dan redelijk geregeld was, werd Usafer in de gelegenheid gesteld zijn verzoek te doen, waarmee Araharius het in het geheel niet eens was, aangezien, zoals hij zei, het vredesverdrag met hemzelf mede voor de ander moest gelden, die wel zijn collega was, maar een ondergeschikte positie had en gewoonlijk aan zijn bevelen gehoorzaamde. 15.Na een discussie hierover werd besloten dat de Sarmaten als langjarige cliënten van Rome niet ook onder een ander gezag konden blijven en zelf gijzelaars moesten leveren als garantie voor het vredesverdrag, wat ze met vreugde accepteerden. 16.Op het gerucht dat Araharius ongestraft was gebleven, meldde zich nog een aantal koningen en volken - bij elkaar grote groepen - met het verzoek hun ‘het mes op de keel te zetten’ [als zekerstelling voor het handhaven van een pakt]; en ook zij kregen een verdrag zoals ze wensten en leverden onmiddellijk zonen van hooggeplaatsten uit de centra van hun landen als gijzelaars evenals de geëiste krijgsgevangenen, van wie ze met even diepe zuchten afstand deden als van hun landgenoten... 17.Dit alles geregeld zijnde, concentreerde Constantius zijn aandacht op de Sarmaten, die eerder medelijden verdienden dan straf, en dat bracht hun zo ongelooflijk veel geluk, dat men haast zou geloven dat het waar is wat wel gezegd wordt: dat een heerser het Lot de wending kan geven die hij wil. 18.De bewoners van die gouwen genoten eens macht en aanzien, tot hun slaven heimelijk tegen hen begonnen samen te zweren, naar de wapens grepen en in opstand kwamen. En bij barbaren geldt nu eenmaal het recht van de sterkste: ze wonnen het, niet in moed - want daarin waren ze gelijk - maar in aantal van hun meesters. 19.Die vluchtten radeloos en redeloos ver weg naar de Victohalen, met de gedachte liever onderdanig te worden aan beschermers dan hun eigen slaven te moeten dienen, al verdroot die toestand hen zeer. Ze kregen vergeving en toen ze om de verzekering vroegen van een bestaan in vrijheid, werden ze onder formele bescherming van Rome genomen: Constantius, die het met hen te doen had, riep het hele volk in aanwezigheid van zijn leger bij elkaar, sprak het geruststellend toe en beval het, aan niemand anders te gehoorzamen dan aan hemzelf en aan Romeinse generaals. 20.Om aan het herstel van hun vrijheid extra cachet te geven, stelde hij Zizais als koning over hen aan, een man die voor uitverkiezing van deze hoge positie beslist de juiste geschiktheid en, zoals zou blijken, betrouwbaarheid bezat; maar na deze ceremonies moesten wel allen ter plaatse blijven tot ze, zoals bepaald was, hun gevangenen hadden uitgeleverd. Aldus werden de zaken in die barbaarse gouwen geregeld, waarna Constantius het kamp naar Bregetio [Flecken Szöny] verplaatste om ook in die regio definitief een einde te maken aan het leed dat de Quaden er met hun oorlogen hadden veroorzaakt. Zodra ons leger binnen de grenzen van hun grondgebied verscheen, wierpen zich prins Vitrodorus, een zoon van koning Viduarius, zijn vazal Agilimundus, en een aantal edelen en andere vertegenwoordigers van verschillende stammen voor de voeten van onze soldaten, kregen pardon en deden wat van hen geëist werd: gaven jonge mannen in gijzeling als garantie voor de vervulling van de hun opgelegde voorwaarden en zwoeren bij hun blanke zwaarden (die ze vereren als godheden) eeuwige trouw.  

13. Constantius richt een bloedbad aan onder de Limiganten, de voormalige slaven van de Sarmaten en verdrijft ze uit hun woongebieden. Hij spreekt zijn soldaten toe 

1.Toen deze procedures zoals ik verteld heb naar tevredenheid waren afgewikkeld, eiste het belang van de staat dat de veldtekenen ook snel tegen de Limiganten, de voormalige slaven van de Sarmaten, werden gekeerd, want het was een schande dat de vele misdaden waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt nog ongestraft waren gebleven. Toen namelijk de vrije Sarmaten onze grenzen schonden, hadden ook zij de gelegenheid aangegrepen uit te breken en, met voorbijgaan aan wat in het verleden gebeurd was, wat dit betrof gemene zaak gemaakt met hun [voormalige] meesters en vijanden. 2.Toch werd besloten ook dit niet zo streng te straffen als waarom de ernst van hun daden vroeg en de wraak te beperken tot een gedwongen verhuizing naar elders, zo ver weg dat ze ons geen schade meer konden berokkenen. Maar met zoveel op hun geweten, beseften ze uiteraard welk gevaar in de lucht hing. 3.En gezien de waarschijnlijkheid dat de oorlog hun kant op zou komen, hielden ze zich op alles voorbereid, met trucs, wapens en petities. Maar niet zodra zagen ze inderdaad ons leger, of ze riepen eerst hevig geschrokken als van een donderslag bij heldere hemel om genade, beloofden jaarlijks een tribuut en een lichting jonge mannen, plus dienstbaarheid. Echter, op één punt lieten hun blikken en gebaren niets aan duidelijkheid te wensen over: nooit zouden ze bereid zijn te verhuizen - wie deed ze wat, verschanst in dat land waar ze zich veilig genesteld hadden na er hun meesters uit verdreven te hebben? 4.Door die gebieden loopt namelijk een bochtige rivier, de Parthiscus [de Theiss] die zich uiteindelijk verenigt met de Hister [de Donau]. Zolang ze op zichzelf en onbelemmerd voort golft, stroomt ze een hele tijd door een brede uitgestrektheid van vlak land, dat in haar mondingsgebied zodanig versmalt, dat de bewoners daar enerzijds door de Donau beschermd worden tegen een Romeinse aanval, anderzijds door haarzelf tegen invallen van andere wilde stammen. Want het land daar is overwegend moerassig met veel vennen en wilgen vanwege overstromingen en dus ontoegankelijk behalve voor wie er heel goed bekend is. Bovendien sluit de grotere rivier [de Donau] naar de monding van de Parthiscus toe dit gedeelte met een lus als een soort eiland van de rest van het gebied af. 5.Wel kwamen de barbaren op verzoek van de keizer naar de rivieroever aan onze kant, maar arrogant als ze van nature waren, niet, zoals zou blijken, om te doen wat hun bevolen werd, maar om te laten zien niet geïmponeerd te zijn door de aanwezigheid van onze soldaten. Zo bleven ze daar uitdagend staan, duidelijk niet van plan aan eventuele eisen te voldoen. 6.Constantius had voorzien dat het mogelijk zo zou gaan en daarom het leger heimelijk in afdelingen gesplitst die hij de barbaren bliksemsnel liet omsingelen. Staande op een kleine heuvel, omringd door zijn lijfwachten en enkelen van zijn staf, maande hij hen toen rustig zich in toom te houden. 7.Onzeker wat te doen, weifelend tussen vechten of zich onderwerpen, terwijl woede en sluwheid in hun binnenste om de voorrang streden, wierpen die opzettelijk telkens hun schilden een stuk voor zich uit om ze in een paar stappen weer op te pakken en zo geleidelijk terrein te winnen zonder de schijn te wekken iets verraderlijks in de zin te hebben en de onzen dan van dichtbij te kunnen overvallen. 8.Maar toen het langzaam aan avond werd en het vanwege de schemering raadzaam leek niet langer af te wachten, hieven de onzen de standaards en stormden op hen los, waarop de barbaren samendromden tot één massieve troep, die met grimmige gezichten en woeste kreten regelrecht op de keizer zelf afging, nog op de heuvel. 9.De waanzinnige woede waarmee dit gepaard ging, was onze soldaten teveel; tegenover die acute bedreiging van hun keizer een wig vormend (een formatie die in het soldatenjargon een ‘zwijnskop’ heet) braken ze met één geweldige stoot de horde open, waarna onze infanterie hun voetvolk op de rechterflank afslachtte en onze cavalerie zich op hun snelle, wendbare ruiters op de linkerflank stortte. 10.Het praetoriaanse cohort dat ter beveiliging dicht op Constantius stond, hakte op tegenstanders in die al snel hun rug blootgaven. De barbaren die vielen, lieten met hun niet te breken koppigheid gruwelijk krijsend horen, dat hun dood ze minder kon schelen dan onze triomf daarover. Tussen de doden zag men er met doorgesneden pezen die niet konden vluchten; van anderen was een hand afgehakt; sommigen waren niet door wapens getroffen maar overlopen en vertrapt, maar allen verdroegen hun pijn zonder een kik te geven. 11.Wat hun ook overkwam, geen één vroeg om genade, geen één liet zijn wapen los of bad om een snelle dood. Zelfs verslagen hielden ze hun wapens in hun vuist geklemd, want het was erger zich zelf gewonnen te geven dan door een sterkere overwonnen te worden, en zo kon men de een of ander ook horen kreunen dat het zijn lot was, niet zijn schuld, wat hem overkwam. In een half uur werd die strijd beslist, waarin zoveel wilden sneuvelden dat alleen uit de overwinning bleek dat er een slag had plaatsgevonden. 12.Meteen nadat deze benden vijanden waren neergelegd, werden hun families uit hun armelijke hutten gesleurd en ongeacht leeftijd of geslacht in groepen afgevoerd, waarmee dat volk uit zijn vroegere trotse bestaan de meest vernederende slavernij tegemoet ging. Een uiterst kort tijdsverloop leverde dus dit schouwspel op: bergen lijken en troepen gevangenen! 13.Nog in de opwinding over het felle gevecht en de overwinning, volgde toen een klopjacht op diegenen die het strijdtoneel ontvlucht waren en zich soms in hutten verborgen hielden. Als onze soldaten die lokaliseerden, rukten ze, belust op het bloed van de barbaren, de rieten bouwsels uit elkaar en slachtten ze hen af; en geen huis, al was het van zware balken gebouwd, redde wie dan ook van de dood. 14.Toen tenslotte alles in brand stond, geen mens zich nog verborgen kon houden en alle vluchtmogelijkheden rondom waren afgesneden, bleef iemand nog twee mogelijkheden over: óf hij koos vrijwillig de vuurdood, óf hij ontvluchtte de vlammen en kwam te voorschijn om de ene dood te ontgaan maar trof dan een andere onder het zwaard van de vijand. 15.Van de enkelingen die toch nog kans zagen aan onze wapens en al het vuur te ontkomen en in de nabije rivier sprongen in de hoop zwemmend de andere oever te kunnen bereiken, verdronken de meesten en werden anderen doodgeschoten, die zoveel bloed verloren dat de golven van de machtige rivier er rood van schuimden. Zo werd aan de vernietiging van deze Sarmaten [Limiganten] dank zij de daadkracht en de moed van onze soldaten meegewerkt door de elementen [water en vuur]. 16.Na dit alles werd besloten werkelijk iedereen elke hoop om het er heelhuids af te brengen te ontnemen. Nadat de huizen waren platgebrand en de vrouwen en kinderen afgevoerd, werden boten bij elkaar gehaald om degenen te gaan opsporen die aan de andere kant van de rivier huisden. 17.Daarmee werd niet gewacht, om de felheid van de soldaten niet te laten verflauwen: lichtbewapende schermutselaars sprongen erin, voeren ongezien over en stapten uit waar de Sarmaten zaten. Die vergisten zich eerst deerlijk toen ze plotseling boten van hun stamgenoten met het vertrouwde geluid van de riemen zagen aankomen. 18.Pas toen ze wapens zagen blinken, realiseerden ze zich dat gevaar dreigde, voor de nadering waarvan ze de moerassen invluchtten. De onzen gingen er achteraan tot ze er een groot aantal van hadden gedood en daarmee een succes behaalden in een gebied waar het gevaarlijk, zelfs onmogelijk leek te voet te gaan, laat staan een actie uit te voeren. 19.Nadat ze deze Amicensen22 deels gedood, deels verjaagd hadden, vielen ze direct ook de Picensen aan (zo genoemd naar een aangrenzend gebied), die, gewaarschuwd door geruchten over de ramp die hun bondgenoten had getroffen, extra op hun hoede waren. Om hen eronder te krijgen riepen ze de hulp in van de Taifalen23 en de Vrije Sarmaten, want het was moeilijk ze te achterhalen aangezien ze nogal verspreid woonden en onbekendheid met de wegen in hun gebied een handicap vormde. 20.En omdat het vanwege de situatie ter plaatse beter was de bondgenoten gescheiden te laten opereren, namen onze troepen het gebied voor hun rekening dat aan Moesië grensde, kregen de Taifalen een stuk toegewezen dichtbij hun eigen woongebied en de Vrije Sarmaten een stuk recht tegenover het hunne. 21.In hun benarde situatie en met het afschrikwekkende voorbeeld van hun verslagen en onderworpen stamgenoten voor ogen, wisten de Limiganten lange tijd niet wat te doen, weifelend tussen vechten of zich onderwerpen, aangezien voor het een zowel als het ander, gezien ervaringen, veel te zeggen was. Tenslotte echter werd, tegen het advies van een Raad van Ouden die voor uitvechten was, besloten tot overgave. Zo werd aan de lauwerkrans van overwinningen ook de onderwerping toegevoegd van degenen die eens hun meesters [de Sarmaten] hadden geminacht omdat ze laf en zwak zouden zijn en zich daarvan gewapenderhand hadden bevrijd, maar waarvan de laatsten nu onderdanig hun nekken bogen voor wie de sterksten bleken. 22.De meesten van hen gaven hun schuilplaatsen in de bergen op en haastten zich over de uitgestrekte velden met ouders, vrouwen en kinderen en met zoveel van hun armelijke bezittingen als ze inderhaast konden meepakken naar het Romeinse kamp. 23.Dezelfden dus die eerder de indruk hadden gegeven liever hun leven te verliezen dan gedwongen te verhuizen, aangezien ze ongebreidelde bandeloosheid voor vrijheid versleten, waren nu bereid gehoorzaam in een ander, veilig woongebied te worden gesetteld, waar ze door geen oorlog opgeschrikt, door geen opstanden verontrust konden worden. Aangenomen werd tenminste, dat ze dit van harte accepteerden, want ze hielden zich een tijdlang rustig; maar later kwamen ze door hun ingeboren woestheid toch weer tot wandaden, wat hun duur te staan kwam, zoals te gepaster plaatse zal worden beschreven. 24.Dank zij de succesvolle afloop van deze reeks acties werd de situatie in Illyricum in tweeërlei opzicht voldoende veiliggesteld, een niet geringe dubbele opgave, die de keizer tot een goed einde bracht: onbetrouwbare stammen waren verpletterend verslagen, verdreven stammen - misschien wel even wispelturig - die zich in elk geval behoorlijk leken te zullen gedragen, waren weer naar hun oorspronkelijke woongebieden teruggebracht. En in een overmaat van welwillendheid had hij niet zomaar de een of andere koning over hen aangesteld, maar iemand die zijzelf vroeger als hun vorst hadden gekozen, een sterke man met een edel karakter. 25.Door al deze successen won Constantius aan gezag en werd hem door zijn soldaten bij algemene acclamatie voor de tweede maal de bijnaam ‘Sarmaticus’ verleend, naar de naam van de overwonnen volken. Alvorens de terugtocht te aanvaarden riep de keizer alle cohorten, centuriën en manipels bijeen en hield hij, staande op een verhoog, omgeven door standaards, adelaars en tal van hoge officieren en functionarissen de volgende toespraak tot het leger, dat hem zoals altijd eenstemmig toejuichte: 26.‘De herinnering aan onze roemrijke daden, die dapperen dierbaarder is dan welke tevreden gedachte ook, dringt mij ertoe nog eens, zonder te overdrijven, voor ons geestesoog te laten passeren welke problemen wij, trouwe verdedigers van de Romeinse staat, al vóór we hadden te vechten èn in zware veldslagen waarin ons van godswege het geluk van de overwinning gegund werd, hebben opgelost. Want wat is schitterender en meer waard om voor het nageslacht in de herinnering vast te leggen dan de vreugde van de soldaat over zijn dappere daden en van de veldheer over de juistheid van zijn beslissingen? 27.Terwijl onze vijanden door Illyricum raasden, dreven ze in hun misplaatste trots met ons de spot om onze afwezigheid, terwijl wij Italië en Gallië verdedigden. In strooptocht na strooptocht verwoestten ze onze grensgebieden, staken wadend of in holle boomstammen rivieren over, niet om vertrouwend op hun moed en kracht eerlijk te vechten, maar als altijd om rondsluipend als struikrovers laffe overvallen te plegen, waarmee ze vanaf het allereerste contact onze voorvaderen al schrik hebben aangejaagd. Uit de verte hebben we dat met lede ogen moeten aanzien, hopend dat door de kundigheid van onze generaals het ergste kon worden voorkomen. 28.Maar toen het, omdat ze ongestraft hun gang konden gaan, van kwaad tot erger kwam, en hun razzia’s in onze provincies steeds grotere verwoestingen aanrichtten, maakten wij de weg vrij naar Raetië, zorgden voor rust en veiligheid in Gallië, zodat we geen problemen in de rug te duchten hadden, en kwamen naar Pannonië om daar, zo het de eeuwige god behaagde, orde op zaken te stellen. Na de nodige voorbereidingen trokken we - u weet het - midden in de lente op en begonnen we aan een enorme taak: eerst bouwden we onder regens pijlen, maar die het ons niet konden beletten, een brug; toen dat werk vlot klaar kwam, trokken we het vijandelijke gebied binnen, versloegen zonder zelf een man te verliezen de Sarmaten die ons met doodsverachting probeerden te stoppen, en verpletterden vervolgens de Quaden die de Sarmaten te hulp schoten en zich al even roekeloos op onze fameuze legioenen stortten. Die maakten bij hun verwoede pogingen zich met ons te meten tot hun grote schade kennis met onze moed, lieten hun wapens vallen en zich de handen, vechtershanden, op de rug binden. In het besef dat hun niets anders overbleef dan ons te bidden en te smeken, wierpen ze zich aan de voeten van een genadige Augustus, wiens krijgsgeluk ze meer dan eens hadden ervaren. 29.Nadat we met hen hadden afgerekend, overwonnen we even onverbiddelijk ook de Limiganten, deden er de nodigen van in het stof bijten, en dwongen de rest een veilig heenkomen te zoeken in de moerassen. 30.Maar nadat dit alles tot een goed einde was gebracht, kon ook gepaste clementie worden betracht. Van de Limiganten hebben we er velen gespaard die we gedwongen hebben naar afgelegen gebieden te verhuizen, zodat ze niets meer tegen ons volk kunnen ondernemen. En over de Vrije Sarmaten hebben we Zizais aangesteld, die ons toegedaan is en volstrekt betrouwbaar, want we denken dat het beter is de barbaren een koning te geven dan te ontnemen, vooral wanneer het als een gelukkige bijkomstigheid een vorst betreft die ze eerder zelf al hadden gekozen en aanvaard. 31.Zo hebben we, mèt de staat, in één campagne een viervoudige winst behaald. Ten eerste hebben we wraak genomen op een gevaarlijk roversvolk. Vervolgens hebt u een overvloedige buit aan vijanden in bezit gekregen (want betoonde moed behoort genoegdoening te vinden in wat met zwoegen en zweten verkregen is). 32.Wat onszelf betreft zijn wij rijkelijk beloond en ruimschoots tevreden als door onze inspanningen en doortastendheid het gemeenschappelijke erfgoed behouden is gebleven. Want dat is de eerste zorg van een goede vorst; daar gaat het om bij successen en het bevorderen van voorspoed. 33.Tenslotte draag ik nu ook (wat ik als krijgsbuit beschouw) voor de tweede maal de erenaam ‘Sarmaticus’, waarmee u mij eensgezind voor mijn verdiensten (in alle bescheidenheid gezegd) onderscheiden hebt.’ Toen hij was uitgesproken, brak de hele verzamelde menigte uit in juichkreten en lovende acclamaties, enthousiaster dan ooit met het vooruitzicht op bevorderingen en beloningen, en bij god zwerend, zoals vaker, dat Constantius onoverwinnelijk was. Daarna zochten ze hun tenten op. Ook de keizer werd naar zijn verblijf teruggeleid, waar hij twee dagen uitrustte vóór hij in triomf naar Sirmium terugkeerde en de verschillende onderdelen afmarcheerden naar de plaatsen die daarvoor waren aangewezen.  

14. De Romeinse vredesonderhandelaars keren onverrichter zake uit Perzië terug. Sapor blijft bij zijn eis met betrekking tot Armenië en Mesopotamië

  1.In diezelfde dagen werden Prosper, Spectatus en Eustathius, die, zoals eerder verteld,24   als gezanten naar Perzië waren gezonden, toegelaten tot koning Sapor, terug in Ctesiphon25 Ze overhandigden hem de brief en de geschenken van Constantius en bespraken diens wens, zijnde vrede met handhaving van de status quo, zonder daarbij, overeenkomstig hun instructies, iets prijs te geven van Rome’s positie en waardigheid. Met name hielden ze staande, dat een vriendschapsverdrag niet ten koste mocht gaan van Armenië en Mesopotamië. 2.Ze rekten hun verblijf tot ze moesten concluderen dat de koning mordicus tegen elke overeenkomst bleef tenzij die gebieden aan hem werden overgedragen, en keerden met lege handen terug. 3.Later werden de comes Lucillianus26 en de toenmalige notarius Procopius27 nog eens afgezonden met dezelfde missie op dezelfde voorwaarden. (De laatste zou later onder de dwang van omstandigheden een opstand ontketenen.)

Noten

1.Patrouilleboten waarmee de grensrivieren standaard werden bewaakt. retour

2..Zie boek xix,11,2-3. retour

3.De jaarlijks op te brengen belasting werd sinds Diocletianus vastgesteld bij een telkens voor vijf jaar geldende census.  retour

 

4. Koning van Perzië van 530 tot 522. In 525 veroverde hij Egypte. retour

5..Veldheer onder Octavianus in diens oorlog met Antonius en Cleopatra, werd de eerste prefect van Egypte, pleegde na een veroordeling wegens machtsmisbruik zelfmoord in 26 vC Hij speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van de Romeinse poëzie.  retour

6.Octavianus liet deze obelisken in 10 vC naar Rome transporteren. De eerste, uit de tijd van Seti I, 1303-1290, en Ramses II, 1290-1224, staat thans in Rome op de Piazza del Popolo, de tweede, uit de tijd van Psammetich II (7e eeuw), op de Piazza di Montecitorio. retour

7.Thans op de Piazza S. Pietro. retour

 

8.Thans op de Piazza della Trinità dei Monti. retour

 

9.Thans resp. voor de S. Maria Maggiore en op de Piazza del Quirinale. retour

10.Ammianus aanduiding ‘de oude obelisk in het Circus’ is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Hoewel zijn verhaal eigenlijk gaat over de obelisk die thans op de Piazza di S. Giovanni in Latrano staat, blijkt de tekst van zijn ‘vertaling’ beter overeen te komen met die op de obelisk op de Piazza del Popolo. Maar ook die overeenkomst is betrekkelijk: er zijn slechts drie aanknopingspunten, nl. (1) de god Helios/Ra-Horachte, (2) de plaats Heliopolis/Ioenoe en (3) koning Ramestes/Ra-Mes-Soe (Ramses II). De rest van het verhaal is fantasie en heeft géén relatie met de inscripties op de obelisk. De vertaler waar Ammianus zich op beroept, Hermapion, is een overigens onbekende figuur. Hoe hij aan de drie genoemde gegevens is gekomen, is een raadsel. Vermoedelijk wist hij dat de obelisk uit Heliopolis kwam. De cartouche van Ramses II en de afbeelding van de zonnegod zijn in principe af te leiden van hun specifieke grafische karakter. Waarschijnlijk heeft hij enkele klassieke auteurs geraadpleegd (Herodotus, Manetho) en zodoende de cartouche aan Ramses II en de valkgod met de zonneschijf aan de Griekse god Helios kunnen toeschrijven. Grieken konden in de tijd waarin de obelisk door Octavianus naar Rome werd gehaald (10 vC) geen hiërogliefen meer lezen en slechts uit corrupte mondelinge overleveringen en reisverslagen over Egyptische sagen en verhalen leren. Vandaar in dit geval toevlucht tot verzinsels. (Mededeling Egyptische afd. Rijksmuseum v. Oudheden, Leiden, vriendelijkheid mevr. v. Zoest, heer Maes).    retour

11.Zie boek xvi,9,3-4. retour

12. Sapors grootvader Narses, 272-310, verloor bij een in 298 gesloten vrede Mesopotamië en Armenië grotendeels aan caesar, de latere keizer, Galerius, 293/305-311. retour

13.In de tijd van de regering der drie gebroeders Constantijn II, Constans en Constantius ging de laatste over het oostelijk deel van het Rijk. retour

14.Volgens een oude sage. Zie Homerus, Ilias, II,670. retour

 

15.Zie boek xv,3,8. retour

16.Zie boek xxii,11,1. retour

17.Ook wel de Tarquitische boeken genoemd. Zie boek xxv,2,7. retour

18.Een van de koningen die bij Straatsburg door Julianus werden verslagen. retour

19.Idem. retour

 

20.Romeinse bevelhebber, 185-129, Hij verwoestte Carthago in 146 en Numantia in 133. retour

 

21.Ammianus’ beschrijving van de strijd tegen de Sarmaten en de Quaden is niet altijd even helder. Beide volken, bondgenoten, bestonden uit verschillende stammen waarvan er in zijn relaas verschillende achtereenvolgens aan de orde komen. Een deel der Sarmaten, door Ammianus de Vrije Sarmaten genoemd, waren in 337 door hun slaven, de zogenoemde Limiganten, verdreven, en werden door Constantius naar hun woongebied teruggestuurd.    retour

 

22.Ammianus noemt sommige groepen Limiganten zo alleen hier. retour

 

23.Een Germaanse volksgroep die met de Goten meeverhuisden naar het Donaugebied. Zie boek xxxi,3,7;9,3,5. retour

24.Zie boven,5,15. retour

25.Stad aan de Tigris, een residentie van de Perzische koningen. retour

 

26.De schoonvader van keizer Jovianus. retour

 

27.De latere usurpator, verwant met Julianus.  retour