BOEK XXI

  1. Julianus viert in Vienna zijn vijfjarig regeringsjubileum. Hoe hij voorziet dat keizer Constantius spoedig zal sterven. Over verschillende manieren om de toekomst te voorspellen  

1.Terwijl Constantius in beslag werd genomen door de niet geringe problemen aan het front over de Euphraat, bevond  Julianus zich in Vienna, waar hij dagen en nachten piekerde over wat hem, gezien zijn beperkte mogelijkheden, in de komende tijd te doen stond. Wel voelde hij zich steeds sterker staan, maar bleef twijfelen of hij Constantius op de een of andere manier moest zien te winnen voor een vreedzaam vergelijk dan wel als eerste moest aanvallen om hem schrik aan te jagen. 2.Die alternatieven tegen elkaar afwegend, realiseerde hij zich dat Constantius enerzijds als vriend levensgevaarlijk was, anderzijds in burgeroorlogen vaak overwinnaar. Ook voelde hij zich ongemakkelijk bij de gedachte aan het voorbeeld van zijn broer Gallus, die door eigen ongeschiktheid en door bedrog en verraad van anderen zijn einde had gevonden. 3.Maar dan weer vatte hij moed en deed hij de dingen die gedaan moesten worden vanuit de gedachte, dat het toch veiliger was zich openlijk als vijand te stellen tegenover de man wiens wispelturigheid hij maar al te goed kende uit het verleden, om niet onder een schijn van vriendschap in een heimelijk gespannen strik te raken. 4.Dus legde hij de brief die Constantius hem via Leonas had doen geworden naast zich neer, erkende geen enkele van diens aanstellingen en bevorderingen behalve die van Nebridius en vierde, nu als keizer, zijn vijfjarig jubileum, waarbij hij een prachtige, met schitterende edelstenen bezette diadeem droeg - wel iets anders dan de goedkope krans die hij zich bij de aanvang van zijn principaat had laten opzetten, waarmee hij meer had geleken op een in purper geklede ceremoniemeester bij een wedkamp.1 5.Intussen liet hij het stoffelijk overschot van zijn overleden vrouw Helena naar Rome overbrengen ter bijzetting op het landgoed aan de via Nomentana, waar ook haar zus Constantia, de vroegere vrouw van Gallus begraven lag. 6.Nu in Gallië rust heerste, werd hij in zijn overtuiging Constantius op eigen initiatief te moeten aanvallen, gestijfd en gesterkt door zijn conclusie uit tal van voorspellende tekenen (waarvan hij verstand had) en droomgezichten dat de keizer spoedig zou sterven. 7.En aangezien kwaadwillig volk misschien wel deze weetgierige en in alle wetenschappen onderlegde vorst ervan verdenkt zich kennis van de toekomst te hebben verworven met onoorbare kunsten, moet eens in het kort worden bezien hoe ook deze belangrijke vorm van wetenschap deel kan uitmaken van iemands wijsheid.2 8.De geest die een component is van de eeuwige substanties waaruit elementen bestaan, heeft daardoor altijd van alles vooraf weet en maakt ons, mensen, als wij ons door geëigende studies toeleggen op het verwerven van kennis over zulke zaken, deelgenoot van deze gave van vóórwetendheid. Ook wanneer bovennatuurlijke wezens3 met verschillende rituelen gunstig worden gestemd, geven zij stervelingen een overvloed aan voorspellende woorden in - als opborrelend uit de diepten van onuitputtelijke bronnen - die, zoals men zegt, onder het beheer vallen van de godheid Themis, die zo genoemd wordt omdat zij het is die onthult wat volgens het ijzeren noodlot voor de toekomst is vastgelegd (in het Grieks de tetheiména, datgene wat vastgelegd is), waarom de theologen oudtijds haar ook de troon en het bed lieten delen van Zeus, die macht heeft over het leven.4 9.Voorspellingen worden niet bewust door vogels in hun vlucht uitgedrukt. Ze hebben namelijk geen weet van de toekomst. (Het zou dwaasheid zijn te denken dat het wel zo was.) Het is een god die de vlucht van vogels zodanig beïnvloedt dat het geluid dat ze voortbrengen of de aard van hun vleugelslag, heftig of kalm, iets over de toekomst zegt. Want het behaagt dan de god in zijn goedheid de mensen, omdat ze het verdienen dan wel hem roeren door hun genegenheid, op die manier te laten weten wat te gebeuren staat. 10.Zo komen ook degenen die zich verdiepen in de voorspellende betekenis van het ingewand van vee, dat oneindig veel vormen kan hebben, tot voorkennis van gebeurtenissen. De leermeester in deze kunst is een figuur geweest, Tages genaamd, waarover het verhaal gaat dat men hem in Etrurië plotseling uit de aarde te voorschijn heeft zien komen.11.Toekomstige gebeurtenissen openbaren zich eveneens wanneer iemand in gloed geraakt voorspellende woorden begint te spreken. Want zoals natuurfilosofen leren is het dan de zon, de bezieler van de wereld, die in ons, mensen, vonken van zichzelf spattend, geestdrift doet ontvlammen die ons bewust doet worden van de toekomst. Daarom zeggen de Sibyllen dus vaak dat ze branden, aangestoken door een geweldige vlammengloed. Dan zijn er nog veelbetekenende stemmen, tekens die ons opvallen, donderslagen en bliksemschichten ook en lichtsporen van verschietende sterren.12.Ook aan dromen zou men stellig grote waarde kunnen hechten als droomuitleggers er niet soms met hun verklaringen naast zaten. Volgens Aristoteles zouden ze alleen betrouwbaar zijn als een dromer diep in slaap is en zijn pupillen naar rechts noch links gedraaid maar precies recht naar voren gewend zijn.13.En omdat men soms van mensen die van deze dingen geen verstand hebben, de domme opmerking kan horen dat als het mogelijk was iets vooruit te weten, de één toch wel had geweten dat hij in een oorlog zou sneuvelen en de ander dat hem dit of dat zou overkomen, kan ik alleen maar zeggen dat een taalkundige soms een stijlfout maakt, een zanger soms een toon niet treft en een arts wel eens geen geneesmiddel weet, maar dat daarom taalkunde, muziek en geneeskunde toch niet ophouden te bestaan. 14.Vandaar dat Cicero onder andere deze bekende uitspraak heeft gedaan: ‘De goden geven voortekens van wat gaat gebeuren. Wanneer iemand die misverstaat, is niet de aard van de goden maar de uitleg van de mensen in het geding’.5 Maar om niet te ver af te dwalen en mijn toekomstige lezers te vervelen, zal ik de draad van mijn verhaal weer opnemen.    

2. Om de gunst van het volk doet Julianus zich in Vienna voor als christen en bidt op een feestdag in de kerk tot God

  1.Toen Julianus, nog als caesar, in Parijs eens bij wapenoefeningen op een exercitieterrein hard zijn schild schudde, vlogen de delen waaruit dat bestond uit elkaar en hield hij alleen de handgreep nog stevig in zijn vuist. Omstanders schrokken van wat ze als een slecht voorteken zagen, maar hij zei: ‘Maakt u zich niet ongerust: ik heb nog steeds vast wat ik had!’ 2.Zo gebeurde later ook iets in Vienna: nadat hij zich eens met een helder hoofd te ruste had gelegd, verscheen hem in het holst van de nacht, terwijl hij nog halfwakker was, een lichtende gestalte, die hem toesprak in de volgende epische versregels, verschillende malen herhaald, (waarna hij er het volste vertrouwen in had geen enkele moeilijkheid meer op zijn weg te zullen ontmoeten): Als Jupiter het eind van ’s Waterdragers sfeer bereikt en in de Maagd Saturnus vijfentwintig graden, zal Constantius, heersend over Azië, zijn zoete leven wiss’len voor een bittere dood.6 3. Dus deed hij verder gewoon zijn zaken zonder iets aan de bestaande situatie te veranderen, met een gerust gemoed alles regelend wat nodig was en daarmee zijn positie versterkend, zodat aan zijn steeds hogere waardigheid ook steeds meer macht beantwoordde. 4.En om ieders gunst te winnen en van geen enkele kant tegenwerking te hoeven duchten, deed hij alsof hij een aanhanger was van de christelijke godsdienst, waarvan hij zich allang had afgekeerd om zich - wat maar weinigen wisten - toe te leggen op de beoefening van de waarzegkunst en de interpretatie van voortekenen en alles wat vereerders van de goden verder altijd hebben gepraktiseerd. 5.Om dit voorlopig voor zich te houden, begaf hij zich dan ook op de feestdag die de christenen in de maand januari vieren en Epiphania7 noemen, naar de kerk, bad er ostentatief tot hun god en ging heen.

  3  De koning van de Alamannen, Vadomarius, verbreekt het verdrag dat hij met ons heeft, en laat overvalcommando’s grensgebieden verwoesten. De comes Libino en enkele anderen vinden de dood

  1.In die tijd, met de lente op komst, werd Julianus verrast door een bericht dat hem buitengewoon onaangenaam trof, namelijk dat Alamannen waren uitgebroken uit de gouw van Vadomarius, waarvandaan hij vanwege het verdrag [met Constantius] geen moeilijkheden verwachtte, en in het grensgebied met Raetië in verspreid opererende benden niets en niemand ontziend verwoestingen aanrichtten. 2.Aangezien hij dit niet onbeantwoord kon laten of hij riskeerde het uitbreken van nieuwe oorlogen, zond hij er een zekere comes Libino op af met de Kelten en Petulantes die hij tijdens die overwintering bij zich had, om naargelang de situatie het eiste de orde te herstellen. 3.Al snel in de buurt van de stad Sanctio [Seckingen] gekomen, werd die van verre gespot door de barbaren, die zich, voorbereid op een treffen, in de dalen verborgen hielden. Zijn manschappen aanvurend, die weliswaar in de minderheid waren maar fel op een gevecht, viel Libino rauwelijks op de Germanen aan, waarbij hij zelf vrijwel direct als eerste sneuvelde. Zijn dood maakte de wilden nog woester, maar eiste wraak van de onzen, die echter onder de overmacht bezweken en met een klein verlies aan doden en gewonden moesten vluchtten. 4.Met koning Vadomarius en diens broer, koning Gundomadus, had dus Constantius, zoals eerder vermeld, een vredesverdrag gesloten. Daarna was Gundomadus overleden, waarop Constantius Vadomarius, in de veronderstelling hem te kunnen vertrouwen, (als ik tenminste alleen op geruchten daarover kan afgaan) in een soort samenzwering betrok bij de uitvoering van bepaalde geheime plannen, namelijk hem per brief de suggestie deed, af en toe te doen alsof hij het vredesverdrag schond door de gebieden grenzend aan de zijne te overvallen, zodat Julianus, daarop steeds verdacht, de verdediging van Gallië in niets zou veronachtzamen. 5.Gevolg gevend aan deze opdracht (als het verhaal waar is8, voerde Vadomarius inderdaad verschillende razzia’s uit, die een kolfje naar zijn hand waren, want hij was een geboren intrigant, zoals ook zou blijken toen hij later belast werd met het opperbevel in Phoenicië. Maar de zaak kwam aan het licht, waarna hij zijn acties staakte. Toen namelijk een bode voor hem op weg naar Constantius door wachtposten werd aangehouden en gefouilleerd, kwam een brief te voorschijn waarin onder andere stond: ‘Uw caesar mist discipline’ - terwijl hij in brieven aan Julianus zelf hem vleierig Heer, Augustus, en God noemde!  

4. Naar aanleiding van de onderschepte brief laat Julianus Vadomarius  tijdens een maaltijd arresteren. Hij doodt een aantal Alamannen en accepteert de overgave van anderen. Met de rest sluit hij vrede

1.Bang dat zulke kwalijke en bedreigende verhoudingen [tussen Constantius en Vadomarius] hem nog eens noodlottig zouden worden, had Julianus nog maar één doel voor ogen: Vadomarius voor zijn eigen veiligheid en die van de provincies zo snel mogelijk en vóór hij argwaan kreeg te laten grijpen, en bedacht het volgende plan. 2.Hij zond de notarius Philagrius, de latere comes Orientis, in wiens gezond oordeel hij gezien eerdere ervaringen het volste vertrouwen had, naar die streek met de opdracht een aantal dringende zaken te regelen, en met een verzegelde brief, die hij pas mocht openen en lezen als hij Vadomarius aan deze kant van de Rijn zou treffen. 3.Philagrius ging dus op weg zoals gezegd en terwijl hij ter plaatse aangekomen zijn zaken naging, kwam inderdaad Vadomarius de rivier over, zonder enige argwaan natuurlijk, want het was volop vrede, en met het onschuldigste gezicht. Hij bracht een bezoek aan de commandant van het plaatselijke garnizoen, had een normaal kort gesprek met hem en beloofde, om geen verdenkingen te wekken bij zijn vertrek, terug te zullen komen voor een maaltijd waaraan ook Philagrius zou deelnemen. 4.Toen deze bij zijn binnenkomst de koning ontmoette en zich de opdracht van de keizer herinnerde, excuseerde hij zich in verband met een belangrijke en dringende zaak, waarvoor hij een moment naar zijn logies terug moest. Daar las hij de brief, begreep wat hem te doen stond, begaf zich weer naar de commandant en nam met de anderen plaats aan tafel. 5.Na afloop van de maaltijd nam hij Vadomarius vast en gaf hem onder voorlezing van zijn orders over aan de commandant ter opsluiting in de bewaarplaats van de veldtekens. Het gezelschap van de koning, waaromtrent hij geen opdracht had, liet hij gaan. 6.Overgebracht naar het kamp van Julianus, zonder hoop op enige consideratie, aangezien hij begreep dat men zijn bode had onderschept en hetgeen hij Constantius geschreven had, openlijk bekend was, werd Vadomarius verder, zonder zelfs maar een verwijt waardig gekeurd te zijn, afgevoerd naar Spanje. Want dit was Julianus grootste zorg: dat als hij Gallië zou verlaten, dit beest zijn kans schoon zou zien en de moeizaam bewerkte orde en rust in de provincies zou kunnen verstoren. 7.Redelijk tevreden over het feit dat de koning, van wie hij na zijn vertrek naar elders problemen duchtte, eerder dan hij had durven hopen onschadelijk was gemaakt, liet hij de zaken toch niet verder op hun beloop, maar besloot tot een actie tegen de barbaren die de comes Libino en een paar van zijn soldaten in een gevecht gedood hadden zoals ik vertelde. 8.Om te voorkomen dat ze lucht zouden krijgen van zijn komst en zouden vluchten, stak hij in het holst van de nacht de Rijn over met afdelingen licht bepakte en bewapende hulptroepen, sloot het niets vermoedende volk in, en toen het gealarmeerd door het gekletter van vijandelijke wapens naar zwaarden en speren greep, viel hij het bliksemsnel aan. Hij doodde sommigen, accepteerde de overgave van anderen die om genade vroegen en buit aanboden en liet de overigen, die erom smeekten en beloofden nooit meer onrust te veroorzaken, wonen waar ze waren.          

5. Julianus spreekt zijn soldaten toe en laat hen trouw zweren nu hij besloten is, tegen Constantius te velde te trekken  

1.Onder al die bedrijven hield Julianus het hoofd koel. De enorme gevolgen beseffend van zijn besluit tot burgeroorlog en zich er scherp van bewust dat het voor het welslagen van zo’n gewaagde onderneming aankwam op snelheid van handelen, besloot hij voor zichzelf dat hij het beste zijn afvalligheid nu openlijk kon proclameren. Niet geheel zeker van de loyaliteit van zijn troepen, stemde hij echter eerst in een geheime ceremonie de oorlogsgodin Bellona gunstig, liet dan appel blazen, nam plaats op een stenen verhoging en sprak toen, kennelijk nu zekerder van zichzelf, met een luidere stem dan men van hem gewoon was: 2.‘Medestrijders! Al lang heb ik bij mijzelf gedacht dat bij u op grond van uw bijzondere prestaties verwachtingen moesten zijn gewekt en u uitzag naar deze bijeenkomst om te vernemen en te beoordelen wat komen gaat, zodat u zich daarop kunt instellen. Want ook een soldaat die gegroeid is van roemvolle daden, betaamt het eerst te luisteren en dan te spreken, zoals een beproefd en evenwichtig leider op niets anders gericht behoort te zijn dan op wat goedkeuring en bijval verdient. Wilt daarom luisteren naar wat ik zonder omwegen in het kort zal zeggen over mijn plannen. 3.Door een hemels besluit ben ik al in mijn jonge jaren met u verbonden en heb ik met u de voortdurende invallen van de Alamannen en de Franken met hun eeuwige roofzucht een halt toegeroepen. Dankzij onze gezamenlijke inspanningen heb ik het Romeinse legers mogelijk gemaakt naar believen de Rijn over te steken. In een rotsvast vertrouwen op uw dapperheid heb ik standgehouden tegen vervaarlijke dreigementen en woeste aanvallen van machtige volken. 4.Gallië, dat van deze geweldige prestaties van ons getuige is geweest en hersteld is van zware verliezen aan mensenlevens, have en goed, zal er door alle eeuwen heen aan het nageslacht over verhalen. 5.Maar nu ik door uw besliste keuze en gedwongen door de omstandigheden tot de waardigheid van Augustus ben verheven, heb ik mij, afhankelijk van uw goedkeuring en die van de hemel (als Fortuna onze onderneming begunstigt) een nog hoger doel gesteld, mij realiserend dat u, dat dit leger, befaamd om zijn discipline en zijn gevechtskracht, mij kent als een rustig en gematigd mens in vredestijd, en in oorlogen met verenigde troepen van barbaren als een man die het hoofd koel houdt. 6.Volgt u dus met mij de naar mijn mening veilige koers die ik voor ogen heb, nu het feit dat de situatie in het rijk rustig is ons in de kaart speelt en we vijandelijke bewegingen vóór kunnen zijn: we rukken dan snel op in de richting van Illyricum, waar nog geen sterke garnizoenen gelegen zijn, bezetten intussen de verste delen van Dacië en beslissen daarna, afhankelijk van ons succes, wat ons verder te doen staat. 7.Ik vraag u als soldaten die op hun leiders vertrouwen, te zweren dit plan van harte te steunen en te blijven steunen. Van mijn kant sta ik ervoor in, niets onbezonnens of halfslachtigs te zullen ondernemen en te allen tijde bereid te zijn te tonen dat ik gewetensvol alleen bedacht zal zijn op wat het algemeen belang dient en nooit bewust zal doen of proberen wat daarmee strijdt. 8.Wel wil ik beslist dat u in het vuur van uw acties nooit schade zult toebrengen aan onze burgerbevolking, bedenkend dat de vernietiging van onze talloze vijanden juist roem heeft gebracht als garantie voor het welzijn en de veiligheid van de provincies.’ 9.Door deze toespraak van hun keizer, waarvan ze elk woord inzogen als van een orakel, maakte een grote opwinding zich van de verzamelde manschappen meester en in een roes van geestdrift over wat hun in het vooruitzicht werd gesteld, sloegen ze met oorverdovend geschreeuw dreunend op hun schilden, uitroepen scanderend waarmee ze hem prezen als een groot leider, een machtig veldheer en een met geluk gezegende bedwinger van volken en vorsten - hun ervaring. 10.Gevraagd gezamenlijk op zijn naam te zweren, zwoeren ze formeel met het zwaard op hun keel gericht onder de vreselijkste vervloekingen, dat ze voor hem alles zouden geven tot zo nodig hun leven toe, waarna de officieren en de naaste adviseurs hun voorbeeld volgden en in een soortgelijke ceremonie trouw beloofden. 11.Alleen de prefect Nebridius verzette zich daartegen, even principieel als onvoorzichtig, met de verklaring dat hij zich onmogelijk onder ede tegen Constantius kon binden, aan wie hij zoveel verplicht was. 12.Soldaten die vlakbij hem stonden en dat hoorden, werden zo razend dat ze op hem aanvielen en hem zouden hebben vermoord als hij geen bescherming had gezocht bij de keizer, die hem onder zijn generaalsmantel nam. Terugkerend in zijn keizerlijke verblijven, vond Julianus de man, die hem was vooruitgegaan, als smekeling op de grond liggend. Maar toen hij hem om zijn hand vroeg ten teken dat hij niets te vrezen had, antwoordde Julianus hem: ‘En welk voorrecht heb ik mijn vrienden nog te bieden als u mijn hand hebt mogen aanraken? Gaat u alstublieft gerust naar waar u wilt’. Op die woorden vertrok Nebridius ongekrenkt naar huis in Toscane. 13.Na aldus alle voorbereidingen te hebben getroffen die de ernst van de zaak vorderden, gaf Julianus, uit ervaring wetend hoe belangrijk het in verwarde situaties was zelf het initiatief te nemen, een schriftelijke marsorder richting Pannonië, liet het kamp opbreken, de standaards heffen en stortte zich in het avontuur.  

6. Constantius neemt Faustina tot vrouw. Hij versterkt zijn leger en wint met giften de steun van de koningen van Armenië en Hiberië

  1.Dit is het moment om een stap terug te gaan in de geschiedenis en in het kort te bezien welke maatregelen Constantius, overwinterend in Antiochia, tijdens de zojuist beschreven gebeurtenissen in Gallië nam met betrekking tot kwesties van oorlog en vrede. 2.Naast veel andere eminente personen worden ook soms tribunen van een zekere stand9 uitverkoren om de keizer bij zijn terugkeer uit het buitenland te begroeten. Toen nu Constantius uit Mesopotamië terugkwam en door zo’n comité ontvangen werd, was daar een zekere Amphilochius, een gewezen tribuun uit Paphlagonië, die ooit onder Constans gediend had en er niet zonder reden van verdacht werd tweedracht te hebben gezaaid tussen Constantius’ broers, die zich brutaalweg aandiende alsof hij het recht had tot de bedoelde ceremonie te worden toegelaten. Hij werd echter herkend en teruggewezen onder veel stampij en geroep dat hij niet eens waard was nog langer het daglicht te zien, eeuwige onderkruiper die hij was! Maar Constantius, bij die gelegenheid milder dan gewoonlijk, zei: ‘laat die man met rust, want hij heeft ook volgens mij schuld, maar die moet nog feitelijk bewezen worden. En overigens: als hij zoiets gedaan heeft, zal hij zolang hij mijn blik op zich weet, gestraft worden door zijn eigen geweten, waarvoor hij zich niet zal kunnen verbergen’. En zo liet men hem gaan. 3.Maar de volgende dag stond diezelfde man als toeschouwer bij spelen in het Circus recht tegenover de vaste plaats van de keizer, toen net bij het begin van de wedstrijd plotseling een luid geschreeuw klonk en het hek waarop hij en anderen leunden, het begaf en ze met elkaar omlaag stortten, maar hij alleen, terwijl sommigen er met lichte verwondingen afkwamen, zwaar inwendig letsel opliep en dood werd opgeraapt - waarover Constantius grapte dat het wel leek alsof hij in de toekomst kon zien. 4.In die tijd koos Constantius Faustina als vrouw, nadat hem enkele jaren daarvóór Eusebia was ontvallen, die een zuster was van de voormalige consuls Eusebius en Hypatius, een buitengewoon mooie vrouw met een nobel karakter bovendien, die in haar hoge positie mild en menselijk bleef.(Door haar terechte interventie werd Julianus, zoals ik verteld heb,10 uit levensgevaar gered en tot caesar benoemd.)  5.Ook in die tijd werd de positie van Florentius geregeld, die in verband met ontwikkelingen die hem niet aanstonden, uit Gallië was vertrokken. Hij werd tot praefectus praetorio van Illyricum benoemd als opvolger van Anatolius, die kort daarvóór was overleden, en ontving samen met Taurus, de praefectus praetorio van Italië, de eretekenen van het hoogste ambt.11 6.Evengoed gingen de voorbereidingen voor oorlogen en burgeroorlog door: het aantal squadrons ruiterij werd opgevoerd, in de provincies werd intensief geronseld ter aanvulling van de legioenen, elke stand, elke beroepsgroep werd aangeslagen voor de levering van kleding, wapens, zwaar oorlogstuig, ook goud en zilver, voorraden proviand en verschillende soorten lastdieren. 7.En aangezien te vrezen viel dat de Perzenkoning, die vanwege de strenge winter noodgedwongen in eigen land had verbleven, bij het aanbreken van het milde seizoen een grotere aanval zou ondernemen, werden afvaardigingen met royale geschenken gezonden naar de koningen en satrapen over de Tigris om ze te manen en aan te sporen aan onze kant te blijven, ons niet te bedriegen of te misleiden. 8.Vooral de koningen van Armenië en Hiberië, Arsaces en Meribanes, die de Romeinse belangen ernstige schade zouden toebrengen als ze onder de gegeven onzekere omstandigheden naar de Perzen zouden overlopen, werden met prachtige kledij en andere giften gepaaid. 9.Tijdens al die drukte stierf Hermogenes en werd Helpidius tot prefect bevorderd. Dat was een man uit Paphlagonië, nogal gewoon om te zien en met een gewone manier van spreken, bescheiden van aard, en zo goedmoedig en met zo’n afkeer van wreedheden dat toen hij eens van Constantius een onschuldige in zijn tegenwoordigheid moest laten folteren, hij simpelweg vroeg hem uit zijn functie te ontslaan en wat de keizer wilde over te laten aan anderen die daarvoor meer geschikt waren.  

7. Constantius, in Antiochia, behoudt Africa door het optreden van de notarius Gaudentius. Zelf steekt hij de Euphraat over en trekt met zijn leger op naar Edessa

  1.Klem tussen twee urgente problemen, wist Constantius eerst niet goed welke daarvan hij het eerst moest aanpakken. De kwellende vraag waar hij mee zat, was, of hij Julianus zou aangrijpen, waarvoor hij ver weg zou moeten, of de Perzen tegenhouden, die op het punt leken te staan de Euphraat over te steken. Na lang aarzelen en ampel overleg met zijn generaals besloot hij tenslotte als volgt: eerst de oorlog die zich direct aandiende te beëindigen of zodanig in te dammen dat hij straks in de rug geen vijand te duchten zou hebben, dan via Illyricum en Italië op Julianus af te gaan, wiens onderneming nog niet ver gevorderd was, en hem af te vangen als een jager zijn prooi. Althans, zo stelde hij het telkens voor om de onrust in zijn entourage te bezweren. 2.Om niet de schijn te wekken enig ander veiligheidsaspect te verwaarlozen, liet hij tegelijkertijd her en der het gerucht verspreiden dat hij op komst was en, ernstig rekening houdend met de mogelijkheid dat Africa, een voor de keizers in allerlei opzichten belangrijke provincie, bij zijn afwezigheid zou worden overweldigd, zond hij daar de notarius Gaudentius over zee heen (dezelfde waarvan ik eerder aanduidde, dat hij enige tijd in Gallië het doen en laten van Julianus bespioneerde), waardoor het leek alsof hij zelf spoedig uit de Oriënt zou vertrekken. 3.Hij dacht namelijk dat Gaudentius om twee redenen zijn orders snel en stipt zou willen uitvoeren: ten eerste omdat hij beducht was voor de vijandelijke partij [Julianus], die hij gekrenkt had; ten tweede omdat hij stellig graag een gelegenheid benutte om bij zijn keizer in het gevlei te komen, die naar ieders overtuiging ongetwijfeld als overwinnaar uit de strijd zou komen. 4.Ter plaatse gearriveerd, deelde de notarius  de comes Cretio en de andere commandanten overeenkomstig zijn instructies schriftelijk mee wat zijn bedoeling was, haalde van alle kanten de beste soldaten bij elkaar plus uit de beide provincies van Mauretanië lichtbewapende schermutselaars en organiseerde een intensieve bewaking van de hele kuststrook tegenover Aquitanië en Italië. 5.Inderdaad had Constantius met dit plan goed gezien, want zolang hij leefde, raakte geen van zijn tegenstanders deze gebieden aan, terwijl de kust van Sicilië over de hele uitgestrektheid van Lilybaeum tot Pachynum door een grote gewapende macht bewaakt werd, paraat om snel over te steken als er zich een goede gelegenheid toe zou bieden. 6.Toen Constantius, naar hij dacht, met deze en andere, minder belangrijke maatregelen de situatie voor het moment voldoende onder controle had, werd hij er door boodschappers en brieven van zijn generaals van verwittigd dat Perzische troepen zich met hun trotse koning aan het hoofd tot één strijdmacht verenigd hadden en de oevers van de Tigris al naderden, al was het nog niet duidelijk waar ze van plan waren door te breken. 7.Op dit slechte nieuws vertrok hij zo snel mogelijk uit zijn winterkwartier om van dichtbij op de eventuele gebeurtenissen te kunnen anticiperen, mobiliseerde de verspreid gelegerde cavalerie en de hoofdmoot van de infanterie, waar hij vertrouwen in had, stak daarmee bij Capersana via een schipbrug de Euphraat over en rukte op naar Edessa, wat een goed bevoorrade en versterkte stad was. Daar wachtte hij op nader bericht van verkenners of overlopers over de bewegingen van de vijand.

8. Na de zaken in Gallië geregeld te hebben, marcheert Julianus op in de richting van de Donau. Een deel van zijn troepen zendt hij vooruit via Italië en Raetië  

1.Intussen vertrok Julianus na alles geregeld te hebben wat ik al verteld heb, uit Rauracum [Augst], zond Sallustius, bevorderd tot prefect, terug naar Gallië, belastte Germanianus met de opvolging van Nebridius en benoemde Nevitta tot magister armorum, aangezien hij geen vertrouwen had in de oude schurk Gomoarius, die, zoals hij gehoord had, destijds als commandant van de Scutarii zijn keizer Vetranio heimelijk had verraden. Jovius (eerder genoemd12 in verband met het optreden van Magnentius) werd quaestor, Mamertinus comes sacrarum largitionum en Dagalaifus comes domesticorum. Ook verschillende anderen, wier verdiensten en trouw hij kende, belastte hij naar eigen goeddunken met militaire commando’s. 2.Zijn bedoeling was, de weg door het Marcianische Woud [Zwarte Woud] te nemen en dan de route langs de Donau te volgen. Maar alles ging nu zo snel, dat hij niet zeker was van de situatie en vreesde met zijn bescheiden gevolg minachting en tegenacties onder de bevolking te kunnen oproepen. 3.Om dat te voorkomen bedacht hij een slim plan: hij deelde zijn leger in tweeën, beval één deel onder Jovinus en Jovius snel over hoofdwegen van Italië op te marcheren, het andere deel onder de magister equitum Nevitta dwars door Raetië, zodat ze, gezien in heel verschillende streken, de indruk zouden geven van een enorme strijdmacht en navenant ontzag zouden wekken. Dat was namelijk wat Alexander de Grote en nadien verschillende andere bekwame legerleiders onder soortgelijke omstandigheden hadden gedaan. 4.Bij hun vertrek gaf hij de orders mee, op mars een paraatheid te handhaven alsof elk moment contact met de vijand te verwachten was, en hun nachtkwartieren degelijk te bewaken om niet bij verrassing te worden overvallen.  

9. Taurus en Florentius, consuls en praefecti praetorio, vluchten voor de komst van Julianus, de één via Illyricum, de ander via Italië. De magister equitum Lucillianus, die Julianus het hoofd probeert te bieden, wordt gevangen genomen

  1.Nadat hij dit tactisch goed geregeld dacht te hebben, marcheerde Julianus verder op zoals hij dikwijls door barbarenland was getrokken, in de volle overtuiging dat aan de reeks van zijn successen geen eind zou komen. 2.En toen hij bij een plaats kwam waar de Donau bevaarbaar moest zijn en door dom toeval een groot aantal bootjes bij elkaar lagen, scheepte hij zich met zijn manschappen daarop in en liet zich, zover dat mogelijk was onopgemerkt, met de stroom mee drijven. Hij ontsnapte aan de aandacht doordat hij, zo sterk en gehard als hij was, geen bijzonder voedsel nodig had, maar tevreden met eenvoudige en karige kost steden en forten passeerde zonder aan land te gaan, volgens dat mooie woord van de oude Cyrus, die, aangekomen bij een herberg en door de herbergier gevraagd welk gerecht hij voor hem moest klaarmaken, antwoordde: ‘Brood is genoeg, want ik hoop bij een rivier te kunnen eten’. 3.Maar het Gerucht, dat zoals men zegt met duizend monden de waarheid op een raadselachtige manier pleegt op te blazen, verspreidde zich razendsnel door heel Illyricum als zou Julianus na een groot aantal koningen en volken in Gallië te hebben overwonnen, het succes naar het hoofd zijn gestegen en hij met een groot leger in aantocht was. 4.Daardoor opgeschrikt, nam de praefectus praetorio Taurus de vlucht als voor een buitenlandse vijand en stak, gebruik makend van de Staatspost, telkens van paarden wisselend de Julische Alpen over, waarbij hij in één moeite ook de prefect Florentius meenam. 5.Maar de comes Lucillianus, de toenmalige militaire commandant over die regio, trok, door onduidelijke berichten over Julianus’ beweging gealarmeerd, in zijn standplaats Sirmium uit omliggende posten alle direct beschikbare eenheden samen om hem, als hij kwam opdagen, het hoofd te bieden. 6.Julianus echter schoot als een fakkel, als een brandpijl recht op zijn doel af. Bij afnemende maan, waardoor het vrijwel de hele nacht donker bleef, ontscheepte hij zich onverwachts bij Bononea [Banostor], negentien mijl van Sirmium en zond meteen Dagalaifus met een lichtbewapend commando naar Lucillianus om hem te ontbieden of, zo hij zich zou proberen te verzetten, met geweld op te brengen. 7.Lucillianus sliep, en toen hij door verwarde geluiden gewekt zich omsingeld zag door onbekenden, begreep hij alles en deed uit schrik bij het horen van ’s keizers naam met tegenzin wat hem bevolen werd. Op het eerste de beste paard gezet werd deze, zopas nog arrogante en eigengereide magister equitum als een willoze en onbetekenende gevangene voor Julianus gebracht. Hij bestierf het bijna van angst. 8.Maar bij de eerste blik op Julianus begrijpend dat het hem was toegestaan het purper te kussen, vatte hij weer moed, herkreeg zijn oude zelfverzekerdheid en zei: ‘Het is wel heel onvoorzichtig van u, majesteit, u met zo’n klein leger op vreemd gebied te wagen’. Waarop Julianus met een glimlach, maar enigszins geïrriteerd antwoordde: ‘Bewaar uw wijze woorden maar voor Constantius. Ik heb u het teken van mijn majesteit niet voorgehouden om uw raad te vragen maar om uw zenuwen te kalmeren’. 

10. Julianus krijgt Sirmium, de hoofdstad van westelijk Illyricum, met het hele garnizoen in handen. Hij bezet de pas van Succi en schrijft een brief aan de senaat over Constantius

1.Met Lucillianus uit de weg, wilde Julianus, in gevaarlijke situaties gewoonlijk zelfverzekerd en doortastend, meteen zo snel mogelijk naar Sirmium, dat hij dacht al zo goed als van hem te zijn. En inderdaad, toen hij na een snelle mars nog pas de voorsteden naderde die al ver buiten de stad begonnen, werd hij door een menigte soldaten en burgers met fakkels, bloemen en felicitaties ontvangen en onder geroep van ‘Augustus! Heer!’ naar het paleis begeleid. 2.Verheugd over dit succes, dat hij als een goed voorteken beschouwde, en met des te groter vertrouwen in de toekomst, aangezien hij mocht aannemen dat ook andere steden hem in navolging van deze befaamde, dichtbevolkte, metropool als een reddende engel zouden inhalen, liet hij de volgende dag tot plezier van het volk wagenrennen houden. Maar zodra de ochtend van de derde dag aanbrak, hield hij het niet meer, ging opnieuw de baan op en kwam zonder tegenstand te ontmoeten bij de pas van Succi, die hij door een troep onder commando van de vertrouwde Nevitta liet bezetten.Hier wil ik in een kort terzijde een beschrijving van deze plaats geven. 3.De dicht op elkaar aansluitende toppen van de Haemus en de Rhodope, bergketens waarvan de ene aan de oever van de Donau, de andere aan de dezerzijdse oever van de Axius oprijst, dalen af tot heuvels die eindigen in een nauwe pas tussen Illyricum en Thracië. Van de ene kijkt men uit op het hartland van Dacië met Sardica, van de andere op Thracië met Philippopolis - twee grote, respectabele steden - en alsof de natuur altijd al het vermoeden had dat de omwonende volken ooit onder het gezag van Rome zouden komen, had ze de gebergten precies zo gevormd dat de tussen de dichte heuvelen eerst verborgen doorgang, later, toen onze staat groot en roemrijk was geworden, zelfs zo verbreed kon worden dat ze voor verkeer met wagens geschikt was, maar aan de andere kant ook soms zo kon worden afgesloten dat pogingen van grote veldheren en volken erdoor te trekken, konden worden verhinderd. 4.Naar Illyricum toe loopt de pas heel geleidelijk omhoog - het is alsof ze zich er niet om bekommert dat ze daar af en toe gepasseerd wordt - maar naar Thracië toe is ze tamelijk steil hellend, met paden die, bezaaid met rotsblokken, moeilijk te begaan zijn, zelfs als niemand de weg verspert. Aan de voet van beide bergketens liggen grote vlakten, waarvan de noordelijke zich uitstrekt tot aan de Julische Alpen, de zuidelijke zo vlak en open is, dat ze tot aan de zeestraat [de Hellespont] en de Propontis geheel bewoonbaar is. 5.Na het daar zo geregeld te hebben als de spannende situatie het eiste, liet Julianus de pas onder de hoede van de magister equitum en keerde zelf terug naar Naessus [Nish] om van daaruit alle verder dienstige regelingen te treffen. 6.Daar benoemde hij de geschiedschrijver Victor, die hij in Sirmium had ontmoet en vandaar had ontboden, tot gouverneur in de rang van consularis over Neder Pannonië en eerde deze man, die een toonbeeld van soberheid was en veel later nog stadsprefect zou worden, met een bronzen standbeeld. 7.Volkomen zeker en ervan overtuigd dat het tussen hem en Constantius nooit meer goed zou komen, schreef hij aan de senaat een brief waarin hij in niet mis te verstane bewoordingen zijn hart luchtte over diens falen en feilen. Maar toen deze ter zitting werd voorgelezen - Tertullus was nog stadsprefect - bleek hoe loyaal, dankbaar en aanhankelijk de Romeinse adel was jegens Constantius, want unaniem riepen allen: ‘Wij eisen van u respect voor wie u gemaakt heeft die u bent!’  8.Ook vergreep hij zich aan de herinnering aan Constantijn, die hij een nieuwlichter noemde die eerbiedwaardige wetten en oude zeden geschonden had. Met name verweet hij hem de eerste te zijn geweest die barbaren tot de eer van roedenbundels en het statiekleed van consuls had verheven. Maar dat was even smakeloos van hem als ondoordacht, want terwijl hij dan zelf had moeten vermijden waartegen hij hier zo fel tekeer ging, benoemde hij kort daarna als collega van Mamertinus [de Frank] Nevitta tot consul, die wat aanzien, ervaring en roem betrof niet te vergelijken was met degenen die Constantijn met dit hoogste ambt had belast, integendeel zelfs weinig ontwikkeld was, een beetje boers en (wat erger was) in die hoge functie wreed.  

11. Twee van Constantius’ legioenen, die in Sirmium de kant van Julianus hadden gekozen en door hem naar Gallië waren gecommandeerd, bezetten met instemming van de burgerij Aquileia en sluiten de poorten voor de troepen van Julianus

  1.Terwijl Julianus aan de ene kant zulke gedachten ontwikkelde, anderzijds zijn aandacht had bij concrete zaken van acuut belang, ontving hij onverwachts een schokkend bericht over een rampzalige actie van bepaalde lieden waardoor zijn glad verlopende onderneming dreigde vast te lopen als hij er niet resoluut een eind aan maakte vóór het tot erger kwam. Ik laat in het kort volgen wat er gebeurd was. 2.De twee legioenen van Constantius die hij, Julianus, samen met een cohort boogschutters in Sirmium had aangetroffen en, omdat hij nog niet zeker was van hun betrouwbaarheid richting Gallië had gezonden onder het voorwendsel van dringende noodzaak, hadden daarmee geen haast gemaakt, want enerzijds zagen ze op tegen de lange mars, anderzijds hadden ze schrik voor de Germanen, onze eeuwige woeste vijanden, en zonnen op aanstoken van Nigrinus, een cavaleriecommandant afkomstig uit Mesopotamië, op verzet, waarvoor ze in het diepste geheim een plan smeedden. Aangekomen in Aquileia, een welgelegen, welvarende, zwaar ommuurde stad, sloten ze plotseling haar poorten, voor welke rebellie ze de spontane steun kregen van de bevolking, die nog heilig ontzag had voor de naam van Constantius. 3.Eenmaal de toegangen geblokkeerd en de torens en bolwerken bezet, troffen ze alle verder nodige maatregelen voor de komende krachtmeting, die ze overigens onbekommerd tegemoet zagen. Door deze brutale actie stimuleerden ze ook het volk van Italië de kant van Constantius te blijven steunen, die ongetwijfeld zou winnen.  

12. Aquileia kiest partij voor Constantius, wordt belegerd, maar geeft zich op het bericht van Constantius’ dood over aan Julianus

1.Julianus bevond zich nog in Naessus, onbewust van het gevaar dat hem in de rug bedreigde, toen hij van dit alles vernam. Hij had ooit gelezen of gehoord dat Aquileia wel verschillende malen was belegerd maar zich nooit had overgegeven en nooit was verwoest, wat voor hem een reden te meer was, haar snel met list of goede woorden voor zich terug te winnen vóór de situatie verergerde. 2.Dus gaf hij de magister equitum Jovinus, die de Alpen was overgestoken en zich in Noricum bevond, opdracht zo snel mogelijk om te keren en hoe dan ook de brand te blussen. Het zekere voor het onzekere nemend beval hij ook alle garde- en veldtroepen die over Naessus kwamen, daar halt te houden om zoveel mogelijk hulp te kunnen bieden. 3.Niet lang na dit zo geregeld te hebben, vernam hij van het overlijden van Constantius en haastte hij zich via Thracië naar Constantinopel, waar hij zijn intocht hield.13 Het beleg om Aquileia, intussen, zou wel geen zwaar, maar wel een langdurig karwei zijn, zo werd hem herhaaldelijk verzekerd. Daarom belastte hij Immo en enkele andere officieren met die taak en haalde hij Jovinus ervan af om hem beschikbaar te hebben voor andere meer dringende zaken. 4.Aquileia werd dus enerzijds effectief omsingeld, anderzijds meenden de gezamenlijke bevelhebbers dat het geen kwaad kon te proberen de verdedigers met dreigementen en/of goede woorden tot overgave te brengen; maar toen die na veel pourparlers alleen maar ongelooflijk veel koppiger werden, verbraken ze dit vruchteloze contact. 5.Het beloofde dus menens te worden; beide partijen sterkten zich met eten en slaap, en toen ze bij het eerste ochtendlicht door trompetsignalen werden gewekt voor het moorddadig werk, gingen ze onder krijgsgeschreeuw woest en zonder zich te ontzien in de slag. 6.De belegeraars naderden achter draagbare borstweringen en van tenen gevlochten schermen langzaam, behoedzaam de muren om te proberen ze met allerlei ijzeren tuig te ondermijnen, terwijl velen stormladders aansleepten, even lang als de muren hoog, maar nauwelijks hadden die de muren bereikt, of sommigen werden verpletterd onder stenen die van boven gegooid werden, anderen getroffen door snorrende pijlen, waarop degenen die terugdeinsden alle anderen meesleepten, die, bang voor eenzelfde lot, hun strijdlust verloren. 7.Dit eerste treffen gaf de belegerden moed. Rekenend op nog grotere successen, maakten ze zich over het vervolg geen zorgen meer. Vastberaden stelden ze op strategische punten geschut op, hielden onvermoeibaar de wacht en namen alle andere maatregelen die nodig waren. 8.Aangezien de belegeraars van hun kant, met de schrik in de benen, toch de schijn van lafheid en slapheid wilden vermijden en, blijkens deze eerste poging, met een harde, openlijke aanval weinig dachten te kunnen bereiken, gingen ze nu over op de gebruikelijke belegeringstechnieken. Nu was de situatie echter zo, dat nergens een geschikte plek te vinden was om stormrammen aan te voeren, ander belegeringstuig te installeren of mijnen te graven, onder andere omdat de rivier Natesio rakelings langs de stad liep. Maar juist dat feit bracht hen op een lumineus idee - een inval die de Ouden zouden hebben bewonderd! 9.Met grote voortvarendheid begonnen ze houten torens te bouwen, hoger dan de muren van de vijand, en plaatsten elk daarvan op drie stevig aan elkaar gesjorde schepen. Manschappen op die torens probeerden met hun allen van dichtbij gericht schietend de verdedigers van de muren te jagen, terwijl tegelijk beneden hen lichtbewapende schermutselaars uit de onderste ruimten kwamen, kleine geprefabriceerde bruggen uitlegden en daarover naar voren stormden. Die gecombineerde actie had als doel, terwijl ze elkaar daarboven over en weer beschoten en met stenen bekogelden, die mannen via de bruggen in staat te stellen ongehinderd een stuk muur open te breken, zodat ze door de bres de stad in konden. 10.Maar dit mooie plan mislukte jammerlijk, want toen de torens dichter bij de muur kwamen, werden ze bestookt met in pek gedoopte brandpijlen, met rietbundels, takkenbossen en alles wat maar branden wilde. Door het snel om zich heen grijpende vuur en het gewicht van de mannen die er wankel op stonden (er werden er ook gedood, uit de verte geraakt door projectielen), zakten ze scheef en vielen in de rivier. 11.Intussen werden de infanteristen, door de val van hun kameraden aan zichzelf overgelaten, verpletterd onder zware steenbrokken, op enkelen na die zich schutterend en schuilend nog snel uit de voeten wisten te maken. Dat gevecht duurde tot de avond, en toen op de gebruikelijke manier de aftocht werd geblazen, trokken beide partijen zich voor voor de rest van de dag met gemengde gevoelens terug. 12.Want de weeklachten van de belegeraars die de dood van hun kameraden betreurden, versterkte de hoop van de verdedigers op een overwinning; maar ook zij hadden doden te beklagen. Niettemin moest er voortgemaakt worden en nadat ze genoeg gegeten en een hele nacht gerust hadden, konden ze er weer tegenaan en werd de strijd bij het aanbreken van de dag met een trompetsignaal hervat. 13.Met hun schilden boven hun hoofd (om veiliger te kunnen vechten) of opnieuw met stormladders op hun schouders renden de onzen op de muren af en, al werden ze een doelwit voor alle soorten projectielen, waren niet te stuiten. Sommigen die probeerden de ijzeren vergrendeling van de poorten te verbreken, werden door de verdedigers met brandpijlen bestookt of sneuvelden onder stenen die van de muren werden gegooid. Anderen, die moedig de gracht probeerden over te steken, werden plotseling overvallen door vijanden die ongezien door achterpoorten naar buiten kwamen en moesten hun overmoed met de dood bekopen of zich gewond terugtrekken. Hun belagers, aan de andere kant, konden veilig terug naar de muren, terwijl ook een met plaggen versterkte wal vóór de muren hun een tijdelijke dekking bood. 14.De verdedigers waren onovertrefbaar in hardheid en krijgstactieken maar moesten het uiteindelijk van hun muren hebben, dus zochten soldaten van ons, geselecteerd uit de beste compagnieën, de hele omtrek daarvan af naar plekken waar met handgeweld of met geschut een bres gemaakt en de stad binnengedrongen kon worden. 15.Toen dit vanwege allerlei moeilijkheden niets opleverde, begon de animo voor de belegering  af te nemen en plunderden de troepen liever de omliggende velden, wat van alles in overvloed opleverde waarin ze hun kameraden - die voor de wacht en de patrouillering waren achtergebleven - rijkelijk lieten delen. Het gevolg was, dat ze volgezopen en volgegeten tot niet veel meer in staat waren. 16.Julianus, die vanwege de winter nog in Constantinopel verbleef, vernam van die gang van zaken van Immo cum suis en had snel een gepaste oplossing voor het probleem bij de hand: hij zond direct de magister peditum Agilo erop af, die in die dagen een naam had, in de hoop dat de komst van deze hoge officier mèt het bericht van Constantius’ dood een eind aan de belegering zou maken. 17.Die moest intussen wel doorgaan, en aangezien alle andere middelen hadden gefaald, werd besloten de taaie verdedigers door verdorsting tot overgave te dwingen. Eerst werden de aquaducten afgesloten, maar ze verzetten zich nog verbetener; toen werd de loop van de rivier afgeleid, wat een enorm karwei was, maar ook dat vergeefs. Want toen het drinkwater gerantsoeneerd moest worden, deden die mannen, die door hun eigen heethoofdigheid zaten opgesloten, het gewoon wat kalmer aan en waren tevreden met water uit putten. 18.Midden in al dit gedoe dat weinig uithaalde, verscheen dus Agilo. Beschermd door een haag van schilden riep hij dicht onder de muur uitvoerig en naar waarheid zijn nieuws over Constantius’ overlijden en Julianus’ machtsovername, maar hij werd voor leugenaar gescholden en niemand geloofde wat hij zei over wat gebeurd was, tot hij met garantie voor zijn veiligheid alléén in het bolwerk toegelaten zijn bericht herhaalde en de waarheid ervan met een heilige eed bevestigde. 19.Toen inderdaad openden ze eindelijk na hun lange beproeving de poorten en stroomden massaal naar buiten, bejubelden de generaal die hun vrede had gebracht en wezen om zichzelf schoon te wassen Nigrinus en enkele anderen aan als de aanstichters van de hele krankzinnige onderneming, die dus voor de misdadige opstand en de ellende die de stad had geleden maar met hun leven moesten boeten. 20.Nadat een paar dagen later de hele affaire door de praefectus praetorio Mamertinus aan een grondig gerechtelijk onderzoek was onderworpen, werd Nigrinius als de eigenlijke aanstichter van de oorlog levend verbrand, en werden de senatoren Romulus en Sabostius, schuldig bevonden aan het zaaien van tweedracht zonder de gevaarlijke consequenties daarvan te achten, onthoofd. Alle anderen, die meegesleept, niet werkelijk uit vrije wil, aan de waanzinnige opstand hadden meegedaan, kwamen er levend af. Zo besliste het naar recht en billijkheid de keizer, want hij was van nature mild en genadig. 21.Maar ik loop hier op de dingen vooruit. Want Julianus bevond zich nog steeds in Naessus en had zorgen, want hij voorzag problemen van twee kanten. Enerzijds dreigde het gevaar dat de troepen die in Aquileia opgesloten zaten, plotseling zouden uitbreken en de passen van de Julische Alpen zouden bezetten, waardoor hij zou worden afgesneden van de provincies en de dagelijkse bevoorrading daarvandaan kwijt zou zijn. 22.Anderzijds benauwde hem de gedachte aan militaire bewegingen in de Oriënt, waar hij hoorde dat troepen die verspreid in Thracië gelegerd waren, als reactie op zijn plotselinge machtsgreep snel waren gemobiliseerd en zich onder aanvoering van de comes Martianus al in de buurt van Succi bevonden. Niettemin hield hij het hoofd koel en beantwoordde deze complexe dreiging met gepaste maatregelen: van zijn kant trok hij het hele Illyrische leger samen dat, in het krijgsbedrijf gestaald, altijd bereid was in tijd van oorlog een ervaren krijgsheer te volgen. 23.Daarbij veronachtzaamde hij - al waren er crises - ook de persoonlijke belangen van anderen niet, maar verdiepte zich in hun twisten en geschillen, met name als het ging om vertegenwoordigers van de hogere stedelijke klasse, die hij geneigd was te ontzien en daarom ten onrechte vele anderen met zware publieke functies belastte.14 24.In Naessus trof hij ook de eminente senatoren Symmachus en Maximus, die, door de Romeinse adel naar Constantius afgevaardigd, op de terugweg waren van hun missie. Hij ontving ze met alle eer en benoemde - met voorbijgaan van de beste keus [Symmachus] - Maximus in de plaats van Tertullus tot prefect van de Eeuwige Stad, dit om Rufinus Vulcatius een genoegen te doen, van wiens zuster deze een zoon was zoals hij wist. Tijdens diens bestuur was de levensmiddelenvoorziening van de stad optimaal en kwam een eind aan de voortdurende klachten van de bevolking. 25.Om in de gespannen situatie wat rust te scheppen en zijn aanhang te bemoedigen, koos hij de praefectus praetorio Mamertinus tot consul, samen met Nevitta - en dat, terwijl hij kort tevoren Constantijn nog ernstig bekritiseerd had vanwege het feit dat hij de eerste was die ‘barbarengespuis’ op hoge posten had benoemd!  

13. Sapor keert met zijn leger naar huis terug, aangezien voortekenen tegen een oorlog waarschuwen. Constantius spreekt in Hierapolis zijn troepen toe vóór hij tegen Julianus te velde trekt  

1.Terwijl Julianus hopend en biddend met deze en andere maatregelen zijn situatie verder consolideerde, wist Constantius in Edessa, vanwege de verschillende berichten van zijn verkenners, die hem onzeker maakten, niet goed of hij zijn troepen in het veld moest brengen voor een slag dan wel, zo een gelegenheid zich zou aanbieden, opnieuw Bezabde moest belegeren, want hoe dan ook mocht hij de flank van Mesopotamië niet onbeschermd laten als hij straks naar het noorden wilde. 2.In deze tweestrijd stelde hij een beslissing daarover voortdurend uit, terwijl de Perzische koning aan de overzijde van de Tigris wachtte op gunstige tekens om te kunnen opbreken. Immers, als Sapor die rivier eenmaal over was en geen tegenstand zou ontmoeten, kon hij gemakkelijk doorstoten tot aan de Euphraat; daarnaast moest hij, Constantius, zijn soldaten sparen voor de komende burgeroorlog [tegen Julianus], zodat hij ze eigenlijk niet wenste bloot te stellen aan de risico’s die een aanval op een stad met zich meebracht, een stad in dit geval, waarvan hij uit ervaring wist hoe sterk haar fortificatie was en hoe fanatiek haar bezetting. 3.Om toch niet helemaal stil te zitten en niet van nalatigheid te kunnen worden beschuldigd, zond hij de magister equitum Arbetio en de magister peditum Agilo uit met sterke afdelingen, niet om de Perzen uit te dagen voor een gevecht, maar om aan onze kant van de Tigris een keten van wachtposten te leggen en uit te vinden op welk punt een aanval van de koning verwacht kon worden. Hij gaf er nadrukkelijk de mondelinge en schriftelijke aanwijzing bij, direct te retireren als de vijandelijke legers met de oversteek zouden beginnen. 4.Terwijl zijn generaals de hun toegewezen frontieren bewaakten en de geheime bedoelingen van het verraderlijke volk aftastten, hield Constantius zich, met het merendeel van zijn leger onder zijn commando, met dringende zaken bezig, verband houdend met een eventueel komend treffen, terwijl hij voor de veiligheid af en toe liet patrouilleren langs de steden. Maar verkenners en incidentele overlopers brachten tegenstrijdige berichten binnen, niet beter wetend wat te gebeuren stond omdat bij de Perzen niemand in plannen gekend pleegt te worden dan de hoogste top, die gesloten en loyaal is - niet voor niets wordt bij hen ook de god van het zwijgen vereerd... 5.De zoëven bedoelde generaals begonnen er intussen bij de keizer op aan te dringen zelf te komen en versterkingen te sturen. Want, verzekerden ze hem, alleen met alle strijdkrachten verenigd was een aanval van de oorlogbeluste koning te weerstaan. 6.In die hectische dagen kwam intussen het ene stellige bericht na het andere binnen waaruit duidelijk werd dat Julianus na zijn snelle doortocht door Italië nu de pas van Succi had bezet, waar hij wachtte op hulptroepen die van overal waren opgeroepen, om vervolgens met een grote legermacht Thracië binnen te vallen. 7.Door deze berichten weliswaar aangeslagen, hield Constantius zich vast aan de troostende gedachte dat hij in binnenlandse conflicten altijd nog als overwinnaar te voorschijn was gekomen. Niettemin was in de netelige situatie waarin hij zich bevond, goede raad duur: voorlopig achtte hij het ’t beste, troepen bij gedeelten op wagens van de Staatspost vooruit te sturen om tijdig de dreigende problemen het hoofd te kunnen bieden. 8.Dit plan vond algemene bijval en de manschappen vertrokken met lichte bepakking zoals bevolen. Maar dan! Nog terwijl hij dit regelde, al de volgende morgen, bereikte hem het bericht dat de koning vanwege slechte voortekenen met zijn hele leger naar zijn land terugkeerde! Opgelucht commandeerde hij dus alle troepen terug behalve die, die normaal voor de verdediging van Mesopotamië bestemd waren, en viel terug op de stad Nicopolis. 9.Nog steeds onzeker over de afloop van de hele geschiedenis, riep hij, zodra het leger weer verenigd was, alle centuriën, manipels en cohorten op voor een samenkomst, en terwijl de vlakte zich onder geschetter van trompetten vulde met massa’s soldaten, nam hij plaats op een hoge tribune, omringd door een groter gevolg dan normaal - om indruk te maken, wat goed was voor de discipline -, zette een monter en zelfzeker gezicht en hield de volgende rede: 10.‘Altijd erop bedacht, in woord en daad niets te begaan in strijd, hoe weinig ook, met eer en deugd, en als een voorzichtige roerganger met de helmstok roer te geven naar de bewegingen van de golven, moet ik nu helaas bekennen, mannen, dat ik vergissingen heb begaan of liever (om de waarheid te zeggen) te goedhartig ben geweest, aangezien ik dacht daarmee het algemeen belang te dienen. En wilt u precies weten waarom deze bijeenkomst gehouden wordt, luistert u dan goed, verzoek ik u, zonder vooroordeel of terughoudendheid. 11.Destijds, toen Magnentius, die dankzij uw dapper optreden overwonnen is, als een bezetene verwarring stichtte in de staat, heb ik mijn neef Gallus verheven tot caesar met als opdracht de verdediging van de Oriënt. Toen hij door daden, te afschuwelijk om mee te maken of te vertellen, van het juiste pad was geraakt, is hij volgens recht en wet gestraft. 12.En ik wilde wel dat Nijd, de wrede aanstichtster van troebelen, daarmee tevreden was geweest, zodat ik slechts verontrust zou worden door deze ene herinnering aan een intussen bezworen kwaad. Maar nu is er weer iets gebeurd, iets veel ellendigers dan dat andere, moet ik helaas zeggen, wat u met uw dapperheid van nature en met hemelse hulp zult moeten bestrijden. 13.Julianus, aan wie ik de verdediging van Gallië heb opgedragen terwijl u andere volken bestreed die Illyricum belaagden, heeft in zijn verwaandheid om een paar onbetekenende schermutselingen met primitief bewapende Germanen - opgeblazen idioot die hij is! - enkele benden bij zijn intriges betrokken die in hun bandeloosheid en hun hopeloze situatie tot elke wanhoopsdaad bereid zijn, en zweert samen tegen de staat, Justitia, de moeder en voedster van de Romeinse wereld, met voeten tredend - Justitia, die zoals ik vast geloof en weet uit eigen ervaring en uit lessen van het verleden, tenslotte als de wreekster van het kwaad zulke hoogmoedige geesten straft en als even oplichtende vonken zal uitblazen. 14.Wat blijft ons dus anders te doen dan de storm te trotseren  die opsteekt en de razernij van de aanzwellende oorlog snel te bedwingen, vóór ze verhevigt. Want het lijdt geen twijfel of door de genade van de hoogste godheid, wiens onwrikbaar oordeel ondankbaren treft, zal het zwaard dat zo goddeloos geheven is, onverbiddelijk vernietigend neerkomen op diegenen die, absoluut niet vijandig bejegend maar op allerlei manieren begunstigd, zijn opgestaan en onschuldigen bedreigen. 15.Want ik zie gebeuren, vertrouwend op Justitia, die rechtvaardige ondernemingen steunt, en verzeker u, dat als het tot vechten komt, zij noch het bliksemen van uw ogen noch zelfs de aanzet van uw barritus zullen verdragen, maar verlamd zullen staan van angst.’ 16.Toen hij uitgesproken was, bleken allen het met hem eens en beantwoordden woedend zwaaiend met hun speren zijn woorden met instemmend geroep en de vraag, meteen tegen de opstandelingen te velde te worden gevoerd. Die reactie deed ’s keizers zorg omslaan in optimisme. Hij ontbond de vergadering en beval Arbetio, van wie hij uit eerdere ervaringen wist dat hij in het bijzonder succesvol was in het dempen van opstanden, hem met de Lancearii, de Mattiarii en afdelingen infanterie vooruit te gaan, terwijl Gomoarius, die hij speciaal daarvoor koos omdat hij een aartsvijand was van Julianus, die hem in Gallië min behandeld had, bevel kreeg met de Laeten het hoofd te bieden aan de vijand die via de pas van Succi verwacht werd.  

14. Voortekenen van Constantius’ dood  

1.Onder al deze wederwaardigheden kondigde Constantius’ reeds haperende fortuin door allerlei tekenen aan - zo duidelijk als met woorden - dat zijn leven een crisis naderde. ’s Nachts werd hij vaak opgeschrikt door verschijningen en eens, toen hij half in slaap was, leek het hem dat de geest van zijn vader hem een mooi kind aanreikte, en dat dit hem, toen hij het aannam en op zijn schoot zette, de bol die hij in zijn rechterhand hield afpakte en wegwierp. Dit voorspelde een verandering van de tijden, al gaven zieners nog zulke geruststellende verklaringen. 2.Daarna sprak hij er met zijn vertrouwelingen over dat hij iets geheimzinnigs en vaags dat soms aan hem verscheen, niet meer zag, alsof het hem had verlaten. Sommigen meenden toen dat de demon met als taak zijn leven te beschermen dus niet meer met hem was en hij binnenkort zou sterven. 3.Theologen zijn namelijk van mening dat aan alle mensen bij hun geboorte zulke demonen worden toegevoegd om hen (maar zonder de vaststaande lotsbeschikkingen te beïnvloeden) op hun levensweg te begeleiden. Zij worden slechts zelden gezien, en dan nog alleen door diegenen die dat door grote verdiensten waardig zijn. 4.Dat dit zo is, wordt door orakels en schrijvers van naam bevestigd, zoals door de dichter Menander, van wie deze twee verzen zijn: ‘Aan elke mens wordt een demon toegewezen, bij zijn geboorte al, om hem te leiden op zijn levenspad.’ 5.Zo begrijpen wij ook uit de onsterfelijke zangen van Homerus dat niet de hemelse goden zelf met de helden spraken, hen bijstonden en hielpen in de strijd, maar dat hun welgezinde demonen met hen verkeerden. Door zich op hun steun te verlaten, zegt men, hebben Pythagoras, Socrates en Numa Pompilius roem verworven, evenals de oude Scipio en (volgens sommigen) Marius en Octavianus, aan wie voor het eerst de titel Augustus is verleend, maar ook Hermes Trismegistus, Apollonius van Tyana en Plotinus, die over deze mystieke dingen het een en ander heeft weten uiteen te zetten en op een knappe manier heeft duidelijk gemaakt wat de diepste redenen zijn waarom deze genii zich met de zielen van stervelingen verbinden, ze als het ware aan hun boezem drukken, ze (zolang het hun gegeven is) beschermen en hen diepere inzichten bijbrengen wanneer ze het gevoel hebben dat ze zuiver zijn en vrij van zondige smetten door hun verbinding met een rein lichaam.

15. Keizer Constantius sterft te Mobsucrene in Cilicië

  1.Nauwelijks had Constantius, haastig voortmakend, Antiochia bereikt, of hij popelde alweer om te vertrekken en de opstand het hoofd te bieden. Na de nodige voorbereidingen wilde hij dan ook meteen weer weg. Er werd veel gefluisterd dat dit niet verstandig was, maar niemand durfde het hem openlijk af te raden of zich tegen hem te verzetten. 2.De herfst liep nota bene al ten einde toen hij op mars ging.

Hij was echter nog geen drie mijl buiten de stad, in de buurt van een vlek Hippocephalus geheten, of bij het morgenlicht zag hij rechts van de weg het lijk liggen van een man die kennelijk om het leven was gebracht. Zijn hoofd was afgerukt en hij lag uitgestrekt naar het westen gekeerd, de occident!15 Hoewel geschrokken van dit omen - zijn levenslot naderde het einde - trok hij koppig verder tot hij in Tarsus kwam. Daar beving hem een lichte koorts, maar denkend een bedreiging voor zijn al aangetaste gezondheid te kunnen afwenden door in beweging te blijven, zette hij over moeilijke wegen de tocht voort, naar Mobsucrene, de laatste halteplaats in Cilicië (uitgaande van Tarsus) aan de voet van het Taurusgebergte gelegen. Toen hij echter de dag daarop opnieuw probeerde te vertrekken, bleek zijn ziekte zodanig verergerd dat hij niet meer kon. Koortshitte verzengde zijn aderen. Gloeiend als het was kon men zijn lichaam zelfs niet aanraken. Geneesmiddelen baatten niet. Moeizaam ademend jammerde hij om zijn einde. Niettemin nog geheel bij zinnen benoemde hij Julianus tot zijn opvolger, zegt men. Dat was zijn laatste woord. 3.Hij begon te rochelen en stierf na een lange doodsstrijd op de vijfde oktober,16 in het achtendertigste jaar van zijn regering, vierenveertig jaar en een paar maanden oud. 4.Nadat men hem in tranen [ritueel] enkele malen bij zijn naam had geroepen, brak een algemeen geweeklaag uit. De hoogste waardigheidsbekleders aan het hof  bezonnen zich intussen op de moeilijke vraag wat hen te doen stond. Op een suggestie van Eusebius (zegt men), die last had van een slecht geweten, werd er in het geheim even over gesproken of zij niet zelf een keizer zouden kiezen, maar omdat met Julianus zo dichtbij zo’n eigenmachtigheid wel op niets zou uitlopen, werden de toenmalige comites Theolaifus en Aligildus naar hem toe gezonden om hem mèt de melding van de dood van zijn oom te verzoeken onverwijld het gezag over het oosten over te nemen, dat bereid was zich aan hem te onderwerpen. 5.Anderzijds willen echter geruchten dat Constantius een testament had opgemaakt waarin hij - ik zei het al - Julianus als zijn opvolger aanwees en zijn nalatenschap verdeelde onder zijn dierbaren. 6.Hij liet een zwangere vrouw achter. De dochter die haar later geboren werd, kreeg zijn naam en werd, toen ze de huwbare leeftijd had bereikt, uitgehuwelijkt aan Gratianus.

16. De goede en slechte eigenschappen van keizer Constantius

  1.Wanneer we, zoals passend is, onderscheid maken tussen Constantius’ goede en slechte eigenschappen, gebiedt de betamelijkheid eerst aandacht te besteden aan de goede. Hij bewaarde onder alle omstandigheden het decorum van zijn keizerlijke majesteit en weigerde hautain te dingen naar de volksgunst. Hij verleende uiterst spaarzaam hogere waardigheden en stond, enkele uitzonderingen daargelaten, geen hervormingen toe die uitbreiding van het bestuursapparaat betekenden. Nooit gaf hij de legertop teveel ruimte. 2.In zijn regeringsperiode werd geen enkele legerbevelhebber tot de rang van clarissimus bevorderd; allen waren, zover ik me herinner, perfectissimi. Nooit had een gouverneur van een provincie formeel contact met een magister equitum, zoals het de laatste ook niet geoorloofd was zich met civiele aangelegenheden te bemoeien. Wel betuigden alle bevelhebbers en magistraten als vanouds respect voor de praefecti praetorio als het hoogste gezag. 3.Met zijn troepen ging hij uiterst zorgvuldig om, zij het dat hij soms zeer streng was in zijn beoordelingen. Met betrekking tot benoemingen in hoffuncties was hij buitengewoon secuur. Onder hem werd niemand zonder voorgeschiedenis, niemand zomaar in paleisdienst genomen om een hoge functie te bekleden: wie voor de functie van bijvoorbeeld magister officiorum of comes largitionum in aanmerking kwam, moest al door zo’n tien jaar dienst beproefd zijn. Het gebeurde zelden dat een legerofficier overging naar het civiele bestuur, zoals omgekeerd niemand met een militair commando werd belast die niet in het stof van een strijdtoneel gehard was. 4.Hij pronkte graag met wetenschappelijke kennis, maar op het gebied van de welsprekendheid stelde hij met zijn verre van sprankelende geest niet veel voor, zoals het ook een mislukking werd toen hij zich aan de dichtkunst waagde. 5.Door zijn eenvoudige en sobere levenswijze en matigheid in eten en drinken bleef hij zo goed gezond dat hij zelden met ziekten te maken had, maar als hij ze wel eens opliep, waren ze gevaarlijk. Want dat onthouding van elke overdaad en luxe dit effect heeft op het menselijk lichaam, is iets wat gezien ervaringen vanouds en verklaringen van doktoren wel vaststaat. 6.Als tijd en omstandigheden dat vorderden, kon hij met weinig slaap toe, en heel zijn leven bleef hij zo kuis dat zelfs bij een kwaaddenkende dienaar in zijn allernaaste omgeving op dit punt geen schijn van verdenking kon opkomen, terwijl, gezien de onbeperkte vrijheid van een hoogste machthebber, bij gebrek aan bewijs met kwade wil al gauw het een en ander verzonnen wordt. 7.Hij excelleerde in paardrijden, speerwerpen en vooral boogschieten en beheerste de exercities van de infanterie in de perfectie. Dat niemand hem ooit in het publiek zijn mond en zijn neus heeft zien vegen of heeft zien spuwen of om zich heen heeft zien kijken, zoals ook dat hij zijn leven lang nooit fruit heeft gegeten, is al zo vaak opgemerkt dat ik daar verder niets van zal zeggen. 8.Na deze summiere opsomming van zijn goede eigenschappen zover ik daar iets van kan weten, wil ik nu zijn slechte eigenschappen noemen. Wat de staatszaken betrof was hij vergelijkbaar met andere middelmatige keizers; maar als hij een aanleiding vond tot het vermoeden, hoe zwak of weinig gegrond ook, van een streven naar de heerschappij, liet hij die goedschiks of kwaadschiks eindeloos onderzoeken en kwam daarbij tot een laagheid waarbij die van Caligula, Domitianus en Commodus verbleekt, zoals toen hij, niet voor de wreedheid van deze keizers onderdoende, bij de aanvang van zijn regering al zijn bloed- en aanverwanten compleet uitroeide. 9.Vanwege zijn meedogenloosheid, boosaardigheid en achterdocht kregen de ongelukkigen die op beschuldiging van aantasting of schending van de keizerlijke majesteit voor de rechter kwamen, het extra zwaar te verduren. Op zelfs maar een gerucht in die sfeer reageerde hij met onmenselijk wrede onderzoeken, waarvoor hij genadeloze rechters aanwees; van sommige veroordeelden liet hij de doodstrijd rekken zolang de natuur dat maar toeliet, zodat hij in bepaalde gevallen van zulke rechtsbedeling onmenselijker was dan zelfs Gallienus. 10.Deze was namelijk vaak het doelwit van verraderlijke samenzweringen, van Aureolus, Postumus, Ingenuus, Valens (bijgenaamd Thessalonicus) en verschillende anderen, maar bestrafte zulke halsmisdaden dikwijls nog redelijk mild; maar hij, Constantius, legde het er zelfs op aan, valse of twijfelachtige aantijgingen met extreem gewelddadige folteringen ‘bewezen’ te krijgen. 11.In zulke zaken toonde hij zich een doodsvijand van het recht, ondanks verwoede pogingen voor rechtvaardig en genadig door te gaan. Zoals vonken die zelfs met een zucht wind uit een droog [brandend] bos overwaaien onvermijdelijk hele boerendorpen in gevaar brengen, zo had hij ook maar weinig aanleiding nodig om een enorme ellende te veroorzaken, wel heel anders dan de deugdzame Marcus [Aurelius], die, toen Cassius in Syrië de macht had gegrepen en een pakket brieven van hem aan zijn medestanders door de gevangenneming van een briefdrager in ’s keizers handen was gevallen, beval ze ongeopend te verbranden, zodat hij (nog in Illyricum) niet zou weten wie zijn belagers waren om niet tegen zijn wil sommigen te moeten straffen.12.Bepaalde weldenkende burgers hebben wel gemeend, dat Constantius een duidelijker teken van grootheid zou hebben gegeven door van zijn heerschappij afstand te doen zonder dat dit bloed kostte dan door ze zo hardnekkig te verdedigen. 13.Zo schrijft Cicero ook in een brief aan Nepos waarin hij Caesar diens wreedheid verwijt: ‘Gelukkig zijn’, zegt hij, ‘is niets anders dan geluk hebben in eervolle zaken. Of, om het anders te zeggen: gelukkig is een mens wanneer Fortuna hem terzijde staat als hij het goede voorheeft. Wie dat niet heeft, kan niet gelukkig zijn. De misdadige, gewetenloze handel en wandel van Caesar kon hem dus geen geluk brengen. Gelukkiger, naar mijn mening, was Camillus in zijn ballingschap dan zijn tijdgenoot Manlius, zelfs als deze er in geslaagd zou zijn het door hem begeerde koningschap te verwerven’.17 14.Ook Heraclitus van Ephese blijkt van die mening waar hij eraan herinnert dat soms, als Fortuna alles op zijn kop zet, voortreffelijke mannen overheerst worden door nietswaardige en onbekwame lieden, maar dat de hoogste roem is weggelegd voor de heerser die zijn neiging kwaad te doen, zijn hartstochten bot te vieren, zich in woede te laten gaan, geleidelijk in bedwang krijgt en de veste van zijn zelfoverwinning bekroont met een glorieuze trofee.15.In oorlogen met buitenlandse vijanden leed Constantius vaak verliezen, zelfs zware nederlagen, maar hij beroemde zich graag, druipend van de pus uit de wonden van de staat, op zijn successen in binnenlandse conflicten. Op die beschamende, onterechte en ongehoorde titel richtte hij in Gallië en Pannonië na alle miserie die deze provincies hadden geleden duurbetaalde triomfbogen op met inscripties over zijn heldendaden, zodat men over hem kon lezen zolang die monumenten zouden staan.16.Hij liet zich sterk beïnvloeden door vrouwen, eunuchen en hovelingen, die elk woord uit zijn mond prezen en wachtten op zijn ja of nee om het direct met hem eens te zijn. 17.De bitterheid van zijn tijd werd nog verergerd door de onverzadigbare roofzucht van de belastinggaarders, die hem meer haat dan geld opleverde. En dit was velen des te onverdraaglijker waar hij zich nooit met een conflict daarover bemoeide of zich bekommerde om de schade aan de provincies, hoe ze ook onder belastingen en heffingen te lijden hadden. Bovendien was hij snel geneigd eenmaal geschonken privileges weer in te trekken. 18.De heldere eenvoud van de godsdienst van de christenen verdierf hij op een oudewijvenmanier met bijgelovigheden. Door zich te vermeien in allerlei spitsvondigheden in plaats van de eensgezindheid te bevorderen veroorzaakte hij veel getwist; zelfs toen de onenigheid meer en meer algemeen werd, maakte hij de zaak met ergerniswekkende interventies nog erger. Doordat hij de hele ritus naar zijn inzichten probeerde gelijk te schakelen, waarvoor troepen bisschoppen zich op paarden van de Staatspost heen en weer haastten naar hun zogenaamde synodes, sneed hij de zenuwen van deze postdienst door.19.Over zijn voorkomen en zijn gestalte het volgende. Hij was donker van uiterlijk, had een hooghartige blik, een goed gezichtsvermogen; zijn haar was zacht, zijn altijd gladgeschoren wangen zagen er goedgezond uit. Van schouderhoogte tot onderlichaam was hij tamelijk lang, maar hij had korte, wat kromme benen, zodat hij goed kon rennen en springen. 20.Toen de overledene was afgelegd en gekist, werd Jovianus, die toen nog een protector was, ermee belast hem met keizerlijke staatsie naar Constantinopel te begeleiden om bij zijn overleden familie te worden bijgezet. 21.Aan deze Jovianus, op de koets met het stoffelijk overschot, werden toen (zoals gewoonlijk aan keizers) proeven van soldatenrantsoenen - die ze probae noemden - ter keuring aangeboden en werden paarden getoond van de Staatspost. Ook werd hij omringd door massa’s toegestroomd volk. Dit alles voorspelde voor hem keizerlijke macht, maar bij wijze van flauwe afschaduwing, want hij was niet meer dan een lijkbezorger...

Noten

1.Bedoeld is een ceremoniemeester of wedstrijdleider bij gymnastische evenementen, veelal ter gelegenheid van een godsdienstig feest. retour

2.Constantijn en Constantius werkten een uitvoerige en strenge wetgeving uit tegen het occultisme. Zie de Codex Theodosianus, Boek IX, bijvoorbeeld art. 16.4, uitgevaardigd door Constantius: ‘Het is eenieder verboden een ziener, waarzegger of astroloog te raadplegen... De nieuwsgierigheid naar waarzegging zal voor altijd worden uitgebannen. Als iemand, wie dan ook aan deze bevelen niet gehoorzaamt, zal hij met de dood worden gestraft.’  Onder Julianus herleefden de occulte praktijken weer, tot zijn opvolgers de wetgeving ertegen hervatten. retour

3.Bedoeld zijn demonen. retour

4.Themis, een Griekse oergodin, namelijk geboren uit Uranus en Gaia en ooit de tweede echtgenote van Zeus, was oorspronkelijk de hoedster van de onwrikbare ordening van de goden- en mensenwereld, later van wettelijkheid en zedelijkheid. retour

5.Cicero, De Natura Deorum, II,4,12; De Divinatione, I,52,118. retour

6.De herkomst van deze spreuk, ook door andere auteurs geciteerd, is niet bekend. retour

7.Epiphania was bij de Grieken het woord voor de verschijning of zelfopenbaring van een god. Zo werd ook de komst, geboorte, verschijning van de figuur van Christus als Epifanie gevierd, eerst op 6 januari, datum die in de oosterse Kerk Doopfeest, in de westerse Driekoningen bleef toen Kerstmis het Geboortefeest werd. retour

8.Ook Libanius vermeldt in zijn Oratio XVIII,107,108 deze merkwaardige, haast onwaarschijnlijke actie van Constantius. Het lijkt of Ammianus aan de waarheid van het verhaal twijfelt. retour

9.De hier genoemde ‘tribunen’ zijn in feite lieden van hoge afkomst of bijzondere verdiensten. retour

10.Zie boek xv,2,8. retour

11.Namelijk dat van het consulaat. retour

12.In een verloren gegaan boek retour

13.Ammianus vlecht hier plotseling het feit van Constantius’ overlijden in en, laconiek, van zijn  intocht in Constantinopel, waar hij later uitvoerig op terugkomt. De chronologie van zijn relaas, gedeeltelijk hier in boek xxi, gedeeltelijk in boek xxii, wringt. retour

14.De hogere, de bezittende klasse, die van de curiales, had als klasseverplichting het bestuur van de steden. Dit impliceerde bepaalde dienstplichten, verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld in verband met het stadsonderhoud, onderhoud van muren, bruggen, wegen en thermen, transport van militair materieel, de cursus publicus, en, zeer belastend, de belastinginning. Voor dit alles, met name voor de belastinginning stonden de stadsbestuurders, de decurio’s, met hun vermogen garant. Vaak vervielen ze daardoor tot armoede, een gevaar dat men op allerlei manieren trachtte te vermijden. Julianus ontzag kennelijk sommige vertegenwoordigers van deze hogere klasse door anderen onterecht in stadsbesturen te doen opnemen met de verplichtingen van dien.   retour

15.Het zien van een rouwstoet of een lijk voorspelde onheil. In dit geval lag een lijk bovendien ‘naar het westen’, symbolisch voor ‘ondergang’.  retour

16.De feitelijke sterfdag was 3 november. retour

17.Deze brief aan Nepos is anderszins niet bekend. retour