BOEK
XVII
1.
Julianus steekt de Rijn over en brandt
de dorpen van de Alamannen plat. Hij herstelt een fort van keizer Trajanus en
komt met de barbaren een wapenstilstand van tien maanden overeen
1.Toen
alles wat ik zojuist verteld heb achter de rug was en alle gevaar geweken - de
Rijn stroomde voort alsof bij Straatsburg geen slag geleverd was - liet de
jonge oorlogsheer alle gesneuvelden zonder onderscheid begraven om te
voorkomen dat de lijken een prooi werden van roofvogels. Daarna liet hij de
gezanten vrij die zich, zoals gezegd, vóór de slag met brutale eisen bij hem
hadden aangediend, en keerde terug naar Tres Tabernae [Savernes].
2.Daarvandaan liet hij de hele krijgsbuit, inclusief de gevangenen, voorlopig
naar Mediomatrici [Metz] overbrengen in afwachting van zijn komst daar. Zijn
plan was namelijk, zelf naar Mogantiacum [Mainz] te gaan, daar een brug over
de Rijn te slaan, over te steken en de barbaren mores te leren op hun eigen
territorium nu er op ons gebied geen meer waren. Zijn troepen waren daar sterk
op tegen, maar met de overredingskracht die hem eigen was, wist hij ze
gemakkelijk voor zijn plan te winnen. Want na alles wat ze hadden meegemaakt,
was hun aanhankelijkheid jegens hem groter dan ooit, wat hen blindelings die
man deed volgen die zich keer op keer had doen kennen als een goede
strijdmakker en een krachtig en bekwaam legerleider, die van zichzelf meer
vergde dan van een gewoon soldaat. Zodra ze dus de bedoelde plaats bereikten,
sloegen ze de brug en zetten voet op vijandelijk gebied. 3.De barbaren, die er
weinig op verdacht waren uit hun rustig bestaan te worden opgeschrikt, waren
verbijsterd over de omvang van die onderneming en realiseerden zich tot hun
ontzetting welk lot hun wachtte, gezien wat hun stamgenoten was overkomen. Om
het onheil tenminste voorlopig af te weren smeekten ze huichelachtig om vrede,
althans gaven ze aan gezanten de boodschap mee, dat wat hun betrof de gesloten
verdragen onveranderd golden. Maar waarom weten we niet, veranderden ze toen
plotseling van tactiek en zonden er meteen andere boodschappers achteraan die
dreigden dat het oorlog werd - en menens - als we ons niet uit hun gebied
terugtrokken. 4.Toen dit aan de caesar werd gemeld, liet hij tijdens de eerste
wacht achthonderd manschappen inschepen in kleine, snelle boten met de
opdracht twintig stadiën stroomopwaarts aan land te gaan en daar alles wat ze
tegenkwamen te vuur en te zwaard te verwoesten. 5.De volgende dag bij
zonsopgang zagen we barbaren op de berghoogten, maar toen onze mannen daar
resoluut op afgingen, troffen ze geen vijanden meer aan. (Die hadden dit zien
aankomen en zich ijlings teruggetrokken.) In de verte stegen intussen enorme
rookwolken op, een teken dat de onzen in vijandelijk gebied bezig waren
verwoestingen aan te richten. 6.Dit brak de weerstand van de Germanen. Ze
lieten de hinderlagen die ze ons gelegd hadden in engten en ruigten voor wat
ze waren en staken haastig de Menus [de Main] over om hun verwanten hulp te
bieden. 7.Maar zoals dat meestal gaat in crisissituaties - nu met van de ene
kant de plotselinge charge van onze ruiterij en van de andere kant de
onverwachte actie van de bemanningen van onze boten - raakten ze volkomen in
de war. Slechts dankzij hun kennis van het terrein konden ze zich snel in
veiligheid brengen. En toen ze verdwenen waren, zwermden onze soldaten uit
zonder nog enige tegenstand te ontmoeten, plunderden niets ontziend de
hofsteden die rijk waren aan vee en graan, bevrijdden gevangenen en staken
alle huizen, die keurig in Romeinse stijl gebouwd bleken te zijn, in brand.
8.Maar toen ze ongeveer tien mijl verderop bij een afschrikwekkend donker woud
kwamen, hield hun aanvoerder daarvoor lang halt en aarzelde hij verder te gaan
omdat er zich volgens een overloper een groot aantal vijanden verstopt zou
hebben in mangaten en vertakte loopgraven om bij de eerste de beste
gelegenheid te voorschijn te springen. 9.Tenslotte waagden ze het erop en
gingen dapper verder tot ze hun weg versperd vonden door omgehakte eiken,
essen en vooral veel dennenstammen. Pas toen achtten ze het geraden zich terug
te trekken, zij het met nauwelijks verholen teleurstelling, want het was
duidelijk dat er nu niets anders opzat dan een lange en moeizame omweg te
maken. 10.Maar in de barre kou en gezien de bijzonder gevaarlijke
omstandigheden had al dit gedoe geen zin meer. De herfstequinox was al
gepasseerd en er was in die streken zelfs al sneeuw gevallen die de bergen en
de vlakten bedekte. Dus werd inderhaast een alternatief karwei aangepakt.
11.Zonder dat enige tegenstand werd ondervonden, werd in minder dan geen tijd
een vesting hersteld die Trajanus in het gebied van de Alamannen had gebouwd
en zijn naam had gegeven, en die kort tevoren aan zware aanvallen had
blootgestaan. De tijdelijke bezetting ervan werd bevoorraad met wat onder de
ogen van de barbaren geplunderd was. 12.Toen die zagen hoe deze onderneming,
die hun niets goeds voorspelde, zo snel klaar kwam en ze de gevolgen vreesden,
kwamen ze haastig bij elkaar en zonden boodschappers die met smeekbeden in
uiterste onderdanigheid om vrede vroegen. Julianus bezag dit verzoek van alle
kanten, nam een berekend risico, en ging akkoord voor tien maanden, want hij
bedacht dat de vesting die hem onverwacht zonder problemen in handen was
gevallen, ook nog met geschut op de muren en andere middelen beveiligd moest
worden. 13.Aangemoedigd [door Julianus’ houding] dienden zich toen ook drie
beruchte koningen aan, enigszins nerveus wel, aangezien zij, met anderen, de
overwonnenen bij Straatsburg hulp hadden gezonden, en zwoeren in naar ’s
lands wijs gestelde bewoordingen dat ze tot een afgesproken dag niets
vijandigs zouden ondernemen, maar zich aan een overeenkomst zouden houden die
wij dicteerden, en de vesting ongemoeid zouden laten. Bovendien zouden ze
persoonlijk de verzorging van de bezetting op zich nemen als die liet weten
ergens behoefte aan te hebben. Kennelijk hield vrees hun onbetrouwbaarheid in
toom: ze hielden zich aan beide beloften. 14.In deze gedenkwaardige oorlog,
die men wel met de Punische en Teutoonse zou kunnen vergelijken, zij het dat
ze met geringe verliezen voor de Romeinse staat gepaard ging, mocht de caesar
zich om zijn succes terecht gelukkig prijzen. En men zou misschien diegenen
kunnen geloven die het uit afgunst zo voorstelden als zou hij overal zo’n
leeuwenmoed hebben getoond omdat hij liever dapper vechtend ten onder ging
dan, zoals hij moest vrezen, als een misdadiger het lot van zijn broer Gallus
te moeten delen, ware het niet dat hij ook na de dood van Constantius even
doelbewust door opzienbarende daden roem
vergaarde...
1.Toen
Julianus de situatie hier redelijk onder controle had, keerde hij terug naar
zijn winterkwartier, maar kreeg nog met een volgend probleem te maken.
Onderweg naar Reims via Agrippina [Keulen] en Juliacum [Juliers] was de magister equitum Severus
op een paar groepen Franken gestuit, zo’n zeshonderd man in totaal zoals
later bleek, die bliksemsnel en lichtbewapend waren en ravages aanrichtten in
niet door garnizoenen beschermde streken. Begunstigd door de omstandigheid dat
de caesar in een gebied ver daarvandaan de handen vol had aan de Alamannen,
waren ze nogal driest en misdadig tekeergegaan, denkend ongehinderd een boel
buit te kunnen maken. Uit schrik voor het terugkerende leger hadden ze nu
echter een toevlucht gezocht in twee forten die al een tijd verlaten stonden
en probeerden zich daar zo goed mogelijk te verdedigen. 2.Verrast door dit
nieuwe feit en bezorgd over wat er zou gebeuren als hij ze daar zou laten,
onderbrak Julianus zijn mars voor een belegering van de forten (die aan de
Maas gelegen waren). En toch nog vierenvijftig dagen, de hele maanden december
en januari, rekte zich dit beleg, zo ongelooflijk hardnekkig bleven de
barbaren weerstand bieden. 3.Met alles rekening houdend, ook met de
mogelijkheid dat ze in een maanloze nacht via de bevroren rivier konden
wegkomen, liet de caesar elke nacht van zonsondergang tot de ochtend
manschappen in kleine schepen 1 de rivier op en af varen om
het ijs te breken zodat niemand op die manier zou kunnen ontsnappen. Daardoor
en uitgeput van honger en slaapgebrek en volkomen ontmoedigd gaven de barbaren
zich tenslotte vrijwillig over, waarna ze linea recta naar Constantius’ hof
werden gestuurd. 4.Een grote troep Franken was nog op weg gegaan om ze uit hun
benarde situatie te bevrijden, maar op het bericht dat ze gevangen waren
genomen en afgevoerd, had die zonder verder nog iets te ondernemen
rechtsomkeert gemaakt. Na dit succes keerde Julianus naar Parijs terug voor de
rest van de winter.
3.
Caesar Julianus zet zich in voor
verzachting van de belastingdruk op de Galliërs
1.Aangezien
te verwachten was dat meerdere stammen zich zouden aaneensluiten en een niet
te onderschatten macht zouden gaan vormen, zag onze caesar, in alle
nuchterheid zich bewust van het ongewisse van oorlogskansen, grote problemen
voor zich opdoemen. Van de korte wapenstilstand zo goed mogelijk gebruik
makend, wilde hij onder meer de landeigenaren, die enorme verliezen hadden
geleden, tegemoetkomen door verlichting van de belastingdruk. 2.Dus toen de praefectus
praetorio Florentius bij hem kwam met de bewering dat hij precies
berekend had wat aan de opbrengst van de hoofdelijke belasting ontbrak en zei
dit per se met geforceerde heffingen te willen aanzuiveren, verklaarde
Julianus, die wel wist hoe dat ging, dat hij liever doodviel dan toe te laten
dat zoiets gebeurde. 3.Want dikwijls, wist hij, hadden de onheelbare wonden
die door zulke gebruiken, of liever wangebruiken, geslagen waren, hele
provincies aan de grond gebracht (Illyricum bijvoorbeeld, dat volkomen geruïneerd
was, zoals later nog aan de orde zal komen2. 4.Op de nijdige
reactie van de prefect dat hij het niet nam dat zijn functie zo maar
ondermijnd werd, terwijl de keizer zelf hem met de uiteindelijke verantwoordelijkheid
had belast, toonde Julianus kalmweg met een nauwkeurige berekening aan,
dat de belastingopbrengst niet alleen voldoende maar zelfs meer dan voldoende
de noodzakelijke uitgaven van het bestuur dekte. 5.Toen hem een tijd later
niettemin een voorstel voor een verhoging van de census3 werd
voorgelegd, weigerde hij dat dan ook te lezen of te ondertekenen en gooide het
weg. En op een brief van Constantius (die door de prefect was ingelicht)
waarin hij gemaand werd niet zo moeilijk te doen, waardoor het leek alsof hij
in Florentius niet veel vertrouwen had, schreef hij terug al blij te zijn als
de bewoners van de provincies, die het namelijk zwaar hadden, tenminste het
normaal verschuldigde konden opbrengen, zonder meer, want dat was met geen
geweld uit ze te persen zo berooid als ze waren. En zo gebeurde het toen en
bleef het daarna, dat dankzij de vasthoudendheid van één man niemand méér
belasting van de Galliërs probeerde af te dwingen dan was vastgesteld.
6.Tenslotte kreeg de caesar van de prefect gedaan - wat destijds ongehoord was
- dat hem de verantwoordelijkheid over Neder België werd overgedragen, een
gebied dat grotelijks van van alles te lijden had, onder voorwaarde dat geen
beambte van de prefect of van de gouverneur wie dan ook tot betaling van
belasting zou dwingen. Als gevolg hiervan ademden allen die hij onder zijn
bescherming had genomen, verlicht op en voldeden ze zonder dat ze gemaand
behoefden te worden zelfs vóór de vastgestelde datum aan hun verplichtingen.
De vertaling begint met de zuidzijde
De eerste regel:
18.‘Helios
spreekt tot koning Ramestes: Ik heb U gegeven met vreugde te heersen over de
hele wereld, U dien Helios bemint - en de machtige Apollo, die de waarheid
liefheeft, de zoon van Hero, de uit god geboren grondvester der wereld, die
door Helios is uitverkoren, de dappere zoon van Ares, koning Ramestes. Aan hem
is de hele aarde door zijn moed en dapperheid ondergeschikt. Koning Ramestes,
de eeuwige zoon van Helios’.
De tweede regel:
19.‘Machtige
Apollo, die op de waarheid staat, Heer van de Diadeem, die Egypte, zijn bezit,
geëerd heeft, die de stad van Helios heeft verheerlijkt, en de rest van de
wereld heeft geschapen en de goden die in de stad van Helios zijn opgericht
met eerbewijzen heeft overladen, hem heeft Helios lief’.
De derde regel:
20.‘Machtige
Apollo, zoon van Helios, de altijd stralende, die door Helios is uitverkoren
en door de dappere Ares is begiftigd. Wiens zegeningen zullen zijn voor
altijd, hem heeft Ammon lief sinds hij zijn tempel heeft gevuld met de
vruchten van de dadelpalm. Wien de goden een lang leven hebben beschoren’.
‘Machtige
Apollo, zoon van Hero, Ramestes, heerser der wereld, die Egypte heeft
beschermd door vreemde volken te verslaan, die door Helios wordt bemind, wien
de goden een lang leven hebben beschoren. Heer van de wereld, Ramestes, de
eeuwig levende’.
De
westzijde. De tweede regel:
21.‘Helios,
grote god, Heer van de hemel. Ik heb U een leven geschonken zoals U niet
voorzien hebt. Apollo, de machtige, niet te evenaren Heer van de Diadeem, die
standbeelden van de goden heeft opgericht in dit koninkrijk, heerser over
Egypte, die de stad van Helios schoonheid heeft gegeven zoals ook hemzelf,
Helios, de Heer van de hemel. Hij heeft een goed werk voltooid, de zoon van
Helios, de eeuwig levende koning’.
De derde regel:
22.‘De
God Helios, de Heer van de hemel, aan koning Ramestes. Ik heb u de
heerschappij en de macht gegeven over alle mensen. U die Apollo, de minnaar
der waarheid, de Heer van de seizoenen, en Hephaistos, de vader van goden,
hebben uitverkoren om Ares. Eeuwig gelukkige koning, zoon van Helios, dien
Helios liefheeft’.
De oostzijde. De eerste regel:
23.‘De
grote God van Heliopolis, de hemelse, machtige Apollo, de zoon van Hero, dien
Helios heeft liefgehad, die door de goden is geëerd, de heerser over de hele
aarde, dien Helios heeft uitverkoren, de door Ares dappere koning, die door
Ammon wordt bemind. En de stralende, die hem met zich gelijkgesteld heeft, een
koning voor eeuwig’. Enzovoort.
5.
Keizer Constantius en koning Sapor
onderhandelen schriftelijk en via gezanten over vrede, maar zonder succes
1.Toen
in het jaar van Datianus’ en Cerealis’ consulaat [358] in Gallië over de
hele linie orde op zaken werd gesteld en de schrik er bij de barbaren na alle
geleden verliezen zodanig inzat dat ze zich voorlopig aan geen avonturen meer
waagden, bevond de koning der Perzen zich nog steeds ver weg in de gebieden
van zijn buurvolken, waar hij een vredesverdrag sloot met de
oorlogszuchtigsten daarvan, de Chionieten en de Gelanen, en zich juist
opmaakte om naar huis terug te keren, toen hij de brief van Tamsapor ontving
met het bericht dat de Romeinse keizer dringend om vrede vroeg.11
2.Het kon niet anders, dacht hij, of een dergelijk initiatief hield verband
met een verslechterende situatie van het rijk, wat zijn arrogantie niet weinig
aanwakkerde. Hij veinsde belangstelling voor vrede, maar onder harde
voorwaarden, en vaardigde een zekere Narses af als zijn onderhandelaar met
geschenken en een brief voor Constantius waarin hij geen grein van zijn
hooghartigheid liet varen, en die, zoals ik vernomen heb, als volgt luidde:
3.‘Wij, koning der koningen, Sapor, van het maaksel der sterren, broeder van
de Zon en de Maan, groeten onze broeder, caesar Constantius, hartelijk. Het
verheugt ons zeer, dat u eindelijk op de goede weg bent teruggekeerd en gehoor
hebt gegeven aan de stem van de onveranderlijke Gerechtigheid, nadat u aan den
lijve hebt ondervonden welke schade vaak het gevolg is van een hardnekkige
begeerte naar vreemd bezit. 4.Aangezien de waarheid duidelijk en onomwonden
gezegd moet worden en het hooggeplaatsten past te spreken zoals zij denken,
zullen wij ons standpunt kort samenvatten, bedenkend dat wij het volgende al
vaker hebben gezegd. 5.Zoals u ook in uw eigen oude geschriften kunt lezen,
heeft het rijk van onze voorvaderen zich ooit uitgestrekt tot aan de rivier de
Strymon [de Struma] en de grenzen van Macedonië. Wij zijn dus in ons recht
als wij die gebieden terugverlangen (moge dat geen aanmatiging zijn van onze
kant), wij, die in luister en door onze buitengewone daden de oude koningen
nog overtreffen. Wat recht is, gaat ons ter harte; van jongs af zijn wij
gewend nooit iets toe te laten wat niet deugt. 6.Daarom moeten wij Armenië en
Mesopotamië terugeisen, landen die door list en leugens onze grootvader12
ontwrongen zijn, en verwerpen principieel wat u zo hooghartig beweert: dat elk
succes in oorlog geldt, ongeacht of door dapperheid of door list behaald. 7.En
als u een goede raad wilt aannemen: maakt u zich dan niet langer druk om een
klein stuk land dat altijd ellende heeft veroorzaakt en bloed heeft gekost,
zodat u de rest van uw rijk in vrede kunt regeren, bedenkend dat bekwame
artsen ook soms branden, snijden en zelfs lichaamsdelen amputeren zodat de
rest van een lichaam in gezondheid kan blijven functioneren, ja, dat zelfs
wilde dieren zoiets dikwijls doen: datgene bewust opgeven waar ze voelen
hopeloos mee in een klem te zitten, om zonder vrees te kunnen blijven leven.
8.En dit kondigen wij u alvast aan: dat wij, zou ons gezantschap met lege
handen terugkeren, na de winterrust met heel onze legermacht komen en met het
geluk en het gelijk aan onze kant, voorzover dat menselijkerwijs mogelijk is,
overtuigd zijn te zullen slagen’. 9.Lang werd over deze brief beraadslaagd
voordat, met elk woord gewikt en gewogen, het volgende antwoord werd
opgesteld: ‘Wij, Constantius, zegevierend te land en ter zee, Augustus voor
altijd, groeten onze broeder Sapor van ganser harte.
10.Wij verheugen ons over
uw welzijn, en als u wilt zal er vriendschap zijn tussen ons. Maar uw
ongebreidelde, steeds meer om zich heen grijpende hebzucht moeten wij absoluut
veroordelen. 11.U eist Mesopotamië op, evenals Armenië, alsof die gebieden
van u zouden zijn, en adviseert bepaalde ledematen van een gezond lichaam te
amputeren om die gezondheid daarmee verder veilig te stellen, wat wij een
verwerpelijke suggestie vinden en geenszins kunnen onderschrijven, laat staan
bevestigen. Laat ons u uitleggen wat naar waarheid gebeurd is, klaar en
helder, zonder woordenkramerij en niet onder de indruk van loze dreigementen:
12.In de overtuiging iets te ondernemen wat het algemeen belang diende, heeft
onze praefectus praetorio via een paar onbekende figuren en zonder met ons te
overleggen besprekingen over vrede gevoerd met een generaal van u. Wij
verwerpen dat niet en hebben daarop geen kritiek zolang de waardigheid en de
eer niet in het geding komen en geen afbreuk wordt gedaan aan ons zelfrespect
en onze majesteit. 13.Maar nu een hele reeks ondernemingen ons glans verleent
(moge de Nijd geen wraak op ons nemen), nu alle opstandelingen vernietigd zijn
en de hele Romeinse wereld ons gehoorzaamt, zou het wel ongehoord en dwaas
zijn op te geven wat wij lange tijd als ons onbestreden bezit onder ons hebben
gehad, nog van toen ons machtsgebied tot de Oriënt beperkt was.13
14.Dus verzoeken wij u op te houden met uw intimidaties, waarmee u ons
voortdurend probeert te ontmoedigen, aangezien het buiten twijfel is dat
hoewel wij niet uit zwakte maar uit zelfbeheersing soms aan verdediging de
voorkeur hebben gegeven boven een aanval, wij, eenmaal aangevallen, ons
grondgebied, overtuigd van onze goede zaak, tot het uiterste verdedigen, uit
eigen ervaring wel bewust van het feit dat Rome in bepaalde veldslagen wel
(maar zelden) gewankeld heeft, maar uiteindelijk geen enkele oorlog heeft
verloren’. 15.Het Perzische gezantschap werd daarmee onverrichter zake
heengezonden, want op de ongehoorde eisen van de koning was verder geen
antwoord mogelijk. Het werd enige dagen later gevolgd door de comes
Prosper, de notarius Spectatus, een
tribuun, en, op een suggestie van Musonianus, de filosoof Eustathius, een
meester in de overredingskunst, met brieven van de keizer en geschenken plus
de opdracht te proberen Sapor af te remmen, zodat hij zijn noordelijke
provincies niet extra voor aanvalsdoeleinden zou versterken.
6.
De Juthungen, een stam van de Alamannen,
die verwoestingen aanrichten in Raetië, worden door de Romeinen verslagen en
op de vlucht gejaagd
1.Het
was nu afwachten. Intussen begonnen
de Juthungen, een stam der Alamannen waarvan het woongebied grensde aan Italië,
ondanks het geldende vredesverdrag waarom ze zelf gevraagd hadden,
verwoestingen aan te richten in Raetië, waarbij ze zelfs, tegen hun gewoonte,
in de enorme chaos die ze veroorzaakten, probeerden steden te belegeren. 2.Om
ze daar weg te krijgen werd een sterk leger in het veld gebracht onder
Barbatio, die als opvolger van Silvanus tot magister
peditum was bevorderd. Hij was
weliswaar geen held, maar goed van de tongriem gesneden en wist zijn mannen zo
op te hitsen dat ze een groot deel van de vijand genadeloos in de pan hakten.
Slechts enkelen, die van angst op de vlucht waren geslagen, konden met moeite
ontkomen en kwamen huilend en jammerend weer thuis. Aan deze expeditie nam ook
de latere consul Nevitta deel als commandant van een eskadron ruiterij en liet
zich, zoals mij is verteld, geducht gelden
8.
Caesar Julianus accepteert de overgave
van de Frankische Saliërs. Hij doodt sommigen van de Chamaven, neemt anderen
gevangen en laat de overigen met rust
1.Overwinterend
in Parijs, telde Julianus ongeduldig de dagen tot hij kon opbreken om de
Alamannen een slag vóór te zijn die na hun nederlaag bij Straatsburg in een
toestand van waanzinnige razernij verkeerden en zich nog niet opnieuw verenigd
hadden. Echter, het was nog geen juli, de maand waarin gewoonlijk de campagnes
in Gallië begonnen, als sneeuw en ijs waren weggedooid en in het begin van
het warme seizoen graan was aangevoerd uit Aquitanië. 2.Maar goed overleg
leidt meestal tot een oplossing voor moeilijkheden, en zo kwam hij al
piekerend tot de slotsom, dat hem maar één ding te doen stond: het geëigende
seizoen niet af te wachten, maar de barbaren aan te vallen vóór ze erop
verdacht waren. Toen dat besluit eenmaal vaststond, liet hij van graan uit de voorraad bestemd voor de overwintering
voor twintig dagen goed houdbare
kaken bakken (of hoe ze in de volksmond mogen heten), in de ransels van zijn
soldaten pakken die maar al te graag weg wilden, en rukte optimistisch gestemd
door gunstige voortekenen uit, zoals vaker, in de verwachting nog in mei of
juni twee noodzakelijke expedities tot een goed einde te kunnen brengen.
3.Voldoende voorbereid ging hij allereerst op de Franken af die gewoonlijk
Saliërs worden genoemd en zich al een tijd daarvóór brutaalweg op Romeins
gebied gevestigd hadden, in de buurt van Toxandria [Tessenderloo]. Maar bij
Tungri [Tongeren] ontmoetten hem gezanten van dat volk die [onderweg waren] in
de veronderstelling de caesar nog in zijn winterkwartier te zullen aantreffen,
en vrede beloofden als hun volk niet zou worden aangevallen of anderszins
gemolesteerd zolang het vreedzaam leefde als in het eigen stamgebied. Die zaak
werd grondig met hen doorgesproken, waarbij hun heel precieze voorwaarden
werden gesteld, waarna Julianus hen met geschenken wegzond en deed alsof hij
ter plaatse zou blijven tot ze zouden terugkomen. 4.Maar na hun vertrek ging
hij bliksemsnel achter ze aan, terwijl generaal Severus langs de [Maas]oever
optrok, overviel het volk onverwachts en raasde er zo woest doorheen dat het
niet aan tegenstand dacht en op de knieën ging. Dus liet hij, gezien het
succes van zijn actie verder genade gelden en accepteerde hij hun onderwerping
met hun bezittingen en kinderen en al. 5.In één ruk door overviel hij
vervolgens de Chamaven, die dezelfde brutaliteit ten toon spreidden, doodde
sommigen, sloeg anderen die zich heftig verzetten en levend gevangen werden,
in de boeien, maar liet de overigen, die halsoverkop naar huis vluchtten
voorlopig gaan, om zijn mannen zich niet in een lange achtervolging te laten
afmatten. Die zonden later gezanten om vrede te vragen en een regeling te
krijgen voor hun behoud. En toen ze zich voor zijn ogen ter aarde wierpen,
schonk hij hun dat op voorwaarde dat ze naar hun woongebied zouden terugkeren,
en liet ze verder ongemoeid.
9.
Caesar Julianus herbouwt drie door de
barbaren verwoeste forten aan de Maas. Hij wordt bedreigd en beledigd door
zijn soldaten die honger lijden
1.Nadat
dit alles bevredigend was afgehandeld, ging Julianus voort, met nimmer
aflatende energie, de veiligheid van de provincies in alle opzichten te
consolideren en besloot drie forten die in een rechte lijn langs de oever van
de Maas stonden en lang daarvóór door barbaren waren aangevallen en
verwoest, tenminste provisorisch te herstellen. Voor die herbouw, die de
hoogste prioriteit kreeg, werd de veldtocht korte tijd onderbroken. 2.En om
het boogde doel meteen veilig te stellen nam hij van de proviand, nog voor
zeventien dagen, die zijn soldaten op mars meedroegen, een gedeelte af dat hij
opsloeg in die forten, erop rekenend het tekort uit de oogst van de Chamaven
te kunnen aanvullen. 3.Maar het liep heel anders. Want het koren was nog lang
niet rijp, en toen de manschappen hadden opgebruikt wat ze bij zich hadden en
nergens ander voedsel konden vinden, begonnen ze Julianus te bedreigen en met
scheldwoorden en verwijten te overladen: een Aziër, een halve Griek en een
bedrieger noemden ze hem, een domkop die zich voordeed. En aangezien er onder
het soldatenvolk gewoonlijk wel de nodigen zijn die niet op hun bek zijn
gevallen, bleven die hem zulk soort dingen toeschreeuwen: 4.‘Waar worden we
eigenlijk heen gesleept zonder dat we er beter van worden! Al die tijd hebben
we ontberingen geleden en de zwaarste moeilijkheden doorstaan, in sneeuw en
gruwelijke vrieskou. En nu we, bij alle goden!, de vijand er bijna onder
hebben, vergaan we hier van de honger. Erger bestaat toch niet?! 5.En laat
niemand het wagen ons voor oproerkraaiers uit te maken. Mogen we asjeblieft
voor onszelf opkomen! We vragen geen goud of zilver - dat hebben we trouwens
al lang niet meer gezien, laat staan in onze handen gehad, want dat wordt ons
onthouden, alsof we als veroordeelde vijanden van de staat zo hebben moeten
zwoegen en aan gevaren zijn blootgesteld!’ 6.Die klachten waren gegrond,
want in hun hele dienst met alle successen en hachelijke momenten, in die
campagnejaren in Gallië onder Julianus, hadden ze nog geen cent soldij, laat
staan een extra beloning ontvangen, aangezien hemzelf geen middelen ter
beschikking stonden waaruit hij kon putten en Constantius niet toestond dat de
normale betalingen werden gedaan. 7.Trouwens, het bleek wel daaruit dat dit
een kwestie was van boos opzet en niet van misplaatste zuinigheid, dat als hij
wel eens een gewone soldaat op diens toch niet onredelijke vraag om wat geld
om zich te laten scheren een muntje gaf, hij vernederende kritiek te verduren
kreeg van Gaudentius,15 een notarius
die speciaal in Gallië gestationeerd was om het doen en laten van de caesar
te bespioneren.
10.
De koningen der Alamannen Suomarius en
Hortarius geven hun krijgsgevangenen terug. Julianus sluit vrede
1.Toen
het oproer eindelijk met veel gepaai gesust was, werd een schipbrug over de
Rijn geslagen en de rivier overgestoken, maar eenmaal in het woongebied van de
Alamannen, verloor de magister equitum
Severus, tot dan toe een echte die-hard en een energiek commandant, plotseling
de moed. 2.Dezelfde die voorheen zijn soldaten, soms man voor man, tot grote
daden wist te inspireren, ried nu aan de strijd te staken en leek plotseling
een lafaard geworden - misschien had hij een voorgevoel van zijn naderende
dood, zoals we in de boeken van Tages of van Vegoe17]
kunnen lezen dat mensen die door de bliksem getroffen gaan worden, zo verdoofd
en verlamd raken dat het geraas van de donder of zelfs nog groter lawaai niet
tot hen doordringt. Tegen zijn gewoonte had hij het leger slechts langzaam
laten vorderen, waarna hij de gidsen, die hem te snel vooruit gingen, onder
druk zette en onder zware bedreigingen dwong eenstemmig en met zoveel woorden
te verklaren dat ze in het gebied volstrekt onbekend waren. Tegen zijn verbod
en machtswoord in waagden ze het daarna niet meer te ver vooruit te gaan.
3.Tijdens deze vertraging kwam koning Suomarius van de Alamannen18
onverwacht uit zichzelf met zijn gevolg de Romeinen tegemoet. En deze barbaar,
die eertijds zo krijgshaftig was en een gevaar voor de Romeinse zaak, bleek
het nu al als winst te beschouwen als hij mocht houden wat hij bezat! Met zijn
blik en zijn gang was hij het toonbeeld van de smekeling, maar hij werd
bemoedigd en gerustgesteld, waarop hij zich volledig overgaf en op zijn knieën
om vrede vroeg. 4.Die werd hem gegund met een streep door alles wat gebeurd
was, op voorwaarde dat hij zijn gevangenen aan ons teruggaf en onze troepen zo
vaak als nodig van proviand zou voorzien, dit laatste tegen ontvangstbewijzen
voor het geleverde zoals in de gewone handel, bij gebreke waarvan hij erop
moest rekenen dat hetzelfde opnieuw van hem geëist zou worden. 5.Nadat dit
was afgehandeld, kwam een expeditie tegen de gouw van de volgende koning,
Hortarius,19 aan de orde. Aangezien daarvoor geen gidsen bij de
hand waren, gaf Julianus aan Nestica, een tribuun van de Scutarii, en
Charietto, een man die befaamd was om zijn moed, opdracht er hoe dan ook een
te vinden, te vangen en bij hem te brengen. Al gauw werd een jonge Alaman
gegrepen en binnengebracht, die tegen de belofte dat zijn leven gespaard zou
worden, bereid was de weg te wijzen. 6.Met hem voorop ging het leger op weg,
tot het zijn doortocht versperd vond door een barricade van omgehakte bomen.
Het was dus via lange, moeizame omwegen dat het doel tenslotte bereikt werd,
en tegen die tijd waren de mannen zo woedend, dat ze de velden in brand staken
en zich aan vee en mensen vergrepen, waarbij ze ieder die zich verzette
genadeloos afslachtten. 7.De aanblik van zijn land met de resten van al die
verbrande dorpen maakte op Hortarius zo’n verpletterende indruk, dat hij,
beseffend dat alles verloren was, evenals Suomarius om vrede vroeg, zwerend
alles te zullen doen wat hem bevolen werd. Maar aan de eis al zijn gevangenen
uit te leveren gaf hij maar halfhartig gevolg, want hij hield er een groot
deel van achter en gaf er niet meer dan een paar. 8.Julianus ontstak daarover
terecht in woede, en toen de koning zich aandiende om de traditionele
geschenken in ontvangst te nemen, liet hij diens vier machtigste en trouwste
vazallen vasthouden tot alle gevangenen terug waren. 9.Daarna werd hij
opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud met de caesar, voor wie hij
schichtig en onzeker zijn onderdanigheid betuigde, overweldigd door de aanblik
van de veroveraar. Hem werd een zware verplichting opgelegd, namelijk,
aangezien na de geslaagde acties nu de heropbouw van de door de barbaren
verwoeste steden aan de orde was, daarvoor uit zijn eigen middelen en die van
zijn onderdanen het materiaal en het transport te leveren. Nadat de koning dit
beloofd had en gezworen had de niet-nakoming daarvan met zijn bloed te zullen
boeten, mocht hij terug naar huis. Graan kon van hem niet geëist worden,
zoals van Suomarius, aangezien zijn velden verwoest waren en er niets op te
vinden was wat hij zou kunnen leveren. 10.Zo bogen deze eens zo trotse
koningen, die zich plachten te verrijken ten koste van onze onderdanen, hun
nek onder het Romeinse juk en gehoorzaamden ze, alsof ze geboren en getogen
schatplichtigen waren, zonder protest aan onze bevelen.Na deze gebeurtenissen
verdeelde de caesar zijn troepen over de gebruikelijke garnizoensplaatsen en
keerde hij zelf terug naar zijn winterkwartier.
11.
Na deze succesvolle acties in Gallië
wordt caesar Julianus aan het hof van keizer Constantius door jaloerse
hovelingen belachelijk gemaakt: hij zou slap en bangelijk zijn
1.Nieuws
daarover ging in Constantius’ entourage van mond tot mond - want zoals elke
ondergeschikte was ook de caesar verplicht over zijn doen en laten aan de
keizer verantwoording af te leggen - en de hogere hofdignitarissen, erkende
meesters in de vleierij, trokken natuurlijk Julianus’ beslissingen en
verrichtingen weer in het belachelijke, zulke flauwiteiten debiterend als:
‘die geitensik, dat mietje, wordt langzamerhand onuitstaanbaar met zijn
veroveringen’, sneerden op zijn behaardheid, noemden hem ‘die mompelende
mol, die aap in het purper, die Griekse lettergek’ enzovoort, en als
kleppermannen, om zo te zeggen, toeterden ze dat fraais in de oren van de
keizer die daarvoor wijd open stonden, of probeerden ze de verdiensten van de
caesar te kleineren met andere schaamteloze en beledigende opmerkingen, als
was hij een slappeling, een angsthaas en een luiaard die zijn mislukkingen met
mooie praatjes verdoezelde. Maar dat gebeurde niet voor het eerst in de
geschiedenis. 2.Want juist de hoogste glorie lokt gewoonlijk afgunst uit,
zoals we kunnen lezen dat uit misnoegen opgewekt door hun schitterende
successen ook aan befaamde legerleiders in het verleden feilen en fouten zijn
toegedicht waarvoor geen grond was. 3.Zoals bijvoorbeeld Cimon, de zoon van
Miltiades van incest werd beschuldigd, terwijl hij verschillende malen en met
name bij de rivier de Eurymedon in Pamphylië menigten Perzen had vernietigd
en dat aanmatigende volk op de knieën had gedwongen, smekend om vrede. Zo
werd ook Scipio Aemilianus door jaloerse rivalen van traagheid beschuldigd,
ofschoon dank zij zijn niet aflatende waakzaamheid twee machtige steden die op
Rome’s ondergang uit waren, verwoest waren20 4.Zelfs over
Pompeius hadden kwaadsprekers, die ondanks veel moeite niets hadden kunnen
vinden waarvan ze hem konden betichten, deze twee onzinnige, rechtuit
belachelijke dingen te zeggen: dat hij op een bepaalde karakteristieke manier
met één vinger op zijn hoofd krabde, en een tijdlang een witte zwachtel om
zijn been droeg (om een lelijke zweer te bedekken); het ene deed hij volgens
die lieden uit verstrooidheid, het andere omdat hij op een staatsgreep zon,
want volgens deze kletskoek zou het hem om het even zijn om welk lichaamsdeel
hij een witte hoofdband als teken van koninklijke waardigheid droeg - en dit
over een man die zich bewijsbaar uit louter vaderlandsliefde meer afsloofde
dan wie ook! 5.In die tijd werd in Rome Artemius, die het ambt van
vice-prefect bekleedde, tot opvolger aangewezen van Bassus, die kort nadat hij
tot prefect was benoemd een natuurlijke dood was gestorven. Zijn ambtstermijn
werd, afgezien van oproerige bewegingen, door niets gekenmerkt wat de moeite
van het vermelden waard is.
12.
De eens zo superieure, maar nu
verdreven Sarmaten, en de Quaden, de schrik van Pannonië en Moesië, worden
door Constantius gedwongen gijzelaars te leveren en hun gevangenen op te
geven. Constantius hergeeft de Sarmaten de
vrijheid, met verlof terug te keren naar hun stamgebied en stelt een koning
over hen aan21
1.Keizer
Constantius bereikten intussen in zijn winterverblijf te Sirmium het ene
slechte bericht na het andere over de Sarmaten en de Quaden, buurvolken van
elkaar met gelijke zeden en dezelfde soorten wapens, die gemene zaak maakten
en in benden invallen deden in Opper en Neder Pannonië en Neder Moesië.
2.Deze barbaren, die beter zijn in rooftochten dan in open strijd, zijn
gewapend met lange speren en dragen harnassen van linnen hemden waarop als
schubben gepolijste plaatjes van hoorn genaaid zijn. Hun paarden worden
meestal met opzet geruind om te voorkomen dat ze in opwinding raken bij het
zien van merries en losbreken of in een hinderlaag wild worden en door
gehinnik de aanwezigheid van hun berijders verraden. 3.In achtervolging of op
de vlucht leggen ze op die snelle, goed gedresseerde paarden enorme afstanden
af, waarbij ze er nog één of twee als reserve meevoeren en ze in topconditie
houden door ze regelmatig te wisselen en om beurten te laten bekomen. 4.Toen
de lente-equinox gepasseerd was, mobiliseerde Constantius een sterke
legermacht en rukte uit onder redelijk gunstige voortekenen. Op een geschikt
punt stak hij over de dekken van schepen die onderling verbonden waren tot een
brug de door smeltwater sterk gezwollen Donau over en overviel de barbaren op
hun eigen gebied om ze mores te leren. Door de snelheid van zijn opmars zagen
die plotseling onze troepen in volle oorlogsuitrusting opdagen - wat ze in dat
vroege jaargetijde normalerwijs onbestaanbaar achtten - wachtten, volkomen
verrast, nog niet om adem te scheppen en vluchtten in panische angst wat ze
konden, met de dood op de hielen. 5.Velen die, met loden benen van angst, niet
snel genoeg wegkwamen, werden neergemaaid. Degenen die de dood wisten te
ontlopen en zich in donkere bergengten verborgen, moesten met lede ogen
aanzien hoe hun land te vuur en te zwaard werd verwoest, wat ze hadden kunnen
voorkomen, hadden ze zich even hard verzet als ze waren weggevlucht. 6.Dit
vond plaats in dat deel van Sarmatië dat grenst aan Neder Pannonië, en even
meedogenloos verwoestten onze stormtroepen de barbaarse nederzettingen in de
omgeving van Valeria, waarbij ze alles verbrandden en plunderden wat ze
tegenkwamen. 7.Geschokt door de omvang van deze ramp besloten de Sarmaten zich
niet verborgen te houden zoals ze aanvankelijk van plan waren, maar te doen
alsof ze vrede wilden om ons dan in drie groepen zo onverwacht aan te vallen
dat we geen tijd zouden hebben de wapens te trekken, het bloedig geweld af te
weren of zelfs - laatste redmiddel in benauwde situaties - te vluchten.
8.Meteen waren daar ook de Quaden, de welhaast onafscheidelijke kompanen van
de Sarmaten op hun rooftochten, om hun aandeel in de raid te leveren. Maar hun
drieste actie had geen ander resultaat dan dat ze zelf in acuut gevaar kwamen.
9.Velen sneuvelden daarbij, waarna degenen die het vege lijf wisten te redden,
via allerlei bergpaden een goed heenkomen zochten. Opgeladen door dit succes
trok ons leger onmiddellijk in gesloten formaties het gebied van de Quaden
binnen, die uit eerdere ervaringen begrepen wat hun te wachten stond en zich
berouwvol bij de keizer aandienden met een verzoek om vrede, niet zonder hoop
ook, omdat deze zich in zulke gevallen nogal mild placht op te stellen. Op de
dag waarop ze gesommeerd waren de voorwaarden in ontvangst te nemen, stelde de
koningszoon Zizais, een rijzige jongeman, de Sarmaten in volle wapenrusting in
het gelid voor de formele smeekbede. Toen, in het aangezicht van de keizer,
legde hij zijn wapens af en wierp zich languit, plat op de grond, als dood.
Maar toen hij moest spreken, weigerde zijn stem van angst de dienst - wat
ieder ontroerde - en telkens opnieuw beginnend kwam hij snikkend niet verder
dan maar met een paar woorden zijn verzoek te doen. 10.Eindelijk enigszins
hersteld, werd hij verzocht zich op te richten, maar hij bleef geknield en zo,
weer in staat te spreken, smeekte hij zijn misdaden te vergeven en te
vergeten. Daarna kreeg de hele manschap de gelegenheid de smekingen te
herhalen, maar die bleef bang en zwijgend staan zolang het lot van hun
aanvoerder nog onzeker was. Pas toen hij verlof kreeg op te staan en hij de
wachtenden het teken gaf zich uit te spreken, wierpen ze hun schilden en
speren neer, strekten smekend hun handen uit en wisten niet hoe ze nog beter
dan hun prins hun onderwerping zouden tonen. 11.Zizais
had met de rest van de Sarmaten ook de prinsen Rumo, Zinafer en Fragiledus en
verschillende edelen meegebracht, die eveneens hoopten op begenadiging als ze
zich onderwierpen. Overgelukkig met de hun verleende gratie waren ze bereid
aan de zwaarste voorwaarden te voldoen om hun vijandige daden goed te maken en
zouden zich zelfs met al wat ze bezaten, met hun vrouwen en kinderen en hun
land aan de Romeinen hebben overgeleverd. Maar Constantius liet zowel genade
als recht gelden en liet ze in het onbelemmerde bezit van hun woonsteden,
waarop zij van hun kant alle Romeinse gevangenen opgaven, de gijzelaars
leverden die gevraagd werden en beloofden voortaan aan al onze eisen stipt te
zullen voldoen. 12.Aangemoedigd door zoveel clementie kwamen toen ook met hun
manschappen prins Araharius en een edele van hoge rang, Usafer, beiden
aanvoerders van hun stamverbanden, waarvan de een over een deel van de
Transjugitanen en Quaden regeerde, de ander over een deel van de Sarmaten,
groepen die naast elkaar woonden en in woestheid niet voor elkaar onderdeden.
Constantius wantrouwde al dat volk, dat misschien wel onder het mom van vrede
te zoeken plotseling naar de wapens zou kunnen grijpen, liet het dus uit
elkaar halen en beval de voorsprekers voor de Sarmaten zich te verwijderen tot
hij de zaak van Ahararius en de Quaden zou hebben behandeld. 13.Die werden
voorgeleid als misdadigers, stonden vóór hem met gebogen hoofden, niet in
staat zich van hun ernstige daden vrij te pleiten, en gaven uit angst voor een
vreselijk lot gewillig de gijzelaars die van hen geëist werden - voor de
eerste keer gedwongen onderpanden te leveren voor een verdrag. 14.Nadat dit
meer dan redelijk geregeld was, werd Usafer in de gelegenheid gesteld zijn
verzoek te doen, waarmee Araharius het in het geheel niet eens was, aangezien,
zoals hij zei, het vredesverdrag met hemzelf mede voor de ander moest gelden,
die wel zijn collega was, maar een ondergeschikte positie had en gewoonlijk
aan zijn bevelen gehoorzaamde. 15.Na een discussie hierover werd besloten dat
de Sarmaten als langjarige cliënten van Rome niet ook onder een ander gezag
konden blijven en zelf gijzelaars moesten leveren als garantie voor het
vredesverdrag, wat ze met vreugde accepteerden. 16.Op het gerucht dat
Araharius ongestraft was gebleven, meldde zich nog een aantal koningen en
volken - bij elkaar grote groepen - met het verzoek hun ‘het mes op de keel
te zetten’ [als zekerstelling voor het handhaven van een pakt]; en ook zij
kregen een verdrag zoals ze wensten en leverden onmiddellijk zonen van
hooggeplaatsten uit de centra van hun landen als gijzelaars evenals de geëiste
krijgsgevangenen, van wie ze met even diepe zuchten afstand deden als van hun
landgenoten... 17.Dit alles geregeld zijnde, concentreerde Constantius zijn
aandacht op de Sarmaten, die eerder medelijden verdienden dan straf, en dat
bracht hun zo ongelooflijk veel geluk, dat men haast zou geloven dat het waar
is wat wel gezegd wordt: dat een heerser het Lot de wending kan geven die hij
wil. 18.De bewoners van die gouwen genoten eens macht en aanzien, tot hun
slaven heimelijk tegen hen begonnen samen te zweren, naar de wapens grepen en
in opstand kwamen. En bij barbaren geldt nu eenmaal het recht van de sterkste:
ze wonnen het, niet in moed - want daarin waren ze gelijk - maar in aantal van
hun meesters. 19.Die vluchtten radeloos en redeloos ver weg naar de Victohalen,
met de gedachte liever onderdanig te worden aan beschermers dan hun eigen
slaven te moeten dienen, al verdroot die toestand hen zeer. Ze kregen
vergeving en toen ze om de verzekering vroegen van een bestaan in vrijheid,
werden ze onder formele bescherming van Rome genomen: Constantius, die het met
hen te doen had, riep het hele volk in aanwezigheid van zijn leger bij elkaar,
sprak het geruststellend toe en beval het, aan niemand anders te gehoorzamen
dan aan hemzelf en aan Romeinse generaals. 20.Om aan het herstel van hun
vrijheid extra cachet te geven, stelde hij Zizais als koning over hen aan, een
man die voor uitverkiezing van deze hoge positie beslist de juiste
geschiktheid en, zoals zou blijken, betrouwbaarheid bezat; maar na deze
ceremonies moesten wel allen ter plaatse blijven tot ze, zoals bepaald was,
hun gevangenen hadden uitgeleverd. Aldus werden de zaken in die barbaarse
gouwen geregeld, waarna Constantius het kamp naar Bregetio [Flecken Szöny]
verplaatste om ook in die regio definitief een einde te maken aan het leed dat
de Quaden er met hun oorlogen hadden veroorzaakt. Zodra ons leger binnen de
grenzen van hun grondgebied verscheen, wierpen zich prins Vitrodorus, een zoon
van koning Viduarius, zijn vazal Agilimundus, en een aantal edelen en andere
vertegenwoordigers van verschillende stammen voor de voeten van onze soldaten,
kregen pardon en deden wat van hen geëist werd: gaven jonge mannen in
gijzeling als garantie voor de vervulling van de hun opgelegde voorwaarden en
zwoeren bij hun blanke zwaarden (die ze vereren als godheden) eeuwige trouw.
13.
Constantius richt een bloedbad aan
onder de Limiganten, de voormalige slaven van de Sarmaten en verdrijft ze uit
hun woongebieden. Hij spreekt zijn soldaten toe
1.Toen
deze procedures zoals ik verteld heb naar tevredenheid waren afgewikkeld,
eiste het belang van de staat dat de veldtekenen ook snel tegen de Limiganten,
de voormalige slaven van de Sarmaten, werden gekeerd, want het was een schande
dat de vele misdaden waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt nog ongestraft
waren gebleven. Toen namelijk de vrije Sarmaten onze grenzen schonden, hadden
ook zij de gelegenheid aangegrepen uit te breken en, met voorbijgaan aan wat
in het verleden gebeurd was, wat dit betrof gemene zaak gemaakt met hun
[voormalige] meesters en vijanden. 2.Toch werd besloten ook dit niet zo streng
te straffen als waarom de ernst van hun daden vroeg en de wraak te beperken
tot een gedwongen verhuizing naar elders, zo ver weg dat ze ons geen schade
meer konden berokkenen. Maar met zoveel op hun geweten, beseften ze uiteraard
welk gevaar in de lucht hing. 3.En gezien de waarschijnlijkheid dat de oorlog
hun kant op zou komen, hielden ze zich op alles voorbereid, met trucs, wapens
en petities. Maar niet zodra zagen ze inderdaad ons leger, of ze riepen eerst
hevig geschrokken als van een donderslag bij heldere hemel om genade,
beloofden jaarlijks een tribuut en een lichting jonge mannen, plus
dienstbaarheid. Echter, op één punt lieten hun blikken en gebaren niets aan
duidelijkheid te wensen over: nooit zouden ze bereid zijn te verhuizen - wie
deed ze wat, verschanst in dat land waar ze zich veilig genesteld hadden na er
hun meesters uit verdreven te hebben? 4.Door die gebieden loopt namelijk een
bochtige rivier, de Parthiscus [de Theiss] die zich uiteindelijk verenigt met
de Hister [de Donau]. Zolang ze op zichzelf en onbelemmerd voort golft,
stroomt ze een hele tijd door een brede uitgestrektheid van vlak land, dat in
haar mondingsgebied zodanig versmalt, dat de bewoners daar enerzijds door de
Donau beschermd worden tegen een Romeinse aanval, anderzijds door haarzelf
tegen invallen van andere wilde stammen. Want het land daar is overwegend
moerassig met veel vennen en wilgen vanwege overstromingen en dus
ontoegankelijk behalve voor wie er heel goed bekend is. Bovendien sluit de
grotere rivier [de Donau] naar de monding van de Parthiscus toe dit gedeelte
met een lus als een soort eiland van de rest van het gebied af. 5.Wel kwamen
de barbaren op verzoek van de keizer naar de rivieroever aan onze kant, maar
arrogant als ze van nature waren, niet, zoals zou blijken, om te doen wat hun
bevolen werd, maar om te laten zien niet geïmponeerd te zijn door de
aanwezigheid van onze soldaten. Zo bleven ze daar uitdagend staan, duidelijk
niet van plan aan eventuele eisen te voldoen. 6.Constantius had voorzien dat
het mogelijk zo zou gaan en daarom het leger heimelijk in afdelingen gesplitst
die hij de barbaren bliksemsnel liet omsingelen. Staande op een kleine heuvel,
omringd door zijn lijfwachten en enkelen van zijn staf, maande hij hen toen
rustig zich in toom te houden. 7.Onzeker wat te doen, weifelend tussen vechten
of zich onderwerpen, terwijl woede en sluwheid in hun binnenste om de voorrang
streden, wierpen die opzettelijk telkens hun schilden een stuk voor zich uit
om ze in een paar stappen weer op te pakken en zo geleidelijk terrein te
winnen zonder de schijn te wekken iets verraderlijks in de zin te hebben en de
onzen dan van dichtbij te kunnen overvallen. 8.Maar
toen het langzaam aan avond werd en het vanwege de schemering raadzaam leek
niet langer af te wachten, hieven de onzen de standaards en stormden op hen
los, waarop de barbaren samendromden tot één massieve troep, die met
grimmige gezichten en woeste kreten regelrecht op de keizer zelf afging, nog
op de heuvel. 9.De waanzinnige woede waarmee dit gepaard ging, was onze
soldaten teveel; tegenover die acute bedreiging van hun keizer een wig vormend
(een formatie die in het soldatenjargon een ‘zwijnskop’ heet) braken ze
met één geweldige stoot de horde open, waarna onze infanterie hun voetvolk
op de rechterflank afslachtte en onze cavalerie zich op hun snelle, wendbare
ruiters op de linkerflank stortte. 10.Het praetoriaanse cohort dat ter
beveiliging dicht op Constantius stond, hakte op tegenstanders in die al snel
hun rug blootgaven. De barbaren die vielen, lieten met hun niet te breken
koppigheid gruwelijk krijsend horen, dat hun dood ze minder kon schelen dan
onze triomf daarover. Tussen de doden zag men er met doorgesneden pezen die
niet konden vluchten; van anderen was een hand afgehakt; sommigen waren niet
door wapens getroffen maar overlopen en vertrapt, maar allen verdroegen hun
pijn zonder een kik te geven. 11.Wat hun ook overkwam, geen één vroeg om
genade, geen één liet zijn wapen los of bad om een snelle dood. Zelfs
verslagen hielden ze hun wapens in hun vuist geklemd, want het was erger zich
zelf gewonnen te geven dan door een sterkere overwonnen te worden, en zo kon
men de een of ander ook horen kreunen dat het zijn lot was, niet zijn schuld,
wat hem overkwam. In een half uur werd die strijd beslist, waarin zoveel
wilden sneuvelden dat alleen uit de overwinning bleek dat er een slag had
plaatsgevonden. 12.Meteen nadat deze benden vijanden waren neergelegd, werden
hun families uit hun armelijke hutten gesleurd en ongeacht leeftijd of
geslacht in groepen afgevoerd, waarmee dat volk uit zijn vroegere trotse
bestaan de meest vernederende slavernij tegemoet ging. Een uiterst kort
tijdsverloop leverde dus dit schouwspel op: bergen lijken en troepen
gevangenen! 13.Nog in de opwinding over het felle gevecht en de overwinning,
volgde toen een klopjacht op diegenen die het strijdtoneel ontvlucht waren en
zich soms in hutten verborgen hielden. Als onze soldaten die lokaliseerden,
rukten ze, belust op het bloed van de barbaren, de rieten bouwsels uit elkaar
en slachtten ze hen af; en geen huis, al was het van zware balken gebouwd,
redde wie dan ook van de dood. 14.Toen tenslotte alles in brand stond, geen
mens zich nog verborgen kon houden en alle vluchtmogelijkheden rondom waren
afgesneden, bleef iemand nog twee mogelijkheden over: óf hij koos vrijwillig
de vuurdood, óf hij ontvluchtte de vlammen en kwam te voorschijn om de ene
dood te ontgaan maar trof dan een andere onder het zwaard van de vijand.
15.Van de enkelingen die toch nog kans zagen aan onze wapens en al het vuur te
ontkomen en in de nabije rivier sprongen in de hoop zwemmend de andere oever
te kunnen bereiken, verdronken de meesten en werden anderen doodgeschoten, die
zoveel bloed verloren dat de golven van de machtige rivier er rood van
schuimden. Zo werd aan de vernietiging van deze Sarmaten [Limiganten] dank zij
de daadkracht en de moed van onze soldaten meegewerkt door de elementen [water
en vuur]. 16.Na dit alles werd besloten werkelijk iedereen elke hoop om het er
heelhuids af te brengen te ontnemen. Nadat de huizen waren platgebrand en de
vrouwen en kinderen afgevoerd, werden boten bij elkaar gehaald om degenen te
gaan opsporen die aan de andere kant van de rivier huisden. 17.Daarmee werd
niet gewacht, om de felheid van de soldaten niet te laten verflauwen:
lichtbewapende schermutselaars sprongen erin, voeren ongezien over en stapten
uit waar de Sarmaten zaten. Die vergisten zich eerst deerlijk toen ze
plotseling boten van hun stamgenoten met het vertrouwde geluid van de riemen
zagen aankomen. 18.Pas toen ze wapens zagen blinken, realiseerden ze zich dat
gevaar dreigde, voor de nadering waarvan ze de moerassen invluchtten. De onzen
gingen er achteraan tot ze er een groot aantal van hadden gedood en daarmee
een succes behaalden in een gebied waar het gevaarlijk, zelfs onmogelijk leek
te voet te gaan, laat staan een actie uit te voeren. 19.Nadat ze deze
Amicensen22 deels gedood, deels verjaagd hadden, vielen ze direct
ook de Picensen aan (zo genoemd naar een aangrenzend gebied), die,
gewaarschuwd door geruchten over de ramp die hun bondgenoten had getroffen,
extra op hun hoede waren. Om hen eronder te krijgen riepen ze de hulp in van
de Taifalen23 en de Vrije Sarmaten, want het was moeilijk ze te
achterhalen aangezien ze nogal verspreid woonden en onbekendheid met de wegen
in hun gebied een handicap vormde. 20.En omdat het vanwege de situatie ter
plaatse beter was de bondgenoten gescheiden te laten opereren, namen onze
troepen het gebied voor hun rekening dat aan Moesië grensde, kregen de
Taifalen een stuk toegewezen dichtbij hun eigen woongebied en de Vrije
Sarmaten een stuk recht tegenover het hunne. 21.In hun benarde situatie en met
het afschrikwekkende voorbeeld van hun verslagen en onderworpen stamgenoten
voor ogen, wisten de Limiganten lange tijd niet wat te doen, weifelend tussen
vechten of zich onderwerpen, aangezien voor het een zowel als het ander,
gezien ervaringen, veel te zeggen was. Tenslotte echter werd, tegen het advies
van een Raad van Ouden die voor uitvechten was, besloten tot overgave. Zo werd
aan de lauwerkrans van overwinningen ook de onderwerping toegevoegd van
degenen die eens hun meesters [de Sarmaten] hadden geminacht omdat ze laf en
zwak zouden zijn en zich daarvan gewapenderhand hadden bevrijd, maar waarvan
de laatsten nu onderdanig hun nekken bogen voor wie de sterksten bleken. 22.De
meesten van hen gaven hun schuilplaatsen in de bergen op en haastten zich over
de uitgestrekte velden met ouders, vrouwen en kinderen en met zoveel van hun
armelijke bezittingen als ze inderhaast konden meepakken naar het Romeinse
kamp. 23.Dezelfden dus die eerder de indruk hadden gegeven liever hun leven te
verliezen dan gedwongen te verhuizen, aangezien ze ongebreidelde bandeloosheid
voor vrijheid versleten, waren nu bereid gehoorzaam in een ander, veilig
woongebied te worden gesetteld, waar ze door geen oorlog opgeschrikt, door
geen opstanden verontrust konden worden. Aangenomen werd tenminste, dat ze dit
van harte accepteerden, want ze hielden zich een tijdlang rustig; maar later
kwamen ze door hun ingeboren woestheid toch weer tot wandaden, wat hun duur te
staan kwam, zoals te gepaster plaatse zal worden beschreven. 24.Dank zij de
succesvolle afloop van deze reeks acties werd de situatie in Illyricum in tweeërlei
opzicht voldoende veiliggesteld, een niet geringe dubbele opgave, die de
keizer tot een goed einde bracht: onbetrouwbare stammen waren verpletterend
verslagen, verdreven stammen - misschien wel even wispelturig - die zich in
elk geval behoorlijk leken te zullen gedragen, waren weer naar hun
oorspronkelijke woongebieden teruggebracht. En in een overmaat van
welwillendheid had hij niet zomaar de een of andere koning over hen
aangesteld, maar iemand die zijzelf vroeger als hun vorst hadden gekozen, een
sterke man met een edel karakter. 25.Door al deze successen won Constantius
aan gezag en werd hem door zijn soldaten bij algemene acclamatie voor de
tweede maal de bijnaam ‘Sarmaticus’ verleend, naar de naam van de
overwonnen volken. Alvorens de terugtocht te aanvaarden riep de keizer alle
cohorten, centuriën en manipels bijeen en hield hij, staande op een verhoog,
omgeven door standaards, adelaars en tal van hoge officieren en
functionarissen de volgende toespraak tot het leger, dat hem zoals altijd
eenstemmig toejuichte: 26.‘De
herinnering aan onze roemrijke daden, die dapperen dierbaarder is dan welke
tevreden gedachte ook, dringt mij ertoe nog eens, zonder te overdrijven, voor
ons geestesoog te laten passeren welke problemen wij, trouwe verdedigers van
de Romeinse staat, al vóór we hadden te vechten èn in zware veldslagen
waarin ons van godswege het geluk van de overwinning gegund werd, hebben
opgelost. Want wat is schitterender en meer waard om voor het nageslacht in de
herinnering vast te leggen dan de vreugde van de soldaat over zijn dappere
daden en van de veldheer over de juistheid van zijn beslissingen? 27.Terwijl
onze vijanden door Illyricum raasden, dreven ze in hun misplaatste trots met
ons de spot om onze afwezigheid, terwijl wij Italië en Gallië verdedigden.
In strooptocht na strooptocht verwoestten ze onze grensgebieden, staken wadend
of in holle boomstammen rivieren over, niet om vertrouwend op hun moed en
kracht eerlijk te vechten, maar als altijd om rondsluipend als struikrovers
laffe overvallen te plegen, waarmee ze vanaf het allereerste contact onze
voorvaderen al schrik hebben aangejaagd. Uit de verte hebben we dat met lede
ogen moeten aanzien, hopend dat door de kundigheid van onze generaals het
ergste kon worden voorkomen. 28.Maar toen het, omdat ze ongestraft hun gang
konden gaan, van kwaad tot erger kwam, en hun razzia’s in onze provincies
steeds grotere verwoestingen aanrichtten, maakten wij de weg vrij naar Raetië,
zorgden voor rust en veiligheid in Gallië, zodat we geen problemen in de rug
te duchten hadden, en kwamen naar Pannonië om daar, zo het de eeuwige god
behaagde, orde op zaken te stellen. Na de nodige voorbereidingen trokken we -
u weet het - midden in de lente op en begonnen we aan een enorme taak: eerst
bouwden we onder regens pijlen, maar die het ons niet konden beletten, een
brug; toen dat werk vlot klaar kwam, trokken we het vijandelijke gebied
binnen, versloegen zonder zelf een man te verliezen de Sarmaten die ons met
doodsverachting probeerden te stoppen, en verpletterden vervolgens de Quaden
die de Sarmaten te hulp schoten en zich al even roekeloos op onze fameuze
legioenen stortten. Die maakten bij hun verwoede pogingen zich met ons te
meten tot hun grote schade kennis met onze moed, lieten hun wapens vallen en
zich de handen, vechtershanden, op de rug binden. In het besef dat hun niets
anders overbleef dan ons te bidden en te smeken, wierpen ze zich aan de voeten
van een genadige Augustus, wiens krijgsgeluk ze meer dan eens hadden ervaren.
29.Nadat we met hen hadden afgerekend, overwonnen we even onverbiddelijk ook
de Limiganten, deden er de nodigen van in het stof bijten, en dwongen de rest
een veilig heenkomen te zoeken in de moerassen. 30.Maar nadat dit alles tot
een goed einde was gebracht, kon ook gepaste clementie worden betracht. Van de
Limiganten hebben we er velen gespaard die we gedwongen hebben naar afgelegen
gebieden te verhuizen, zodat ze niets meer tegen ons volk kunnen ondernemen.
En over de Vrije Sarmaten hebben we Zizais aangesteld, die ons toegedaan is en
volstrekt betrouwbaar, want we denken dat het beter is de barbaren een koning
te geven dan te ontnemen, vooral wanneer het als een gelukkige bijkomstigheid
een vorst betreft die ze eerder zelf al hadden gekozen en aanvaard. 31.Zo
hebben we, mèt de staat, in één campagne een viervoudige winst behaald. Ten
eerste hebben we wraak genomen op een gevaarlijk roversvolk. Vervolgens hebt u
een overvloedige buit aan vijanden in bezit gekregen (want betoonde moed
behoort genoegdoening te vinden in wat met zwoegen en zweten verkregen is).
32.Wat onszelf betreft zijn wij rijkelijk beloond en ruimschoots tevreden als
door onze inspanningen en doortastendheid het gemeenschappelijke erfgoed
behouden is gebleven. Want dat is de eerste zorg van een goede vorst; daar
gaat het om bij successen en het bevorderen van voorspoed. 33.Tenslotte draag
ik nu ook (wat ik als krijgsbuit beschouw) voor de tweede maal de erenaam ‘Sarmaticus’,
waarmee u mij eensgezind voor mijn verdiensten (in alle bescheidenheid gezegd)
onderscheiden hebt.’ Toen hij was
uitgesproken, brak de hele verzamelde menigte uit in juichkreten en lovende
acclamaties, enthousiaster dan ooit met het vooruitzicht op bevorderingen en
beloningen, en bij god zwerend, zoals vaker, dat Constantius onoverwinnelijk
was. Daarna zochten ze hun tenten op. Ook de keizer werd naar zijn verblijf
teruggeleid, waar hij twee dagen uitrustte vóór hij in triomf naar Sirmium
terugkeerde en de verschillende onderdelen afmarcheerden naar de plaatsen die
daarvoor waren aangewezen.
14.
De Romeinse vredesonderhandelaars keren
onverrichter zake uit Perzië terug. Sapor blijft bij zijn eis met betrekking
tot Armenië en Mesopotamië
Noten
1.Patrouilleboten waarmee de grensrivieren standaard werden bewaakt. retour
2..Zie boek xix,11,2-3. retour
3.De
jaarlijks op te brengen belasting werd sinds Diocletianus vastgesteld bij een
telkens voor vijf jaar geldende census.
4. Koning van Perzië van 530 tot 522. In 525 veroverde hij Egypte. retour
5..Veldheer onder Octavianus in diens oorlog met Antonius en Cleopatra, werd de eerste prefect van Egypte, pleegde na een veroordeling wegens machtsmisbruik zelfmoord in 26 vC Hij speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van de Romeinse poëzie. retour
9.Thans resp. voor de S. Maria Maggiore en op de Piazza del Quirinale. retour
13.In de tijd van de regering der drie gebroeders Constantijn II, Constans en Constantius ging de laatste over het oostelijk deel van het Rijk. retour
17.Ook wel de Tarquitische boeken genoemd. Zie boek xxv,2,7. retour
18.Een van de koningen die bij Straatsburg door Julianus werden verslagen. retour
21.Ammianus’
beschrijving van de strijd tegen de Sarmaten en de Quaden is niet altijd even
helder. Beide volken, bondgenoten, bestonden uit verschillende stammen waarvan
er in zijn relaas verschillende achtereenvolgens aan de orde komen. Een deel
der Sarmaten, door Ammianus de Vrije Sarmaten genoemd, waren in 337 door hun
slaven, de zogenoemde Limiganten, verdreven, en werden door Constantius naar
hun woongebied teruggestuurd.
22.Ammianus noemt sommige groepen Limiganten zo alleen hier. retour
23.Een Germaanse volksgroep die met de Goten meeverhuisden naar het Donaugebied. Zie boek xxxi,3,7;9,3,5. retour
25.Stad aan de Tigris, een residentie van de Perzische koningen. retour