BOEK
XIX
1.
Sapor
roept de inwoners van Amida op, zich over te geven, maar wordt door de
verdedigers met pijlen en speren aangevallen. Als koning Grumbates nog een
poging daartoe doet, wordt zijn zoon dodelijk getroffen
1
1.Uitermate
content met zijn deerniswekkende buit aan gevangenen en met meer zulke
successen in gedachten, trok Sapor verder en bereikte in korte dagmarsen op de
derde dag Amida. 2.En in het eerste licht van de dageraad zagen wij hoe de
hele omgeving, zover het oog reikte, schitterde van blinkende wapenrustingen
en hoe eskadrons geharnaste ruiters de velden en de heuvels overstroomden.
3.Te paard, boven iedereen verheven, reed de koning zelf voor dit hele leger
uit; in plaats van een diadeem droeg hij een gouden afbeelding van een ramskop,
bezet met edelstenen, zijn majesteit manifest door de hem omringende groep
edelen uit verschillende volken. Het was echter duidelijk alleen zijn
bedoeling de verdedigers van de muren door overreding tot overgave te brengen,
aangezien hij zich op aanraden van Antoninus een verder doel had gesteld.
4.Kennelijk had een goddelijke macht, als om de miserie van het hele Romeinse
rijk binnen de omtrek van die ene plek samen te ballen, hem tot zo’n
waanzinnige hoogmoed gedreven, dat hij dacht dat de belegerden, alleen al bij
zijn aanblik door vrees verlamd, om genade zouden smeken. 5.Hij reed althans
op tot vlak onder de poorten, begeleid door zijn koninklijke escorte, maar
toen hij zich overmoedig zo dichtbij waagde dat men zijn gezicht al duidelijk
kon onderscheiden, werd hij juist vanwege zijn schitterende uitrusting met
pijlen en speren bestookt en het zou slecht met hem zijn afgelopen als
opwervelende stofwolken zijn belagers niet het zicht hadden benomen, waardoor
hij kon ontkomen (zodat hij later nog onnoemelijke slachtingen kon aanrichten)
zij het, dat door een speer een stuk van zijn kleding werd gescheurd.
6.Daarover ontstak hij in woede als tegen schenners van een ontheiligde tempel
en met groot misbaar tierend dat híj, de koning van zoveel koningen en
volkeren, was onteerd, eiste hij dat met man en macht voorbereidingen werden
getroffen voor de verwoesting van die stad. Maar toen zijn hoogste generaals
er bij hem op aandrongen zich niet in zijn toorn verstrikt te laten afhouden
van de grootse ondernemingen die gepland waren, liet hij zich vermurwen en
besloot de verdedigers de volgende dag nog éénmaal te manen zich vrijwillig
aan hem te onderwerpen.7.En zo reed in de eerste ochtendschemering Grumbates,
de koning van de Chionieten, die zijn heer een dienst wilde bewijzen, met een
aantal van zijn dapperste krijgers moedig op de stadsmuur af, maar werd, toen
hij binnen schootsafstand kwam, opgemerkt door een ervaren verdediger die een
ballista bediende en ’s konings zoon, die naast zijn vader opreed, met een
schot dat door harnas en borst ging, doodde. Dat was een pas volwassen
jongeman, die onder zijn leeftijdgenoten opviel door zijn slanke, rijzige
gestalte en knap uiterlijk. 8.Toen hij viel, vluchtten zijn stamgenoten eerst
alle kanten uit, maar terecht vrezend dat het lichaam door de vijand zou
worden weggehaald, keerden ze haastig terug en alarmeerden met hun verward
geschreeuw verschillende andere stammen. Die liepen te hoop en in een regen
van over en weer vliegende pijlen begon een hevig gevecht. 9.Tot het eind van
de dag, tot zelfs het invallen van de nacht duurde die moordende strijd. Toen
pas kon het lichaam van de jongeman, dat met moeite beschermd was waar het lag
tussen massa’s gesneuvelden en plassen bloed, geborgen worden. Het leek als
eens bij Troje, toen door de helden verwoed gevochten werd om het lijk van de
vriend2 van hun Thessalische leider. 10.Door de dood van de
jongeman werd de koninklijke tent in rouw gedompeld en waren mèt de vader
alle edelen door het plotselinge verlies verslagen. Nadat een wapenstilstand
was afgekondigd, werden voor de allerwegen om zijn nobele karakter geprezen en
geliefde jongeman volgens de gebruiken van zijn land rouwplechtigheden
gehouden. Daarvoor werd hij in zijn eigen wapenrusting uitgedragen en op een
machtig verhoog geheven; om hem heen werden tien rustbedden geplaatst, met
daarop beelden van dode mannen, zo zorgvuldig opgemaakt dat ze eruit zagen als
lijken in hun tombe,3 en zeven dagen lang vierden alle manschappen
per tent en per onderdeel dodenfeesten, waarbij ze de koningszoon beklaagden
met traditionele dansen en lijkzangen. 11.Vrouwen sloegen zich ten teken van
rouw op de borst, beweenden en bejammerden de hoop van het volk, weggerukt in
de bloei van zijn jeugd - zoals men de priesteressen van Venus ziet doen
tijdens de jaarlijkse feesten ter ere van Adonis, die, naar wat wij van de
mysteriediensten weten, verwijzen naar het rijpe koren op het veld.
2.
Amida wordt belegerd en in twee dagen tijd tweemaal door de Perzen bestormd
1.Nadat
het lichaam was verbrand en de as in een zilveren urn was verzameld om, zoals
de vader het wilde, later in het eigen land te worden begraven, werd
krijgsraad gehouden. Besloten werd, de schim van de gesneuvelde jongen te
verzoenen door de stad te verwoesten en er te zijner eer één grote
brandstapel van te maken. Grumbates weigerde namelijk verder te trekken zolang
de schaduw van zijn enige zoon niet was gewroken. 2.Dus, na twee dagen rust en
nadat een grote legergroep de bouwakkers had verwoest, die er, bewerkt en wel,
onbeschermd bij lagen alsof het geen oorlog was, werd de stad bij het
aanbreken van de derde dag ingesloten ‘met een vijfvoudige ring van
schilden’, begonnen in de ochtendzon blikkerende ruiterscharen de hele
omgeving, zover men die kon afzien, te bezetten en rukten troepen voetvolk
langzaam op om de hun bij loting aangewezen posities in te nemen. 3.Zo werd de
stad door de Perzen volledig omsingeld. De oostelijke muur werd toegewezen aan
de Chionieten. Daar was - wat ons nu zo duur te staan kwam - de jongeman
gesneuveld wiens geest door de vernietiging van de stad tot rust moest worden
gebracht. De Gelanen werden opgesteld aan de zuidzijde; de Albanen namen de
noordzijde voor hun rekening, terwijl de veruit dapperste krijgers, de
Segestanen, tegenover de westelijke poort kwamen. Met de laatsten, en hoog
boven alles uit torenend, stapten langzaam olifanten in slagorde mee,
ontzagwekkende, gerimpelde dieren met gewapende berijders, een angstaanjagend
gezicht, elke voorstelling van verschrikking te boven gaand, zoals ik vaker
heb gezegd. 4.Bij het zien van die geweldige mensenmassa’s, bijeengebracht
om de Romeinse wereld in vuur en vlam te zetten, met slechts één doel: onze
ondergang, verloren wij alle hoop en besloten we ons leven zo eervol mogelijk
te eindigen - onze enige en laatste wens. 5.De vijandelijke legers bleven in
slagorde van zonsopgang tot zonsondergang, elke man als vastgenageld op zijn
plaats. Geen geluid, zelfs geen gehinnik van paarden was te horen. Toen
marcheerden ze af, even gedisciplineerd als ze waren gekomen. Maar de nacht
was nog niet geheel voorbij, of, gesterkt door voedsel en slaap, waren ze
terug onder trompetgeschal en legden opnieuw dat schrikwekkende kordon om de
stad, vastbesloten haar nu te doen vallen. 6.En nauwelijks had Grumbates op
traditionele wijze een in bloed gedoopte speer geworpen - zoals ook bij ons
door een krijgsheraut wordt gedaan - of de vijand stormde met wapengekletter
op de muren af en meteen barstte het geweld in volle hevigheid los, terwijl
ook de ruiterafdelingen de teugels lieten vieren en zich in vliegende vaart in
de strijd wierpen. 7.De onzen vingen de schok moedig en vastberaden op. Veel
aanvallers vielen met verbrijzelde schedels onder de massa’s stenen die we
met onze scorpio’s wegslingerden, of werden getroffen door onze pijlen,
gedood door onze speren. En terwijl de lichamen van de gesneuvelden zich
opstapelden, brachten gewonden zich ijlings in veiligheid bij hun kameraden.
8.Maar in de stad heerste een
even grote ellende en vielen evenveel doden, want de hemel werd letterlijk
verduisterd door dichte wolken pijlen, terwijl ook de projectielen uit het
geschut dat de Perzen bij de plundering van Singara hadden buitgemaakt, veel
slachtoffers maakten. 9.Om beurten trokken onze verdedigers zich terug uit de
strijd om op krachten te komen; daarna weerden ze zich met hernieuwd
fanatisme, vaak tot ze dodelijk getroffen neervielen of gewond over de grond
rolden, hun makkers in hun val meeslepend en zolang ze adem hadden roepend om
helpers die hen konden verlossen van de pijlpunten in hun lichaam. 10.Die
chaotische slachting ging door tot de dag ten einde liep en nam zelfs in de
invallende schemering nog niet af, omdat beide partijen van geen ophouden
wisten. 11.Een onrustige nacht lang bleef men daarna onder de wapenen, terwijl
de heuvels weergalmden van geschreeuw van weerskanten - van de onzen, die
pochten op de macht van Caesar Constantius, ‘heerser van de wereld en het
heelal’; van de Perzen, die Sapor roemden als ‘saansaan’ en ‘pirosen’,
‘koning der koningen’ en ‘overwinnaar in oorlogen’. 12.Vóór de
ochtend van de vijfde dag aanbrak, gaven de herauten alweer het trompetsignaal
en kwamen als zwermen roofvogels van alle kanten opnieuw de dichte horden
aanzetten, opgehitst om de strijd even fanatiek te hervatten, tot we zover het
oog reikte in de vlakte en de dalen niets zagen dan de schittering van de
wapens der barbaarse volken. 13.Onder krijgsgehuil stormden ze blindweg op ons
af, terwijl vanaf de muren de pijlen op hen neer regenden en, natuurlijk, elke
pijl die op die massa's werd afgeschoten, doel trof. Zo benard was onze eigen
situatie, dat wij van onze kant niet vochten om het er levend af te brengen,
zoals gezegd, maar om onze huid zo duur mogelijk te verkopen. Weer duurden de
gevechten van de ochtend tot het invallen van de duisternis, woest,
ongeregeld, zonder dat een van beide kanten in het voordeel raakte. Overal
klonk angstaanjagend gehuil en angstgeschreeuw. In de hitte van de strijd
bleef haast niemand ongedeerd. 14.Tenslotte maakte de nacht een eind aan de
slachting en noopte oververmoeidheid beide partijen tot een wat langere
gevechtspauze; maar zo dikwijls ons tijd gegund werd om op adem te komen,
kostten voortdurend noodzakelijke werkzaamheden het beetje kracht dat ons
restte. Van slapen kwam dan niets, terwijl we om ons heen de gruwel zagen van
het bloed en de witte gezichten van de stervenden, aan wie we door
ruimtegebrek zelfs de laatste troost van een begrafenis moesten onthouden:
binnen de muren van die niet al te grote stad kwamen we met zeven legioenen,
een gemengde bevolking van burgers en vluchtelingen van beiderlei kunne plus
soldaten van elders op een totale bezetting van 120.000 zielen.4
15.Dus verzorgde ieder zijn wonden zo goed en zo kwaad het ging of voorzover
er verzorgers waren; van de zwaargewonden stierven sommigen door bloedverlies
een langzame dood en gaven anderen, die, door staal doorstoken, niet te redden
waren, direct de geest. Hun lijken werden opzij geworpen. Sommigen, die het
ergst gewond waren, weigerden de dokters te behandelen, om ze niet door
nutteloze, pijnlijke ingrepen verder te kwellen; sommigen trokken zelf de
pijlen uit hun lijf en leden door die twijfelachtige ingreep pijnen, erger dan
de dood.
3.
Ursicinus stelt voor, de belegeraars ’s nachts te verrassen. Vergeefs: de
magister militum Sabinianus is daar tegen
1.Terwijl
zo van weerskanten met grote verbetenheid om Amida werd gevochten, deed
Ursicinus herhaaldelijk pogingen Sabinianus, die te velde nu een hoger
commando had dan hij, en aan wiens bevelen hij zich dus tot zijn ergernis te
houden had, ertoe te bewegen alle lichtgewapenden te mobiliseren, ze via
geheime paden snel onder de bergen langs te voeren en daarmee, zo mogelijk, de
vijandelijke voorposten uit te schakelen en de nachtwachten die in een wijde
cirkel om de muren lagen, te overvallen, of anders de belegeraars met
prikacties af te leiden. 2.Maar Sabinianus, die zich maar niet van de graven
kon losmaken,5 was voor zo’n wat hij noemde riskante onderneming
niet te vinden. Formeel beriep hij zich daarbij op een keizerlijke last,
waarvolgens hij moest doen wat hij kon, als het leger daardoor maar geen enkel
verlies leed; voor zichzelf hield hij zich echter aan wat hem in audiënties
bij de keizer vaak op het hart was gedrukt, namelijk zijn eerzuchtige
voorganger elke gelegenheid te onthouden roem te vergaren, zelfs als dat
gunstig zou zijn voor de staat. 3.Met alle geweld moest worden voorkomen, dat
deze dappere officier zelf of samen met anderen in verband met enig memorabel
feit naam zou kunnen maken. Geschokt door deze kwalijke gang van zaken, zond
Ursicinus dus verschillende malen verkenners naar ons toe, hoewel het bijna
uitgesloten was dat iemand door de afgrendeling heen de stad kon binnenkomen,
en bedacht van alles wat ons kon helpen. Feitelijk kon hij echter niets
uitrichten, als een enorme, grommende leeuw, die zijn welpen in netten
verstrikt zag, maar ze niet kon bevrijden, beroofd als hij was van tanden en
klauwen.
4.
In Amida breekt de pest uit, die na tien dagen door een lichte regen wordt
gestopt. Over oorzaken en soorten van besmettelijke ziekten
1.In
de stad, waar overal in de straten zoveel lijken lagen dat ze onmogelijk
tijdig konden worden begraven, brak tot overmaat van ramp door de besmetting
met deze rottende en van maden wemelende kadavers een pest uit, die nog
bevorderd werd door de stomende hitte en de bevattelijkheid van het uitgeputte
volk. Hoe dit soort ziekten gewoonlijk ontstaat, zal ik in het kort uitleggen6
2.Filosofen en medici van
aanzien hebben ons geleerd dat besmettelijke ziekten worden veroorzaakt door
een overmaat aan kou of warmte, vochtigheid of droogte. Vandaar, dat bewoners
van moerassige of vochtige streken bijvoorbeeld lijden aan hoestaanvallen en
oogziekten, bewoners van warme landen daarentegen aan uitdroging door hete
koortsen. En zoals vuur nu eenmaal feller van aard is dan de andere elementen,
heeft verdroging ook eerder de dood tot gevolg. 3.Toen de Grieken zich dus in
een tienjarige oorlog [om Troje] in het zweet vochten om een vreemdeling7
te straffen voor het verstoren van een koninklijk huwelijk, en onder hen
zo’n ziekte uitbrak, stierven velen door de ‘pijlen van Apollo’8
- namelijk de zon. 4.En zoals Thucydides verhaalt, was de ziekte die bij de
aanvang van de Peloponnesische oorlog het Atheense volk teisterde, afkomstig
uit de hete streken van Ethiopië, waarvandaan ze zich langzaam had verbreid
en tenslotte Attica in haar greep had gekregen.9 5.Anderen wijzen
erop dat lucht (wat veel voorkomt) en water, verontreinigd door stinkende
kadavers, in hoge mate ongezond worden, en dat in elk geval een plotseling
optredende verandering in de lucht al bepaalde min of meer ernstige ziekten
kan veroorzaken. 6.Sommigen ook beweren, dat wanneer de lucht dichter wordt
doordat meer damp opstijgt uit de aarde en daardoor de uitwaseming van het
lichaam wordt belemmerd, mensen daaraan kunnen overlijden en dat, zoals we
weten van Homerus en uit tal van latere waarnemingen (afgezien van de mens)
ook dieren die gewoonlijk met de kop omlaag lopen, daaraan het eerst sterven10
7.De eerste soort besmetting, namelijk die bijvoorbeeld bewoners van heel
droge streken met koortshitte aantast, noemen we endemisch; de tweede, die
zich in een bepaalde tijd voordoet en bijvoorbeeld het gezichtsvermogen
aantast of stuwing van lichaamsvochten veroorzaakt, noemen we epidemisch; de
derde, die slechts in bepaalde omstandigheden voorkomt, maar snel om zich heen
grijpt en dodelijk is, is pestachtig.8.Toen in de algemene ontreddering door
deze fatale ziekte sommigen al bezweken waren aan de enorme hitte, die des te
onverdraaglijker was vanwege de opeenhoping van volk, werden eindelijk in de
nacht volgend op de tiende dag de dichte, verstikkende dampen verdreven door
een lichte regen, waarna we ons weer beter en sterker voelden.
5.
Amida wordt zowel rond de muren als met medewerking van een overloper, via
ondergrondse gangen aangevallen
1.Intussen
stelden de ongeduldig geworden Perzen schutdaken en rijdende borstweringen op,
begonnen aarden wallen op te werpen en hoge, met ijzer beslagen
belegeringstorens te bouwen, waar bovenop ballista’s werden geplaatst om er
de verdedigers mee van de muren te schieten. Maar tussen de bedrijven door
hielden ook de lichte aanvallen van de slingeraars en boogschutters geen
ogenblik op. 2.Er waren
bij ons twee legioenen, die, zoals eerder gezegd,11 door Magnentius
waren gerekruteerd en kort tevoren uit Gallië waren overgekomen - dappere,
niets ontziende kerels, goed in gevechten op vlak terrein, maar voor het soort
oorlog waarin wij verwikkeld waren, ongeschikt. Zelfs hinderden ze ons, want
terwijl ze noch bij de bediening van het geschut, noch bij het werk aan de
versterkingen van nut waren, deden ze af en toe in het wilde weg uitvallen,
vochten dan als bezetenen, keerden telkens met minder man terug, maar hielpen
evenveel (zoals de zegswijze luidt) als een handvol water op een grote brand.
3.Toen later de poorten zwaarder werden gebarricadeerd en de tribunen deze
acties verboden, waren ze gedwongen binnen te blijven en gromden daarover als
wilde dieren. Toch zou de volgende dagen hun strijdvaardigheid nog van pas
komen, zoals we straks zullen zien. 4.In
een afgelegen gedeelte van de zuidelijke muur, aan de kant van de Tigris,
stond een tamelijk hoge toren, aan de voet waarvan langs een steile rotswand
zo’n diepte gaapte, dat men daar niet zonder een misselijk makende duizeling
naar beneden kon kijken. In die rotswand waren gewelfde gangen uitgehouwen,
waarin gladgekapte treden van de begane grond af omhoog voerden tot op het
plateau waarop de stad was gebouwd en waarlangs heimelijk water kon worden
gehaald uit de rivier. (Zulke gangen heb ik in die streek gezien in alle
burchten langs de rivieren). 5.Door deze donkere krochten, die, omdat ze zo
steil waren, niet werden bewaakt, kwamen met een overloper uit de stad als
gids en onopgemerkt vanwege de verlatenheid van die plek zeventig van de meest
bekwame en fanatieke Perzische boogschutters uit de koninklijke garde
onverwachts midden in de nacht één voor één naar boven en klommen tot op
de derde verdieping van de toren. Daar hielden ze zich schuil tot vroeg in de
morgen. Toen gaven ze, door met een rode krijgsmantel te zwaaien, het teken
dat de strijd kon worden hervat, en ziende dat de stad weer van alle kanten
als door een vloedgolf door hun soldaten omgeven was, grepen ze hun pijlen,
wierpen hun pijlkokers weg, en begonnen onder schrikwekkend krijgsgehuil met
de grootste precisie in alle richtingen te schieten. Meteen vielen ook alle
troepen in dichte horden en met nog grotere felheid dan voorheen op de stad
aan. 6.Even wisten we niet wie we het eerst moesten aanpakken: die ons van
boven aanvielen of die achter elkaar met ladders tegen de muren klommen en
waarvan sommigen al tussen de borstweringen verschenen. Toen verdeelden we
onze aandacht. Vijf lichte ballista’s werden van elders aangevoerd en
tegenover de toren opgesteld. Daarmee werden razendsnel grote aantallen houten
werpspiesen afgeschoten, die soms zelfs twee man tegelijk doorboorden. Sommige
binnendringers stortten zwaargewond neer, andere raakten in paniek door het
dreunen en gieren van het geschut en sprongen uit zichzelf naar beneden, waar
ze te pletter vielen. 7.Nadat hiermee korte metten waren gemaakt en de
ballista’s naar hun gewone posities waren teruggebracht, kwamen alle handen
weer vrij voor de verdediging van de muren. 8.En door het laffe verraad van de
overloper was de woede van de strijders nu zo groot, dat ze hun pijlen en
spiesen met een kracht en een felheid afschoten bijna als in een stormaanval
op vlak terrein, zodat de vijand zich tegen het middaguur al, in verwarring
door dit felle verzet, met achterlating van veel doden en uit vrees voor
verdere bloedige verliezen terugtrok.
6.
Bij een uitval van de Gallische legioenen lijden de Perzen zware verliezen
1.Die
dag blies het Lot ons een vleugje hoop toe. Ze verliep zonder verliezen aan
onze kant, maar met ernstige tegenslag voor de vijand, en in de resterende
uren konden we in alle rust op verhaal komen. De volgende morgen zagen we
vanaf de muren hoe een enorme stoet, afkomstig uit de veroverde burcht Ziata
het vijandelijke kamp werd binnengedreven - allerlei volk, dat in die
versterkte plaats met een omtrek van wel tien stadiën, zijn toevlucht had
gezocht. 2.Ook andere vestingsteden trouwens werden in deze dagen ingenomen en
in brand gestoken, waaruit duizenden burgers naar buiten gesleept en afgevoerd
werden om als slaven te worden verkocht, waaronder veel zwakke, oude mannen en
bejaarde vrouwen, die, wanneer ze niet meer verder konden, uitgeput door de
lange mars en levensmoe, met doorgesneden kuit- of dijspieren werden
achtergelaten.3.Bij het zien van deze treurige processies eisten onze Galliërs
in een opwelling van woede - even begrijpelijk als inopportuun - op de vijand
los te mogen gaan. Hun tribunen, die dat verboden, en onze hogere officieren
bedreigden ze zelfs met de dood als ze dat nog langer tegenhielden. 4.Zoals
verscheurende dieren in hun kooien [onder een arena] wild worden bij het
ruiken van krengenvlees, maar wanneer ze proberen uit te breken vergeefs op de
ronddraaiende balken [boven op het traliewerk] klauwen [en terugvallen], zo
beukten ze met hun zwaarden op de vergrendelde poorten, hevig gefrustreerd
door de gedachte dat als onze stad ten onder zou gaan, zijzelf zouden
sneuvelen zonder ook maar één opzienbarende daad te hebben verricht, of zo
de stad bevrijd mocht worden, in de herinnering zouden voortleven als mannen
die niets hadden ondernomen wat naar de eisen van de Gallische trots de moeite
waard was - ook al hadden ze eerder dikwijls uitvallen gedaan in pogingen de
bouw van verschansingen te verhinderen, waarbij ze sommigen van de bouwers
hadden gedood, maar ook zelf verliezen hadden geleden. 5.Niet
wetend hoe deze wilde kerels nog langer in toom te houden, kwamen we
uiteindelijk tot een besluit dat ons het beste leek en voor hen, hoewel
ternauwernood, aanvaardbaar was, namelijk hun binnenkort gelegenheid te geven
de vijandelijke voorposten aan te vallen die niet veel verder dan een
boogschot van de muren af waren gelegen, en, als ze die zouden overlopen, dóór
te stoten. Het leek ons namelijk dat ze, als hun dat werd toegestaan, een
enorme slachting zouden kunnen aanrichten. 6.Terwijl hiertoe voorbereidingen
werden getroffen, werd de verdediging van de muren met man en macht en inzet
van alle strijdmiddelen verbeterd: versterkingen werden aangebracht, de
bewaking werd verscherpt en geschut zo geplaatst, dat stenen en werpspiesen in
alle richtingen konden worden afgeschoten. Perzische voetknechten waren
intussen doende recht tegenover ons langzaam maar gestaag twee aarden wallen
op te werpen en aanvalsmachines te bouwen voor de volgende bestorming van de
stad, wat wij van onze kant beantwoordden met de bouw van hoge aarden
platforms, tot op gelijk niveau met die van de vijand, die het gewicht van een
zo groot mogelijk aantal strijders moesten kunnen dragen. 7.Toen
slopen de Galliërs, het wachten moe, met zwaarden en bijlen gewapend, op een
donkere, maanloze nacht door een even geopende achterpoort de stad uit,
biddend dat de hemel hun gunstig en genadig mocht zijn. Met ingehouden adem
naderden ze de wachtposten. Toen stormden ze er als één man op los, doodden
een aantal wachten, verrasten de slapende bezettingen van de buitenposten van
het vijandelijke kamp, die daar totaal niet op gerekend hadden, en dachten bij
zichzelf al, met enig geluk de koninklijke tent zelf te kunnen overvallen.
8.Het geluid van hun sluipende voetstappen en het gekreun van de stervenden
werd echter opgemerkt. Velen in het kamp schrokken ervan wakker, sprongen op
en sloegen links en rechts alarm. De Galliërs bleven stokstijf staan en
waagden zich niet verder; het leek hun niet raadzaam, nu degenen die ze hadden
willen verrassen waren ontwaakt, daarmee een open gevecht aan te gaan. Van
alle kanten kwamen razende en tierende Perzen al aanzetten. 9.De Galliërs
pareerden hun aanval dapper zolang ze er de kracht voor hadden, hakten met hun
zwaarden op hun tegenstanders in, terwijl ook sommigen van henzelf gewond of
geveld werden door de pijlen die van alle kanten op hen neer regenden. Maar
toen hun het gevaar in zijn volle omvang duidelijk werd en ze het hele
vijandelijke leger geconcentreerd op zich zagen afkomen, meenden ze dat het
tijd werd zich terug te trekken; en zonder de vijand de rug toe te keren, als
dansten ze op de maat van muziek, deinsden ze langzaam achteruit uit de
omwalling en pas toen ze de aanvallen van de nu gesloten vijandelijke eenheden
onder het ophitsende geschetter van de trompetten uit het kamp niet langer
konden weerstaan, gaven ze op. 10.En terwijl ook in de stad de trompetten
schalden, werden de poorten geopend om onze strijdmakkers binnen te laten (als
ze het tenminste haalden) en gierden de ballista’s en de scorpio’s zonder
dat projectielen werden afgeschoten, zodat de commandanten van de voorposten,
die, onkundig van de dood van hun kameraden, niet wisten wat verder achter hen
gebeurde, hun onveilige posities onder de muren van de stad konden verlaten en
al onze dapperen van buiten zich in veiligheid konden brengen12.
11.Zo keerden de Galliërs tegen de ochtend terug, wel in kleiner aantal, want
die nacht waren er vierhonderd gesneuveld, en sommigen waren ernstig, anderen
licht gewond; maar met meer geluk zouden ze, niet Rhesus of de Thraciërs op
hun posten voor de muren van Troje,13
maar de koning der
Perzen zelf, al werd hij beschermd door honderdduizend krijgers, in zijn eigen
tent hebben gedood. 12.Later, na de val van de stad, liet de keizer op een
druk punt in Edessa standbeelden in volle wapenrusting oprichten van de
aanvoerders in deze moedige onderneming, en tot op heden staan die daar nog
ongeschonden. 13.Toen de vijand bij het opgaan van de zon geconfronteerd werd
met zijn doden, waaronder een aantal edelen en satrapen, en gehuil en gekrijs
verrieden waar overal in het kamp het ongeluk had toegeslagen, werd naast de
rouwklachten ook de verontwaardiging van de koningen luid, toen het tot hen
doordrong hoe de Romeinen kans hadden gezien, dwars door de wachtposten voor
de muren heen binnen te dringen. Een wapenstilstand van drie dagen, die ze
vanwege dit gebeuren met algemene stemmen afkondigden, gaf ook ons tijd om op
adem te komen.
7.
Torens en andere belegeringswerktuigen worden tegenover de muren van de stad
opgesteld, maar door de Romeinen in brand gestoken
1.Vol
ontzetting en woede over deze wending in de strijd, lieten de Perzen toen geen
tijd meer verloren gaan. En omdat ze, hoe dapper vechtend ook, nog weinig
hadden bereikt, probeerden ze een beslissing te forceren door
belegeringswerktuigen in te zetten. In hun oorlogsroes hadden ze nog maar één
doel voor ogen: òf nu een roemrijke dood te sterven, òf de stad te
verwoesten ter verzoening van de geesten van hun gevallenen. 2.Nadat met man
en macht de voorbereidingen daarvoor waren getroffen en de morgenster [van de
vierde dag] boven de horizon verscheen, werden mèt allerlei werktuigen ook
hoge, met ijzer beslagen torens aangevoerd, waarop ballista’s waren
geplaatst om onze verdedigers van bovenaf weg te kunnen schieten. 3.Zo zagen
wij toen in het bleke morgenlicht, zover de hemel reikte, de hele omgeving
bezet met geharnaste krijgers, die niet in het wilde weg als tevoren, maar in
dichte gelederen op de tonen van krijgstrompetten onder bescherming van de
schutdaken van de belegeringswerktuigen en achter hun van tenen gevlochten
horden langzaam opmarcheerden zonder dat ook maar één man uit het gelid
kwam. 4.Eenmaal binnen schootsafstand gekomen konden ze echter zelfs achter
hun opgeheven schilden de pijlen, die we met ons geschut van de muren af
schoten, moeilijk ontwijken en verbraken ze de slagorde, want bijna geen
projectiel miste zijn doel. Vooral, dat zelfs de gepantserde ruiterij tot
staan werd gebracht en terugdeinsde, gaf ons moed. 5.De bedieners van de
ballista’s op de torens waren echter in het voordeel ten opzichte van de
verdedigers onder hen en die ongelijke hoogte bepaalde ook de ongelijke
uitkomst van de strijd: de onzen leden afschuwelijke verliezen. Toen de
partijen na het vallen van de avond het gevecht staakten, besteedden wij dan
ook het grootste deel van de nacht aan overleg over de vraag, wat aan die
wrede slachting te doen. 6.Na lang delibereren besloten we tot een actie met
hopelijk het snelste resultaat, namelijk tegenover de ballista’s vier
scorpio’s in te zetten. Terwijl die werden aangevoerd en behoedzaam op
precies de juiste plaats werden opgesteld - wat een buitengewoon moeilijk
karwei is - ging de zon op over een voor ons bijzonder zware dag. Direct al
zagen we de enorme Perzische legereenheden weer op ons afkomen, versterkt met
troepen olifanten - beesten die met hun gekrijs en hun kolossale
lichaamsomvang op de mens de meest verschrikkelijke indruk maken. 7.Maar
terwijl we van alle kanten door strijders, werktuigen en monsterlijke dieren
belaagd werden, vlogen met regelmaat ronde stenen uit de ijzeren netten van
onze scorpio’s op de muren, met een vernietigend effect op de constructie
van de torens, waardoor de ballista’s met daverend geweld naar beneden
stortten, de bedieningsmanschappen met zich mee sleurend, waarvan sommigen die
nog niet gewond waren, op slag doodvielen, anderen onder het gewicht van de
vallende brokstukken verpletterd werden. Ook de olifanten vluchtten voor het
geweld. Toen ze namelijk overal om zich heen het vuur zagen van de brandende
fakkels die we naar beneden wierpen, soms op hun lijven, maakten ze
rechtsomkeert en gehoorzaamden niet meer aan de bevelen van hun drijvers.
Toch, ook nadat we de belegeringswerktuigen in brand hadden geschoten, ging de
strijd onverminderd door. 8.De koning der Perzen, die geacht wordt nooit aan
de eigenlijke gevechten deel te nemen, mengde zich nu, opgewonden over alle
tegenslagen ook zelf als ordinair soldaat in de strijd waar die het hevigst
woedde - iets ongehoords was dat, nooit eerder vertoond - maar omdat hij al
van ver te herkennen was door het grote aantal lijfwachten dat hem omringde,
werd hij het doel van een hagel van projectielen. Toen verschillende van zijn
begeleiders waren gesneuveld, trok hij zich dan ook terug, de slagorde van
zijn gedisciplineerde troepen telkens wijzigend; en tegen het eind van de dag, hoewel
niet omdat hij onder de indruk was van het akelige schouwspel van de doden en
gewonden, commandeerde hij enige tijd rust.
8.
Amida wordt aangevallen vanaf hoge, dicht bij de muren opgeworpen aarden
wallen. De stad wordt bestormd. Na de inname weet Marcellinus in de nacht te
ontkomen en vlucht naar Antiochia
1.De
duisternis maakte een eind aan die gevechtsdag en na een korte nachtrust zond
de koning, ziedend van woede en wraakzucht, en in zijn drift alle redelijkheid
uit het oog verliezend, de barbaren opnieuw op ons af. En aangezien de
belegeringswerktuigen, zoals gezegd, verbrand waren, zetten ze de strijd nu
voort vanaf hoge wallen vlak voor de muren, waartegen wij van binnen ook
aarden verhogingen opwierpen, waarop we zo goed en zo kwaad dat ging met
dezelfde verbetenheid, ongeacht de moeilijkheden, weerstand boden. 2.Lang
bleef de bloedige strijd onbeslist; geen man, waar ook zijn plaats, onttrok
zich om lijfsbehoud aan het verdedigingswerk. Toen bereikten de gevechten het
punt, waarop het lot van de partijen nog slechts afhing van het een of andere
onafwendbare toeval: zo’n aarden verhoging van ons, waaraan we zo lang
gewerkt hadden, zakte als getroffen door een aardschok plotseling over de muur
heen in elkaar, waardoor de open ruimte tussen de muur en een vijandelijke wal
met zoveel grond gevuld werd, dat het de vijand leek alsof hij nu over een
opgehoogde weg, een soort brug, door geen obstakel gehinderd, kon oversteken,
terwijl de meesten van onze soldaten die mee naar buiten waren gesleurd,
bedolven waren geraakt of, buiten gevecht gesteld, de strijd opgaven.
3.Natuurlijk schoten direct van alle kanten verdedigers toe om het plotselinge
gevaar af te wenden, maar terwijl ze elkaar in hun haast in de weg liepen,
werd de vijand door het succes alleen maar overmoediger. 4.Dus concentreerde
de koning nu al zijn krijgers op dit punt en ontstond hier een gevecht met het
blanke zwaard van man tegen man. Het werd een slachting; het bloed stroomde
aan beide kanten; kuilen vulden zich met lijken, waardoor de toegang tot de
stad nog werd verbreed. Het duurde niet lang, of horden vijanden stormden de
stad binnen en aangezien de verdediging ineen was gestort en het onmogelijk
was te vluchten, werden man en vrouw, gewapend en ongewapend, als vee
afgeslacht. 5.Toen de avondschemer inviel en velen van ons, hoewel de situatie
uitzichtloos was, hier en daar nog steeds in handgemeen gewikkeld waren,
verborg ik mij met nog twee anderen in een verlaten uithoek van de stad en zag
’s nachts kans door een achterpoort waar niemand op lette, uit de stad weg
te komen. Door mijn ervaring in woest terrein en geholpen door de
voortvarendheid van mijn twee lotgenoten, bereikte ik tenslotte de tiende
mijlsteen. 6.Bij het poststation daar kwamen we wat tot onszelf en juist
zouden we onze weg vervolgen, hoe moe ik ook was van de lange voettocht
waaraan ik als man van mijn stand niet gewoon was, toen ik getroffen werd door
een gruwelijk schouwspel, dat echter gelukkig verlichting beloofde voor mijn
vermoeide voeten. 7.Een paardenknecht zeker, die op een ongezadeld en
ongetoomd paard had gezeten dat losgebroken was, en, om er niet af te vallen,
het leidsel waaraan hij het normalerwijs meevoerde strak om zijn linkerpols
had gebonden, was afgeworpen, waarna hij, niet in staat de knoop los te
krijgen, over ruig terrein door struikgewas gesleurd en letterlijk
uiteengereten was. Ik ving het dier, dat uitgeput was van de ren en geremd
werd door het gewicht van het lijk, en dankbaar voor de - hoogst welkome - zit
op zijn rug, kwam ik met nog steeds mijn twee metgezellen bij enkele zwavelige
warmwaterbronnen. 8.Het was heet en we versmachtten van dorst. Lange tijd
strompelden we daar rond op zoek naar drinkbaar water, tot we gelukkig een put
vonden, maar wel te diep om bij het water te kunnen komen. Dus, aangezien we
geen touw bij de hand hadden, scheurden we, vindingrijk geworden door de
omstandigheden, lange repen van ons linnen lijfgoed, die we aan elkaar
knoopten tot een koord, aan het uiteinde waarvan we een stootkussentje bonden
dat een van ons in zijn helm droeg. Aan het koord neergelaten, zoog dit als
een spons water op, waarmee we onze geweldige dorst lesten. 9.Vandaar was het
niet ver naar de Euphraat, die we hoopten te kunnen oversteken met een boot
die in dat deel van de rivier een aanlegplaats had en waarmee regelmatig
mensen en dieren werden overgezet. 10.Maar plotseling ontwaarden we toen in de
verte een ordeloze Romeinse legertroep onder ruiterijvanen, die door een
overmacht aan Perzen achtervolgd werd. Ons was het een raadsel hoe die zo snel
en zo onverwacht van achteren was opgedoken. 11.Door voorvallen als deze zijn
we gaan geloven, dat de zogenaamde ‘zonen van de aarde’ niet uit
aardplooien gegroeid zijn, maar daaruit razendsnel te voorschijn zijn gekomen
- die wezens namelijk, die, omdat ze hier en daar plotseling gezien werden,
‘spartoi’, ‘zaailingen’
kwamen te heten en gedacht werden uit de aarde te zijn ontsproten. In de
oudheid werd daarover nogal gefantaseerd. 12.In paniek door deze nieuwe
dreiging en beseffend dat onze redding afhing van een snelle reactie, weken we
dwars door struikgewas en bosschages uit naar hoger berggebied en bereikten
vandaar de stad Melitene in Klein-Armenië, waar we een officier troffen die
op het punt stond naar Antiochia te vertrekken. Bij hem sloten we ons aan en
zo kwamen we eerder dan we gedacht hadden thuis.
9.
In Amida worden sommige Romeinse aanvoerders geëxecuteerd, andere gevangen
gezet. Craugasius van Nisibis loopt over omwille van zijn vrouw, die in
Perzische handen is
1.Omdat
de herfst ten einde liep en de Voorboden14 van storm in de
Wagenman al aan de hemel waren verschenen, zagen de Perzen af van een verdere
opmars en troffen voorbereidingen om met hun gevangenen en buit naar hun land
terug te keren. 2.Terwijl in de verwoeste stad nog steeds werd gemoord en
geplunderd, werden de comes Aelianus
en de tribunen onder wier deskundige leiding wij de muren zo lang verdedigd
hadden, met extreem zware verliezen aan de Perzische kant, als misdadigers aan
staken gehangen; Jacobus en Caesius, numerarii van de magister
equitum en de officieren van de Protectores
zag men met de handen op de rug gebonden worden afgevoerd; degenen die van
over de Tigris kwamen,15 werden systematisch opgespoord en van hoog
tot laag zonder onderscheid tot de laatste man neergehouwen. 3.De vrouw van
Craugasius, wie aanranding bespaard was gebleven, gerespecteerd als ze werd
als dame van stand, zag zich intussen in een sombere toekomst al in een ander
land zonder haar man (hoewel er hoopgevende voorbeelden waren voor een beter
lot). 4.Dus overlegde ze bij zichzelf wat te doen, want ze voorzag met schrik
en afschuw dat haar misschien twee dingen gingen overkomen: dat ze haar eigen
man zou verliezen en met een ander zou moeten huwen. Dus zond ze in het geheim
een van haar meest betrouwbare slaven, die in Mesopotamië de weg kende, via
de berg Izala tussen de burchten Maride en Lorne door naar Nisibis met een
boodschap voor haar man, waarin ze [als waarborg voor de echtheid daarvan] ook
toespelingen maakte op feiten uit hun intieme leven, hem deed weten wat
gebeurd was en hem smeekte, zich bij haar te voegen en gelukkig met haar het
leven verder te delen. 5.Zoals afgesproken, koos de boodschapper met lichte
bepakking gezwind een weg over bergpaden en door ruigten en kwam na een
voorspoedige tocht in Nisibis aan, waar zijn verhaal was dat hij zijn
meesteres nergens meer had gezien - misschien was ze wel dood - en zelf kans
had gezien uit het vijandelijke kamp te ontsnappen. Maar toen men hem eenmaal
als oninteressant verder ongemoeid liet, vertelde hij Craugasius wat werkelijk
was gebeurd. Met de verzekering van diens kant dat hij, mits dat veilig
doenbaar was met liefde zijn vrouw zou volgen, vertrok hij meteen weer om zijn
meesteres dit verhoopte bericht over te brengen. Op het vernemen daarvan
smeekte die de koning door tussenkomst van generaal Tamsapor, zo mogelijk vóór
hij zich uit Romeins gebied zou terugtrekken, haar man toe te staan zich onder
zijn gezag te stellen. 6.Toen evenwel de vreemdeling - een slaaf immers die
zich volgens geldend recht16 bij zijn heer had gemeld - tot ieders
verbazing en zonder dat iemand daar tevoren van wist weer vertrokken bleek,
wekte dit het wantrouwen van generaal Cassianus en andere hoge
functionarissen, die Craugasius met dreigementen onder zware druk zetten,
omdat zijn slaaf volgens hen op zijn bevel moest zijn gekomen en niet zonder
zijn toestemming weer vertrokken kon zijn. 7.Bang, dat hij van verraad zou
worden beschuldigd, en dat door het komen en gaan van de ontsnapte slaaf
bekend zou worden dat zijn vrouw nog in leven was en zelfs met respect werd
behandeld, deed hij demonstratief alsof hij met een jonge vrouw van goede
stand een nieuw huwelijk wilde aangaan. Onder het voorwendsel dus dat hij de
noodzakelijke voorbereidingen ging treffen voor het bruiloftsmaal, begaf hij
zich naar een landgoed acht mijl buiten de stad; toen vluchtte hij te paard
naar een troep Perzische plunderaars die zich daar in de buurt bevond, zoals
hij had gehoord. Die begrepen uit zijn verklaringen wie hij was, ontvingen hem
hartelijk en brachten hem vijf dagen later naar Tamsapor, die hem op zijn
beurt aan de koning overdroeg. En na weer in het bezit te zijn gesteld van al
het zijne en herenigd te zijn met zijn vrouw, die hij een paar maanden kwijt
was geweest, kwam hij voor de Perzen op de tweede plaats na Antoninus, maar
wel, in de woorden van de beroemde dichter: ‘als tweede op grote afstand’17
8.Antoninus namelijk had door zijn vindingrijkheid, langdurige ervaring en
juist inzicht succes bij alles wat hij ondernam; Craugasius was een
eenvoudigere natuur, al had hij een even bekende naam. Dit alles gebeurde niet
lang na de val van de stad. 9.Hoewel de koning op het oog tevreden leek met de
verwoesting van de stad, ziedde hij inwendig als hij bedacht hoe hij dikwijls
tijdens ongunstig verlopende belegeringen grote verliezen had geleden en zelf
meer manschappen had verspeeld dan hij van onze kant krijgsgevangen had
gemaakt of in gevechten had gedood, zoals bijvoorbeeld verschillende keren
gebeurd was bij Nisibis en bij Singara. Tijdens het drieënzeventig dagen
durende beleg van Amida had hij van zijn grote legermacht dertigduizend man
verloren, zoals kort daarna door een tribuun, de
notarius Discens, werd
uitgerekend, wiens telling daardoor vergemakkelijkt werd dat de lijken van
onze gesneuvelden snel plegen te vergaan en te verworden, zodat na vier dagen
al geen dode meer aan zijn trekken te herkennen is, maar die van de Perzen
gewoonlijk verdrogen als stukken hout doordat hun ledematen niet tot
ontbinding overgaan of week worden van lijkvocht - wat komt door hun sobere
levenswijze en het feit dat ze geboortig zijn uit hete landstreken.
10.Oproer
onder de bevolking van Rome. Vrees voor hongersnood.
1.Terwijl
deze stormen over het verre oosten joegen, zag men in de Eeuwige Stad met
schrik het probleem aankomen van een tekort aan graan. In het vooruitzicht van
dat ergste van alle kwaden - een hongersnood - nam het volk een dreigende
houding aan tegen de stadsprefect Tertullus. Dat was volstrekt onredelijk,
want het was zijn schuld niet dat voedsel niet op tijd werd aangevoerd, omdat
schepen door ongewoon slecht weer op zee en sterke tegenwind genoodzaakt waren
de dichtstbijzijnde baaien op te zoeken en de haven van Augustus18 niet
veilig konden bereiken. 2.Hoewel de prefect vaker voor hete vuren had gestaan,
ging het plebs, met de dood voor ogen, nu zo tegen hem tekeer, dat hij dacht
dat zijn laatste uur geslagen had. Ten einde raad hield hij toen voor het
opgewonden volk, bij tegenspoed veelal toch voor rede vatbaar, zijn eigen
zoontjes omhoog, en riep in tranen: 3.‘Alstublieft, dit zijn medeburgers van
u, die (mogen de hemelse goden het onheil afwenden) uw lot zullen delen als
Fortuna ons niet gunstiger gezind wordt. Maar als u meent dat u door deze
kinderen te doden een ramp zal worden bespaard, neemt ze dan maar en doet
ermee wat u wilt.’ Door deze meelijwekkende woorden kwam het volk, van
nature geneigd tot clementie, tot kalmte en verstomde, waarna het de komende
dingen met gelijkmoedigheid afwachtte. 4.Toen, terwijl Tertullus in Ostia
offerde in de tempel van de Castores,19 draaide de wind,
gehoorzamend aan de wil van de goddelijke macht die Rome van haar aanvang af
groot maakte met de belofte dat ze eeuwig zou blijven bestaan; de zee
kalmeerde en met een zachte bries uit het zuiden voeren de schepen met volle
zeilen de haven binnen, waarna de korenschuren met graan konden worden gevuld.
11.
De Sarmatische Limiganten bedriegen de keizer met een gehuicheld verzoek om
vrede en vallen hem aan. Ze worden in een bloedig gevecht teruggeslagen
.
1.Terwijl
deze problemen zich daar voordeden, werd Constantius, die rustig de winter
doorbracht in Sirmium, gealarmeerd door het bericht dat wat hij toen al
ernstig vreesde gebeurd was, namelijk dat de Sarmatische Limiganten, die,
zoals eerder gezegd,20 hun meesters van hun voorouderlijke grond
hadden verdreven, de woonplaatsen versmadend die hun een jaar tevoren waren
toegewezen om te voorkomen dat ze op de een of andere manier weer schade
zouden aanrichten, langzamerhand onze grensgebieden waren binnengedrongen,
waar ze rondzwierven zoals ze vanouds gewend waren en het één chaos zou
worden als ze niet werden teruggejaagd. 2.Aangezien uitstel de toestand alleen
maar zou verergeren, bracht de keizer van overal de meest geharde vechtjassen
op de been, wachtte de lente zelfs niet af en rukte resoluut uit, want hij
bedacht tweeërlei: ten eerste, dat mannen die zich de vorige zomer hadden
kunnen verzadigen aan een vette oorlogsbuit, door hoop op herhaling
aangemoedigd, daar opnieuw hard voor zouden vechten; ten tweede, dat door
Anatolius, die toentertijd prefect was van Illyricum, de nodige voorraden daar
al vroegtijdig waren ingevorderd en deze zonder problemen werden afgeleverd.
3.Zoals immers algemeen bekend is, hadden die noordelijke provincies tot dan
toe onder geen andere prefect zo’n goed bestuur gekend: allerlei misstanden
waren effectief uit de weg geruimd; het volk was verlost van de enorme
onderhoudskosten van de cursus publicus21
waardoor tallozen [van armoede] hun huizen hadden moeten verlaten; het genoot
verlichting van de jaarlijkse census en had vertrouwen in de toekomst. Zo
zouden de bewoners van die streken trouwens zonder reden tot klagen nog steeds
onbekommerd en ongestoord hebben geleefd, als ze later niet door dramatisch
hoge belastingen, nog onnodig verhoogd door ontvangers zowel als betalers (de
eersten met de bedoeling door hun extra inspanningen bij hun superieuren in de
gunst te komen, de laatsten in de hoop dat ze vanwege de algemene armoede
verder ongemoeid zouden blijven) tot verlies van eer en goed waren gekomen en
sommige ongelukkigen zelfs tot zelfmoord. 4.Zoals gezegd, vertrok de keizer
dus met een indrukwekkende strijdmacht om de nodige orde op zaken te stellen
en arriveerde in Valeria, een gebied dat eens tot Pannonië had behoord, maar
daarvan ter ere van Diocletianus’ dochter Valeria als de zo genoemde
provincie was afgesplitst. Daar legerde hij zijn troepen in wintertenten
verspreid langs de oever van de Donau om de barbaren te observeren, die vóór
zijn komst onder de schijn van vriendschap het plan hadden uitgebroed bij
verrassing Pannonië binnen te vallen en te plunderen wanneer de winter op
zijn felst zou zijn en sneeuw en ijs, nog niet gesmolten onder de lentezon, de
oversteek van de rivier zou vergemakkelijken, terwijl de onzen het verblijf in
de open lucht vanwege de kou juist moeilijk zouden verdragen. 5.Direct zond
hij ook twee tribunen, ieder vergezeld van een tolk, naar de Limiganten, om
door ondervraging, maar zonder enige pressie, uit te vinden waarom ze ondanks
het vredesverdrag (waarom ze nota bene zelf hadden gevraagd) hun woongebieden
hadden verlaten, aan het zwerven waren gegaan, tegen het verbod in, en onrust
zaaiden in de grensgebieden. 6.Ze gaven echter slechts vage en ontwijkende
antwoorden, pasten er wel voor op de waarheid te zeggen, en
smeekten de keizer zijn toorn te laten varen, hun te vergeven en toe te
staan de rivier over te steken, zodat ze hem zelf over hun problemen konden
informeren. Op voorhand verklaarden ze zich bereid, als hij dat wenste, naar
verder weg gelegen gebieden binnen de Romeinse wereld te verhuizen en voor
altijd vreedzaam als vereerders van Quies (een godin van rust en vrede) de
titel en de lasten van schatplichtigen te dragen. 7.Toen de tribunen dit bij
hun terugkeer meldden, gaf de keizer hun, opgelucht over het feit dat een naar
het zich liet aanzien netelige affaire zonder slag of stoot kon worden
opgelost, inderdaad toestemming de rivier over te steken. Een bijkomende
gedachte was, er zelf beter van te kunnen worden, waarin hij gesterkt werd
door zijn adviseurs, die hem voorrekenden, dat hij door zo de conflicten met
de buurvolkeren op te lossen en overal de vrede te herstellen, meer kinderrijk
volk kon bekomen en een groter leger zou kunnen rekruteren (want zijn eigen
onderdanen in de provincies kochten zich liever af dan hun leven te wagen,
waardoor het rijk al verschillende malen in moeilijkheden was geraakt22. 8.Hij
gaf dus om te beginnen bevel nabij de plaats Acimincum [Peterwardein] een
verdedigingswal op te werpen met een verhoog als een soort tribune; vervolgens
liet hij schepen, bemand met lichtgewapende manschappen de stroombedding van
de rivier onder de oever bewaken. Ook een zekere Innocentius was aan boord,
een landmeter die met hem had afgesproken, dat zij de barbaren bij de eerste
de beste verdachte beweging in de rug zouden aanvallen. 9.De Limiganten
merkten wel, dat dit alles in grote haast geregeld werd, maar bleven er met
gebogen hoofd bij staan als waren ze smekelingen. Maar heimelijk zinden ze op
iets heel anders dan ze door hun houding en woord suggereerden. 10.Want toen
de keizer op de tribune verscheen met de bedoeling een verzoenende toespraak
te houden alsof hij toekomstige gehoorzame onderdanen vóór zich had,
slingerde één van hen in een opwelling van woede zijn laars naar de
verhoging, ‘Marha! marha!’ roepend, wat hun strijdkreet was, waarop de
hele wilde menigte met opeens opgestoken barbaarse banieren en woest gebrul op
hem af stormde. 11.Toen hij van bovenaf overal om zich heen die bende barbaren
met blikkerende zwaarden en speren zag komen aanrennen en in het gewoel tussen
vriend en vijand geraakt niet meer wist of hij nog commandant was of een
gewone voetknecht, dacht hij dat zijn laatste uur geslagen had. Er was dus
geen tijd te verliezen. Zonder aarzelen sprong hij te paard en ging er in
galop vandoor. 12.Sommigen van zijn lijfwachten, die zich probeerden te
verdedigen tegen de barbaren die hen razend als een bosbrand insloten, raakten
dodelijk gewond of werden gesmoord onder het gewicht van de vechtenden die hen
vertrapten. Niemand verhinderde dat de keizerlijke zetel met het goudbestikte
sierkussen ook nog werd buitgemaakt. 13.Maar toen het tot de troepen doordrong
in welk bijna dodelijk gevaar hun keizer was geweest en dat hij zelfs nog niet
veilig was, dachten ze in de eerste plaats hem te moeten redden en,
vertrouwend op hun superioriteit - want, overrompeld door de plotselinge
aanval, slechts half bewapend - stortten ze zich onder luid krijgsgehuil op de
horden barbaren, die van hun kant met ware doodsverachting vochten. 14.En om
door hun dapperheid de schande uit te wissen en de vijand zijn verraderlijke
actie betaald te zetten, gingen ze er verbeten op los, maaiden alles neer wat
hun voor de voeten kwam en vertrapten genadeloos de levenden, de stervenden en
de doden. En nog vóór hun armen moe waren van de slachting, lagen er bergen
lijken in het rond. 15.De rebellen hadden geen enkele kans: die niet gedood
werden, vluchtten alle kanten uit en van hen viel ook een deel, vergeefs om
genade smekend, onder een regen van zwaardhouwen. Toen de vijand vernietigd
was en het signaal tot terugtrekken was gegeven, bleek dat ook enkelen van de
onzen waren gesneuveld, vertrapt in het hevige strijdgewoel of, terwijl ze
zich tegen de woedende vijand teweer stelden en hun kwetsbare zijde
blootgaven, door het Lot achterhaald. 16.Speciale vermelding verdient echter
de dood van Cella, een tribuun van de Scutarii, die zich direct toen de
gevechten uitbraken als eerste op de horde der Sarmaten stortte. 17.Toen de
bloedige strijd gestreden was, nam Constantius die maatregelen ter beveiliging
van de grenzen waar de situatie het meest dringend om vroeg, om, na de
verraderlijke vijand te hebben gestraft, terug te keren naar Sirmium, waar hij
snel de meest spoedeisende zaken regelde. Vandaar vertrok hij naar
Constantinopel om, dichter bij de Oriënt, de schade te herstellen die hij bij
Amida geleden had, en door het leger met wapens en manschappen weer op sterkte
te brengen de druk van de Perzische koning met evenveel tegendruk te kunnen
weerstaan. Hij twijfelde er namelijk niet aan of de Pers zou, tenzij hemel of
overmacht hem ervan weerhield, Mesopotamië voorbij, zijn krijgsbanieren
dieper onze gebieden binnenvoeren.
12.
Velen aangeklaagd en veroordeeld wegens
majesteitsschennis
1.Onrust
genoeg, maar het ging, leek het wel, zoals het vanouds altijd was gegaan. Nu
schalden de klaroenen voor zo’n reeks schijnprocessen wegens
majesteitsschennis, dat het op burgeroorlog leek. Tot aanklager en beul werd
de beruchte notarius Paulus aangesteld, vaak ‘de Dodelijke’ genoemd23
die, ervaren in bloedig handwerk, als een drilmeester van gladiatoren bij
grote begrafenissen24 en circusspelen, zich verrijkte door munt te
slaan uit pijn en dood. 2.Want hij had consequent maar één doel voor ogen:
kwaad te berokkenen. Daarvoor ging hij geen valsheid uit de weg en doemde hij
onschuldigen door ongegronde beschuldigingen ten ondergang zolang hij maar kon
baden in bloedgeld. 3.In een onbeduidende geschiedenis lag de aanleiding tot
vervolgingen die tot in het oneindige werden voortgezet. In een verre uithoek
van de Thebaïs25 ligt de stad Abydum. Hier bevond zich vroeger het
orakel van een toekomst voorspellende godheid, ter plaatse Besa genaamd, die
door de bewoners van die streek met oeroude ceremoniën werd vereerd.
4.Wanneer nu sommigen persoonlijk, anderen via derden daar een vragenlijst
indienden met uitvoerig omschreven verzoeken, in de hoop daarop de wil van de
goden te vernemen, bleef het papier of perkament met deze vragen, ook nadat
antwoord was gegeven, soms in het heiligdom achter. 5.Sommige daarvan werden
met kwalijke bedoelingen de keizer toegezonden, die zich, omdat hij een
benauwd man was, vaak doof hield voor zaken die hem te machtig waren, maar op
dit punt (zoals het gezegde luidt) weker was dan een oorlel, wantrouwend en
kleingeestig, zodat de gal hem gauw overliep.26 Direct gaf hij een
befaamd onderzoeksleider met ervaring in zulke zaken, Paulus dus, opdracht met
spoed naar de Oriënt af te reizen met volmacht de betreffende zaken
gerechtelijk te onderzoeken en af te doen naar eigen bevinding. 6.De
toenmalige comes Orientis Modestus,
kreeg eenzelfde opdracht, ook een kolfje naar zijn hand. Hermogenus uit Pontus,
toentertijd praefectus praetorio
werd echter vanwege zijn zachte karakter gepasseerd. 7.Paulus vertrok, zoals
hem bevolen was, bezeten van een onheilspellende boosheid, en aangezien valse
aanklachten welkom waren, werden uit bijna alle delen van het rijk naast
hooggeplaatsten ook lieden van minder gewicht opgebracht, waarvan sommigen
schier bezweken onder het gewicht van hun ketenen, anderen aan het eind van
hun krachten waren door de kwelling van hun gevangenschap. 8.Als schouwtoneel
voor de folteringen en executies werd Scythopolis gekozen, een stad in
Palestina die om twee redenen daarvoor het meest geschikt werd gevonden: ze
lag enigszins afgelegen en bovendien halverwege tussen Antiochia en Alexandria,
waar verreweg de meeste verdachten vandaan kwamen. 9.Onder de eersten die
werden voorgeleid was Simplicius, een zoon van de voormalige prefect en consul
Philippus, die aangeklaagd werd op grond van het gerucht dat hij een
waarzegger had geraadpleegd over zijn kans het keizerschap te verwerven.
Gefolterd op schriftelijk bevel van de keizer, die in dergelijke gevallen nog
nooit een vergrijp of vergissing door de vingers had gezien, was het Lot hem
toch genadig en kwam hij er heelhuids af, zij het dat hij naar een ver oord
werd verbannen. 10.Vervolgens zag zich Parnasius, een voormalige gouverneur
van Egypte, maar een eenvoudig man, wegens zekere beschuldigingen met de dood
bedreigd, maar werd eveneens verbannen: men had hem lang voordat dit gebeurde
vaak horen zeggen dat hij, op het punt afscheid te nemen van zijn geboortestad
Patras in Achaia om elders zijn geluk te zoeken, in een droom had gezien dat
hij uitgeleide werd gedaan door een groot aantal gestalten in rouwkledij.
11.Daarna had Andronicus zich te verantwoorden, een man die faam genoot als
wetenschapper en fijnzinnig poëet, maar hij was zich van geen kwaad bewust en
hem bleek ook niets te kunnen worden aangewreven. Vrijmoedig toonde hij zijn
onschuld aan en werd vrijgesproken. 12.Zo ook werd de filosoof Demetrius,
bijgenaamd Cytras, hoogbejaard weliswaar maar sterk van lijf en geest, ervan
beschuldigd, dikwijls dierenoffers te brengen,27 wat hij niet
ontkende, maar verklaarde als iets wat hij van jongs af had gedaan om de
godheid gunstig te stemmen, niet om door het schouwen van tekenen te proberen
zich een hogere positie te verwerven - hij kende trouwens niemand die dat
deed. Hoewel hij langdurig op de martelbok werd gepijnigd, bleef hij moedig
onveranderlijk hetzelfde herhalen, tot men hem liet gaan met verlof terug te
keren naar zijn geboortestad Alexandria. 13.Hen en sommige anderen redde het
rechtvaardige Lot, dienaar van de Waarheid, uit een dodelijk gevaar. Maar
terwijl de woekering van verdenking en verdachtmaking meer en meer om zich
heen greep doordat verraderlijke valstrikken steeds verder uiteen werden
uitgezet, gaven sommigen al de geest onder de lijfelijke folteringen en werden
anderen ter dood gebracht met verbeurdverklaring van hun bezittingen. Paulus
ensceneerde deze treurige voorstellingen alsof hij alle soorten bedrog en
gemenigheid (als rekwisieten) voorradig had, en beschikte met een hoofdknik -
zou ik bijna zeggen - over het lot van wie maar binnen zijn bereik kwam.
14.Want als iemand een amulet tegen de derdedaagse koorts of een andere kwaal
om zijn hals droeg, of er bijvoorbeeld op aanwijzing van kwaadwilligen van
beticht werd ’s avonds laat langs een grafmonument te zijn gelopen, moest
hij dit, alsof hij een gifmenger was, een verzamelaar van gruwelijkheden uit
graven of een bezweerder van ijdele begoochelingen van daar verwijlende
geesten, met de dood bekopen. 15.Kortom, het ging toe alsof Claros, de Eiken
van Dodona en het eens beroemde orakel van Delphi28 alle tegelijk
door tallozen ondervraagd waren over de dood van de keizer. 16.Vandaar, dat
het kruiperig hofgebroed, altijd bedacht op het verzinnen van verachtelijke
vleierijen, weer zijn kans schoon zag en hem verzekerde dat hij immuun was
voor alle kwaden, en met veel bombast verkondigde dat zijn goede gesternte hem
nimmer in de steek zou laten, zoals nu weer overduidelijk bleek uit de
vernietiging van zijn belagers. 17.En dat zulke zaken grondig moeten worden
onderzocht, zal niemand met gezond verstand betwisten. Ik ontken dan ook niet
dat het heil van een rechtmatige heerser, de verdediger en beschermer van alle
goede burgers, van wie het geluk van anderen afhangt, de zorg moet zijn van
allen gezamenlijk; om hetgeen des te krachtiger te handhaven door de Lex
Cornelia29 inderdaad niemand, wie dan ook, gevrijwaard
wordt van verhoor zelfs onder bloedige foltering, wanneer zijn majesteit is
geschonden. 18.Maar het past een heerser niet, zich ongeremd te verlustigen in
het wreken van zulke treurige voorvallen; dat zou lijken alsof zijn onderdanen
niet worden geregeerd, maar despotisch onderdrukt. Dan was Cicero een beter
voorbeeld, die, zoals hij zelf zei,30 gesteld voor de keus tussen
straffen of sparen, argumenten ter vergeving zwaarder liet wegen dan
overwegingen van wraak, wat tekenend is voor een clemente en bezonnen rechter.
19.Toen werd in het bekoorlijke Daphne, die heerlijke voorstad van Antiochia,
een gedrocht geboren, te afzichtelijk en te vreselijk voor woorden: een kind
met twee hoofden, elk met tanden en een baard, twee ogen en één klein oor.
Die mismaakte boreling betekende als voorspelling, dat de staat in wanorde
ging raken. Zulke voorboden worden dikwijls geboren als teken dat iets staat
te gebeuren - dit kan van alles zijn - maar omdat ze niet langer als in
vroegere tijden met openbare zoenoffers onschadelijk worden gemaakt, hoort en
weet men daar niet meer van.
13.
De comes Lauricius maakt een eind aan
de rooftochten van de Isauriërs
1.
In die tijd begonnen de Isauriërs, die na de eerder beschreven
gebeurtenissen,31 waaronder de mislukte belegering van Seleucia,
rustig waren gebleven, zich langzamerhand weer te roeren en kwamen, zoals
slangen in het voorjaar uit hun schuilplaatsen te voorschijn kruipen, van hun
rotsige en ontoegankelijke hoogten naar omlaag en vormden benden, die het
gebied van hun naburen begonnen te plunderen. Bergbewoners die ze waren,
gewend zich snel over rotsen en door struikgewas te verplaatsen, wisten ze
daarbij de militaire posten gemakkelijk te ontwijken. 2.Om ze of met geweld,
of door overreding weer in het gareel te brengen, werd Lauricius als
gouverneur met de rang van comes eropaf gezonden. Hij was een man met een grote bestuurlijke
ervaring, die de meeste zaken eerder met dreigementen dan met harde
maatregelen wist op te lossen, zodanig, dat in de lange periode waarin hij die
provincie bestuurde, niets vermeldenswaardigs gebeurde.
Noten
1.De
gebeurtenissen in dit boek spelen in 350 retour
2.Patroclus,
Homerus, Ilias, XVII retour
3.Kennelijk
een reminiscentie aan een oud gebruik om slaven te doden als dienaren voor de
dode in de onderwereld. retour
4.Of,
meer waarschijnlijk: 20.000. retour
5.Zie
boek xviii,7,7.
retour
6.Ammianus’
uitleg is enigszins verward. In de oudheid bestonden overigens geen algemeen
aanvaarde medische termen en definities.
retour
7.Paris,
de Trojaanse prins, die door Helena, de gemalin van Menelaüs, te schaken de
oorzaak werd van de Trojaanse oorlog. retour
8.Homerus,
Ilias, I,8-53. retour
9.Thucydides,
II,47-53. retour
10.Homerus,
Ilias, I,50.
retour
11.Zie
boek xviii,9,3. retour
12.De
betekenis van deze zin is onduidelijk. retour
13.Homerus,
Ilias, X,434/435. retour
14.Sterren
in het sterrenbeeld Wagenman. retour
15.Perzische
overlopers. retour
16.Het
postliminium, het recht om ‘over
de drempel’ terug te keren. retour
17.Vergilius,
Aeneis, V,320. retour
18.De
haven van Ostia. retour
19.De tweelinggoden Castor en Pollux, redders ter zee.
retour
20.Zie
boek xvii,12,18 vv. retour
21.De
Staatspost.
retour
22.D.w.z.
zij betaalden liever rekruteringsgeld (waarmee het rijk barbaren wierf) dan
zelf dienst te nemen. retour
23.Namelijk
‘Tartareus’, naar de Tartarus, de onderwereld. Hij werd ook ‘de Keten’
genoemd. Zie boek xiv,5,8 en xv,3,4.
retour
24.Rijke
begrafenissen werden wel opgeluisterd met gladiatorspelen. retour
25.Een
provincie van Egypte. retour
26.In
de 4e eeuw stonden strenge straffen op heimelijke praktijken van waarzeggerij.
Vrees voor voorspellingen met betrekking tot het levenslot van de heersende
keizer hield daarmee verband.
retour
27.Bedoeld:
aan Besa. retour
28.Vóór
die tijd de beroemdste orakelplaatsen.
retour
29.
Een oude wet, die in de 4e eeuw een neerslag kreeg in een wet, overgeleverd in
de Codex Theodosianus: boek IX,35,1, met de strekking als door Ammianus kort
weergegeven.
retour
30.Deze
uitspraak is niet anderszins bewaard gebleven.
retour
31.Zie
boek xvi,2,1vv.
retour