BOEK XVIII

  1. Julianus bevordert de belangen der Galliërs en ziet toe op de rechtshandhaving

  1.Dit alles vond in één en hetzelfde jaar plaats in verschillende delen van het rijk. In het jaar [359] nu, waarin de gebroeders Eusebius en Hypatius de eretitel van consul ontvingen, was de toestand in Gallië dusdanig verbeterd dat Julianus, die in Parijs overwinterde, zich koesterend in de bewondering om zijn onafgebroken reeks successen, de zorgen van de oorlogen enige tijd van zich af kon zetten. Intussen trof hij met zorg een aantal maatregelen ter bevordering van de welstand van de provincies. Met name zag hij erop toe dat niemand met te hoge aanslagen werd belast, dat potentaten zich niet aan andermans goed vergrepen, dat lieden die zich hadden verrijkt aan de ellende van de gemeenschap geen openbare functies kregen en geen enkele autoriteit ongestraft het recht met voeten trad. 2.Wat dit laatste betrof, droeg hij niet weinig bij tot verbetering van de situatie door persoonlijk rechtsgedingen te beslechten wanneer het belang van een zaak of het aanzien van de betrokken partijen dat vorderde, waarbij hij consequent recht van onrecht onderscheidde. 3.En hoewel van zijn opmerkelijk optreden in rechtszaken heel wat voorbeelden te geven zijn, wil ik volstaan met één geval aan te halen dat kenmerkend is voor hoe hij sprak en deed. 4.Numerius, die tot voor kort gouverneur was geweest van Gallia Narbonensis, was aangeklaagd wegens verduistering en werd door Julianus in tegenwoordigheid van iedereen die de openbare rechtszitting wenste bij te wonen aan een bijzonder streng verhoor onderworpen. Toen hij zich verdedigde door het feit te ontkennen en op geen enkel punt kon worden weersproken, riep Delphidius, een gehaaide aanklager, die hem fel attaqueerde en zich opwond over het gebrek aan bewijs: ‘Machtige caesar, kan iemand ooit schuldig worden bevonden als het voldoende is te ontkennen?’ Waarop Julianus hem gevat onmiddellijk antwoordde: ‘Kan iemand ooit onschuldig worden geacht als het voldoende is hem te hebben beschuldigd?’ Dit was maar een van zijn vele bons mots.

2. Julianus laat de door hem veroverde vestingen langs de Rijn herstellen. Hij   steekt de Rijn over, verwoest een vijandig deel van Alamannië en dwingt vijf koningen der Alamannen vrede te sluiten en hun gevangenen terug te geven  

1.Aangezien de Alamannen in een aantal gouwen in een vijandige stemming verkeerden en dreigden zich in een gevaarlijk avontuur te storten wanneer ze niet, zoals de rest, tot de orde werden geroepen, zag Julianus zich genoodzaakt een expeditie tegen hen uit te rusten. De vraag die hem daarbij bezig hield was, met welke troepensterkte en hoe snel hij, zodra dit redelijk doenbaar was, hun gebieden zou kunnen binnenvallen vóór het bericht hen bereikte dat hij in aantocht was. Na verschillende plannen te hebben overwogen, besloot hij tenslotte een lijn te volgen waarvan de uitkomst achteraf de juistheid bewees. Zonder dat iemand ervan wist, zond hij de tribuun boven de sterkte Hariobaudes, een man van bewezen trouw en moed, zogenaamd als gezant naar Hortarius,1 een koning met wie vrede was gesloten, om vanuit diens gebied uit te vorsen wat zich afspeelde in de grensstreken van het volk waartegen zijn oorlogsvoorbereidingen gericht waren. Hij was namelijk goed bekend met de taal der barbaren. 3.Toen de tribuun goedsmoeds op weg was om deze opdracht uit te voeren, commandeerde Julianus zelf bij het aanbreken van het gunstige jaargetijde van overal zijn soldaten op voor de veldtocht en vertrok met als eerste belangrijke doel, vóór de aanvang van de eigenlijke campagne de eerder verwoeste en verlaten steden opnieuw te bezetten en te versterken en graanschuren te bouwen ter vervanging van die verbrand waren, om het koren te kunnen opslaan dat gewoonlijk uit Britannië werd aangevoerd. 4.Het een zowel als het ander ging voorspoediger dan gedacht. Want niet alleen kwamen de granaria snel van de grond en werd daarin voldoende voedsel opgeslagen, maar werden ook zeven steden bezet: Castra Herculis [?], Quadriburgium [Schenkenschanz], Tricensima [Kellen], Novesium [Nuys], Bonna [Bonn], Antennacum [Andernach] en Vingo [Bingen], waar door een gelukkig toeval ook de prefect Florentius onverwacht verscheen aan het hoofd van een deel van de troepen, met bovendien een voorraad levensmiddelen genoeg voor een lange tijd. 5.Toen dit alles gebeurd was, moesten de muren van de ingenomen steden nog worden hersteld. Geen vijand stoorde daarbij, zodat het wel leek alsof de barbaren toen uit vrees, de Romeinen uit toewijding aan hun aanvoerder het belang van de staat dienden. 6.Uit hoofde van een pact dat een jaar eerder gesloten was, zonden de [onderworpen] koningen ons wagens met een grote hoeveelheid bouwmateriaal, terwijl de hulptroepen, die zulk werk gewoonlijk beneden hun waardigheid achtten, zich door Julianus met vriendelijke woorden lieten bepraten en gewillig balken van vijftig voet of langer op hun schouders namen en zich zo nuttig maakten in de bouw. 7.Toen dit werk dankzij deze inzet al aardig opschoot, keerde Hariobaudes terug van zijn verkenningen en berichtte wat hij had ervaren. Na zijn aankomst trokken alle eenheden in geforceerde dagmarsen op naar Mogontiacum [Mainz]. Daar drongen [de praefectus praetorio van Gallië] Florentius en [de magister equitum] Lupicinus (de opvolger van Severus) er sterk op aan, op die plaats een brug over de Rijn te slaan en de rivier over te steken. Maar Julianus verzette zich krachtig tegen dat voorstel met als argument dat het fout zou zijn zich op gepacificeerd gebied te begeven, omdat (zoals zo vaak gebeurt) door lomp optreden van de soldaten van alles verwoest zou worden wat op hun weg kwam en daardoor onbedoeld de verdragen zouden worden geschonden. 8.De Alamannen die het doel waren van onze expeditie en zich onmiddellijk bedreigd voelden, waarschuwden trouwens in niet mis te verstane bewoordingen koning Suomarius, met wie wij een verdrag hadden gesloten, de Romeinen niet op zijn gebied toe te laten. Het waren namelijk zíjn gouwen die aan de overzijde aan de rivier grensden. Toen deze echter verklaarde dat hij alléén niet in staat was ons tegen te houden, verenigden de barbaren zich tot één grote horde, die naar de omgeving van Mainz kwam om de oversteek van ons leger met alle geweld te verhinderen. 9.In tweeërlei opzicht bleek het dus verstandig wat de caesar adviseerde, namelijk de gebieden van bevriende volken niet te schenden en niet op die plek tegen het verzet van een krijgshaftig volk in en met levensgevaar voor veel soldaten een brug te bouwen, maar dat verderop te doen, op een meer geschikte plaats. 10.De vijanden volgden ons doen en laten met de grootste oplettendheid, terwijl ze langs de andere oever langzaam met ons mee optrokken. Maar als ze van verre zagen dat wij in bivak gingen, bleven zij van hun kant de nacht door waken, erop lettend dat geen oversteek gewaagd werd. 11.Toen onze troepen tenslotte aankwamen op de plaats die we op het oog hadden, werd rust gecommandeerd achter wal en gracht en vroeg Julianus, na overleg met Lupicinus, vertrouwde tribunen driehonderd lichtgewapende manschappen van puntige stokken te voorzien, maar ze in het ongewisse te laten over wat en waarheen ze daarmee moesten.2 12.En toen de nacht al gevorderd was, werden die voorzover mogelijk ingescheept in kleine patrouilleboten (waarvan er maar veertig beschikbaar waren) met de opdracht de rivier af te zakken, maar heel stil - de riemen moesten boven water blijven - om de barbaren niet door het geluid van gekabbel of golfslag te alarmeren, en terwijl die op onze wachtvuren gefixeerd waren, behoedzaam en snel op de andere oever aan land te gaan. 13. Dit werd met bekwame spoed ten uitvoer gebracht. Ondertussen onthaalde koning Hortarius, die al langer onze bondgenoot was en bepaald geen verraad in de zin had maar ook met zijn naburen in vriendschap leefde, alle koningen, prinsen en hun verwanten op een groot maal en hield ze lang bij zich, zodat dit naar ’s lands wijs wel tot de derde nachtwake duurde. Het toeval nu wilde dat onze soldaten deze gasten, toen ze vertrokken, plotseling voor de voeten kregen. Ze slaagden er weliswaar niet in hen te doden of gevangen te nemen, aangezien ze, gedekt door de duisternis te paard op goed geluk uiteenstoven, maar doodden wel hun volgelingen en dienaren die er te voet achteraan gingen (voorzover het nachtelijk duister hun tegen dat gevaar geen bescherming bood). 14.Toen het de koningen daardoor duidelijk werd dat er Romeinen waren overgestoken (die overigens dachten, dat ze nu, zoals in voorgaande expedities, na een geslaagd contact met de vijand even van hun inspanningen konden bijkomen), vluchtten ze met hun stamgenoten, die er voornamelijk op gespitst waren geweest de bouw van een brug te verhinderen, in paniek alle kanten uit. Later, toen de ergste opwinding voorbij was, brachten ze haastig hun mensen en hun bezittingen verder weg. Op slag was ons hele probleem opgelost: we bouwden de brug en voordat de barbaren er erg in hadden, verschenen onze troepen in hun gebied. Door het land van Hortarius trokken ze zonder het schade toe te brengen. 15.Maar toen ze de gouwen van de nog vijandige koningen bereikten en dit rebellengebied onbedreigd konden doorkruisen, plunderden en verbrandden ze daar alles. Nadat ze de eenvoudige, omheinde behuizingen in de as hadden gelegd, een groot aantal mannen hadden gedood, velen hadden zien vallen en anderen om genade zien smeken, en aankwamen in de streek Capillacii of Palas geheten, waar grensstenen de scheiding markeerden tussen de gebieden van de Alamannen en de Burgundiërs, werd halt gehouden om in het kamp de geduchte koninklijke gebroeders Macrianus en Hariobaudus te ontvangen, die uit vrees voor een dreigende catastrofe een vredesregeling kwamen vragen. 16.Direct na hen kwam ook koning Vadomarius, wiens woongebied aan dat van de Rauraciërs grensde, die zich kon beroepen op een brief van keizer Constantius waarin hij warm werd aanbevolen, en dus - zoals het hoorde - vriendelijk ontvangen werd als een oude door de keizer geaccepteerde beschermeling van de Romeinse staat. 17.Toen Macrianus met zijn broer werd binnengeleid in een ruimte waar de adelaars en de veldtekenen waren opgesteld, verbaasde hij zich over de pracht van de wapens en de tekens van onze macht, die hij toen voor het eerst aanschouwde, en pleitte hij voor zijn stamgenoten. Vadomarius van zijn kant, die niet ver van de grens woonde en met ons doen en laten vertrouwd was, bewonderde wel de pronk van de tentoongestelde uitrusting, maar had zoiets sinds zijn vroegste jeugd al vaker gezien. 18.Na langdurig overleg werd met algemene goedkeuring tenslotte aan Macrianus en Hariobaudus een vredesregeling aangeboden, maar aan Vadomarius, die niet alleen gekomen was om zijn eigen veiligheid bevestigd te zien, maar ook, als hun gezant en voorspreker, om vrede te vragen voor Urius, Ursicinus en Vestralpus, kon [op dit laatste punt] voorlopig nog geen antwoord worden gegeven, omdat het niet zeker was, gezien de nogal wankele trouw van barbaren, of die zich niet, moed vattend na onze aftocht, weinig zouden bekommeren om wat ze door tussenkomst van een ander hadden verkregen. 19.Pas toen we hun oogst en hun huizen in brand hadden gestoken en velen van hen hadden gevangen genomen en gedood, stuurden ze ook zelf gezanten met smeekbeden, alsof zíj zulke daden tegen ons hadden begaan, en konden ze een vredesregeling krijgen onder dezelfde voorwaarden, waaronder speciaal de eis, al degenen die ze bij hun veelvuldige rooftochten gevangen hadden genomen, terug te geven.

  3. Waarom de magister peditum Barbatio en zijn vrouw op bevel van keizer Constantius worden onthoofd  

1.Terwijl dit dankzij een hemelse voorziening in Gallië goed afliep, ontstond in kringen rond de keizer hevige opwinding, waarvan de aanleiding onbetekenend was, maar de afloop rouw en jammer met zich bracht. In de woning van de toenmalige infanteriecommandant Barbatio3 had zich een opmerkelijk grote zwerm bijen genesteld. De man consulteerde daarover bezorgd deskundigen in het duiden van voortekenen, die hem zeiden dat dit een groot gevaar aankondigde - een gissing die kennelijk daarop berustte, dat deze insecten, als ze eenmaal een nest hebben gebouwd en er hun voedselvoorraad in hebben aangelegd, slechts met rook en veel lawaai van bekkens te verjagen zijn. 2.Barbatio’s vrouw heette Assyria en was een klets en onverstand. Want toen haar man van huis was, op expeditie - piekerend over de voorspelling, die hij maar niet uit zijn hoofd kon zetten - nam ze een slavin in vertrouwen die uit de nalatenschap van Silvanus kwam en een soort geheimschrift kende, en schreef hem met haar hulp, gedreven door vrouwelijke ijdelheid, een domme brief. Bijna onder tranen smeekte ze Barbatio daarin, haar na de spoedig te verwachten dood van Constantius, wanneer hijzelf zoals hij hoopte aan de macht zou komen, niet te verstoten om met Eusebia te huwen, die toen keizerin was en een bijzonder mooie vrouw. 3.Ze verzond die brief in het grootst mogelijke geheim, maar toen allen van de expeditie waren teruggekeerd, ging de slavin aan wie ze hem gedicteerd had stiekem in de eerste stille uren van de nacht met een kopie naar Arbetio, die hem gretig in ontvangst nam. 4.Arbetio, die anderen graag in diskrediet bracht, dacht daarmee namelijk een interessante aanwijzing in handen te hebben en informeerde daarover de keizer. De zaak werd daarop zoals gebruikelijk onmiddellijk in onderzoek genomen. Barbatio erkende de brief te hebben ontvangen, terwijl op grond van harde bewijzen werd vastgesteld dat zijn vrouw hem had geschreven. Dus werden beiden onthoofd. 5.Nadat zij waren gestraft, haalde nog lange tijd het ene onderzoek het andere uit, waarbij velen, schuldig of niet, werden gefolterd, onder wie ook de tribuun Valentinus, een voormalige officier van de Protectores, die, hoewel hij volstrekt niet wist wat er was gebeurd, verschillende malen werd gemarteld, maar dit overleefde en als vergoeding voor het onrecht hem aangedaan en het gevaar waarin hij had verkeerd, bevorderd werd tot bevelhebber in Illyricum. 6.Nu was die Barbatio een nogal lompe man met aanmatigende manieren. Bij velen was hij gehaat omdat hij als commandant van de lijfwacht onder caesar Gallus een laffe verradersrol had gespeeld, en na diens dood, onbeschaamd paraderend met zijn hogere militaire rang, op dezelfde manier caesar Julianus was beginnen verdacht te maken. Fatsoenlijke lieden verachtten hem om de roddels die hij de goedgelovige Constantius vaak influisterde. 7.Hij kende zeker het gezegde niet van de oude Aristoteles, die zijn leerling en achterneef Callisthenes naar koning Alexander [de Grote] zond na hem keer op keer te hebben gemaand zo weinig mogelijk te spreken en dan in elk geval altijd positief in tegenwoordigheid van een man, die op de punt van zijn tong de macht had over leven en dood. 8.Het is ook niet verwonderlijk dat de mens, wiens geest, zoals we denken, verwant is aan de hemelingen, meestal het nuttige weet te onderscheiden van wat schadelijk is, want zelfs de redeloze dieren zoeken veiligheid door zich stil te houden, waarvan het volgende een bekend voorbeeld is. 9.Ganzen, die in de hitte van de zomer het oosten verlaten en op hun trek naar westelijke streken boven het Taurusgebergte komen, waar het wemelt van de adelaars, nemen uit vrees voor die machtige vogels kiezels in hun bek om zelfs in uiterste nood geen geluid te geven, en laten ze weer vallen zo gauw ze dat gebergte zijn overgetrokken en veilig verder kunnen vliegen.

4. De koning der Perzen, Sapor, treft voorbereidingen voor een grote aanval op de Romeinen   

1.Terwijl die geschiedenis in Sirmium werd onderzocht, stak het Lot van de Oriënt alweer de gevreesde alarmtrompet. Want de Perzische koning Sapor, die intussen een aantal woeste volksstammen aan zich had onderworpen en onverzadigbaar dorstte naar verdere gebiedsuitbreiding, had zijn troepen, bewapening en voorraden zo georganiseerd (de krachten der onderwereld bij zijn plannen betrekkend door voorspellende geesten over de toekomst te consulteren) dat hij klaar was voor een bliksemoorlog bij het aanbreken van de eerste zachte lentedagen. 2.Toen eerst geruchten, daarna berichten van betrouwbare zegslieden daarover binnenkwamen en angst voor komend onheil zich van ieder meester maakte, hamerde een hofkliek, met de eunuchen voorop, dag en nacht (volgens de uitdrukking) in de smidse op hetzelfde aambeeld, in allerlei variaties tegenover de wantrouwige en vreesachtige keizer herhalend dat Ursicinus, die ze hem afschilderden met ongeveer de gruwelijke kop van een Gorgo, na de dood van Silvanus zogenaamd bij gebrek aan een betere opnieuw naar het oosten gezonden om die gebieden te verdedigen, naar een hogere macht streefde. 3.Door zulk achterbaks en kruiperig gekonkel probeerden sommigen in de geur te komen bij Eusebius, de cubiculi praepositus van Constantius, op wie deze, om de waarheid te zeggen, sterk leunde, en die om twee redenen op Ursicinus gebeten was, ten eerste omdat die hem niet zoals anderen gelegenheid verschafte zich te verrijken, en ten tweede hem zijn huis in Antiochia niet wenste over te doen, waarover Eusebius hem hardnekkig lastig viel. 4.Zoals een slang, kwijlend van een overvloed aan gif, haar talrijke kroost dat nog nauwelijks kan kruipen, ophitst tot bijten, zo liet Eusebius zijn (volwassen) kamerdienaren tijdens hun werkzaamheden in de privé vertrekken met hun hoge en vleierige kinderstemmen, ten aanhoren van de keizer, die daarvoor maar al te ontvankelijk was, de reputatie van Ursicinus met ernstige verdachtmakingen ondermijnen. Die deden zonder mankeren wat hun gezegd werd. 5.Uit walging voor dit soort lieden prijs ik van harte de vroegere keizer Domitianus, die weliswaar anders dan zijn vader en zijn broer de herinnering aan zijn naam met een onuitwisbare schandvlek heeft bezoedeld, maar eer heeft ingelegd met een uiterst welkome wet, die onder strafbedreiging verbiedt binnen het Romeinse rechtsgebied een knaap te ontmannen. Als dit niet was gebeurd, hoe zou iemand hele horden van zulk soort kunnen verdragen als er een paar al onuitstaanbaar zijn? 6.Eusebius ging echter voorzichtig te werk om te voorkomen dat Ursicinus, mocht hij weer naar het hof worden ontboden (waarmee hij rekening hield) en gevaar vermoedde, alles in de war zou schoppen. Wanneer het toeval daarvoor de gelegenheid zou scheppen, zou hij dus bij voorkeur snel uit de weg geruimd moeten worden. 7.Terwijl daar zo in het geheim gewroet werd, maar het nog niet tot een besluit was gekomen, verbleven wij [Ursicinus en Ammianus] tijdelijk in Samosata, de befaamde hoofdstad van het voormalige koninkrijk Commagene. Daar drongen plotseling betrouwbare geruchten tot ons door over een nieuw voorval, waarover het volgende deel van deze historie zal gaan.

5. De protector Antoninus loopt met zijn gezin over naar Sapor en spoort hem aan tot een oorlog tegen de Romeinen (waarvoor deze zich al opmaakt)

  1.Een zekere Antoninus, een voormalige zakenman in goeden doen en rationarius van de gouverneur van Mesopotamië en tenslotte een van diens protectors, een ervaren en bezonnen man met een uitstekende naam in die hele provincie, had door de hebzucht van bepaalde machtige lieden grote verliezen geleden. Toen hij tegen hen begon te procederen, ervoer hij dat hij meer en meer in de knel raakte door de onrechtvaardigheid van de kant van degenen die zijn zaak onderzochten maar op de hand waren van zijn machtigere tegenpartij. Daarop besloot hij de verzenen niet tegen de prikkels te slaan, zich meegaand en toegeeflijk op te stellen en zijn schuld (die ondershands aan de fiscus was overgedragen) te erkennen. Maar hij had een geweldig plan in zijn hoofd. In het geheim begon hij inlichtingen te verzamelen over de verschillende situaties in het rijk, en omdat hij beide talen beheerste [zowel het Latijn als het Grieks], was hij in staat bij te houden en te beschrijven welke legeronderdelen op welke sterkte overal actief waren, wanneer expedities werden gepland en, door stelselmatig navraag te doen, vast te stellen of grote voorraden wapens, proviand en andere benodigdheden wezen op de voorbereiding van een oorlog. 2.Zo verkende hij de hele Oriënt en stelde hij vast dat het grootste deel van het leger met onderhoud en al over Illyricum was verdeeld, waar de keizer zich om dringende redenen ophield. En toen de vervaldag van zijn schulden begon te naderen, waarvoor hij met geweld en dreigementen gedwongen was geweest een wissel af te geven, en hij voorzag dat hij aan alle kanten in de problemen ging raken, aangezien de comes largitionum hem ten gerieve van zijn tegenpartij steeds meer in het nauw dreef, zette hij alles op alles om met vrouw en kinderen en al de zijnen naar de Perzen te kunnen vluchten. 3.Om de grensposten te misleiden kocht hij voordelig een landgoed in Iaspis (een plaats vlak aan de Tigris gelegen). En aangezien niemand op het idee kwam, hem als eigenaar daarvan (met trouwens een hele huishouding) te vragen waarom hij eigenlijk naar dat grensgebied van het rijk was verhuisd, kon hij zo, listig, met behulp van trouwe vrienden die de zwemkunst machtig waren, in het geheim vaak Tamsapor ontmoeten, de militaire bevelhebber onder wiens gezag het hele gebied stond aan de overzijde van de rivier, en die hij al van vroeger kende, tot hij, geholpen door handige knapen uit het Perzische kamp, in het holst van een nacht met zijn hele familie op vissersboten werd overgezet (zoals, maar dan omgekeerd, Zopyrus, de beruchte verrader van Babylon4). 4.Dit gebeurde in Mesopotamië. Intussen zong het koor van de paleisintriganten nog steeds het oude lied, met als refrein onze vernietiging, en vond tenslotte inderdaad een gelegenheid de goede Ursicinus te beschadigen, daarbij geprikkeld en gesteund door het gezelschap eunuchen, die, gevoelloos en zuur als ze zijn, bij gebrek aan ander kroost rijkdommen als hun favoriete dochters aan hun borst drukken. 5.Besloten werd Sabinianus, een ontwikkelde en welgestelde oudere man, die echter ongeschikt was voor de oorlog omdat hij elke persoonlijke moed miste en vanwege zijn onbekendheid op geen stukken na in aanmerking kwam voor zo’n hoge functie, als bevelhebber naar het oosten te zenden en Ursicinus, om Barbatio op te volgen als infanteriegeneraal, terug te roepen naar het hof, waar deze veronderstelde eerzuchtige intrigant blootgesteld zou zijn aan de aanvallen van verbeten vijanden. 6.Terwijl dit zich afspeelde aan het hof van Constantius, alsof het een bordeel was of een theater, en omkopers in de huizen van de machtigen de steekpenningen betaalden voor de stemmen die ze hadden gekocht [ten gunste van Sabinianus], werd Antoninus naar het winterverblijf van de koning geëscorteerd, waar hij met open armen werd ontvangen en vereerd werd met de onderscheiding van de tiara, die het recht gaf aan te zitten aan de koninklijke dis en met andere verdienstelijke personen in vergaderingen advies te geven en te stemmen. En niet met de trekschuit (om het zo maar eens te zeggen), dat wil zeggen niet in vage termen of halve bewoordingen, maar met volle zeilen voer hij uit tegen onze staat en stookte hij de koning tegen ons op, zoals ooit Maharbal de traagheid van Hannibal bekritiseerde, die voortdurend van hem te horen kreeg dat hij wèl wist hoe een overwinning te behalen, maar niet hoe die uit te buiten. 7.Als een man van de wereld en overal van op de hoogte, vond hij een aandachtig, ja gretig gehoor bij de Perzen, die hem niet openlijk toejuichten, maar hem, gelijk Homerus’ Phaeaken,5 in stilte bewonderden als hij hun de geschiedenis van de laatste veertig jaar in herinnering bracht: hoe na een reeks overwinningen, vooral bij Hileia en Singara,6 waar een buitengewoon fel nachtelijk gevecht was geleverd en onder onze troepen een enorme slachting was aangericht, de campagne plotseling was afgebroken, als door een krijgsheraut7 afgeblazen, en de Perzen ondanks hun triomfen zelfs Edessa of de bruggen over de Euphraat niet bereikt hadden, terwijl ze na hun schitterende successen hun rijk gewapenderhand zo hadden kunnen uitbreiden dat ze nu over heel Azië zouden hebben geheerst, temeer daar het puik van de Romeinse soldaten in die tijd in voortdurende burgeroorlogen in telkens twee kampen bloed verloor. 8.Tijdens koninklijke gelagen, waarbij men op de manier van de oude Grieken beraadslaagde over oorlogsvoorbereidingen en andere gewichtige zaken, spoorde de overloper, die zelf nuchter bleef, met deze en dergelijke uiteenzettingen de koning telkens weer aan - voorzover deze een aansporing nodig had - om direct na de winter zijn eindeloos geluk opnieuw te beproeven en weer een expeditie te starten. Antoninus zegde hem zelfverzekerd in vele belangrijke opzichten zijn hulp toe. 

6. De opperbevelhebber in de Oriënt, Ursicinus, wordt daar weggeroepen, maar wordt, als hij al in Thracië is aangekomen, teruggestuurd naar Mesopotamië. Hij laat Marcellinus de bewegingen van Sapor verkennen

  1.In ongeveer dezelfde tijd arriveerde Sabinianus met een hoge borst vanwege zijn onverwacht verkregen commando in de provincie Cilicië en overhandigde aan zijn voorganger de brief van de keizer met de opdracht direct naar het hof te komen om tot een hogere rang te worden bevorderd, en dat nota bene op zo’n kritiek ogenblik, dat, had Ursicinus zelfs op Thule8 verbleven, de ernst van de toestand nog zijn terugroeping [naar het oosten] gevorderd had vanwege zijn grote kennis van de oude [militaire] discipline en zijn lange praktijkervaring met de Perzische wijze van oorlogvoeren. 2.Het gerucht daarover bracht in de provincies grote opschudding teweeg: stadsbesturen en burgerij trachtten met decreten en acclamaties, bijna door hem lijfelijk vast te grijpen, hun beschermheer voor zich te behouden, want hoewel hij voor hun bescherming daar gelegerd was met ongemotiveerde en gemakzuchtige troepen, had hij tien jaar lang geen enkele nederlaag hoeven te incasseren. Bovendien vreesden ze het ergste voor hun veiligheid na het bericht dat na zijn afzetting, juist in zo’n spannende tijd, een volkomen onbekwaam man in zijn plaats zou komen. 3.Wij denken - waarom zouden we niet? - dat de Godin Fama zich op vleugels door de lucht verplaatst, omdat de verspreiding van dit nieuws door haar toedoen de aanleiding was voor krijgsraad bij de Perzen. Na lang delibereren werd daar op aanraden van Antoninus besloten, nu Ursicinus uit de weg was en de nieuwe bevelhebber niet te vrezen, af te zien van de belegering van steden, waarbij met zware verliezen moest worden gerekend, direct de Euphraat over te steken, dan door te stoten en sneller dan het gerucht daarover zich zou kunnen verspreiden de provincies te bezetten die in alle vorige oorlogen (behalve in de tijd van Gallienus) buiten schot waren gebleven en in die lange periode van vrede zeer welvarend waren geworden. Antoninus verzekerde hun met gods hulp in die onderneming een nuttige gids te kunnen zijn. 4.Dit plan werd enthousiast en met algemene stemmen goedgekeurd. Toen kreeg men het druk met van alles wat snel moest worden geregeld, en de hele winter door werden troepen gemobiliseerd en voorraden, wapens en andere benodigdheden voor de komende expeditie in gereedheid gebracht. 5.Intussen hielden wij 9 ons enige tijd aan deze kant van het Taurusgebergte op. Daarna reisden we, zoals bevolen, snel verder naar Italië en kwamen in de buurt van de rivier de Hebrus [de Maritza], die uit het berggebied van de Odrysen komt. Daar bereikte ons een schriftelijk bevel van de keizer, zonder enig excuus, onmiddellijk naar Mesopotamië terug te keren om de leiding over de komende campagne op ons te nemen (van enige ondersteuning was geen sprake), let wel, terwijl het opperbevel aan een ander [Sabinianus] was opgedragen! 6.Dit was door de onvolprezen tactici ten paleize bedacht om, als de Perzen zich na het mislukken van hun actie zouden terugtrekken, een schitterend succes aan de kundigheid van de nieuwe opperbevelhebber te kunnen toeschrijven, maar als de zaken minder gunstig zouden aflopen, Ursicinus te kunnen beschuldigen van plichtsverzuim tegenover de staat. 7.Dit alles bedachten wij en aarzelden lang, maar keerden tenslotte om en meldden ons bij Sabinianus, een opgeblazen man, maar miezerig om te zien, enghartig en kleingeestig, een belachelijke angsthaas, nog niet opgewassen tegen een beetje herrie aan tafel, laat staan tegen het lawaai van een veldslag. 8.Omdat verkenners ons voortdurend nadrukkelijk verzekerden dat bij de vijand koortsachtige bedrijvigheid heerste - berichten die door overlopers werden bevestigd - en ‘het mannetje’10 niets deed dan geeuwen, vertrokken wij haastig naar Nisibis om de nodige maatregelen te treffen voor het geval de Perzen, hoewel ze anders veinsden, een verrassingsaanval op de stad in de zin hadden. 9.En terwijl daar binnen de muren snel orde op zaken werd gesteld, waren in het hele gebied vanaf de Tigris met Castra Maurorum en Sisara tot aan de stad [Nisibis] toe voortdurend ongewoon veel rookwolken en flikkerende vuren te zien, onmiskenbaar het werk van benden Perzische plunderaars die de rivier waren overgestoken. 10.Bang dat de wegen daardoor geblokkeerd zouden worden, reden we snel verder, en bij de tweede mijlsteen gekomen zagen we een aardig jongetje met een halsketting om, een ventje van een jaar of acht schatten we, midden op de weg zitten huilen. Hij zei, dat zijn vader een grote meneer was, dat zijn moeder in paniek was gevlucht toen ze Perzen zag aankomen en hem van de zenuwen alleen had gelaten. Toen ik hem op verzoek van Ursicinus, die medelijden met hem had, vóór op mijn paard nam en naar de stad bracht, zwierven de plunderaars al overal rond en waren zelfs begonnen aan een aarden wal om de muren van de stad. 11.Omdat ik niet in de ellende van een belegering terecht wilde komen, zette ik het kind af bij een half openstaande achterpoort en voegde me zo snel ik kon, buiten adem, bij onze troep. Het scheelde trouwens weinig of ik was gegrepen. 12.Want toen een zekere Abdigildus, een tribuun, met zijn oppasser werd opgejaagd door een bende Perzische ruiters, en de man zelf vluchtend wist te ontkomen maar zijn knecht werd gegrepen, vroegen ze die, juist toen ik voorbij stoof, welke commandant zojuist gepasseerd was, en horend dat het Ursicinus was, die kort tevoren in de stad was aangekomen en nu op weg was naar de berg Izala, doodden ze de arme kerel,11 trommelden nog anderen bij elkaar en zetten mij aan één stuk door achterna. 13.Dankzij mijn snelle paard bleef ik ze vóór tot ik Amudis bereikte, een licht versterkt fort, waar ik de onzen op hun gemak zag liggen uitrusten terwijl hun paarden verspreid aan het grazen waren. Ik greep mijn mantel bij de kraag bij elkaar en zwaaide ermee met gestrekte arm boven mijn hoofd, het gewone teken, waarmee ik te kennen gaf dat de vijand ophanden was, en samen met hen, al begon mijn paard tekenen van vermoeidheid te tonen, joeg ik verder. 14.We waren ongerust over het feit, dat het die nacht volle maan was en de wijde vlakte geen enkele schuilplaats bood, mocht zich iets ernstigs voordoen, want om ons heen zagen we bomen noch struiken, alleen lage begroeiing. 15.Dus bedachten we een list: we bonden een brandende lantaarn stevig vast op een pakpaard zodat ze niet los kon raken, en terwijl we zelf naar rechts in de richting van bergachtig gebied uitweken, joegen we het dier zonder berijder naar links, zodat de Perzen, in de veronderstelling dat daar de commandant ging en met een talktoorts werd voorgelicht, natuurlijk die kant op zouden gaan. Hadden we die voorziening niet getroffen, we zouden zeker omsingeld en gevangen genomen zijn en zo in handen van de vijand zijn geraakt. 16.Aan dit gevaar ontsnapt, kwamen we in een bosrijk gebied, beplant met wijnstokken en vruchtbomen, Meiacarire genaamd [in het Syrisch] naar de ijskoude waterbronnen daar, waar alle bewoners gevlucht bleken en we een eenzame soldaat aantroffen die zich in een schuilhoek verborgen hield. Voor de commandant gebracht, gaf hij uit angst allerlei tegenstrijdige informatie, wat wij verdacht vonden, maar onder zware druk gezet kwam hij met de hele waarheid voor de dag en vertelde dat hij geboren was in Gallië, in Parijs, bij de ruiterij had gediend, maar uit vrees voor straf wegens een misstap die hij had begaan, naar de Perzen was overgelopen en vervolgens, toen hij betrouwbaar was gebleken, een vrouw had getrouwd en kinderen gekregen, als spion naar onze gebieden was gezonden en vaak met bruikbare berichten was teruggekeerd. Nu was hij door Tamsapor en Nohodares, die de benden plunderaars aanvoerden, uitgezonden en op weg naar hen terug om te melden wat hij had gezien. Nadat hij nog verteld had wat hij wist over wat bij de vijand gaande was, werd hij gedood. 17.Met toenemende ongerustheid reden we zo snel als onder de gegeven omstandigheden mogelijk was naar Amida [Dyabakir], de stad die nog treurige bekendheid zou krijgen vanwege de rampen die haar troffen. Daar ontvingen we een perkament met geheimschrift dat een van de verkenners die bij ons terugkwamen, in de schede van zijn zwaard verborgen had en dat afkomstig was van Procopius, die, zoals ik eerder heb vermeld, enige tijd daarvóór met de comes Lucillianus als gezant naar de Perzen was gezonden. Hij meldde ons nu in duistere bewoordingen (want als de dragers zouden worden gegrepen en van de inhoud van het bericht [door de vijand] kennis kon worden genomen, zou dat catastrofale gevolgen hebben): 18.‘De gezanten van de Grieken zijn ver weg gebracht en zullen wellicht worden gedood. Niet tevreden met de Hellespont, staat de oude koning op het punt bruggen te slaan over de Granicus en de Rhyndacus12 en met talrijke volken Azië binnen te vallen. Hij is driftig en wreed van aard en wordt geraden en aangemoedigd door de opvolger van de vroegere Romeinse keizer Hadrianus.13 Wanneer Griekenland niet oppast, zal het hopeloos verloren zijn’.19.De feitelijke betekenis van deze woorden was, dat de Perzische koning de rivieren de Anzaba en de Tigris was overgestoken en, aangemoedigd door Antoninus, uit was op de heerschappij over de hele Oriënt. Nadat wij dit er met enige moeite uit hadden gelezen - de tekst was immers duister - werd het volgende slimme plan bedacht. 20.Er was in die tijd te Corduene, dat onder Perzisch bestuur stond, een satraap, in ons land Jovinianus genaamd, een jongeman nog, die in het geheim met ons sympathiseerde sinds hij ooit als gijzelaar in Syrië had verbleven en toen zo in de ban was geraakt van de schoonheid van de vrije wetenschappen dat hij niets liever wilde dan naar ons land terug te keren. 21.Samen met een betrouwbare centurio werd ik naar deze jongeman gezonden om zo nauwkeurig mogelijke inlichtingen te krijgen over wat gaande was, en via woest bergterrein en enge passen wist ik hem inderdaad te bereiken. Toen hij me zag en herkende, werd ik hartelijk ontvangen en deelde ik hem - en hem alleen - de reden van mijn komst mede. Hij gaf mij een zwijgende figuur mee die de streek goed kende, naar hoge rotsen op enige afstand, vanwaar voor iemand met scherpe ogen het allerkleinste object tot op een afstand van wel vijftig mijl zichtbaar was. 22.Daar bleven we twee volle dagen, en toen de zon opging over de ochtend daarna, zagen we onder ons de hele omtrek tot aan de einder (wat we [in het Grieks] de orízontes noemen) overstroomd met ontelbare legereenheden, aangevoerd door de koning in zijn schitterende roodglanzende uitrusting, met links naast hem Grumbates, de koning der Chionieten,14 een tamelijk kleine en onaanzienlijke man, maar trots van aard en vermaard om zijn vele overwinningen, en rechts de koning der Albanen,15  even hoog geplaatst en even hoog in aanzien; achter hen de verschillende aanvoerders, gezaghebbende en machtige persoonlijkheden, die gevolgd werden door een menigte van alle rangen en standen, gekozen uit de besten van de naburige volken, in langdurige beproevingen gewend gevaren te trotseren. 23.Hoe lang nog, Griekenland met uw ongelooflijke verhalen, zult u ons vertellen van de stad Doriskos in Thracië en van de legers die daar in troepen binnen omheiningen werden geteld?16 Want ik ben voorzichtig, of liever terughoudend en vermeld zonder enige overdrijving alleen wat uit geloofwaardige bronnen en zekere bewijzen is komen vast te staan.

 

 

7. Sapor valt met de koningen der Chionieten en Albanen Mesopotamië binnen. De Romeinen steken zelf hun velden in brand, drijven de bewoners van het platteland de steden in en versterken de oever van de Euphraat aan hun kant met forten en wachtposten  

1.Toen de koningen Nineve, een grote stad in Adiabene, waren gepasseerd, midden op de brug over de Anzaba offerdieren hadden geslacht, uit de ingewanden waarvan ze gunstige voortekenen lazen, en in een optimistische stemming waren overgestoken, schatte ik dat de hele verdere krijgsmacht wel meer dan drie dagen nodig zou hebben om naar deze kant te komen en keerde dus snel naar de satraap terug, door wie ik gastvrij onthaald werd. 2.Na op verhaal te zijn gekomen, aanvaardde ik de terugweg, opnieuw door woeste en verlaten streken, moed puttend uit de gedachte dat dit alles noodzakelijk was en sneller opschietend dan ik gedacht had. Ik rapporteerde dus dat de koningen zonder enige omweg over één enkele schipbrug waren overgestoken en bemoedigde diegenen van ons die daardoor van hun stuk raakten. 3.Direct werden ijlboden naar Cassianus gezonden, de militaire bevelhebber van Mesopotamië, en naar Euphronius, de gouverneur van die provincie, met de opdracht alle boeren te dwingen zich met hun gezinnen en al hun vee in veiligheid te brengen, vervolgens de bewoners van Carrhae, een stad die met zwakke muren omgeven was, te evacueren, en tenslotte alle velden in brand te steken, zodat er voor de vijand niets te halen zou zijn. 4.Dit alles werd zonder mankeren uitgevoerd. Toen het vuur was aangestoken, verzengde het met loeiend geweld al het graan dat al rijpte in de goudgele aren en al het welig gewas, zodat van de boorden van de Tigris tot aan de Euphraat geen groen sprietje meer te bekennen viel. Ook veel wilde dieren kwamen daarbij om, vooral leeuwen, die in die gebieden enorm woest zijn. Ze sterven overigens gewoonlijk of worden langzaam blind op de volgende manier: 5.Tussen de rietbossen en het struikgewas van Mesopotamië zwerven ze in grote aantallen rond. Gedurende de milde wintermaanden zijn ze ongevaarlijk, maar wanneer het hete jaargetijde aanbreekt, worden ze in de smoorhitte gekweld door de brandende zon en door zwermen muggen, waarvan die contreien dan vergeven zijn. En omdat die insecten het gemunt hebben op de enige vochtig-glinsterende plekken van hun lichaam, de ogen, zetten ze zich op de randen van de oogleden om te steken. Wanneer de leeuwen die kwelling niet langer kunnen verdragen, storten ze zich in de rivieren om verlichting te vinden en verdrinken, of ze krabben zich net zo lang met hun nagels tot ze zich de ogen uitsteken en blind en volkomen dol worden. Als dit niet gebeurde, zouden deze dieren werkelijk een pest zijn voor de hele Oriënt. 6.Terwijl de velden brandden (zoals gezegd), werden tribunen met manschappen van de garde naar de oever aan onze kant van de Euphraat gezonden om die met schansen, gepunte palen en allerlei andere verdedigingswerken te versterken en op geschikte plaatsen waar de rivier minder woelig was geschut op te stellen. 7.Terwijl dit alles in grote haast werd uitgevoerd, hing Sabinianus, die generaal-eerste-keus voor deze moorddadige oorlog, rond tussen de graven in Edessa,17 alsof hij niets te vrezen had als hij maar vrede had gesloten met de doden, terwijl elk moment moest worden benut om het gevaar dat ons bedreigde, af te weren, en vermaakte zich onbekommerd en volkomen ontspannen, alsof hij alleen maar voor zijn plezier leefde, met de Pyrrhische dansen18 van zijn soldaten - pantomimes met muzikale begeleiding - die nog omineus waren ook, zowel op zichzelf als juist op die plaats, aangezien elk mens bij zijn volle verstand, zoals we langzamerhand weten, zulke treurige schouwspelen die onheil spellen, moet mijden. 8.Intussen hadden de koningen Nisibis, alsof dat een onbetekenende plaats was, links laten liggen en trokken, omdat de branden zich door de overvloed aan droog materiaal steeds verder uitbreidden, om een tekort aan dierenvoer te vermijden, door de groene valleien onder de bergen langs. 9.Bij het dorp Bebase gekomen, vanwaar tot aan de stad Constantina, honderd mijl verderop, alles permanent dor en droog is op wat karig water na in een paar putten, aarzelden ze lang, en juist toen ze, gezien de gehardheid van de manschappen, hadden besloten die woestenij door te kunnen trekken, vernamen ze van een betrouwbare verkenner dat de Euphraat door smeltende sneeuw zo gezwollen was, en zo ver buiten haar oevers was getreden, dat ze nergens kon worden overgestoken. 10.Door deze tegenslag van hun oorspronkelijke plan afgebracht, hielden ze een spoedvergadering om zich over de onverwacht ontstane, penibele situatie te beraden en alternatieven te bedenken. Ook Antoninus werd om zijn mening gevraagd. Die adviseerde meteen naar rechts uit te wijken om met een tamelijk grote omweg door een vruchtbaar gebied met een overvloed aan allerlei voedsel dat door de Romeinen nog gespaard was omdat die meenden dat de vijand rechtdoor zou komen, met hem als gids op de twee vestingplaatsen Barzalo en Claudias af te gaan waar de rivier, dicht bij zijn oorsprong, ondiep en smal en nog niet door zijrivieren gevoed was en dus gemakkelijk kon worden overgestoken. 11.De anderen luisterden aandachtig naar zijn uiteenzetting, prezen zijn voorstel en benoemden hem tot gids op de weg die hij kende; en het hele leger verliet de oorspronkelijke route en volgde hem.

  8. Zevenhonderd Illyrische ruiters worden door de Perzen verrast en op de vlucht gejaagd. Ursicinus en Marcellinus brengen zich in verschillende richtingen in veiligheid

  1.Wij kwamen dit van betrouwbare spionnen te weten en besloten snel op te trekken naar Samosata, daar de rivier over te steken, de bruggen bij Zeugma en Capersana te vernielen en zo (als het geluk met ons was) de vijandelijke aanval te keren. 2.Maar er gebeurde iets schandaligs, dat beter met volledig stilzwijgen kon blijven toegedekt. Want ongeveer zevenhonderd ruiters - twee eskadrons - die kort daarvóór uit Illyricum als versterking naar Mesopotamië waren gezonden, laffe angsthazen, die deze gebieden dus moesten bewaken, trokken zich ’s avonds, wanneer alle wegen juist beter moesten worden gecontroleerd, uit angst voor een nachtelijke overval een eind van de hoofdweg terug. 3.Dit werd opgemerkt door de Perzen, die hen, toen ze dronken in slaap waren gevallen, met zo’n twintigduizend man onder aanvoering van Tamsapor en Nohodares ongezien - want er waren geen wachten uitgezet - passeerden en zich met hun wapens achter hoge heuvels nabij Amida verborgen. 4. Toen wij dus kort daarna, zoals gezegd, in de richting van Samosata marcheerden en in de schemering onderweg waren, ontwaarden we tot onze verrassing plotseling vanaf een hoogte de flikkering van wapens. Opgewonden geschreeuw: de vijand! en het signaal voor een gevecht werd gegeven. Wij stelden ons op in dichte gelederen, maar achtten het raadzaam noch te vluchten, omdat degenen die zeker achter ons aan zouden komen al op zichtafstand waren, noch met deze overmachtige vijand, die bovendien over een superieure ruiterij beschikte, de strijd aan te gaan, wat naar we vreesden een zekere dood zou betekenen. 5.Tenslotte was een gevechtscontact echter onvermijdelijk en terwijl we nog aarzelden over wat we moesten, renden sommigen van ons overmoedig vooruit, maar werden gedood. Steeds dichter naderden beide partijen elkaar, tot Antoninus, die ostentatief voor een troep uit reed, herkend werd door Ursicinus, die hem verwijten toeschreeuwde en hem schold voor verrader en misdadiger. Antoninus echter nam zijn tiara af, die hij als teken van hoge eer op het hoofd droeg, sprong van zijn paard en met zo’n diepe buiging dat hij met zijn gezicht bijna de grond raakte, groette hij Ursicinus, sprak hem aan met ‘patroon’ en ‘heer’, vouwde zijn handen samen op zijn rug, wat bij de Assyriërs een teken is van onderwerping, en zei: 6.‘Vergeef mij, hooggeachte comes, want uit noodzaak, niet uit vrije wil ben ik gekomen tot wat ook ik als een misdaad beschouw. Criminele schuldeisers hebben mij aan de rand van de afgrond gebracht, zoals u weet, en zelfs u in uw mooie, hoge positie hebt niets tegen hun hebzucht kunnen beginnen toen u geprobeerd hebt mij in mijn ellende te verdedigen.’ Met die woorden trok hij zich uit ons gezichtsveld terug - niet dat hij zich omkeerde: eerbiedig achteruit lopend, met zijn gezicht naar ons toe gekeerd, verdween hij. 7.Terwijl dit zich in verloop van een half uur afspeelde, werd vanuit onze achterhoede bovenop een heuvel geroepen dat nog veel meer ruiterij achter ons in zicht kwam en op volle snelheid naderde. 8.En zoals dat gewoonlijk gaat in benarde omstandigheden, wisten we niet tegen welke aanvallers we ons - als we al konden - moesten teweerstellen. Duwend en dringend weken we uit waar we zo gauw maar een mogelijkheid zagen, en terwijl iedereen probeerde aan het gevaar te ontsnappen, kwamen we verspreid in schermutselingen met de vijand terecht. 9.We gaven dus de hoop op, het er levend af te brengen, maar bleven van ons afslaan terwijl we naar de oever van de Tigris werden gedreven, die daar zeer steil is. Sommigen wierpen zich daar naar beneden, maar kwamen, gehinderd door hun wapens, vast te zitten in de ondiepten van de rivier, anderen werden door kolken de diepte in gezogen en verdronken; sommigen vochten man tegen man met de vijand met wisselend succes; anderen zochten in panische angst voor de dichte vijandelijke formaties de dichtstbijzijnde uitlopers van de Taurus te bereiken. 10.Onder hen was de commandant zelf. Hij werd herkend, door een hele troep krijgers omsingeld, maar wist op zijn snelle paard te ontkomen samen met de tribuun Aiadalthes en een paardenknecht. 11. Terwijl ikzelf, van mijn kameraden afgeraakt, rondkeek om te zien wat ik kon doen, kwam Verennianus, een protector, naar me toe met een pijl in zijn dij en bezwoer me die eruit te trekken. Ik probeerde dat, terwijl aan alle kanten om me heen Perzen kwamen opzetten. Met moeite en buiten adem ontkwam ik in de richting van de stad, die hoog op een heuvel lag aan de kant waar wij waren aangevallen en slechts bereikbaar was via een smal en steil pad, dat nog extra nauw was waar steenmolens stonden tussen brokken rots in verband met de aanleg van paden. 12.Daar ergens, tussen de Perzen die zich met ons naar boven worstelden, bleven we tot de volgende dag de zon opkwam onbeweeglijk staan, zo dicht opeengepakt dat de lijken van de getroffenen in het gedrang overeind bleven zonder om te kunnen vallen, en vóór mij een soldaat wiens hoofd met een enorme zwaardslag in tweeën was gespleten, zo, met zijn doormidden geslagen hoofd, aan alle kanten gestut als een paal bleef staan. 13.Vanaf de borstweringen werd door allerlei geschut een regen van pijlen afgeschoten, maar we stonden zo dicht onder de muur, dat dit voor ons geen gevaar opleverde. Tenslotte zag ik kans door een achterpoort de stad binnen te komen en ontdekte dat ze overvol was, aangezien massa’s mannen en vrouwen uit de omgeving daar hun toevlucht hadden gezocht. Toevallig namelijk was er in die dagen buiten de stad ook jaarmarkt geweest, waar behalve de landlieden ook een groot aantal vreemdelingen op af was gekomen. 14.Van alle kanten klonken kreten, van degenen die hun doden betreurden, van de dodelijk gewonden en van degenen die hun dierbaren riepen die ze in de drukte waren kwijtgeraakt.

9. Een beschrijving van Amida. De legioenen en eskadrons daar gelegerd  

1.Amida was niet meer dan een kleine stad tot Constantius, nog als caesar, haar (in dezelfde tijd dat hij een andere stad stichtte, namelijk Antoninupolis) een veilig toevluchtsoord maakte voor de landbewoners door haar te omgeven met machtige muren en torens, bewapend met geschut, een schrik voor de vijand. Hij wilde ook dat ze zijn naam kreeg. 2.Aan de zuidkant wordt ze bespoeld door een bocht in de Tigris, die niet ver daarvandaan ontspringt; waar de oostenwind haar toewaait, ziet ze uit op de vlakte van Mesopotamië; waar ze blootgesteld is aan de noordenwind, ligt ze niet ver van de rivier de Nymphaeus, als het ware in de schaduw van het Taurusgebergte, dat de scheiding vormt tussen de volken van over de Tigris en de Armeniërs; de kant die de westenwind ontvangt, grenst aan Gumathena, een streek die vruchtbaar is en rijk aan gewas, waar het dorp Abarne ligt, bekend om zijn warme, heilzame baden. Midden in Amida ligt vlak onder de burcht een rijke bron, waarvan het water wel drinkbaar is maar soms kwalijk riekt van hete dampen.

3.Het garnizoen bestond normaal uit het Vijfde Legioen (de Parthica), aangevuld met een fors eskadron inheemse ruiters. In die tijd echter werden zes extra legioenen, die in geforceerde dagmarsen de aanrollende Perzische massa’s wisten vóór te blijven, voor de verdediging van de muren aangewezen. Om te beginnen de Magnentiaci en de Decentiaci, die na de beëindiging van de burgeroorlogen op bevel van de keizer wegens hun onbetrouwbaarheid en oproerigheid naar het oosten waren afgevoerd, waar slechts buitenlandse oorlogen dreigden; vervolgens de Tricencimani en de Decimani [van het Dertigste en het Tiende Legioen], en tenslotte de Fortenses, de Superventores en de Praeventores19 onder de comes Aelianus, die, zoals ik vroeger heb verteld, nog als rekruten onder dezelfde Aelianus, maar dan als protector, een uitval hadden gedaan uit Singara en een groot aantal Perzen in hun slaap hadden gedood. 4.In de stad bevond zich ook een groot deel van de Comites Sagittarii (boogschutters van de garde), een zo genoemd eskadron ruiters waarin alle vrijgeboren barbaren dienden die uitmuntten in lichaamskracht en wapenhandel.  

10. Twee Romeinse forten geven zich over aan Sapor 

1.Terwijl in de verwarring van die eerste aanval onze troepen in onverwachte problemen raakten, boog de koning, overeenkomstig het advies van Antoninus met zijn eigen krijgsvolk en de stammen onder zijn bevel vanaf Bebase rechtsaf via Horre, Meiacarire en Charcha, alsof hij van plan was Amida te passeren. Bij twee Romeinse versterkingen aangekomen, de ene Reman, de andere Busan genaamd, vernam hij van overlopers, dat velen hun rijkdommen daarheen hadden gebracht in de veronderstelling dat ze in die hooggelegen, sterke forten veilig zouden zijn. Bovendien, zo werd erbij gezegd, bevond zich daar, met al haar kostbaarheden, een mooie vrouw met haar dochtertje, de echtgenote van een zekere Craugasius uit Nisibis, die in de hogere kringen om zijn afkomst, reputatie en invloed groot aanzien genoot. 2.Altijd begerig naar andermans goed, trof de koning daarom onmiddellijk voorbereidingen voor een grootscheepse aanval op die forten, waarvan de verdedigers in panische angst bij het zien van al het verschillend wapentuig zichzelf met al degenen die in de versterkingen hun toevlucht hadden gezocht, overgaven. Ze kregen bevel naar buiten te komen en de sleutels over te geven, waarna de Perzen alles wat er bijeengebracht was buit maakten. Ook de vrouwen werden, verdoofd van angst, naar buiten gesleurd, met hun kinderen aan hun rokken geklemd - stumpers die op hun jonge leeftijd al zo’n grote ellende moesten meemaken. 3.En toen de koning, door te vragen van wie ze de echtgenoten waren, die van Craugasius gevonden had, liet hij de vrouw, die bang was dat haar geweld zou worden aangedaan, bij zich komen met de verzekering dat ze niets te vrezen had. Gerustgesteld en tot aan de lippen met een zwarte sluier bedekt, deed ze dat, waarna hij haar, één en al tegemoetkomendheid, beloofde dat ze haar man terug zou krijgen en haar eer ongeschonden zou behouden. Hij had namelijk begrepen, dat haar man haar buitengewoon liefhad, en dacht dat hij met haar als prijs misschien de overgave van Nisibis zou kunnen kopen. 4.Ook werden er maagden aangetroffen die naar christelijk gebruik aan de eredienst van hun God waren gewijd. Hij verbood hen aan te raken en liet ze onbelemmerd hun godsdienst beoefenen zoals ze gewoon waren. Zo wendde hij voor het moment welwillendheid voor om degenen, die hij eerst door zijn hardheid en wreedheid angst had aangejaagd, uit eigen beweging en zonder vrees naar hem toe te doen komen nu ze door deze recente voorbeelden zagen hoe hij zijn enorme macht met mildheid en toegeeflijkheid wist te temperen.

Noten

1.Van de in het volgende genoemde koningen der Alamannen vochten Hortarius, Suomarius, Urius, Ursicinus, Vadomarius (tegen zijn zin) en Vestralpus in Straatsburg, Hariobaudes en Macrianus niet. Met Hortarius en Suomarius was vrede gesloten. Vadomarius verliet zich op een eerder vriendschapsverdrag met Constantius.Hariobaudes en Macrianus kwamen zich nu onderwerpen. Urius, Ursicinus en Vestralpus kregen na een mislukte voorspraak van Vadomarius pas een vredesregeling nadat de Romeinen hen nog eens mores hadden geleerd.  retour

2.Verder komt niet meer aan de orde waartoe ze dienden.retour

3.Barbatio was Silvanus opgevolgd als magister peditum. Zie voor Silvanus boek xv,5.retour

4.De Pers Zopyrus speelde als infiltrant de stad Babylon door een list in handen van Darius. Zie Herodotus, III,153-160.retour

5.Homerus, Odyssee, XIII,1 vv.retour

6.In 348 werd hier Constantius verslagen. retour

7.Eigenlijk een fetialis, een priester van een bepaalde kaste in het oude Rome die bij formaliteiten met betrekking tot oorlogen betrokken waren. retour

8.Een eiland dat men zich ver, ver weg in het noorden dacht, equivalent met ‘aan het einde van de wereld’. retour

9.Ammianus was in Ursicinus’ gezelschap. retour

10.Zie boek xviii,5,5.retour

11.Dit alles juist toen Ammianus voorbijstoof... retour

12.Rivieren in noordwest Klein-Azië. retour

13.Namelijk Antoninus. retour

14.Zie boek xvi,9,4. retour

15.Een volk westelijk van de Kaspische Zee. retour

16.Xerxes telde er zijn leger door de manschappen per tienduizend binnen een omheining te persen. Zie Herodotus VII,59. retour

17.Sabinianus was kennelijk een christen en vereerde er de martelaren in hun martyria. retour

18.Krijgsdansen. retour

19.Magnentiaci en Decentiaci, troepen geronseld door Magnentius en zijn broer Decentius. De andere genoemde ‘legioenen’ waren waarschijnlijk detachementen of op zich staande troepen. retour