BOEK
XVIII
2.
Julianus laat de door hem veroverde
vestingen langs de Rijn herstellen. Hij
steekt de Rijn over, verwoest een vijandig deel van Alamannië en
dwingt vijf koningen der Alamannen vrede te sluiten en hun gevangenen terug te
geven
1.Aangezien
de Alamannen in een aantal gouwen in een vijandige stemming verkeerden en
dreigden zich in een gevaarlijk avontuur te storten wanneer ze niet, zoals de
rest, tot de orde werden geroepen, zag Julianus zich genoodzaakt een expeditie
tegen hen uit te rusten. De vraag die hem daarbij bezig hield was, met welke
troepensterkte en hoe snel hij, zodra dit redelijk doenbaar was, hun gebieden
zou kunnen binnenvallen vóór het bericht hen bereikte dat hij in aantocht
was. Na verschillende plannen te hebben overwogen, besloot hij tenslotte een
lijn te volgen waarvan de uitkomst achteraf de juistheid bewees. Zonder dat
iemand ervan wist, zond hij de tribuun boven de sterkte Hariobaudes, een man
van bewezen trouw en moed, zogenaamd als gezant naar Hortarius,1 een
koning met wie vrede was gesloten, om vanuit diens gebied uit te vorsen wat
zich afspeelde in de grensstreken van het volk waartegen zijn
oorlogsvoorbereidingen gericht waren. Hij was namelijk goed bekend met de taal
der barbaren. 3.Toen de tribuun goedsmoeds op weg was om deze opdracht uit te
voeren, commandeerde Julianus zelf bij het aanbreken van het gunstige
jaargetijde van overal zijn soldaten op voor de veldtocht en vertrok met als
eerste belangrijke doel, vóór de aanvang van de eigenlijke campagne de
eerder verwoeste en verlaten steden opnieuw te bezetten en te versterken en
graanschuren te bouwen ter vervanging van die verbrand waren, om het koren te
kunnen opslaan dat gewoonlijk uit Britannië werd aangevoerd. 4.Het een zowel
als het ander ging voorspoediger dan gedacht. Want niet alleen kwamen de granaria
snel van de grond en werd daarin voldoende voedsel opgeslagen, maar werden ook
zeven steden bezet: Castra Herculis [?], Quadriburgium [Schenkenschanz],
Tricensima [Kellen], Novesium [Nuys], Bonna [Bonn], Antennacum [Andernach] en
Vingo [Bingen], waar door een gelukkig toeval ook de prefect Florentius
onverwacht verscheen aan het hoofd van een deel van de troepen, met bovendien
een voorraad levensmiddelen genoeg voor een lange tijd. 5.Toen
dit alles gebeurd was, moesten de muren van de ingenomen steden nog worden
hersteld. Geen vijand stoorde daarbij, zodat het wel leek alsof de barbaren
toen uit vrees, de Romeinen uit toewijding aan hun aanvoerder het belang van
de staat dienden. 6.Uit hoofde van een pact dat een jaar eerder gesloten was,
zonden de [onderworpen] koningen ons wagens met een grote hoeveelheid
bouwmateriaal, terwijl de hulptroepen, die zulk werk gewoonlijk beneden hun
waardigheid achtten, zich door Julianus met vriendelijke woorden lieten
bepraten en gewillig balken van vijftig voet of langer op hun schouders namen
en zich zo nuttig maakten in de bouw. 7.Toen dit werk dankzij deze inzet al
aardig opschoot, keerde Hariobaudes terug van zijn verkenningen en berichtte
wat hij had ervaren. Na zijn aankomst trokken alle eenheden in geforceerde
dagmarsen op naar Mogontiacum [Mainz]. Daar drongen [de praefectus
praetorio van Gallië] Florentius en [de magister equitum]
Lupicinus (de opvolger van Severus) er sterk op aan, op die plaats een brug
over de Rijn te slaan en de rivier over te steken. Maar Julianus verzette zich
krachtig tegen dat voorstel met als argument dat het fout zou zijn zich op
gepacificeerd gebied te begeven, omdat (zoals zo vaak gebeurt) door lomp
optreden van de soldaten van alles verwoest zou worden wat op hun weg kwam en
daardoor onbedoeld de verdragen zouden worden geschonden. 8.De Alamannen die
het doel waren van onze expeditie en zich onmiddellijk bedreigd voelden,
waarschuwden trouwens in niet mis te verstane bewoordingen koning Suomarius,
met wie wij een verdrag hadden gesloten, de Romeinen niet op zijn gebied toe
te laten. Het waren namelijk zíjn gouwen die aan de overzijde aan de rivier
grensden. Toen deze echter verklaarde dat hij alléén niet in staat was ons
tegen te houden, verenigden de barbaren zich tot één grote horde, die naar
de omgeving van Mainz kwam om de oversteek van ons leger met alle geweld te
verhinderen. 9.In tweeërlei opzicht bleek het dus verstandig wat de caesar
adviseerde, namelijk de gebieden van bevriende volken niet te schenden en niet
op die plek tegen het verzet van een krijgshaftig volk in en met levensgevaar
voor veel soldaten een brug te bouwen, maar dat verderop te doen, op een meer
geschikte plaats. 10.De vijanden volgden ons doen en laten met de grootste
oplettendheid, terwijl ze langs de andere oever langzaam met ons mee
optrokken. Maar als ze van verre zagen dat wij in bivak gingen, bleven zij van
hun kant de nacht door waken, erop lettend dat geen oversteek gewaagd werd.
11.Toen onze troepen tenslotte aankwamen op de plaats die we op het oog
hadden, werd rust gecommandeerd achter wal en gracht en vroeg Julianus, na
overleg met Lupicinus, vertrouwde tribunen driehonderd lichtgewapende
manschappen van puntige stokken te voorzien, maar ze in het ongewisse te laten
over wat en waarheen ze daarmee moesten.2 12.En toen de nacht al
gevorderd was, werden die voorzover mogelijk ingescheept in kleine
patrouilleboten (waarvan er maar veertig beschikbaar waren) met de opdracht de
rivier af te zakken, maar heel stil - de riemen moesten boven water blijven -
om de barbaren niet door het geluid van gekabbel of golfslag te alarmeren, en
terwijl die op onze wachtvuren gefixeerd waren, behoedzaam en snel op de
andere oever aan land te gaan. 13. Dit werd met bekwame spoed ten uitvoer
gebracht. Ondertussen onthaalde koning Hortarius, die al langer onze
bondgenoot was en bepaald geen verraad in de zin had maar ook met zijn naburen
in vriendschap leefde, alle koningen, prinsen en hun verwanten op een groot
maal en hield ze lang bij zich, zodat dit naar ’s lands wijs wel tot de
derde nachtwake duurde. Het toeval nu wilde dat onze soldaten deze gasten,
toen ze vertrokken, plotseling voor de voeten kregen. Ze slaagden er weliswaar
niet in hen te doden of gevangen te nemen, aangezien ze, gedekt door de
duisternis te paard op goed geluk uiteenstoven, maar doodden wel hun
volgelingen en dienaren die er te voet achteraan gingen (voorzover het
nachtelijk duister hun tegen dat gevaar geen bescherming bood). 14.Toen het de
koningen daardoor duidelijk werd dat er Romeinen waren overgestoken (die
overigens dachten, dat ze nu, zoals in voorgaande expedities, na een geslaagd
contact met de vijand even van hun inspanningen konden bijkomen), vluchtten ze
met hun stamgenoten, die er voornamelijk op gespitst waren geweest de bouw van
een brug te verhinderen, in paniek alle kanten uit. Later, toen de ergste
opwinding voorbij was, brachten ze haastig hun mensen en hun bezittingen
verder weg. Op slag was ons hele probleem opgelost: we bouwden de brug en
voordat de barbaren er erg in hadden, verschenen onze troepen in hun gebied.
Door het land van Hortarius trokken ze zonder het schade toe te brengen.
15.Maar toen ze de gouwen van de nog vijandige koningen bereikten en dit
rebellengebied onbedreigd konden doorkruisen, plunderden en verbrandden ze
daar alles. Nadat ze de eenvoudige,
omheinde behuizingen in de as hadden gelegd, een groot aantal mannen hadden
gedood, velen hadden zien vallen en anderen om genade zien smeken, en
aankwamen in de streek Capillacii of Palas geheten, waar grensstenen de
scheiding markeerden tussen de gebieden van de Alamannen en de Burgundiërs,
werd halt gehouden om in het kamp de geduchte koninklijke gebroeders Macrianus
en Hariobaudus te ontvangen, die uit vrees voor een dreigende catastrofe een
vredesregeling kwamen vragen. 16.Direct na hen kwam ook koning Vadomarius,
wiens woongebied aan dat van de Rauraciërs grensde, die zich kon beroepen op
een brief van keizer Constantius waarin hij warm werd aanbevolen, en dus -
zoals het hoorde - vriendelijk ontvangen werd als een oude door de keizer
geaccepteerde beschermeling van de Romeinse staat. 17.Toen Macrianus met zijn
broer werd binnengeleid in een ruimte waar de adelaars en de veldtekenen waren
opgesteld, verbaasde hij zich over de pracht van de wapens en de tekens van
onze macht, die hij toen voor het eerst aanschouwde, en pleitte hij voor zijn
stamgenoten. Vadomarius van zijn kant, die niet ver van de grens woonde en met
ons doen en laten vertrouwd was, bewonderde wel de pronk van de
tentoongestelde uitrusting, maar had zoiets sinds zijn vroegste jeugd al vaker
gezien. 18.Na langdurig overleg werd met algemene goedkeuring tenslotte aan
Macrianus en Hariobaudus een vredesregeling aangeboden, maar aan Vadomarius,
die niet alleen gekomen was om zijn eigen veiligheid bevestigd te zien, maar
ook, als hun gezant en voorspreker, om vrede te vragen voor Urius, Ursicinus
en Vestralpus, kon [op dit laatste punt] voorlopig nog geen antwoord worden
gegeven, omdat het niet zeker was, gezien de nogal wankele trouw van barbaren,
of die zich niet, moed vattend na onze aftocht, weinig zouden bekommeren om
wat ze door tussenkomst van een ander hadden verkregen. 19.Pas toen we hun
oogst en hun huizen in brand hadden gestoken en velen van hen hadden gevangen
genomen en gedood, stuurden ze ook zelf gezanten met smeekbeden, alsof zíj
zulke daden tegen ons hadden begaan, en konden ze een vredesregeling krijgen
onder dezelfde voorwaarden, waaronder speciaal de eis, al degenen die ze bij
hun veelvuldige rooftochten gevangen hadden genomen, terug te geven.
1.Terwijl dit dankzij een hemelse voorziening in Gallië goed afliep, ontstond in kringen rond de keizer hevige opwinding, waarvan de aanleiding onbetekenend was, maar de afloop rouw en jammer met zich bracht. In de woning van de toenmalige infanteriecommandant Barbatio3 had zich een opmerkelijk grote zwerm bijen genesteld. De man consulteerde daarover bezorgd deskundigen in het duiden van voortekenen, die hem zeiden dat dit een groot gevaar aankondigde - een gissing die kennelijk daarop berustte, dat deze insecten, als ze eenmaal een nest hebben gebouwd en er hun voedselvoorraad in hebben aangelegd, slechts met rook en veel lawaai van bekkens te verjagen zijn. 2.Barbatio’s vrouw heette Assyria en was een klets en onverstand. Want toen haar man van huis was, op expeditie - piekerend over de voorspelling, die hij maar niet uit zijn hoofd kon zetten - nam ze een slavin in vertrouwen die uit de nalatenschap van Silvanus kwam en een soort geheimschrift kende, en schreef hem met haar hulp, gedreven door vrouwelijke ijdelheid, een domme brief. Bijna onder tranen smeekte ze Barbatio daarin, haar na de spoedig te verwachten dood van Constantius, wanneer hijzelf zoals hij hoopte aan de macht zou komen, niet te verstoten om met Eusebia te huwen, die toen keizerin was en een bijzonder mooie vrouw. 3.Ze verzond die brief in het grootst mogelijke geheim, maar toen allen van de expeditie waren teruggekeerd, ging de slavin aan wie ze hem gedicteerd had stiekem in de eerste stille uren van de nacht met een kopie naar Arbetio, die hem gretig in ontvangst nam. 4.Arbetio, die anderen graag in diskrediet bracht, dacht daarmee namelijk een interessante aanwijzing in handen te hebben en informeerde daarover de keizer. De zaak werd daarop zoals gebruikelijk onmiddellijk in onderzoek genomen. Barbatio erkende de brief te hebben ontvangen, terwijl op grond van harde bewijzen werd vastgesteld dat zijn vrouw hem had geschreven. Dus werden beiden onthoofd. 5.Nadat zij waren gestraft, haalde nog lange tijd het ene onderzoek het andere uit, waarbij velen, schuldig of niet, werden gefolterd, onder wie ook de tribuun Valentinus, een voormalige officier van de Protectores, die, hoewel hij volstrekt niet wist wat er was gebeurd, verschillende malen werd gemarteld, maar dit overleefde en als vergoeding voor het onrecht hem aangedaan en het gevaar waarin hij had verkeerd, bevorderd werd tot bevelhebber in Illyricum. 6.Nu was die Barbatio een nogal lompe man met aanmatigende manieren. Bij velen was hij gehaat omdat hij als commandant van de lijfwacht onder caesar Gallus een laffe verradersrol had gespeeld, en na diens dood, onbeschaamd paraderend met zijn hogere militaire rang, op dezelfde manier caesar Julianus was beginnen verdacht te maken. Fatsoenlijke lieden verachtten hem om de roddels die hij de goedgelovige Constantius vaak influisterde. 7.Hij kende zeker het gezegde niet van de oude Aristoteles, die zijn leerling en achterneef Callisthenes naar koning Alexander [de Grote] zond na hem keer op keer te hebben gemaand zo weinig mogelijk te spreken en dan in elk geval altijd positief in tegenwoordigheid van een man, die op de punt van zijn tong de macht had over leven en dood. 8.Het is ook niet verwonderlijk dat de mens, wiens geest, zoals we denken, verwant is aan de hemelingen, meestal het nuttige weet te onderscheiden van wat schadelijk is, want zelfs de redeloze dieren zoeken veiligheid door zich stil te houden, waarvan het volgende een bekend voorbeeld is. 9.Ganzen, die in de hitte van de zomer het oosten verlaten en op hun trek naar westelijke streken boven het Taurusgebergte komen, waar het wemelt van de adelaars, nemen uit vrees voor die machtige vogels kiezels in hun bek om zelfs in uiterste nood geen geluid te geven, en laten ze weer vallen zo gauw ze dat gebergte zijn overgetrokken en veilig verder kunnen vliegen.
4.
De koning der Perzen, Sapor, treft
voorbereidingen voor een grote aanval op de Romeinen
1.Terwijl
die geschiedenis in Sirmium werd onderzocht, stak het Lot van de Oriënt
alweer de gevreesde alarmtrompet. Want de Perzische koning Sapor, die intussen
een aantal woeste volksstammen aan zich had onderworpen en onverzadigbaar
dorstte naar verdere gebiedsuitbreiding, had zijn troepen, bewapening en
voorraden zo georganiseerd (de krachten der onderwereld bij zijn plannen
betrekkend door voorspellende geesten over de toekomst te consulteren) dat hij
klaar was voor een bliksemoorlog bij het aanbreken van de eerste zachte
lentedagen. 2.Toen eerst geruchten, daarna berichten van betrouwbare
zegslieden daarover binnenkwamen en angst voor komend onheil zich van ieder
meester maakte, hamerde een hofkliek, met de eunuchen voorop, dag en nacht
(volgens de uitdrukking) in de smidse op hetzelfde aambeeld, in allerlei
variaties tegenover de wantrouwige en vreesachtige keizer herhalend dat
Ursicinus, die ze hem afschilderden met ongeveer de gruwelijke kop van een
Gorgo, na de dood van Silvanus zogenaamd bij gebrek aan een betere opnieuw
naar het oosten gezonden om die gebieden te verdedigen, naar een hogere macht
streefde. 3.Door zulk achterbaks en kruiperig gekonkel probeerden sommigen in
de geur te komen bij Eusebius, de cubiculi
praepositus van Constantius, op wie deze, om de waarheid te zeggen,
sterk leunde, en die om twee redenen op Ursicinus gebeten was, ten eerste
omdat die hem niet zoals anderen gelegenheid verschafte zich te verrijken, en
ten tweede hem zijn huis in Antiochia niet wenste over te doen, waarover
Eusebius hem hardnekkig lastig viel. 4.Zoals een slang, kwijlend van een
overvloed aan gif, haar talrijke kroost dat nog nauwelijks kan kruipen,
ophitst tot bijten, zo liet Eusebius zijn (volwassen) kamerdienaren tijdens
hun werkzaamheden in de privé vertrekken met hun hoge en vleierige
kinderstemmen, ten aanhoren van de keizer, die daarvoor maar al te
ontvankelijk was, de reputatie van Ursicinus met ernstige verdachtmakingen
ondermijnen. Die deden zonder mankeren wat hun gezegd werd. 5.Uit walging voor
dit soort lieden prijs ik van harte de vroegere keizer Domitianus, die
weliswaar anders dan zijn vader en zijn broer de herinnering aan zijn naam met
een onuitwisbare schandvlek heeft bezoedeld, maar eer heeft ingelegd met een
uiterst welkome wet, die onder strafbedreiging verbiedt binnen het Romeinse
rechtsgebied een knaap te ontmannen. Als dit niet was gebeurd, hoe zou iemand
hele horden van zulk soort kunnen verdragen als er een paar al onuitstaanbaar
zijn? 6.Eusebius ging echter voorzichtig te werk om te voorkomen dat Ursicinus,
mocht hij weer naar het hof worden ontboden (waarmee hij rekening hield) en
gevaar vermoedde, alles in de war zou schoppen. Wanneer het toeval daarvoor de
gelegenheid zou scheppen, zou hij dus bij voorkeur snel uit de weg geruimd
moeten worden. 7.Terwijl daar zo in het geheim gewroet werd, maar het nog niet
tot een besluit was gekomen, verbleven wij [Ursicinus en Ammianus] tijdelijk
in Samosata, de befaamde hoofdstad van het voormalige koninkrijk Commagene.
Daar drongen plotseling betrouwbare geruchten tot ons door over een nieuw
voorval, waarover het volgende deel van deze historie zal gaan.
5.
De protector Antoninus loopt met zijn
gezin over naar Sapor en spoort hem aan tot een oorlog tegen de Romeinen
(waarvoor deze zich al opmaakt)
6.
De opperbevelhebber in de Oriënt,
Ursicinus, wordt daar weggeroepen, maar wordt, als hij al in Thracië is
aangekomen, teruggestuurd naar Mesopotamië. Hij laat Marcellinus de
bewegingen van Sapor verkennen

7.
Sapor valt met de koningen der
Chionieten en Albanen Mesopotamië binnen. De Romeinen steken zelf hun velden
in brand, drijven de bewoners van het platteland de steden in en versterken de
oever van de Euphraat aan hun kant met forten en wachtposten
1.Toen de koningen Nineve, een grote stad in Adiabene, waren gepasseerd, midden op de brug over de Anzaba offerdieren hadden geslacht, uit de ingewanden waarvan ze gunstige voortekenen lazen, en in een optimistische stemming waren overgestoken, schatte ik dat de hele verdere krijgsmacht wel meer dan drie dagen nodig zou hebben om naar deze kant te komen en keerde dus snel naar de satraap terug, door wie ik gastvrij onthaald werd. 2.Na op verhaal te zijn gekomen, aanvaardde ik de terugweg, opnieuw door woeste en verlaten streken, moed puttend uit de gedachte dat dit alles noodzakelijk was en sneller opschietend dan ik gedacht had. Ik rapporteerde dus dat de koningen zonder enige omweg over één enkele schipbrug waren overgestoken en bemoedigde diegenen van ons die daardoor van hun stuk raakten. 3.Direct werden ijlboden naar Cassianus gezonden, de militaire bevelhebber van Mesopotamië, en naar Euphronius, de gouverneur van die provincie, met de opdracht alle boeren te dwingen zich met hun gezinnen en al hun vee in veiligheid te brengen, vervolgens de bewoners van Carrhae, een stad die met zwakke muren omgeven was, te evacueren, en tenslotte alle velden in brand te steken, zodat er voor de vijand niets te halen zou zijn. 4.Dit alles werd zonder mankeren uitgevoerd. Toen het vuur was aangestoken, verzengde het met loeiend geweld al het graan dat al rijpte in de goudgele aren en al het welig gewas, zodat van de boorden van de Tigris tot aan de Euphraat geen groen sprietje meer te bekennen viel. Ook veel wilde dieren kwamen daarbij om, vooral leeuwen, die in die gebieden enorm woest zijn. Ze sterven overigens gewoonlijk of worden langzaam blind op de volgende manier: 5.Tussen de rietbossen en het struikgewas van Mesopotamië zwerven ze in grote aantallen rond. Gedurende de milde wintermaanden zijn ze ongevaarlijk, maar wanneer het hete jaargetijde aanbreekt, worden ze in de smoorhitte gekweld door de brandende zon en door zwermen muggen, waarvan die contreien dan vergeven zijn. En omdat die insecten het gemunt hebben op de enige vochtig-glinsterende plekken van hun lichaam, de ogen, zetten ze zich op de randen van de oogleden om te steken. Wanneer de leeuwen die kwelling niet langer kunnen verdragen, storten ze zich in de rivieren om verlichting te vinden en verdrinken, of ze krabben zich net zo lang met hun nagels tot ze zich de ogen uitsteken en blind en volkomen dol worden. Als dit niet gebeurde, zouden deze dieren werkelijk een pest zijn voor de hele Oriënt. 6.Terwijl de velden brandden (zoals gezegd), werden tribunen met manschappen van de garde naar de oever aan onze kant van de Euphraat gezonden om die met schansen, gepunte palen en allerlei andere verdedigingswerken te versterken en op geschikte plaatsen waar de rivier minder woelig was geschut op te stellen. 7.Terwijl dit alles in grote haast werd uitgevoerd, hing Sabinianus, die generaal-eerste-keus voor deze moorddadige oorlog, rond tussen de graven in Edessa,17 alsof hij niets te vrezen had als hij maar vrede had gesloten met de doden, terwijl elk moment moest worden benut om het gevaar dat ons bedreigde, af te weren, en vermaakte zich onbekommerd en volkomen ontspannen, alsof hij alleen maar voor zijn plezier leefde, met de Pyrrhische dansen18 van zijn soldaten - pantomimes met muzikale begeleiding - die nog omineus waren ook, zowel op zichzelf als juist op die plaats, aangezien elk mens bij zijn volle verstand, zoals we langzamerhand weten, zulke treurige schouwspelen die onheil spellen, moet mijden. 8.Intussen hadden de koningen Nisibis, alsof dat een onbetekenende plaats was, links laten liggen en trokken, omdat de branden zich door de overvloed aan droog materiaal steeds verder uitbreidden, om een tekort aan dierenvoer te vermijden, door de groene valleien onder de bergen langs. 9.Bij het dorp Bebase gekomen, vanwaar tot aan de stad Constantina, honderd mijl verderop, alles permanent dor en droog is op wat karig water na in een paar putten, aarzelden ze lang, en juist toen ze, gezien de gehardheid van de manschappen, hadden besloten die woestenij door te kunnen trekken, vernamen ze van een betrouwbare verkenner dat de Euphraat door smeltende sneeuw zo gezwollen was, en zo ver buiten haar oevers was getreden, dat ze nergens kon worden overgestoken. 10.Door deze tegenslag van hun oorspronkelijke plan afgebracht, hielden ze een spoedvergadering om zich over de onverwacht ontstane, penibele situatie te beraden en alternatieven te bedenken. Ook Antoninus werd om zijn mening gevraagd. Die adviseerde meteen naar rechts uit te wijken om met een tamelijk grote omweg door een vruchtbaar gebied met een overvloed aan allerlei voedsel dat door de Romeinen nog gespaard was omdat die meenden dat de vijand rechtdoor zou komen, met hem als gids op de twee vestingplaatsen Barzalo en Claudias af te gaan waar de rivier, dicht bij zijn oorsprong, ondiep en smal en nog niet door zijrivieren gevoed was en dus gemakkelijk kon worden overgestoken. 11.De anderen luisterden aandachtig naar zijn uiteenzetting, prezen zijn voorstel en benoemden hem tot gids op de weg die hij kende; en het hele leger verliet de oorspronkelijke route en volgde hem.
9.
Een beschrijving van Amida. De
legioenen en eskadrons daar gelegerd
1.Amida
was niet meer dan een kleine stad tot Constantius, nog als caesar, haar (in
dezelfde tijd dat hij een andere stad stichtte, namelijk Antoninupolis) een
veilig toevluchtsoord maakte voor de landbewoners door haar te omgeven met
machtige muren en torens, bewapend met geschut, een schrik voor de vijand. Hij
wilde ook dat ze zijn naam kreeg. 2.Aan de zuidkant wordt ze bespoeld door een
bocht in de Tigris, die niet ver daarvandaan ontspringt; waar de oostenwind
haar toewaait, ziet ze uit op de vlakte van Mesopotamië; waar ze blootgesteld
is aan de noordenwind, ligt ze niet ver van de rivier de Nymphaeus, als het
ware in de schaduw van het Taurusgebergte, dat de scheiding vormt tussen de
volken van over de Tigris en de Armeniërs; de kant die de westenwind
ontvangt, grenst aan Gumathena, een streek die vruchtbaar is en rijk aan
gewas, waar het dorp Abarne ligt, bekend om zijn warme, heilzame baden. Midden
in Amida ligt vlak onder de burcht een rijke bron, waarvan het water wel
drinkbaar is maar soms kwalijk riekt van hete dampen.
3.Het
garnizoen bestond normaal uit het Vijfde Legioen (de Parthica), aangevuld met
een fors eskadron inheemse ruiters. In die tijd echter werden zes extra
legioenen, die in geforceerde dagmarsen de aanrollende Perzische massa’s
wisten vóór te blijven, voor de verdediging van de muren aangewezen. Om te
beginnen de Magnentiaci en de Decentiaci, die na de beëindiging van de
burgeroorlogen op bevel van de keizer wegens hun onbetrouwbaarheid en
oproerigheid naar het oosten waren afgevoerd, waar slechts buitenlandse
oorlogen dreigden; vervolgens de Tricencimani en de Decimani [van het
Dertigste en het Tiende Legioen], en tenslotte de Fortenses, de Superventores
en de Praeventores19 onder de comes
Aelianus, die, zoals ik vroeger heb verteld, nog als rekruten onder dezelfde
Aelianus, maar dan als protector, een uitval hadden gedaan uit Singara en een
groot aantal Perzen in hun slaap hadden gedood. 4.In de stad bevond zich ook
een groot deel van de Comites Sagittarii (boogschutters van de garde), een zo
genoemd eskadron ruiters waarin alle vrijgeboren barbaren dienden die
uitmuntten in lichaamskracht en wapenhandel.
10.
Twee Romeinse forten geven zich over
aan Sapor
1.Terwijl in de verwarring van die eerste aanval onze troepen in onverwachte problemen raakten, boog de koning, overeenkomstig het advies van Antoninus met zijn eigen krijgsvolk en de stammen onder zijn bevel vanaf Bebase rechtsaf via Horre, Meiacarire en Charcha, alsof hij van plan was Amida te passeren. Bij twee Romeinse versterkingen aangekomen, de ene Reman, de andere Busan genaamd, vernam hij van overlopers, dat velen hun rijkdommen daarheen hadden gebracht in de veronderstelling dat ze in die hooggelegen, sterke forten veilig zouden zijn. Bovendien, zo werd erbij gezegd, bevond zich daar, met al haar kostbaarheden, een mooie vrouw met haar dochtertje, de echtgenote van een zekere Craugasius uit Nisibis, die in de hogere kringen om zijn afkomst, reputatie en invloed groot aanzien genoot. 2.Altijd begerig naar andermans goed, trof de koning daarom onmiddellijk voorbereidingen voor een grootscheepse aanval op die forten, waarvan de verdedigers in panische angst bij het zien van al het verschillend wapentuig zichzelf met al degenen die in de versterkingen hun toevlucht hadden gezocht, overgaven. Ze kregen bevel naar buiten te komen en de sleutels over te geven, waarna de Perzen alles wat er bijeengebracht was buit maakten. Ook de vrouwen werden, verdoofd van angst, naar buiten gesleurd, met hun kinderen aan hun rokken geklemd - stumpers die op hun jonge leeftijd al zo’n grote ellende moesten meemaken. 3.En toen de koning, door te vragen van wie ze de echtgenoten waren, die van Craugasius gevonden had, liet hij de vrouw, die bang was dat haar geweld zou worden aangedaan, bij zich komen met de verzekering dat ze niets te vrezen had. Gerustgesteld en tot aan de lippen met een zwarte sluier bedekt, deed ze dat, waarna hij haar, één en al tegemoetkomendheid, beloofde dat ze haar man terug zou krijgen en haar eer ongeschonden zou behouden. Hij had namelijk begrepen, dat haar man haar buitengewoon liefhad, en dacht dat hij met haar als prijs misschien de overgave van Nisibis zou kunnen kopen. 4.Ook werden er maagden aangetroffen die naar christelijk gebruik aan de eredienst van hun God waren gewijd. Hij verbood hen aan te raken en liet ze onbelemmerd hun godsdienst beoefenen zoals ze gewoon waren. Zo wendde hij voor het moment welwillendheid voor om degenen, die hij eerst door zijn hardheid en wreedheid angst had aangejaagd, uit eigen beweging en zonder vrees naar hem toe te doen komen nu ze door deze recente voorbeelden zagen hoe hij zijn enorme macht met mildheid en toegeeflijkheid wist te temperen.
Noten
1.Van de in het volgende genoemde koningen der Alamannen vochten Hortarius, Suomarius, Urius, Ursicinus, Vadomarius (tegen zijn zin) en Vestralpus in Straatsburg, Hariobaudes en Macrianus niet. Met Hortarius en Suomarius was vrede gesloten. Vadomarius verliet zich op een eerder vriendschapsverdrag met Constantius.Hariobaudes en Macrianus kwamen zich nu onderwerpen. Urius, Ursicinus en Vestralpus kregen na een mislukte voorspraak van Vadomarius pas een vredesregeling nadat de Romeinen hen nog eens mores hadden geleerd. retour
2.Verder
komt niet meer aan de orde waartoe ze dienden.retour
3.Barbatio
was Silvanus opgevolgd als magister peditum.
Zie voor Silvanus boek xv,5.retour
4.De
Pers Zopyrus speelde als infiltrant de stad Babylon door een list in handen
van Darius. Zie Herodotus, III,153-160.retour
5.Homerus,
Odyssee, XIII,1 vv.retour
6.In
348 werd hier Constantius verslagen.
7.Eigenlijk
een fetialis, een priester van een
bepaalde kaste in het oude Rome die bij formaliteiten met betrekking tot
oorlogen betrokken waren.
8.Een
eiland dat men zich ver, ver weg in het noorden dacht, equivalent met ‘aan
het einde van de wereld’.
9.Ammianus
was in Ursicinus’ gezelschap.
11.Dit
alles juist toen Ammianus voorbijstoof...
12.Rivieren
in noordwest Klein-Azië.
15.Een
volk westelijk van de Kaspische Zee.
16.Xerxes
telde er zijn leger door de manschappen per tienduizend binnen een omheining
te persen. Zie Herodotus VII,59.
17.Sabinianus
was kennelijk een christen en vereerde er de martelaren in hun martyria.
19.Magnentiaci en Decentiaci, troepen geronseld door Magnentius en zijn broer Decentius. De andere genoemde ‘legioenen’ waren waarschijnlijk detachementen of op zich staande troepen. retour