BOEK XX  

  1. De magister armorum Lupicinus vertrekt met een leger naar Britannië om een eind te maken aan de invallen van de Scotten en Picten

  1.Tot zover de gebeurtenissen in Illyricum en de Oriënt. Maar in het jaar van het tiende consulaat van Constantius en het derde van Julianus verbraken de woeste Scotten en Picten in Britannië het bestaande vredesverdrag, vielen de grensgebieden binnen en richtten zulke verwoestingen aan, dat men zich in onze provincies - nog niet bekomen van alle rampen van het verleden - ernstig zorgen begon te maken. Caesar Julianus, die de winter doorbracht in Parijs en daar al genoeg aan zijn hoofd had, durfde onze rijksgenoten overzee niet te hulp te komen (wat Constans, zoals ik vroeger heb verteld, wèl deed) omdat hij Gallië daarmee zonder bevelhebber zou laten terwijl het bedreigd werd door de Alamannen, die kennelijk op oorlog uit waren. 2.Daarom besloot hij er de magister armorum Lupicinus heen te sturen om de problemen met tact of desnoods met geweld op te lossen. Die man was een goed soldaat met een grote oorlogservaring, maar de verwaandheid straalde zijn ogen uit en hij had de stap en de stem van een toneelspeler. Men vroeg zich ook altijd af wat hij méér was: hebzuchtig of wreed. 3.Hij vertrok dus, nog midden in de winter, met een lichtbewapend expeditieleger van Herulen, Bataven en twee compagnieën Moesiërs naar Bononia [Boulogne], waar hij een kleine vloot organiseerde, zijn manschappen inscheepte in afwachting van een gunstige wind, en toen overstak naar Rutupiae [Richborough], vanwaar hij naar Lundinium [Londen] opmarcheerde om naar bevind van zaken een plan te maken en snel tot actie over te gaan.  

2. De magister peditum praesentalis Ursicinus wordt verdacht gemaakt en uit de dienst ontslagen 

1.Intussen was, na de val van Amida, Ursicinus als magister peditum weer ter beschikking van de keizer (zoals eerder gezegd was hij Barbatio opgevolgd1, maar werd het mikpunt eerst van een venijnige fluistercampagne aan het hof, dan van openlijke aantijgingen. 2.De keizer was daar gevoelig voor, want hij liet zich zijn mening gewoonlijk door zijn omgeving aanpraten. Dus, gehoor gevend aan intriganten, wees hij Arbitio en de magister officiorum Florentius aan om te onderzoeken hoe de verwoesting van Amida had kunnen plaatsvinden. 3.Die twee negeerden de bekende, voor de hand liggende oorzaken, bang de praepositus cubiculi Eusebius te mishagen als ze feiten op tafel kregen waaruit zonneklaar zou blijken dat het gebeuren het gevolg was geweest van de eeuwige daadloosheid van Sabinianus, sloten de ogen voor de waarheid en hielden zich liever bezig met  futiliteiten die in de verste verte niet ter zake deden. 4.Geërgerd over zoveel onrechtvaardigheid verzuchtte de beschuldigde: ‘Laat de keizer van me denken wat hij wil, maar de zaak waar het om gaat is zo ernstig, dat hij ze zèlf moet onderzoeken en beoordelen! Want hij moet weten - en ik voorspel het hem - dat zolang hij blijft tobben over wat volgens kwade tongen gebeurd zou zijn rond Amida en zich laat misleiden door een stel onverantwoordelijke eunuchen, hij het volgend voorjaar nog niet in eigen persoon en met de keur van zijn leger kan voorkomen dat Mesopotamië aan stukken gaat!’ 5.Toen dit Constantius mèt nog wat kwaadwillige toelichting ter ore kwam, werd hij zo kwaad, dat hij het slachtoffer van de laster zonder verder onderzoek en zonder te willen weten waarvan hijzelf mogelijk onkundig was, beval zijn commando neer te leggen en zich nergens meer mee te bemoeien. In zijn plaats benoemde hij, met een ongehoorde bevordering, Argilo, een voormalige tribuun van de Gentiles en de Scutarii.  

3. Een zonsverduistering. Over twee zonnen. Over het hoe en waarom van de zons- en maansverduistering. Over de verschillende veranderingen en gestalten van de maan 

1.In die dagen werd in de oostelijke gebieden de hemel verduisterd als met een donkere sluier, waardoorheen men van de vroege morgen tot de middag de sterren kon zien flonkeren. Dat toen het daglicht niet doorkwam en de zonneschijf volledig aan het gezicht onttrokken was, werd temeer als beangstigend ervaren toen het leek alsof de verduistering te lang duurde, maar ze nam toch af en de zon verscheen weer, eerst in de gestalte van een hoornvormige maan, dan als een halvemaan en tenslotte weer in volle glorie.2 2.Dit verschijnsel doet zich alleen zo duidelijk voor wanneer de maan haar maandlange omloop via verschillende posities met vaste tijdsintervallen beëindigt op exact haar vertrekpunt, met andere woorden als de volle maan zich in hetzelfde teken van de zodiak bevindt recht onder de zon en daar even blijft in precies die positie die in de wetenschap van de geometrie wordt aangegeven met ‘delen van delen’ [minuten van graden]. 3.Hoewel de omwentelingen en bewegingen van elk van beide hemellichamen, zoals onderzoekers van natuurlijke oorzaken hebben geconstateerd, na elke volledige maanloop eindigen in dezelfde positie en op altijd dezelfde afstand van elkaar, wordt de zon toch niet altijd dan verduisterd, maar wel en alleen als de maan zich in één volkomen rechte lijn bevindt tussen de vuurbol van de zon en ons oogpunt. 4.Kortom, de zon wordt dus aan ons gezicht onttrokken en haar licht gedoofd wanneer zijzelf en de maanbol, de onbeduidendste van alle hemellichamen ieder in de eigen baan elkaar onveranderlijk begeleidend (dus met behoud van hun respectieve hoogten en toch met elkaar verbonden) de punten bereiken die, zoals Ptolemaeus zich wetenschappelijk en beeldend uitdrukt, in het Grieks de anabibázontas en katabibázontas ekleiptikoì súndesmoi genoemd (dat zijn de klimmende en dalende ecliptische knopen). Wanneer ze alleen maar dicht bij deze punten komen te staan, zal een onvolledige verduistering optreden. 5.Als ze daarentegen in de knopen zelf staan in de klimmende en dalende banen, wordt de hemel volkomen verduisterd, zodat we als in een mist geen hand voor ogen kunnen zien. 6.Soms lijkt het of we een dubbele zon zien, wanneer een ongewoon hoge wolk, fel verlicht door de nabijheid van de eeuwige vuurhaard [de zon] als een zuivere spiegel een tweede glanzende zon projecteert. 7.Nu over de maan gesproken. Alleen dan ondergaat ze een duidelijke en volledige verduistering als ze volrond en volledig belicht tegenover de zon staat, dus om 180°, in het zevende teken van de zodiak. Hoewel dit laatste bij elke volle maan plaatsvindt, wordt ze toch niet elke keer verduisterd. 8.Maar omdat ze op korte afstand om de aarde draait, het verst van de hele hemelse pracht en zo soms onder de zonneschijf komt die haar beschijnt, maar in het gebied van de schaduw van de aarde raakt die kegelvormig is, wordt ze onzichtbaar, omgeven door duisternis, omdat het licht van de zon zich van onderaf om de ronding van de aarde verspreidt en haar, met de massa van de aarde in de weg, niet belichten kan. Want ze geeft geen enkel licht van zichzelf, zoals men vrij algemeen geconcludeerd heeft.  9.Dus als ze in het genoemde teken op een punt in een rechte lijn met de zon komt, wordt ze, zoals gezegd, verduisterd en verbleekt ze totaal. In het Grieks heet dit de súnodos van de maan. 10.Men neemt aan, dat haar opkomst begint wanneer ze [na nieuwe maan] de zon met een kleine afwijking van de rechte boven zich heeft. Maar haar nog prille verschijning wordt door aardbewoners pas waargenomen als ze, van de zon weg, in het tweede teken van de zodiak komt. Wanneer ze een stuk verder is in haar baan en al volop schijnt, wordt ze vanwege haar gehoornde gestalte mènoeidès genoemd [eerste kwartier]. Wanneer ze vervolgens op grotere afstand van de zon begint te komen, in het vierde teken van de zodiak, ontvangt ze van de zonnestralen steeds meer licht, wat in het Grieks met dichómènis wordt aangeduid, wat halfcirkelvormig betekent. 11.Daarna bereikt ze de grootste afstand, in het vijfde teken van de zodiak en ziet er met twee puntige uiteinden amphíkurtos uit. Eenmaal recht tegenover de zon aangekomen, in het huis van het zevende teken, komt ze in het volle licht te staan [nieuwe maan]. Dat duurt een korte tijd, want even verder begint ze af te nemen, een proces dat we apókrousis noemen, en afnemend gaat ze door dezelfde gestalten. En naar de eensluidende opvatting van veel geleerden vindt geen maansverduistering plaats dan precies tussen twee nieuwe manen. 12.Als ik echter heb gezegd, dat de baan van de zon nu eens door de ether, dan onder de aarde door loopt, moet dat zo begrepen worden, dat hemellichamen (zover dat het heelal betreft) niet ondergaan of opkomen, maar dat schijnbaar doen, in onze ogen, vanaf onze positie op de aarde (die door een inwendige kracht in de ruimte hangt en in vergelijking met het Al de grootte heeft van een minuscuul punt). Dus als we opzien naar de sterren, die in een eeuwige, vaste constellatie aan de hemel staan, lijken die zich te verplaatsen, maar dat komt door het soms gebrekkige menselijke waarnemingsvermogen. Maar laat ik terugkeren naar mijn eerdere onderwerp.      

  4.Tijdens die winter in Parijs wordt caesar Julianus zijns ondanks tot Augustus uitgeroepen door de Gallische troepen die Constantius van hem opeist om in het oosten tegen de Perzen te worden ingezet

  1.Terwijl Constantius zich haastte de situatie in het oosten te versterken, waar elk ogenblik invallen van de Perzen konden worden verwacht, zoals overlopers en onze eigen verkenners eensluidend berichtten, kwelde hem de gedachte aan de successen van Julianus, waarover het verhaal van mond tot mond, van volk tot volk ging, en zo tot ’s mans triomf werd, verdiend met zijn durf en zijn daden: de onderwerping van verschillende stamverbanden der Alamannen en de herovering van Gallische steden die eerder verwoest en geplunderd waren door barbaren die hij nu zelf schat- en belastingplichtig had gemaakt. 2.Gepikeerd dus over deze en dergelijke geschiedenissen, waarvan het eind zeker nog niet in zicht was, zond hij op instigatie naar men zegt van de praefectus praetorio Florentius3 de tribuun Decentius, een notarius, naar Julianus om van hem hulptroepen te vorderen: de Herulen, Bataven, Kelten en Petulanten plus van elk ander onderdeel een keurtroep van driehonderd man, met het bevel haast te maken, zodat ze ter plaatse konden zijn voor het offensief tegen de Perzen vroeg in de lente. 3.Lupicinus met name kreeg order, toe te zien op de onmiddellijke afmars van de hulptroepen en de afdelingen van driehonderd man (Constantius wist nog niet dat hij naar Britannië was), terwijl Julianus’ tribunus stabuli Sintula bevel kreeg de besten van de Scutarii en de Gentiles te selecteren en mee te brengen. 4.Julianus moest zich wel schikken naar de inzichten van zijn keizer en zich neerleggen bij diens bevelen. Maar dit kon hij niet zomaar laten passeren: dat de mannen die hun woonplaatsen achter de Rijn hadden verlaten en zich onder zijn bevel hadden gesteld op conditie dat ze nooit over de Alpen zouden hoeven, in problemen zouden raken. Het was trouwens te vrezen, zo gaf hij Decentius te kennen, dat vrijwilligers uit barbaarse volken die gewoonlijk onder dergelijke voorwaarden naar ons overkwamen, daarvan in de toekomst zouden worden afgeschrikt als ze hiervan hoorden. Maar hij sprak tegen dovemansoren. 5.Want de tribuun schoof zijn bezwaren opzij en voerde eenvoudig de bevelen van de keizer uit. Hij selecteerde lichtgewapende manschappen op kracht en behendigheid, beloofde dat ze er beter van zouden worden en vertrok ermee.  6.Julianus twijfelde toen over wat hij aan moest met de rest van de troepen die de keizer van hem vorderde. Van alles speelde door zijn hoofd, want hij realiseerde zich dat de situatie een delicate aanpak vereiste, gezien enerzijds de druk van de barbaren en anderzijds de onontkoombaarheid van ’s keizers orders. Hem speet nu de afwezigheid van zijn magister equitum Lupicinus. Ook de prefect Florentius was trouwens al enige tijd niet bij de hand. Deze riep hij terug uit Vienna, waar hij zogenaamd was om proviand te organiseren, maar feitelijk om buiten de militaire problemen te blijven. 7.Want hij legde verband met het advies dat hij eerder (vermoedelijk tenminste) aan Constantius had gegeven, de betere strijdkrachten aan de verdediging van Gallië te onttrekken, omdat die intussen genoeg indruk op de barbaren hadden gemaakt. 8.Toen hij dan ook caesars brief ontving waarin hij gemaand werd zo snel mogelijk terug te keren om het staatsbelang met wijze raad te dienen, bleef hij weigerachtig, confuus en onzeker, omdat de brief met zoveel woorden duidelijk maakte, dat hij als prefect, gezien de gevaarlijke situatie, zijn caesar nooit in de steek had mogen laten. Julianus dreigde zelfs, dat als Florentius niet van plan was zijn plichten na te komen, hij de tekenen van zijn keizerlijke volmacht vrijwillig zou afleggen, omdat hij liever op bevel van de keizer een eervolle dood tegemoet ging dan dat hem het verlies van provincies kon worden verweten. Maar de koppigheid van de prefect won het van de redelijkheid aan de eis gehoor te geven. 9.Door de afwezigheid van Lupicinus en van de prefect (die een oproer in het legerkamp zag aankomen) wist Julianus, verstoken als hij dus was van zijn raadgevers, niet goed wat te doen, maar dacht er het beste van te maken door in ieder geval opdracht  te geven aan alle [aangewezen] afdelingen die al uit hun winterkwartieren vertrokken waren, haast te maken. 10.Toen dit bevel hen bereikte, liet iemand in het kamp van de Petulanten stiekem een opruiend geschrift op de grond vallen met daarin het volgende: ‘Nu worden wij toch als veroordeelde misdadigers naar het uiteinde van de aarde verdreven en worden onze vrouwen en kinderen, die we in bloedige gevechten uit hun vroegere horigheid hebben bevrijd, opnieuw slaven van de Alamannen’, enzovoort, enzovoort. 11.Dit geschrift kreeg Julianus onder ogen, die de klachten gerechtvaardigd vond en aangaf dat deze mannen dan maar mèt hun families naar het oosten moesten vertrekken met verlof gebruik te maken van wagens van de cursus publicus. Wel was het toen een tijdlang de vraag welke route ze zouden nemen, tot op aanraden van de notarius Decentius besloten werd dat alles via Parijs zou gaan, waar Julianus nog steeds verbleef. Zo gebeurde het. 12.En toen ze daar aankwamen, begroette de caesar hen al buiten de stad, prees, zoals hij gewoon was, degenen die hij persoonlijk kende, liet blijken zich de bijzondere prestaties van deze en gene te herinneren en spoorde ze met bemoedigende woorden aan, welgemoed op weg te gaan naar de keizer met al diens macht en gulheid om een welverdiende beloning voor hun inspanningen te ontvangen. 13.Om deze mannen die naar verre oorden moesten extra eer te bewijzen, nodigde hij hun aanvoerders op een feestmaal, waarbij hij ze de vrijheid gaf alles te zeggen wat ze op het hart hadden. En omdat ze zo gastvrij onthaald waren, vertrokken ze met spijt in het hart om het treurige lot dat hen ging scheiden èn van een welmenende heerser èn van hun geboortegrond. Ten prooi aan deze sombere gedachten, maar schijnbaar getroost en berustend bleven ze in hun tenten. 14.Maar na het invallen van de nacht kwamen ze openlijk in opstand. Opgewonden, de een nog kwader dan de ander over de situatie die ze niet wensten te accepteren, grepen ze hun wapens, stormden onder oorverdovend geschreeuw naar het paleis, omsingelden het zodat niemand eruit kon en riepen: ‘Julianus Augustus!’ Ze eisten dat hij zich aan hen zou vertonen, maar moesten wachten tot het dag werd. Eenmaal zover, dwongen ze hem naar buiten te komen, waarna ze nog harder schreeuwden en hem tenslotte eendrachtig tot keizer uitriepen. 15.Julianus verzette zich daartegen met grote beslistheid, maakte zich nu eens boos, strekte dan weer smekend zijn handen uit en bezwoer zijn mannen, niet, na zoveel gelukkige overwinningen iets oneervols te doen of in dolle drift muiterij te veroorzaken. Toen hij ze dan eindelijk tot bedaren had gebracht, sprak hij ze kalm nog als volgt toe: 16.‘Alstublieft, maakt u zich niet kwaad. Wat u wilt, kunt u eenvoudig krijgen, zonder heibel, zonder oproer. U verlangt terug naar uw geboortestreek en schrikt terug van verre, vreemde landen. Wel, gaat u dan naar huis terug. U hoeft niet over de Alpen als u niet wilt. Ik zal dat bij de keizer, die een begripvol en verstandig man is, voor u in orde maken.’ 17.Daarop begonnen ze toch weer van alle kanten te schreeuwen. En toen ze opgewonden om het hardst bleven brullen, tot horen en zien verging, en hem nog verwijten en beledigingen naar het hoofd slingerden ook, moest Julianus wel toegeven. Hij werd op het schild van een infanterist gezet, hoog opgeheven en eenstemmig tot keizer uitgeroepen. Ze vroegen hem om zijn diadeem of - toen hij verklaarde er nooit een te hebben gehad - om een hals- of haarsieraad van zijn vrouw. 18.Wat dat betrof zei hij echter dat het hem niet paste bij zijn inauguratie een vrouwensieraad te dragen. Toen werd gedacht aan de borstversiering van een paard, zodat hij hoe dan ook een kroon had als tenminste enig blijk van keizerlijke waardigheid. Maar ook dat wees hij af als te gênant, waarop een zekere Maurus, een latere comes, die als zodanig een nederlaag zou lijden bij de pas van Succi4 maar destijds een standaarddrager van de Petulanten was, de halsketting afdeed die hij om had als drager van een drakenvaandel en die Julianus resoluut op het hoofd legde. Tot het uiterste gedreven en beseffend dat hij acuut gevaar liep als hij nog bleef weigeren, beloofde die toen elke man vijf goudstukken en een pond zilver.19.Door dit alles stapelden zijn zorgen zich op, want hij kon wel raden wat nu ging gebeuren. Zijn ‘diadeem’ borg hij weg. Hij had de moed niet zich ergens nog te vertonen of zelfs de meest dringende staatszaken af te handelen. 20.Maar toen hij zo, overrompeld door de opeenvolgende gebeurtenissen, in totale afzondering bleef, was er een palatii decurio, één dus met een belangrijke functie, die plotseling naar het kamp van de Petulanten en de Kelten rende, waar hij opgewonden riep dat er iets vreselijks was gebeurd, dat de man die ze de vorige dag tot keizer hadden uitgeroepen, heimelijk vermoord was! 21.Op die tijding stormden de krijgers - altijd heftig reagerend op geruchten, geloofwaardig of niet - zwaaiend met speren of dreigend met getrokken zwaarden van alle kanten in grote wanorde naar het paleis en naar binnen. De lijfwachten, de tribunen met hun commandant en al, die nota bene Excubitor [Lijfwacht] heette, kregen van het geraas en getier een doodschrik, dachten dat het soldatentuig in opstand was gekomen en hun einde nabij was en maakten dat ze wegkwamen. 22.Toen viel er een grote stilte, waarin de krijgers tot staan kwamen. En op iemands vraag wat de reden was van die plotselinge, wilde commotie, bleven ze beduusd zwijgen, niet wetend wat nu te denken over het lot van de nieuwe keizer. Maar ze gingen pas weg toen ze tot de raadzaal waren toegelaten en hem in vol keizerlijk ornaat gezien hadden.  

5. Julianus spreekt de troepen toe 

1.Toen ze hoorden wat hier gebeurd was, maakten de eenheden die, zoals gezegd,5 onder bevel van Sintula al waren vertrokken, rechtsomkeert en marcheerden onbekommerd met hem terug naar Parijs. Daar werd voor de eerstvolgende dag een algemene bijeenkomst aangekondigd, waar keizer Julianus in een voor hem ongewoon ornaat verscheen en omgeven door standaards, adelaars en vaandels, streng beveiligd door gewapende cohorten, een platform besteeg. 2.Nadat hij enige tijd zwijgend vanaf dit verhoog de gezichten van de verzamelde manschappen had beschouwd en had vastgesteld dat die zonder uitzondering opgewekt, zelfs vrolijk stonden, sprak hij ze in eenvoudige, voor allen begrijpelijke taal toe - maar zijn woorden kwamen aan als klaroenstoten: 3.‘De situatie waarin we ons bevinden, dappere en trouwe strijders voor mij en de staat, die menigmaal met mij uw leven geriskeerd hebt voor het welzijn van de provincies, is zodanig dat ik, door u met alle geweld van caesar tot de hoogste hoogte verheven, nu nodig in het kort een paar kwesties moet aanroeren om alle veranderingen behoorlijk onder controle te krijgen. 4.Nauwelijks uit mijn jonge jaren, ben ik, uiterlijk tenminste, met het purper bekleed - u weet het - en door een hemels wilsbesluit onder uw bescherming gesteld. Sindsdien ben ik nimmer mijn principe ontrouw geweest, te doen wat ik moest. Zo hebt u mij met u gezien in al uw zwoegen, toen brute volken woest om zich heen sloegen en na de verwoesting van steden en het verlies van ontelbare duizenden van onze mannen onzegbaar leed over die weinige gebieden kwam die halfverwoest overbleven. Het is overbodig, denk ik, op te halen hoe vaak we in winterkou onder een ijzige hemel - wanneer de oorlogsgod land en zee toch met rust pleegt te laten - de tot dan toe onoverwinnelijke Alamannen hebben teruggeslagen en getemd. 5.Daarbij mag ik natuurlijk niet voorbijgaan aan het feit, dat u bij Argentoratus [Straatsburg], toen de gelukkigste van alle dagen aanbrak, die om zo te zeggen voor altijd vrijheid voor de Gallische landen zou brengen - ik zie mij nog in de weer onder een hagel van pijlen! - met uw dapperheid en grote krijgservaring vijanden hebt overwonnen die ons als woeste bergstromen overspoelden, door ze met het blanke staal neer te maaien of de rivier in te drijven, terwijl er maar weinigen van ons op het slagveld bleven, aan wie we de laatste eer bewezen met lofprijzingen meer dan met droefheid. 6.Na dit alles zal het nageslacht, denk ik, niet zwijgen over uw verdiensten voor het land die onder alle volken bekend zijn, als u de man die u zelf tot keizerlijke majesteit verheven hebt, moedig en vastberaden zult verdedigen ook in tijden van tegenspoed. 7.Maar om te zorgen dat de bestaande situatie gehandhaafd blijft, dat niet geraakt wordt aan beloningen voor dapperheid en geen benoeming de prijs wordt van onderhandse kuiperijen, bepaal ik hier, in uw geëerde aanwezigheid, dat geen civiele beambte en geen officier door welke begunstiging ook een hogere rang mag krijgen dan hem toekomt, en dat ieder die dat voor een ander zal proberen, oneervol ontslag wacht.’ 8.Die belofte van betere vooruitzichten bracht de lagere rangen, die al lang geen bevorderingen of beloningen gezien hadden, tot groot enthousiasme. Ze sprongen op, roffelden met hun speren op hun schilden en stemden daarmee als één man in met wat gezegd en toegezegd was. 9.Om geen ogenblik kans te geven aan het aldus beslotene afbreuk te doen, vroegen de Petulanten en de Kelten meteen ten gunste van enige actuarii 6  bestuursposten in provincies van hun keuze. Dat verzoek werd door Julianus afgewezen, maar, niet beledigd of boos, lieten ze het erbij. 10.Overigens, in de nacht vóór hij tot keizer werd uitgeroepen, had Julianus, zoals hij zijn naaste medewerkers vertelde, in zijn slaap een verschijning gezien in de gestalte waarin de Genius van de staat gewoonlijk wordt afgebeeld, die hem verwijtend had gezegd: ‘Sinds lang, Julianus, sla ik u heimelijk vanaf de drempel van uw huis gade en wens ik uw aanzien te vergroten, maar dikwijls heb ik het gevoel gehad, afgewezen te worden. Als ik zelfs nu niet ontvangen wordt, nu velen van hetzelfde gevoelen zijn, zal ik verslagen vertrekken. Maar bedenk dit wel, dat ik dan niet langer met u zal zijn’.  

6. Singara wordt door Sapor belegerd en ingenomen. Haar burgers worden, met een garnizoen van twee legioenen en een hulpcorps cavalerie naar Perzië afgevoerd, waarna de stad wordt verwoest  

1.Terwijl het zo in Gallië spannend toeging, kwam anderzijds de gevreesde Perzenkoning Sapor weer in actie. Bespeeld door de aanstoker Antoninus en nu ook door de overgelopen Craugasius,7 moest en zou hij nu Mesopotamië in handen krijgen. Constantius met zijn leger ver weg wetend, trok hij met veel vertoon met een verdubbelde strijdmacht de Tigris over met als doel Singara, een stad die volgens de autoriteiten in die regionen een toereikende militaire bezetting had met een overvloed aan provisie. 2.Zodra de verdedigers van de stad de vijand in de verte ontwaarden, sloten ze haastig de poorten, bemanden strijdlustig de torens en de muren, sjouwden brokken steen bij elkaar, stelden oorlogstuig op en bleven na al het nodige te hebben voorbereid onder de wapenen, klaar om de vijandelijke horden af te slaan als ze zich onder de muren zouden wagen.  3.Bij de stad aangekomen deed de koning via hoge afgezanten, die van ons verlof kregen dichterbij te komen, een poging vreedzaam te onderhandelen, maar slaagde er niet in de bezetting te overreden. Die hele verdere dag werd toen niets anders ondernomen, maar de volgende morgen vroeg werd met het hijsen van een rode vaan de aanval op de stad ingezet: hier werden ladders aangevoerd, daar belegeringswerktuigen in gereedheid gebracht. Hele troepen kwamen onder bescherming van borstweringen en schutdaken tot onder de muren om te proberen ze te ondermijnen. 4.Tussen de kantelen deden de verdedigers met steenslingers en ander geschut wat ze konden om de fanatiek aanstormende vijand te beletten de stad in te komen. 5.Zo werd verschillende dagen met wisselend succes gevochten, waarbij aan beide kanten veel doden en gewonden vielen. Tenslotte werd in het heetst van de strijd tegen het vallen van de avond behalve een aantal andere belegeringswerktuigen een enorme stormram aangevoerd, waarmee met snelle stoten de ronde toren gebeukt werd, juist daar waar bij een vorige belegering een bres in de verdediging van de stad was geslagen. 6.Daarheen verplaatste zich toen het dichtste strijdgewoel. Van alle kanten werden naar het gevaarlijke monster fakkels gegooid en brandende pijlen afgeschoten in een poging het in brand te steken. Onderwijl hield ook de stenen- en pijlenregen van weerskanten aan. Maar op de ram met zijn scherpe punt had dat geen enkel effect. Zonder ophouden wrikte die de pas gelegde stenen los waartussen de verse voegen nog niet uitgehard waren. 7.En terwijl zo met vuur en zwaard gevochten werd, stortte de toren in met manschappen en al, zodat een bres in de verdediging en daarmee een toegang tot de stad ontstond. Onder krijgsgehuil stormden de Perzische horden van alle kanten toe en bezetten zonder nog enige tegenstand te ontmoeten alle wijken van de stad. Enkele inwoners vonden daarbij de dood. De rest van de bevolking werd op bevel van Sapor levend gevangen en afgevoerd naar de verst afgelegen gebieden van Perzië.8.De stad was verdedigd door twee legioenen: het Eerste Flavische en het Eerste Parthische, door veel van de eigen bewoners en een hulptroep ruiterij die bij het naderende gevaar toevlucht had gezocht binnen de muren. Allen werden, zoals gezegd, geboeid afgevoerd, zonder dat iemand van ons hulp kon bieden. 9.Het grootste deel van ons leger lag namelijk bij Nisibis ter beveiliging van die stad in winterkwartier en dat was ver daarvandaan. Trouwens, ook in vroegere tijden had nooit iemand Singara kunnen helpen als het werd bedreigd, omdat die stad midden in een droog gebied lag, waar geen water te vinden was. Ooit was die vesting op die plek gebouwd omdat vandaar vroegtijdig plotselinge bewegingen van de vijand konden worden waargenomen, wat nuttig was, maar in het algemeen leed de Romeinse zaak daar schade, omdat ze verschillende malen werd ingenomen, wat ons troepen kostte.   

7. Sapor verovert de vestingstad Bezabde, die door drie legioenen verdedigd wordt. Hij herstelt de schade, legert er een garnizoen en bevoorraadt ze. Ook, maar vergeefs, valt hij de vesting Virta aan 

1.Na de verwoesting van Singara liet Sapor de stad Nisibis wijselijk links liggen, zich maar al te goed zijn tegenslagen daar herinnerend,8 en trok langs ongebaande wegen naar rechts op Bezabde af, door haar stichters aanvankelijk ook Phaenicha genoemd, in de hoop haar met geweld of schone beloften in handen te krijgen. Bezabde was een sterke vesting, gelegen op een niet al te hoge heuvel die afliep naar de oever van de Tigris, en werd aan haar meest kwetsbare, lagere kant beschermd door een dubbele muur. Drie legioenen waren belast met haar verdediging: het Tweede Flavische, het Tweede Armeense en het Tweede Parthische, met daarbij grote aantallen boogschutters uit Zabdicena, een gebied dat toen aan ons onderhorig was en waarvan Bezabde deel uitmaakte. 2.Bij de eerste aanval reed de koning zelf hoog te paard, omringd door een schare ruiters in blinkende kurassen om de vesting heen, waarbij hij zich tot vlak bij de grachten waagde. Daar werd hij het doelwit van een hagel van pijlen en projectielen uit ballista’s, maar onder dekking van een dicht schutdak van schilden ontkwam hij ongedeerd. 3.Zijn woede daarover onderdrukkend, zond hij volgens zijn gewoonte toen eerst herauten om de belegerden vriendelijk te manen hun leven en toekomst niet op het spel te zetten, een beleg te voorkomen door een vrijwillige overgave, de poorten te openen en zich onderdanig over te geven aan de volkendwinger. 4.Die herauten hielden, toen ze binnen schootsafstand kwamen, een aantal bekende burgers die in Singara gevangen waren genomen, dicht bij zich. Uit consideratie daarmee lieten de verdedigers op de muren de delegatie ongemoeid. Maar, werd geen schot gelost, ook op het vredesaanbod werd niet gereageerd. 5.Daarop volgde een wapenstilstand van een hele dag en een nacht, maar nog vóór het aanbreken van de tweede dag viel de hele strijdmacht van de Perzen onder het schreeuwen van de gruwelijkste bedreigingen woedend op de stad aan, tot vlak onder de muren, die door de bezetting fel verdedigd werden. 6.Veel Perzen raakten gewond toen ze met ladders en van takken gevlochten schermen zonder zich te ontzien binnen schootsafstand kwamen. Maar ook de onzen, die dicht op elkaar staand door de ene pijlenregen na de andere getroffen werden, hadden het zwaar te verduren. De zon was al onder toen beide partijen met even grote verliezen de strijd staakten, maar nog vóór het ochtendgloren van de volgende dag werden over en weer de trompetten gestoken en begon alles opnieuw, heviger dan tevoren, en aan weerskanten lagen al gauw de bergen lijken even hoog, zo fanatiek ging het toe. 7.Daarna werd vanwege de enorme verliezen met wederzijds goedvinden een rustdag gehouden in een sfeer van angst en beklemming zowel op de muren als in het kamp van de Perzen. Toen gaf de bisschop van de christelijke sekte [vanaf de muur] met gebaren te kennen, dat hij naar buiten wilde komen. 8.Hij kreeg daarvoor toestemming, met de verzekering van een veilige terugkeer, en begaf zich naar de tent van de koning. Uitgenodigd te zeggen wat hij op zijn hart had, gaf hij de Perzen op rustige toon de raad naar hun land terug te keren, aangezien na de verliezen aan beide kanten gevreesd moest worden dat nog grotere zouden volgen. Maar zijn betoog was vergeefs en hoe hij ook aanhield, zijn argumenten stuitten af op de waanzinnige gram van de koning, die zwoer niet te zullen vertrekken vóór de vesting was verwoest. 9.Er ontstond later enige verdenking tegen de bisschop - onterecht naar mijn mening, maar door velen voor zeker gehouden - als zou hij Sapor onder vier ogen hebben verraden op welke gedeelten van de muren hij zijn aanvallen moest richten omdat ze daar voos en zwak waren. Dat wantrouwen leek niet geheel ongegrond, want de belegeringswerktuigen werden na dat bezoek heel opvallend en met ostentatief leedvermaak juist op die zwakke, bouwvallige plaatsen gericht, alsof degenen die ze bedienden over geheime informatie beschikten. 10.De muren waren tamelijk moeilijk bereikbaar, namelijk alleen via smalle paden, waarover de belegeraars, ook nog gehinderd door de handgeslingerde stenen en de pijlen de elders geassembleerde stormrammen nauwelijks vooruit kregen. Onderwijl schoten ook de ballista’s onophoudelijk hun projectielen en wierpen scorpio’s ladingen stenen en brandende, met pek en bitumen bestreken manden naar beneden en al dat stortsel rolde onafgebroken van de hellingen omlaag, waardoor de machines zo vast kwamen te zitten als hadden ze wortel geschoten, en de ene na de andere door de brandpijlen en fakkels in brand vlogen. 11.Ondanks dat alles, ondanks ook de grote aantallen slachtoffers aan beide kanten, raakten de aanvallers er steeds feller op gebeten, de stad, hoe sterk ze ook bleek door haar natuurlijke ligging en enorme verdedigingswerken, nog vóór de opkomst van de winterster te verwoesten, wetend dat de woede van de koning niet eerder zou bedaren. Stromen bloed noch aantallen gesneuvelden vermochten de overlevenden af te schrikken. 12.En toen de voor velen fatale strijd maar duurde, stelden ze zich tenslotte aan de grootste gevaren bloot, sjorrend aan de stormrammen, maar massa’s zware steenblokken en allerlei brandende voorwerpen dwongen hen te stoppen. 13.Alleen één stormram, die groter was dan de rest en, bedekt met natte buffelhuiden, minder last had van de brandpijlen en andere projectielen, werkten ze vóór alle andere met grote moeite omhoog tot aan de muur en begonnen met zijn scherpe punt in de voegen te wrikken van een toren, tot die uit elkaar gescheurd met groot geraas instortte, de verdedigers die erop stonden meesleurend in zijn val. Zo vonden die met verbrijzelde leden of stikkend onder het puin op allerlei onverwachte manieren de dood, terwijl gewapende horden zonder tegenstand te ontmoeten over de brokstukken heen de stad in klommen. 14.Overrompeld en verbijsterd door het oorverdovend krijgsgehuil van de Perzen overal om zich heen, zagen daar de verschrikte burgers hoe felle gevechten van man tegen man uitbraken tussen aanvallers en verdedigers in zulke dichte kluwen, dat alle zwaardhouwen links en rechts raak waren. 15.Lange tijd boden de verdedigers weerstand en bleef de uitkomst onzeker, tot ze tenslotte door een overmacht, zij het met grote moeite, in wanorde uiteen werden gedreven. Daarna stortte de furieuze vijand zich op alles wat hij tegen kwam. Kinderen werden uit de armen van hun moeders gerukt, de moeders afgeslacht, in blinde woede. En het bleef niet bij die gruwelen: het roofzuchtige volk maakte alles buit wat van zijn gading was en daarmee, en met een stoet gevangenen, keerde het jubelend naar zijn tenten terug. 16.De koning, die sinds lang zijn zinnen had gezet op de verovering van deze vestingstad, omdat ze zo buitengewoon gunstig gelegen was, kon, apetrots, zijn geluk niet op. Maar vóór hij verder trok, liet hij de verwoeste stukken muur grondig herstellen, waarna hij een goed bevoorraad garnizoen in de stad legerde van manschappen uit betere kringen met grote oorlogservaring. Want hij voorzag wat ook inderdaad gebeurde, dat de Romeinen zich niet bij het verlies van zo’n belangrijke vesting zouden neerleggen en zich op hun beurt op een grootscheepse belegering zouden voorbereiden.9  17.Toen hield hij zich weer met verdere plannen bezig, in zijn zelfgenoegzaamheid er steeds meer van overtuigd dat alles zou lukken wat hij aangreep. Na nog een paar kleinere forten veroverd te hebben, maakte hij zich nu op, Virga aan te vallen, een zeer oude vesting, die nog door Alexander van Macedonië gebouwd heette te zijn, aan de uiterste grens van Mesopotamië gelegen, omgeven door een muur met bochten en scherpe hoeken en ook anderszins vanwege verschillende kunstwerken ongenaakbaar. 18.Hij probeerde er van alles: paaide de verdedigers met beloften, bedreigde ze met gruwelijke straffen, begon soms een wal te bouwen, liet belegeringsmachines aanslepen, maar leed meer verliezen dan hij toebracht, tot hij moest opgeven wat hij vergeefs begonnen was en tenslotte de aftocht blies.

8. Julianus stelt keizer Constantius per brief op de hoogte van wat in Parijs gebeurd is

  1.Dit gebeurde dat jaar [360] tussen de Tigris en de Euphraat, waarvan Constantius voortdurend op de hoogte werd gehouden. Die wintermaanden in Constantinopel gaf hij, beducht voor een [nieuw] Perzisch offensief, de hoogste prioriteit aan de versterking van de oostgrens, liet wapens en verse troepen aanrukken en bracht de legioenen die tijdens de campagnes aan het oostfront het best gepresteerd hadden op sterkte met jonge lichtingen. Bovendien vroeg hij de Scythen om hulptroepen, tegen betaling of als gunst, met de bedoeling na het begin van de lente uit Thracië op te breken en zo snel mogelijk de bedreigde gebieden te bezetten. 2.Julianus, intussen, overwinterde in Parijs, waar hij zich bezorgd afvroeg hoe het moest aflopen met wat hij begonnen was, want hoe hij het ook wendde of keerde, hij zag niet hoe Constanties het ooit zou accepteren - hij was in diens ogen immers maar een onbeduidende pion. 3.Zich wel bewust van de risico’s klevend aan zo’n begin van een opstand, besloot hij gezanten naar Constantius te sturen om hem over het gebeurde in te lichten. Tevens gaf hij hun een brief mee van dezelfde strekking, maar waarin hij duidelijker en vrijmoediger uiteenzette wat zich had afgespeeld en hoe het volgens hem nu verder moest. 4.Hij dacht trouwens dat Constantius allang van een en ander wist uit rapporten van Decentius, die kortelings naar hem was teruggekeerd, en van enkele cubicularii, die in Gallië op doorreis niet lang daarvóór aan de caesar betalingen hadden gedaan [afkomstig uit geïnde belastingen]. Opzettelijk beschreef hij zijn ‘opstand’ niet op een hoge toon, niet in aanmatigende bewoordingen, om niet de schijn te wekken over te lopen van verwatenheid, maar als volgt: 5.‘Ik heb altijd’, schreef hij, ‘consequent gehandeld, zowel naar mijn persoonlijke inzichten als naar geldende afspraken, zoals intussen uit vele voorbeelden duidelijk mag zijn. 6.Vanaf dat u mij tot caesar hebt benoemd en mij hebt blootgesteld aan de gruwelijke geluiden van veldslagen, heb ik mij bereidwillig geschikt in mijn positie en u als een trouwe dienaar regelmatig gemeld, dat de zaken naar wens verliepen, zonder mij ooit op de borst te slaan voor wat ik daarvoor had doorstaan, terwijl er bewijzen genoeg voor zijn, dat ik in de strijd met de overal opduikende oproerige Germanen steeds vooraan te vinden ben, maar terug in de tent het laatst. 7.Maar als er nu, met permissie gezegd, een in uw ogen nieuwe situatie is ontstaan, dan komt dat door uw soldaten, die zich afmatten in de ene na de andere wrede oorlog zonder er beter van te worden, die gedaan hebben wat al lang broeide: in opstand zijn gekomen, ontevreden met een tweederangs leider, een caesar, die hun naar hun mening al hun gezwoeg en gezweet en hun overwinningen nooit zou kunnen vergelden. 8.Bij hun boosheid over het feit, dat bevorderingen en jaargelden maar uitbleven, kwam dan ook voor deze mannen onverwachts nog dit, dat ze, thuis in koude gebieden, naar het uiterste oosten werden gecommandeerd en gescheiden van vrouw en kinderen als arme schooiers met zich moesten laten sollen. Dat is de reden waarom ze, zo woedend als ik ze nooit heb meegemaakt, tenslotte op een nacht te hoop zijn gelopen en mijn paleis belegerd hebben met aanhoudend geroep van “Julianus Augustus!” 9.Daardoor hevig geschokt, moet ik zeggen, heb ik mij toen teruggetrokken, mij weggehouden zo lang ik kon, in afzondering denkend dat het nog wel goed zou komen. Maar toen ze niet aflieten, verschanste ik mij (om zo te zeggen) achter de muur van het nuchtere verstand en ben ik voor hen verschenen, in de veronderstelling dat ik het tumult met mijn gezag of overredingskracht kon doen bedaren. 10.Maar ze werden alleen maar kwader, en toen ik ze met smeekbeden probeerde te vermurwen, gingen ze me bijna te lijf en dreigden me ter plaatse te vermoorden. Toen heb ik toegegeven met de gedachte, dat als ze mij zouden doden, een ander zich misschien wèl tot keizer zou laten uitroepen, en dat ik dit wapengekletter nog kon doen ophouden. 11.Dit is hoe de zaak zich heeft toegedragen, en ik vraag u mijn lezing eenvoudig voor kennisgeving aan te nemen. Denkt niet dat er iets anders heeft gespeeld. Schenkt geen geloof aan eventuele onderkruipers, die gevaarlijke geruchten in de wereld brengen en voor hun eigen doeleinden maar al te graag tweedracht zaaien tussen ons. Luistert niet naar vleierij, de voedster van alle kwaad, en laat rechtvaardigheid gelden, het begin van alle goeds. Aanvaardt in goed vertrouwen mijn goedbedoelde voorstellen, in de overtuiging dat dit in het belang is van Rome en van onszelf, die dankzij onze bloedverwantschap en door onze hoge posities met elkaar verbonden zijn. 12.En vergeeft u mij: belangrijker dan dat inderdaad gebeurt wat naar mijn inzicht nodig is, vind ik het, dat het door u wordt geaccepteerd en goedgekeurd - en verder zie ik uw orders gaarne tegemoet. 13.Over wat nu moet gebeuren zal ik zo kort mogelijk zijn. Ik zal Spaanse paarden leveren voor uw wagens en een aantal jonge Laeten, zonen van een barbaarse stam aan deze kant van de Rijn of in elk geval daarvan degenen die zich als vrijwilligers bij ons hebben gemeld en die bij de Gentiles en de Scutarii kunnen worden ingedeeld. En ik beloof dat te zullen doen tot mijn laatste dag, niet uit plicht maar omdat ik het positief wil. 14.Als praefecti praetorio wilt u bij ons wel zulken benoemen, die bekend staan om hun rechtschapenheid en verdiensten. Wat de promotie van andere beambten en officieren betreft en van mijn lijfwacht, is het logisch dat ik daarover zelf beslis. Want het is niet verstandig om, als het vermeden kan worden, aan een bevelhebber personen toe te voegen waarvan hij noch hun karakter, noch hun eigenschappen kent. 15.In elk geval wil ik het volgende buiten twijfel stellen: het is uitgesloten, dat de Galliërs, met een lange periode van onrust achter zich, waarin ze zware slagen te verduren hebben gehad, hetzij vrijwillig hetzij gedwongen, rekruten kunnen leveren voor dienst in verre, vreemde landen, want beroofd van hun jongemannen zouden ze, met de herinnering aan de rampspoeden van het verleden nog vers, van wanhoop aan de toekomst instorten. 16.Het is ook niet zinvol, hier hulptroepen weg te halen om ze tegen het Perzische volk in te zetten, zolang aan de aanvallen van de barbaren nog geen eind is gemaakt en (als u mij toestaat de waarheid te zeggen) deze provincies, die al zo lang te lijden hebben gehad, eigenlijk zelf hulp en versterking van buiten nodig hebben. 17.Met deze raadgevingen, eisen en verzoeken meen ik een goede zaak te dienen. Want ik weet - om niet verder te gaan dan mij in mijn positie past - ik weet hoe hopeloze situaties, waarin alles voorgoed verloren lijkt, door eendracht en wederzijdse inschikkelijkheid van regeerders ten goede zijn gekeerd. Zoals uit voorbeelden uit het verleden blijkt, vinden regeerders die zich daaraan houden op de een of andere manier altijd een weg naar succes en geluk en laten daarmee voor het nageslacht en voor altijd een goede herinnering na.’ 18.Behalve deze brief schreef Julianus er nóg een, die meer persoonlijk van aard was en kritisch en bitter van toon en aan Constantius onder vier ogen moest worden overhandigd. De inhoud daarvan is mij niet bekend, en was het anders, zou het mij niet passen die openbaar te maken. 19.Met deze missie werden twee zwaargewichten belast: de magister officiorum Pentadius en de toenmalige praepositus cubiculi Eutherius, die na de brieven te hebben overhandigd ook mondeling moesten rapporteren wat ze ervaren hadden zonder iets achter te houden en gemachtigd waren de verder te volgen koers te bespreken. 20.Intussen was de twijfelachtigheid van de hele onderneming nog verergerd door de vlucht van de prefect Florentius, die, alsof hij de opschudding voorzien had die de vordering van de troepen zou veroorzaken (waarover tot dan toe alleen maar geruchten de ronde deden), naar Vienna was afgereisd, voorgevend dat dit verband hield met een provianderingskwestie, maar in feite de caesar uit de weg ging uit vrees, omdat hij hem vaak nogal grof had bejegend. 21.Maar toen hij daar vervolgens vernam, dat Julianus tot Augustus was verheven, gaf hij weinig of niets meer voor zijn leven, raakte in paniek en dacht hoe verder weg hoe beter het dreigende gevaar nog te kunnen ontlopen. Hij liet zijn gezin in de steek, ging ervandoor en kwam na een moeizame reis bij Constantius aan, waar hij om zichzelf schoon te praten Julianus beschuldigde van misdrijven tegen de staat. 22.Deze zelfde Julianus wilde echter na diens vlucht, alles goed en wel overwegend, duidelijk laten uitkomen dat hij hem niets gedaan zou hebben zelfs als hij was gebleven, liet zijn familie met al haar bezittingen ongemoeid, gaf verlof gebruik te maken van de cursus publicus en wenste ze een goede reis naar het oosten.

  9. Keizer Constantius maant Julianus tevreden te zijn met de titel van caesar,  maar de Gallische troepen blijven eensgezind en onverzettelijk 

1.Julianus’ gezanten kozen goedsmoeds en welgemotiveerd voor de lange reis dezelfde weg, met de brieven die ik zoëven beschreven heb, maar werden onderweg herhaaldelijk en zonder duidelijke redenen door hogere functionarissen vastgehouden, zodat ze in Italië en Illyricum voortdurend langdurig oponthoud leden, tot ze tenslotte de Bosporus over waren en langzaam aan Constantius bereikten, die zich toen nog in Cappadocië ophield, in Caesarea, een goed gelegen, dichtbevolkte stad, vroeger Mazaca geheten, aan de voet van de berg Argaeus. 2.Tot de keizer toegelaten, overhandigden ze na bekomen verlof de brieven, waarvan de voorlezing zo’n ongewoon heftige uitbarsting van keizerlijke woede tot gevolg had dat de gezanten, met schuinse blikken op zich gericht, voor hun leven vreesden. Maar Constantius liet ze buiten zetten zonder nog een vraag te stellen of nog iets te willen horen. 3.Woedend, maar in grote onzekerheid, vroeg hij zich vervolgens wel af, of hij zijn meest betrouwbare troepen nu tegen de Perzen of tegen Julianus moest inzetten, tot hij, het ene plan tegen het andere afwegend, tenslotte naar verstandige raad luisterde en bevel gaf op te rukken naar het oosten. 4.De gezanten stuurde hij meteen weg, terwijl hij zijn quaestor Leonas opdroeg, zich zo snel mogelijk naar Gallië te begeven met een brief voor Julianus waarin hij hem duidelijk maakte geen enkele verandering te accepteren en hem dringend aanried, als zijn leven en dat van zijn medestanders hem lief was, zijn protserige gedoe te staken en zich binnen de perken van zijn bevoegdheid als caesar te houden. 5.Om zijn dreigementen kracht bij te zetten en als om te demonstreren wie de baas was, bevorderde hij Nebridius, de toenmalige quaestor van Julianus tot praefectus praetorio in plaats van Florentius, de notarius Felix tot magister officiorum en benoemde hij anderen op andere posten. Gomoarius had hij al bevorderd tot magister armorum als opvolger van Lupicinus [die, zoals hij veronderstelde, met een marsorder op weg was] vóór hij weet had van wat er gebeurd was. 6.Leonas arriveerde dus in Parijs, waar hij werd ontvangen zoals het hem, een geacht en prudent man, paste. En toen Julianus het de volgende dag zo geregeld had, dat een menigte burgers en soldaten zich op het exercitieterrein verzamelde, nam hij zelf daar op een verhoog plaats zodat ieder hem duidelijk kon zien, en verzocht hem de brief te overhandigen. Terwijl hij de missive met ’s keizers edict uitrolde begon hij het hele geschrift hardop voor te lezen tot hij kwam aan de passage waarin Constantius al het voorgevallene afkeurde en besliste dat de functie van caesar Julianus genoeg moest zijn. Op dat moment steeg een ontzaglijk geschreeuw op en klonk van alle kanten de kreet: (7.)‘Julianus Augustus!’ - zoals burger en soldaat, ja de wil van de hele gemeenschap, die wel een krachtig herstel had beleefd maar nog steeds nieuwe uitvallen van de barbaren te duchten had, dat hadden afgedwongen. 8.Leonas had het goed gehoord en vertrok weer, ongehinderd, met een brief van Julianus van nogmaals dezelfde strekking. En alleen Nebridius werd als prefect geaccepteerd omdat de caesar in zijn eerste brief al te kennen had gegeven [met een benoeming in die functie] a-priori akkoord te zullen gaan. Maar tot magister officiorum had hij zelf Anatolius al bestemd (die daarvóór over verzoekschriften had geadviseerd), zoals hij ook tot verschillende andere benoemingen overging naargelang het hem nodig en passend leek. 9.Intussen moest nog ernstig rekening worden gehouden met de afwezige Lupicinus, die namelijk nog steeds in Britannië verbleef, want dat was een eigengereid en arrogant man, van wie verwacht kon worden dat hij, zou hij overzee van dit alles vernemen, daarin aanleiding zou kunnen vinden voor een eigenmachtige actie. Dus werd een notarius naar Bononia [Boulogne] gezonden om er secuur op toe te zien dat niemand de zeestraat overstak. Dankzij deze controle wist Lupicinus inderdaad van de hele affaire niets vóór hij terugkwam, zodat hij er geen intrige uit kon spinnen.        

10. Julianus overvalt de zogenaamde Atthuarische Franken aan de overzijde van de Rijn. Hij doodt er velen en maakt een groot aantal gevangenen. Met de overigen sluit hij op hun verzoek vrede

  1.Nu wel fier op zijn hogere positie en het vertrouwen dat hij genoot van zijn soldaten, vertrok Julianus - eenmaal zijn gezanten goed en wel op weg naar Constantius - om niet tot gezapigheid te vervallen en het odium van nalatigheid of traagheid op zich te laden, uitgerust met al het materiaal dat zijn onderneming vereiste, naar de grens met Neder Germanië, meer precies de omgeving van de stad Tricensima [Kellen]. 2.Daar stak hij de Rijn over en verscheen onverwachts in het gebied van de Franken die Atthuariërs worden genoemd, een stam die veel onrust veroorzaakte en zich aan brutale grensschendingen schuldig maakte. In een bliksemaanval versloeg hij ze gemakkelijk, aangezien ze op geen vijandelijke actie verdacht waren en zich veilig waanden, want zolang ze zich konden heugen was nog nooit een keizer tot hun slechts via moeilijk begaanbare wegen door ruig terrein toegankelijke gouwen doorgedrongen. Velen sneuvelden. Velen werden krijgsgevangen gemaakt. De overlevenden smeekten om vrede, die Julianus hun met het oog op het belang van naburige grondbezitters op zijn eigen termen gunde. 3.Even snel als heen was hij daarna weer terug over de Rijn en trok vervolgens in de richting van Rauracum [Augst], terwijl hij onderweg de grensforten inspecteerde en versterkte. Ook nam hij de plaatsen die barbaren eerder hadden ingenomen weer in bezit en besteedde veel aandacht aan hun versterking. Tenslotte begaf hij zich via Visantii [Besançon] naar Vienna voor de winter. 

11. Constantius bestormt met heel zijn troepenmacht Bezabde, maar trekt zich onverrichter zake terug. Over de regenboog

  1.Zo volgden de gebeurtenissen in Gallië elkander op, waar de situatie zich dankzij een wijs beleid langzamerhand ook verder positief ontwikkelde.Constantius nodigde in die tijd de Armeense koning Arsaces bij zich en ontving hem met uiterste voorkomendheid. Met grote nadruk maande hij hem, ons trouw te blijven. 2.Want hij had horen verluiden dat koning Sapor hem al verschillende malen bewerkt had met bedrieglijke voorspiegelingen, dreigementen en listen om hem het bondgenootschap met de Romeinen te doen opzeggen en de Perzische kant te kiezen. 3.Maar Arsaces zwoer één- en andermaal, dat zijn eensgegeven woord hem duurder was dan zijn leven en keerde, beladen met geschenken, met zijn gevolg naar zijn koninkrijk terug. Ook daarna paste hij er wel voor op, ook maar met een jota van zijn beloften de hand te lichten, want Constantius had hem met veel gunsten aan zich verplicht, niet het minst door hem Olympias, die eerder met zijn broer Constans verloofd was geweest, als vrouw te geven. 4.Na het bezoek van de koning vertrok Constantius uit Cappadocië via Melitene (een stad in Klein Armenië), Lacotena en Samosata naar Edessa aan de overkant van de Euphraat. Hier bleef hij een tijdlang om te wachten op troepen die van verschillende kanten moesten komen en op de aanvoer van voldoende proviand. Na de herfstequinox marcheerde hij vervolgens op naar Amida. 5.Daar aangekomen, keek hij rond bij de geblakerde muren en kreeg het zichtbaar en hoorbaar te kwaad toen hij zich realiseerde welke ramp de stad getroffen had. De thesaurier Ursulus, die daarbij toevallig aanwezig was, riep pijnlijk getroffen uit: ‘Zo ziet men maar, hoe dapper steden verdedigd worden door soldaten die zo goed betaald worden dat de staatskas al bijna geplunderd is!’ Een troep soldaten zou zich later in Chalcedon die bittere uitroep herinneren en samenzweren tot zijn ondergang.10 6.Van Amida trok de keizer in marsorde verder tot Bezabde. Hier liet hij een tentenkamp opslaan met een hoge wal en diepe greppels omgeven. Daarna reed hij op een grote afstand rond de hele stad, waarbij hij van verschillende kanten te horen kreeg, dat de gedeelten van de muren die vroeger door nalatigheid en verwering vervallen waren, nu behoorlijk waren hersteld. 7.Om niets na te laten wat mogelijk was om het niet tot een daadwerkelijk gevecht te laten komen, zond hij verstandige mannen naar de stad om de verdedigers eerst voor het volgende alternatief te stellen: óf zo verstandig te zijn zonder bloedvergieten een zaak op te geven die de hunne niet was en naar hun land terug te keren, óf zich onder Romeins gezag te stellen met het vooruitzicht van eerbewijzen en royale beloningen. Maar, koppig van aard, weigerden ze dat alles, aangezien ze van behoorlijke komaf waren, gehard in gevaren en gewend aan ontberingen. Dus werden toen voorbereidingen getroffen voor een belegering. 8.Toen het zover was, vielen onze soldaten onder ophitsend trompetgeschal in dichte drommen de stad aan alle kanten aan, waarbij speciale eenheden, samengedrongen onder verschillende soorten schutdaken langzaam maar zeker de muren naderden om te proberen die te ondermijnen. Maar vóór ze zover kwamen werd het verband van hun schilden door een regen van allerlei projectielen al verbroken, zodat ze op een gegeven signaal terugtrokken. 9.Na een wapenstilstand van een dag werd op de derde dag, nu onder een betere bescherming, onder oorverdovend krijgsgeschreeuw geprobeerd de muren te beklimmen. Maar de verdedigers, die zich aan het gezicht onttrokken achter gespannen doeken van geitenhaar, staken op beslissende momenten de armen daartussen uit om de aanvallers met stenen te bekogelen of te beschieten. 10.Op de gevlochten schutdaken, die onverbiddelijk naderden en de muren al bijna bereikt hadden, kwamen toen zulke massa’s vaten, molenstenen en brokstukken van zuilen neer, dat de bestormers er onder bedolven raakten, hun dekking onder het geweld uiteenspatte en zijzelf maar met moeite konden ontkomen. 11.Op de tiende dag na het begin van de strijd - het zag er slecht voor ons uit en pessimisme heerste alom - werd besloten de grote stormram aan te voeren waarmee de Perzen de muren van Antiochia hadden stuk gebeukt en die ze daarvandaan meegenomen bij Carrhae hadden achtergelaten. De onverwachte aanblik van dat tuig, toen het eenmaal deskundig gemonteerd was, was een slag voor het moreel van de belegerden en het scheelde weinig of ze hadden hun heil gezocht in overgave, maar ze raapten hun moed weer bijeen en zonnen op maatregelen tegen het monster. 12.Aan moed en overleg ontbrak het hun niet. Terwijl de oude stormram, die voor het transport gedemonteerd was en met veel moeite deskundig weer in elkaar was gezet, door de belegeraars van een extra stevig schutdak werd voorzien, eisten pijlen, ladingen stenen en projectielen uit allerlei geschut aan beide kanten veel slachtoffers. De wallen kwamen door de opeenhoping van dat alles steeds hoger en steeds feller werd van dag tot dag de strijd. Aan onze kant sneuvelden er nogal wat die vechtend onder het oog van de keizer en hopend op een beloning hun helm hadden afgezet om beter door hem herkend te worden en zo door de geoefende vijandelijke boogschutters feilloos getroffen werden. 13.Gebrek aan slaap en rust maakte beide partijen langzamerhand wel minder driest. Nog hoger werden de wallen. De geweldige machine en de kleinere die ook werden ingezet, waren de schrik van de Perzen. Uit alle macht probeerden ze al dat tuig met een continue regen van fakkels en brandpijlen in brand te schieten, maar die moeite was vergeefs, want het meeste houtwerk was met natte huiden en lappen afgedekt of zorgvuldig met aluin bestreken, zodat het vuur daarop geen vat kreeg. 14.Terwijl de onzen de machines moedig opduwden en ze kost wat kost verdedigden, waren ze er zo fel op de stad in handen te krijgen, dat ze zelfs het meest acute gevaar niet telden. 15.Aan de andere kant zagen ze bij de tegenpartij kans, op het moment dat de enorme stormram de toren naderde waartegen ze gericht was en zou beginnen te beuken, de ijzeren kop (die er inderdaad als een ramskop uitzag) behendig in een strik te vangen en aan twee lange touwen zo stevig vast te houden, dat de belegeraars het tuig niet meer achteruit konden halen om het telkens met nieuwe kracht met een welgerichte stoot op de muur te laten neerkomen. Bovendien goten ze er hete pek op. Zo kwamen de aangevoerde machines onder een hagel van stenen en scherp geschut lange tijd werkeloos te staan.  16.Hoger en hoger kwamen intussen de aarden wallen en, bang dat het spoedig met hen gedaan zou zijn, zetten de verdedigers nu alles op alles, deden onverwachts een massale uitval, vielen op de eersten aan die ze tegenkwamen en gooiden fakkels en ijzeren manden vol brandend materiaal op de stormrammen. 17.Maar na wat schermutselingen met wisselend succes werden de meesten van hen zonder iets bereikt te hebben teruggedreven, de stad in. Weer op de muren, die Perzen, werden ze vanaf de wallen die wij hadden opgeworpen, bestookt met pijlen, slingerstenen en brandpijlen, die overigens, al vlogen ze door de beschuttende kleden op de schansen heen, meestal neervielen zonder schade aan te richten, aangezien er mannen klaarstonden om ze te doven. 18.Toen het aantal strijders aan beide kanten al kleiner werd en de Perzen vreesden dat het einde onafwendbaar was tenzij hun nog een goed plan inviel, ondernamen ze na zorgvuldige voorbereidingen een plotselinge uitval uit de vesting, maar nu met een grotere troep, waartussen meer mannen [dan in het eerdere geval] die brandend materiaal meedroegen. Die wierpen ijzeren korven waar de vlammen uitsloegen op het houtwerk en rijshout en van alles wat maar branden wilde. 19.Terwijl zwarte rookwolken het zicht belemmerden, werden de onzen met trompetsignalen opgeroepen en snelden toe om opnieuw het gevecht aan te gaan. Het ging van man tegen man, steeds fanatieker, tot opeens door het verspreide vuur alle belegeringswerktuigen vlam vatten, behalve de grote ram, die, losgesneden van de touwen die er vanaf de muren omheen geworpen waren, door een stel dappere kerels met uiterste krachtsinspanning net nog, zij het half verbrand, kon worden weggetrokken. 20.De invallende duisternis maakte een eind aan de gevechten, maar veel rust werd de manschappen niet gegund. Want na wat gegeten en geslapen te hebben, werden ze door hun officieren alweer opgecommandeerd. Nu werd al het belegeringsmateriaal ver van de muren teruggehaald om beter voorbereid te zijn op de gevechten vanaf de wallen, die intussen klaar waren en boven de muren uitkwamen. Om de bezetting van de muren op een afstand te kunnen houden, werden op de hoogste punten van elke wal twee ballista’s geplaatst in de hoop dat de vijanden uit beduchtheid daarvoor zelfs hun hoofd niet naar buiten zouden steken. 21.Nadat alle nodige voorbereidingen waren getroffen, stelden zich onze manschappen, waarvan velen met stormladders, in drie slaglinies op, met imponerend knikkende helmpunten, klaar voor een nieuwe aanvalspoging op de muren. Onder wapengekletter en trompetgeschal begonnen beide partijen aan het gevecht, niet voor elkaar onderdoend in dapperheid, waarbij de onzen hun front meer en meer verbreedden, een toren beukten met de ram en onder regens van pijlen van weerskanten met houwelen, bijlen en koevoeten gewapend ladders aansleepten. Het was te zien, dat de Perzen zich uit heilig ontzag voor de machines op de wallen zoveel mogelijk gedekt hielden. 22.Ze leden dan ook ernstige verliezen onder de salvo’s die uit deze ballista’s lijnrecht op hun doel af langs de gemetselde schuinten van de wallen neersuisden. Bang dat hun krijgsgeluk uitgeput begon te raken, stortten ze zich toen bewust in een dodelijk gevaar: de taken onderling verdelend naargelang de strijd dat vereiste, lieten ze een deel van de bezetting achter voor de verdediging van de muren en deed een sterke afdeling via een even geopende achterpoort met getrokken zwaarden een uitval, direct gevolgd door anderen met afgedekte vuren. 23.Terwijl de onzen soms met succes hun tegenstanders terugdreven, soms zich teweer moesten stellen tegen opdringende aanvallers, naderden de mannen met de vuurpannen bukkend en kruipend de wallen en staken gloeiende kolen in de voegen van één daarvan die was opgehoogd met boomtakken, biezen en bundels riet - droog, brandbaar materiaal, dat, eenmaal vlam gevat, meteen in een laaiend vuur verzengde, zodat onze soldaten zichzelf en hun machines maar met moeite in veiligheid konden brengen. 24.Toen de invallende duisternis tenslotte een eind maakte aan het gevecht en beide partijen zich terugtrokken voor een korte pauze, bezon onze keizer zich op verschillende tactische mogelijkheden, want aan de ene kant was er een dringende reden om de pogingen Phaenicha [Bezabde] eronder te krijgen voort te zetten, omdat die vesting een massieve barrière vormde tegen vijandelijke uitvallen, maar aan de andere kant werkte het gevorderde seizoen tegen hem. Uiteindelijk besloot hij te blijven en de strijd verder op een laag niveau te houden, denkend dat de Perzen misschien zouden opgeven door voedselgebrek. Maar alles ging anders dan hij dacht. 25.Want toen het gevecht minder intensief werd voortgezet, kwam vochtiger weer aan en verschenen dreigende, donkere regenwolken aan de hemel. Door aanhoudende buien werd de grond toen zo doorweekt, dat in de glibberige blubber van het vette grasland ter plaatse geen acties meer mogelijk waren. Bovendien kregen de mannen het op hun zenuwen van het voortdurende geraas van donder en bliksem. 26.Daar kwam nog bij, dat telkens regenbogen te zien waren. Hoe dat verschijnsel gewoonlijk ontstaat, zal ik in het kort uitleggen. Warmere uitstralingen van de aarde en vochtige dampen verdichten zich tot wolken, die vervolgens vervluchtigen tot een fijne nevel, schitterend in het zonlicht, die in een draaiende beweging opstijgt naar de vuurbal, de zon, en zich tot een regenboog vormt. En deze krijgt haar perfect ronde kromming omdat ze gespannen staat op onze aarde, die volgens de natuurwetenschappers op een halfbolvormige sfeer rust. 27.Voorzover het oog van ons, stervelingen, dat kan zien, is haar eerste kleur lichtgeel, de tweede goud- of roodgeel, de derde rood, de vierde purper en de laatste blauw-groen. 28.Ze vertoont deze schone combinatie van kleuren - voorzover aardbewoners dat kunnen bedenken - omdat haar eerste baan in overeenstemming met de omringende lucht er enigszins bleek uitziet, de tweede wat meer uitgesproken is dan dit lichte geel, dus goud- of roodgeel, de derde rood omdat ze, blootgesteld aan het helle zonlicht in evenredigheid met de variërende dichtheid van de lucht de schittering daarvan het zuiverst, namelijk regelrecht, absorbeert, en de vierde purper is, omdat ze de stralen van de zon ontvangt door de dichte lichtende nevel heen waaruit ze ontstaat en daardoor naar een vurige kleur neigt, die dan geleidelijk overgaat naar blauw en groen. 29.Ook wordt wel gedacht, dat de regenboog op de aarde gezien wordt wanneer zonnestralen die een hoge dichte wolk treffen, deze helder belichten en, geen uitweg vindend, zich verdichten en door de wrijving daarvan nog feller worden. De lichte kleuren komen dan van de hoger staande zon, de groenachtige van de wolk vóór de zon, zoals het gewoonlijk ook gebeurt in de zee: de golven die op de kust slaan zijn wit, terwijl het water verder weg van zichzelf blauw ziet. 30.Aangezien de regenboog, zoals ik gezegd heb, een voorbode is van een weersomslag - aan een wolkenloze hemel massa’s wolken doet samenpakken of, andersom, het grijs van een bewolkte lucht omtovert in sereen blauw - kunnen we vaak bij dichters lezen dat Iris uit de hemel gezonden wordt wanneer een verandering in een bestaande situatie nodig is.Er zijn overigens nog tal van andere meningen, die ik maar niet moet aanhalen, aangezien mijn eigenlijke verhaal ongeduldig op zijn vervolg wacht. 31.Door dit alles en nog meer zweefde de keizer tussen hoop en vrees, want de winter met al haar strengheid diende zich al aan; in het woeste gebied waar hij zich bevond, loerde de vijand; ook vreesde hij voor oproer onder zijn gedemotiveerde troepen. Bovenal kwelde hem de gedachte, dat hij als het ware vlak voor de open deur van een rijk huis moest omkeren zonder te hebben gekregen waarvoor hij gekomen was. 32.Hoe dan ook, hij gaf zijn vruchteloze onderneming op en keerde terug naar Syrië om in Antiochia te overwinteren. Hij had het er buitengewoon slecht vanaf gebracht, want de slagen die hij van de kant van de Perzen had moeten incasseren waren niet mis geweest en zouden nog lang oorzaak zijn van tranen. Het leek wel of een ongelukkig gesternte de verschillende gebeurtenissen zo bewerkten dat als hij persoonlijk de gevechten met de Perzen leidde, ongeluk hem steeds achtervolgde, waarom hij hoopte tenminste door zijn generaals overwinningen te behalen, hetgeen, zoals we weten, soms gebeurde.

Noten

 1.Zie boek xviii,5,5.  retour

2.Een staaltje van Ammianus’ literaire verbeelding, geen beschrijving van een feitelijk gebeuren, zoals al blijkt uit de duur van de eclips. In 360 hebben twee zonsverduisteringen plaatsgehad: één op 4 maart, dus binnen de door Ammianus aangeduide tijd, maar alleen zichtbaar op het zuidelijk halfrond, en één op 28 augustus, zichtbaar in Centraal-Azië en China, die niet volledig was. Ammianus heeft misschien een bericht over deze laatste onder ogen gehad en fantaseert eromheen, om zijn geschiedenis een dramatisch accent te geven (Zie Barnes, 102-106).  retour

3.Flavius Florentius, niet te verwarren met de magister officiorum Florentius van xv,5,12,   xx,2,2, xxii,3,6.  retour

4.Deze belangrijke, strategisch gelegen pas tussen Serdica [Sofia] en Philippopolis [Plovdiv] komt in Ammianus’ geschiedenis verschillende malen voor. retour

5.Zie boven, 4,3. retour

6.Officieren van de administratie. retour

7.Zie boek xviii,10,1. retour

8.Nisibis werd verschillende malen door de Perzen belegerd. retour

9.Inderdaad. Zie onder,   11,6-25. retour

10.Zie boek xxii,3,7-8. retour