BOEK
XXI
1.Terwijl
Constantius in beslag werd genomen door de niet geringe problemen aan het
front over de Euphraat, bevond Julianus
zich in Vienna, waar hij dagen en nachten piekerde over wat hem, gezien zijn
beperkte mogelijkheden, in de komende tijd te doen stond. Wel voelde hij zich
steeds sterker staan, maar bleef twijfelen of hij Constantius op de een of
andere manier moest zien te winnen voor een vreedzaam vergelijk dan wel als
eerste moest aanvallen om hem schrik aan te jagen. 2.Die alternatieven tegen
elkaar afwegend, realiseerde hij zich dat Constantius enerzijds als vriend
levensgevaarlijk was, anderzijds in burgeroorlogen vaak overwinnaar. Ook
voelde hij zich ongemakkelijk bij de gedachte aan het voorbeeld van zijn broer
Gallus, die door eigen ongeschiktheid en door bedrog en verraad van anderen
zijn einde had gevonden. 3.Maar dan weer vatte hij moed en deed hij de dingen
die gedaan moesten worden vanuit de gedachte, dat het toch veiliger was zich
openlijk als vijand te stellen tegenover de man wiens wispelturigheid hij maar
al te goed kende uit het verleden, om niet onder een schijn van vriendschap in
een heimelijk gespannen strik te raken. 4.Dus legde hij de brief die
Constantius hem via Leonas had doen geworden naast zich neer, erkende geen
enkele van diens aanstellingen en bevorderingen behalve die van Nebridius en
vierde, nu als keizer, zijn vijfjarig jubileum, waarbij hij een prachtige, met
schitterende edelstenen bezette diadeem droeg - wel iets anders dan de
goedkope krans die hij zich bij de aanvang van zijn principaat had laten
opzetten, waarmee hij meer had geleken op een in purper geklede
ceremoniemeester bij een wedkamp.1 5.Intussen liet hij het
stoffelijk overschot van zijn overleden vrouw Helena naar Rome overbrengen ter
bijzetting op het landgoed aan de via Nomentana, waar ook haar zus Constantia,
de vroegere vrouw van Gallus begraven lag. 6.Nu in Gallië rust heerste, werd
hij in zijn overtuiging Constantius op eigen initiatief te moeten aanvallen,
gestijfd en gesterkt door zijn conclusie uit tal van voorspellende tekenen
(waarvan hij verstand had) en droomgezichten dat de keizer spoedig zou
sterven. 7.En aangezien kwaadwillig volk misschien wel deze weetgierige en in
alle wetenschappen onderlegde vorst ervan verdenkt zich kennis van de toekomst
te hebben verworven met onoorbare kunsten, moet eens in het kort worden bezien
hoe ook deze belangrijke vorm van wetenschap deel kan uitmaken van iemands
wijsheid.2 8.De geest die een component is van de eeuwige
substanties waaruit elementen bestaan, heeft daardoor altijd van alles vooraf
weet en maakt ons, mensen, als wij ons door geëigende studies toeleggen op
het verwerven van kennis over zulke zaken, deelgenoot van deze gave van vóórwetendheid.
Ook wanneer bovennatuurlijke wezens3 met verschillende rituelen
gunstig worden gestemd, geven zij stervelingen een overvloed aan voorspellende
woorden in - als opborrelend uit de diepten van onuitputtelijke bronnen - die,
zoals men zegt, onder het beheer vallen van de godheid Themis, die zo genoemd
wordt omdat zij het is die onthult wat volgens het ijzeren noodlot voor de
toekomst is vastgelegd (in het Grieks de tetheiména,
datgene wat vastgelegd is), waarom de theologen oudtijds haar ook de troon en
het bed lieten delen van Zeus, die macht heeft over het leven.4
9.Voorspellingen worden niet bewust door vogels in
hun vlucht uitgedrukt. Ze hebben namelijk geen weet van de toekomst. (Het zou
dwaasheid zijn te denken dat het wel zo was.) Het is een god die de vlucht van
vogels zodanig beïnvloedt dat het geluid dat ze voortbrengen of de aard van
hun vleugelslag, heftig of kalm, iets over de toekomst zegt. Want het behaagt
dan de god in zijn goedheid de mensen, omdat ze het verdienen dan wel hem
roeren door hun genegenheid, op die manier te laten weten wat te gebeuren
staat. 10.Zo komen ook degenen die zich verdiepen in de voorspellende
betekenis van het ingewand van vee, dat oneindig veel vormen kan hebben, tot
voorkennis van gebeurtenissen. De leermeester in deze kunst is een figuur
geweest, Tages genaamd, waarover het verhaal gaat dat men hem in Etrurië
plotseling uit de aarde te voorschijn heeft zien komen.11.Toekomstige
gebeurtenissen openbaren zich eveneens wanneer iemand in gloed geraakt
voorspellende woorden begint te spreken. Want zoals natuurfilosofen leren is
het dan de zon, de bezieler van de wereld, die in ons, mensen, vonken van
zichzelf spattend, geestdrift doet ontvlammen die ons bewust doet worden van
de toekomst. Daarom zeggen de Sibyllen dus vaak dat ze branden, aangestoken
door een geweldige vlammengloed. Dan zijn er nog veelbetekenende stemmen,
tekens die ons opvallen, donderslagen en bliksemschichten ook en lichtsporen
van verschietende sterren.12.Ook aan dromen zou men stellig grote waarde
kunnen hechten als droomuitleggers er niet soms met hun verklaringen naast
zaten. Volgens Aristoteles zouden ze alleen betrouwbaar zijn als een dromer
diep in slaap is en zijn pupillen naar rechts noch links gedraaid maar precies
recht naar voren gewend zijn.13.En omdat men soms van mensen die van deze
dingen geen verstand hebben, de domme opmerking kan horen dat als het mogelijk
was iets vooruit te weten, de één toch wel had geweten dat hij in een oorlog
zou sneuvelen en de ander dat hem dit of dat zou overkomen, kan ik alleen maar
zeggen dat een taalkundige soms een stijlfout maakt, een zanger soms een toon
niet treft en een arts wel eens geen geneesmiddel weet, maar dat daarom
taalkunde, muziek en geneeskunde toch niet ophouden te bestaan. 14.Vandaar dat
Cicero onder andere deze bekende uitspraak heeft gedaan: ‘De goden geven
voortekens van wat gaat gebeuren. Wanneer iemand die misverstaat, is niet de
aard van de goden maar de uitleg van de mensen in het geding’.5
Maar om niet te ver af te dwalen en mijn toekomstige
lezers te vervelen, zal ik de draad van mijn verhaal weer opnemen.
2.
Om de gunst van het volk doet Julianus zich in Vienna voor als christen en
bidt op een feestdag in de kerk tot God
4.
Naar aanleiding van de onderschepte brief laat Julianus Vadomarius
tijdens een maaltijd arresteren. Hij doodt een aantal Alamannen en
accepteert de overgave van anderen. Met de rest sluit hij vrede
1.Bang
dat zulke kwalijke en bedreigende verhoudingen [tussen Constantius en
Vadomarius] hem nog eens noodlottig zouden worden, had Julianus nog maar één
doel voor ogen: Vadomarius voor zijn eigen veiligheid en die van de provincies
zo snel mogelijk en vóór hij argwaan kreeg te laten grijpen, en bedacht het
volgende plan. 2.Hij zond de notarius Philagrius, de latere comes
Orientis, in wiens gezond oordeel
hij gezien eerdere ervaringen het volste vertrouwen had, naar die streek met
de opdracht een aantal dringende zaken te regelen, en met een verzegelde
brief, die hij pas mocht openen en lezen als hij Vadomarius aan deze kant van
de Rijn zou treffen. 3.Philagrius ging dus op weg zoals gezegd en terwijl hij
ter plaatse aangekomen zijn zaken naging, kwam inderdaad Vadomarius de rivier
over, zonder enige argwaan natuurlijk, want het was volop vrede, en met het
onschuldigste gezicht. Hij bracht een bezoek aan de commandant van het
plaatselijke garnizoen, had een normaal kort gesprek met hem en beloofde, om
geen verdenkingen te wekken bij zijn vertrek, terug te zullen komen voor een
maaltijd waaraan ook Philagrius zou deelnemen. 4.Toen deze bij zijn
binnenkomst de koning ontmoette en zich de opdracht van de keizer herinnerde,
excuseerde hij zich in verband met een belangrijke en dringende zaak, waarvoor
hij een moment naar zijn logies terug moest. Daar las hij de brief, begreep
wat hem te doen stond, begaf zich weer naar de commandant en nam met de
anderen plaats aan tafel. 5.Na afloop van de maaltijd nam hij Vadomarius vast
en gaf hem onder voorlezing van zijn orders over aan de commandant ter
opsluiting in de bewaarplaats van de veldtekens. Het gezelschap van de koning,
waaromtrent hij geen opdracht had, liet hij gaan. 6.Overgebracht naar het kamp
van Julianus, zonder hoop op enige consideratie, aangezien hij begreep dat men
zijn bode had onderschept en hetgeen hij Constantius geschreven had, openlijk
bekend was, werd Vadomarius verder, zonder zelfs maar een verwijt waardig
gekeurd te zijn, afgevoerd naar Spanje. Want dit was Julianus grootste zorg:
dat als hij Gallië zou verlaten, dit beest zijn kans schoon zou zien en de
moeizaam bewerkte orde en rust in de provincies zou kunnen verstoren.
7.Redelijk tevreden over het feit dat de koning, van wie hij na zijn vertrek
naar elders problemen duchtte, eerder dan hij had durven hopen onschadelijk
was gemaakt, liet hij de zaken toch niet verder op hun beloop, maar besloot
tot een actie tegen de barbaren die de comes
Libino en een paar van zijn soldaten in een gevecht gedood hadden zoals ik
vertelde. 8.Om te voorkomen dat ze lucht zouden krijgen van zijn komst en
zouden vluchten, stak hij in het holst van de nacht de Rijn over met
afdelingen licht bepakte en bewapende hulptroepen, sloot het niets vermoedende
volk in, en toen het gealarmeerd door het gekletter van vijandelijke wapens
naar zwaarden en speren greep, viel hij het bliksemsnel aan. Hij doodde
sommigen, accepteerde de overgave van anderen die om genade vroegen en buit
aanboden en liet de overigen, die erom smeekten en beloofden nooit meer onrust
te veroorzaken, wonen waar ze waren.
5.
Julianus spreekt zijn soldaten toe en laat hen trouw zweren nu hij besloten
is, tegen Constantius te velde te trekken
1.Onder
al die bedrijven hield Julianus het hoofd koel. De enorme gevolgen beseffend
van zijn besluit tot burgeroorlog en zich er scherp van bewust dat het voor
het welslagen van zo’n gewaagde onderneming aankwam op snelheid van
handelen, besloot hij voor zichzelf dat hij het beste zijn afvalligheid nu
openlijk kon proclameren. Niet geheel zeker van de loyaliteit van zijn
troepen, stemde hij echter eerst in een geheime ceremonie de oorlogsgodin
Bellona gunstig, liet dan appel blazen, nam plaats op een stenen verhoging en
sprak toen, kennelijk nu zekerder van zichzelf, met een luidere stem dan men
van hem gewoon was: 2.‘Medestrijders! Al lang heb ik bij mijzelf gedacht dat
bij u op grond van uw bijzondere prestaties verwachtingen moesten zijn gewekt
en u uitzag naar deze bijeenkomst om te vernemen en te beoordelen wat komen
gaat, zodat u zich daarop kunt instellen. Want ook een soldaat die gegroeid is
van roemvolle daden, betaamt het eerst te luisteren en dan te spreken, zoals
een beproefd en evenwichtig leider op niets anders gericht behoort te zijn dan
op wat goedkeuring en bijval verdient. Wilt daarom luisteren naar wat ik
zonder omwegen in het kort zal zeggen over mijn plannen. 3.Door
een hemels besluit ben ik al in mijn jonge jaren met u verbonden en heb ik met
u de voortdurende invallen van de Alamannen en de Franken met hun eeuwige
roofzucht een halt toegeroepen. Dankzij onze gezamenlijke inspanningen heb ik
het Romeinse legers mogelijk gemaakt naar believen de Rijn over te steken. In
een rotsvast vertrouwen op uw dapperheid heb ik standgehouden tegen
vervaarlijke dreigementen en woeste aanvallen van machtige volken. 4.Gallië,
dat van deze geweldige prestaties van ons getuige is geweest en hersteld is
van zware verliezen aan mensenlevens, have en goed, zal er door alle eeuwen
heen aan het nageslacht over verhalen. 5.Maar nu ik door uw besliste keuze en
gedwongen door de omstandigheden tot de waardigheid van Augustus ben verheven,
heb ik mij, afhankelijk van uw goedkeuring en die van de hemel (als Fortuna
onze onderneming begunstigt) een nog hoger doel gesteld, mij realiserend dat
u, dat dit leger, befaamd om zijn discipline en zijn gevechtskracht, mij kent
als een rustig en gematigd mens in vredestijd, en in oorlogen met verenigde
troepen van barbaren als een man die het hoofd koel houdt. 6.Volgt u dus met
mij de naar mijn mening veilige koers die ik voor ogen heb, nu het feit dat de
situatie in het rijk rustig is ons in de kaart speelt en we vijandelijke
bewegingen vóór kunnen zijn: we rukken dan snel op in de richting van
Illyricum, waar nog geen sterke garnizoenen gelegen zijn, bezetten intussen de
verste delen van Dacië en beslissen daarna, afhankelijk van ons succes, wat
ons verder te doen staat. 7.Ik vraag u als soldaten die op hun leiders
vertrouwen, te zweren dit plan van harte te steunen en te blijven steunen. Van
mijn kant sta ik ervoor in, niets onbezonnens of halfslachtigs te zullen
ondernemen en te allen tijde bereid te zijn te tonen dat ik gewetensvol alleen
bedacht zal zijn op wat het algemeen belang dient en nooit bewust zal doen of
proberen wat daarmee strijdt. 8.Wel wil ik beslist dat u in het vuur van uw
acties nooit schade zult toebrengen aan onze burgerbevolking, bedenkend dat de
vernietiging van onze talloze vijanden juist roem heeft gebracht als garantie
voor het welzijn en de veiligheid van de provincies.’ 9.Door deze toespraak
van hun keizer, waarvan ze elk woord inzogen als van een orakel, maakte een
grote opwinding zich van de verzamelde manschappen meester en in een roes van
geestdrift over wat hun in het vooruitzicht werd gesteld, sloegen ze met
oorverdovend geschreeuw dreunend op hun schilden, uitroepen scanderend waarmee
ze hem prezen als een groot leider, een machtig veldheer en een met geluk
gezegende bedwinger van volken en vorsten - hun ervaring. 10.Gevraagd
gezamenlijk op zijn naam te zweren, zwoeren ze formeel met het zwaard op hun
keel gericht onder de vreselijkste vervloekingen, dat ze voor hem alles zouden
geven tot zo nodig hun leven toe, waarna de officieren en de naaste adviseurs
hun voorbeeld volgden en in een soortgelijke ceremonie trouw beloofden.
11.Alleen de prefect Nebridius verzette zich daartegen, even principieel als
onvoorzichtig, met de verklaring dat hij zich onmogelijk onder ede tegen
Constantius kon binden, aan wie hij zoveel verplicht was. 12.Soldaten die
vlakbij hem stonden en dat hoorden, werden zo razend dat ze op hem aanvielen
en hem zouden hebben vermoord als hij geen bescherming had gezocht bij de
keizer, die hem onder zijn generaalsmantel nam. Terugkerend in zijn
keizerlijke verblijven, vond Julianus de man, die hem was vooruitgegaan, als
smekeling op de grond liggend. Maar toen hij hem om zijn hand vroeg ten teken
dat hij niets te vrezen had, antwoordde Julianus hem: ‘En welk voorrecht heb
ik mijn vrienden nog te bieden als u mijn hand hebt mogen aanraken? Gaat u
alstublieft gerust naar waar u wilt’. Op die woorden vertrok Nebridius
ongekrenkt naar huis in Toscane. 13.Na aldus alle voorbereidingen te hebben
getroffen die de ernst van de zaak vorderden, gaf Julianus, uit ervaring
wetend hoe belangrijk het in verwarde situaties was zelf het initiatief te
nemen, een schriftelijke marsorder richting Pannonië, liet het kamp opbreken,
de standaards heffen en stortte zich in het avontuur.
6.
Constantius neemt Faustina tot vrouw. Hij versterkt zijn leger en wint met
giften de steun van de koningen van Armenië en Hiberië
7. Constantius, in Antiochia, behoudt Africa door het optreden van de notarius Gaudentius. Zelf steekt hij de Euphraat over en trekt met zijn leger op naar Edessa
8.
Na de zaken in Gallië geregeld te hebben, marcheert Julianus op in de
richting van de Donau. Een deel van zijn troepen zendt hij vooruit via Italië
en Raetië
1.Intussen
vertrok Julianus na alles geregeld te hebben wat ik al verteld heb, uit
Rauracum [Augst], zond Sallustius, bevorderd tot prefect, terug naar Gallië,
belastte Germanianus met de opvolging van Nebridius en benoemde Nevitta tot magister
armorum, aangezien hij geen
vertrouwen had in de oude schurk Gomoarius, die, zoals hij gehoord had,
destijds als commandant van de Scutarii zijn keizer Vetranio heimelijk had
verraden. Jovius (eerder genoemd12 in verband met het optreden van
Magnentius) werd quaestor, Mamertinus comes
sacrarum largitionum en Dagalaifus comes
domesticorum. Ook verschillende
anderen, wier verdiensten en trouw hij kende, belastte hij naar eigen
goeddunken met militaire commando’s. 2.Zijn bedoeling was, de weg door het
Marcianische Woud [Zwarte Woud] te nemen en dan de route langs de Donau te
volgen. Maar alles ging nu zo snel, dat hij niet zeker was van de situatie en
vreesde met zijn bescheiden gevolg minachting en tegenacties onder de
bevolking te kunnen oproepen. 3.Om dat te voorkomen bedacht hij een slim plan:
hij deelde zijn leger in tweeën, beval één deel onder Jovinus en Jovius
snel over hoofdwegen van Italië op te marcheren, het andere deel onder de magister equitum Nevitta
dwars door Raetië, zodat ze, gezien in heel verschillende streken, de indruk
zouden geven van een enorme strijdmacht en navenant ontzag zouden wekken. Dat
was namelijk wat Alexander de Grote en nadien verschillende andere bekwame
legerleiders onder soortgelijke omstandigheden hadden gedaan. 4.Bij hun
vertrek gaf hij de orders mee, op mars een paraatheid te handhaven alsof elk
moment contact met de vijand te verwachten was, en hun nachtkwartieren
degelijk te bewaken om niet bij verrassing te worden overvallen.
9. Taurus en Florentius, consuls en praefecti praetorio, vluchten voor de komst van Julianus, de één via Illyricum, de ander via Italië. De magister equitum Lucillianus, die Julianus het hoofd probeert te bieden, wordt gevangen genomen
10.
Julianus krijgt Sirmium, de hoofdstad van westelijk Illyricum, met het hele
garnizoen in handen. Hij bezet de pas van Succi en schrijft een brief aan de
senaat over Constantius
1.Met
Lucillianus uit de weg, wilde Julianus, in gevaarlijke situaties gewoonlijk
zelfverzekerd en doortastend, meteen zo snel mogelijk naar Sirmium, dat hij
dacht al zo goed als van hem te zijn. En inderdaad, toen hij na een snelle
mars nog pas de voorsteden naderde die al ver buiten de stad begonnen, werd
hij door een menigte soldaten en burgers met fakkels, bloemen en felicitaties
ontvangen en onder geroep van ‘Augustus! Heer!’ naar het paleis begeleid.
2.Verheugd over dit succes, dat hij als een goed voorteken beschouwde, en met
des te groter vertrouwen in de toekomst, aangezien hij mocht aannemen dat ook
andere steden hem in navolging van deze befaamde, dichtbevolkte, metropool als
een reddende engel zouden inhalen, liet hij de volgende dag tot plezier van
het volk wagenrennen houden. Maar zodra de ochtend van de derde dag aanbrak,
hield hij het niet meer, ging opnieuw de baan op en kwam zonder tegenstand te
ontmoeten bij de pas van Succi, die hij door een troep onder commando van de
vertrouwde Nevitta liet bezetten.Hier wil ik in een kort terzijde een
beschrijving van deze plaats geven. 3.De dicht op elkaar aansluitende toppen
van de Haemus en de Rhodope, bergketens waarvan de ene aan de oever van de
Donau, de andere aan de dezerzijdse oever van de Axius oprijst, dalen af tot
heuvels die eindigen in een nauwe pas tussen Illyricum en Thracië. Van de ene
kijkt men uit op het hartland van Dacië met Sardica, van de andere op Thracië
met Philippopolis - twee grote, respectabele steden - en alsof de natuur
altijd al het vermoeden had dat de omwonende volken ooit onder het gezag van
Rome zouden komen, had ze de gebergten precies zo gevormd dat de tussen de
dichte heuvelen eerst verborgen doorgang, later, toen onze staat groot en
roemrijk was geworden, zelfs zo verbreed kon worden dat ze voor verkeer met
wagens geschikt was, maar aan de andere kant ook soms zo kon worden afgesloten
dat pogingen van grote veldheren en volken erdoor te trekken, konden worden
verhinderd. 4.Naar Illyricum toe loopt de pas heel geleidelijk omhoog - het is
alsof ze zich er niet om bekommert dat ze daar af en toe gepasseerd wordt -
maar naar Thracië toe is ze tamelijk steil hellend, met paden die, bezaaid
met rotsblokken, moeilijk te begaan zijn, zelfs als niemand de weg verspert.
Aan de voet van beide bergketens liggen grote vlakten, waarvan de noordelijke
zich uitstrekt tot aan de Julische Alpen, de zuidelijke zo vlak en open is,
dat ze tot aan de zeestraat [de Hellespont] en de Propontis geheel bewoonbaar
is. 5.Na het daar zo geregeld te
hebben als de spannende situatie het eiste, liet Julianus de pas onder de
hoede van de magister equitum en keerde zelf terug naar Naessus [Nish] om van daaruit alle
verder dienstige regelingen te treffen. 6.Daar benoemde hij de
geschiedschrijver Victor, die hij in Sirmium had ontmoet en vandaar had
ontboden, tot gouverneur in de rang van consularis
over Neder Pannonië en eerde deze man, die een toonbeeld van soberheid was en
veel later nog stadsprefect zou worden, met een bronzen standbeeld. 7.Volkomen
zeker en ervan overtuigd dat het tussen hem en Constantius nooit meer goed zou
komen, schreef hij aan de senaat een brief waarin hij in niet mis te verstane
bewoordingen zijn hart luchtte over diens falen en feilen. Maar toen deze ter
zitting werd voorgelezen - Tertullus was nog stadsprefect - bleek hoe loyaal,
dankbaar en aanhankelijk de Romeinse adel was jegens Constantius, want unaniem
riepen allen: ‘Wij eisen van u respect voor wie u gemaakt heeft die u
bent!’ 8.Ook vergreep hij zich aan de herinnering aan Constantijn, die
hij een nieuwlichter noemde die eerbiedwaardige wetten en oude zeden
geschonden had. Met name verweet hij hem de eerste te zijn geweest die
barbaren tot de eer van roedenbundels en het statiekleed van consuls had
verheven. Maar dat was even smakeloos van hem als ondoordacht, want terwijl
hij dan zelf had moeten vermijden waartegen hij hier zo fel tekeer ging,
benoemde hij kort daarna als collega van Mamertinus [de Frank] Nevitta tot
consul, die wat aanzien, ervaring en roem betrof niet te vergelijken was met
degenen die Constantijn met dit hoogste ambt had belast, integendeel zelfs
weinig ontwikkeld was, een beetje boers en (wat erger was) in die hoge functie
wreed.
11.
Twee van Constantius’ legioenen, die in Sirmium de kant van Julianus hadden
gekozen en door hem naar Gallië waren gecommandeerd, bezetten met instemming
van de burgerij Aquileia en sluiten de poorten voor de troepen van Julianus
12.
Aquileia kiest partij voor Constantius, wordt belegerd, maar geeft zich op het
bericht van Constantius’ dood over aan Julianus
1.Julianus
bevond zich nog in Naessus, onbewust van het gevaar dat hem in de rug
bedreigde, toen hij van dit alles vernam. Hij had ooit gelezen of gehoord dat
Aquileia wel verschillende malen was belegerd maar zich nooit had overgegeven
en nooit was verwoest, wat voor hem een reden te meer was, haar snel met list
of goede woorden voor zich terug te winnen vóór de situatie verergerde.
2.Dus gaf hij de magister equitum
Jovinus, die de Alpen was overgestoken en zich in Noricum bevond, opdracht zo
snel mogelijk om te keren en hoe dan ook de brand te blussen. Het zekere voor
het onzekere nemend beval hij ook alle garde- en veldtroepen die over Naessus
kwamen, daar halt te houden om zoveel mogelijk hulp te kunnen bieden. 3.Niet
lang na dit zo geregeld te hebben, vernam hij van het overlijden van
Constantius en haastte hij zich via Thracië naar Constantinopel, waar hij
zijn intocht hield.13 Het beleg om Aquileia, intussen, zou wel geen
zwaar, maar wel een langdurig karwei zijn, zo werd hem herhaaldelijk
verzekerd. Daarom belastte hij Immo en enkele andere officieren met die taak
en haalde hij Jovinus ervan af om hem beschikbaar te hebben voor andere meer
dringende zaken. 4.Aquileia werd dus enerzijds effectief omsingeld, anderzijds
meenden de gezamenlijke bevelhebbers dat het geen kwaad kon te proberen de
verdedigers met dreigementen en/of goede woorden tot overgave te brengen; maar
toen die na veel pourparlers alleen maar ongelooflijk veel koppiger werden,
verbraken ze dit vruchteloze contact. 5.Het beloofde dus menens te worden;
beide partijen sterkten zich met eten en slaap, en toen ze bij het eerste
ochtendlicht door trompetsignalen werden gewekt voor het moorddadig werk,
gingen ze onder krijgsgeschreeuw woest en zonder zich te ontzien in de slag.
6.De belegeraars naderden achter draagbare borstweringen en van tenen
gevlochten schermen langzaam, behoedzaam de muren om te proberen ze met
allerlei ijzeren tuig te ondermijnen, terwijl velen stormladders aansleepten,
even lang als de muren hoog, maar nauwelijks hadden die de muren bereikt, of
sommigen werden verpletterd onder stenen die van boven gegooid werden, anderen
getroffen door snorrende pijlen, waarop degenen die terugdeinsden alle anderen
meesleepten, die, bang voor eenzelfde lot, hun strijdlust verloren. 7.Dit
eerste treffen gaf de belegerden moed. Rekenend op nog grotere successen,
maakten ze zich over het vervolg geen zorgen meer. Vastberaden stelden ze op
strategische punten geschut op, hielden onvermoeibaar de wacht en namen alle
andere maatregelen die nodig waren. 8.Aangezien de belegeraars van hun kant,
met de schrik in de benen, toch de schijn van lafheid en slapheid wilden
vermijden en, blijkens deze eerste poging, met een harde, openlijke aanval
weinig dachten te kunnen bereiken, gingen ze nu over op de gebruikelijke
belegeringstechnieken. Nu was de situatie echter zo, dat nergens een geschikte
plek te vinden was om stormrammen aan te voeren, ander belegeringstuig te
installeren of mijnen te graven, onder andere omdat de rivier Natesio
rakelings langs de stad liep. Maar juist dat feit bracht hen op een lumineus
idee - een inval die de Ouden zouden hebben bewonderd! 9.Met grote
voortvarendheid begonnen ze houten torens te bouwen, hoger dan de muren van de
vijand, en plaatsten elk daarvan op drie stevig aan elkaar gesjorde schepen.
Manschappen op die torens probeerden met hun allen van dichtbij gericht
schietend de verdedigers van de muren te jagen, terwijl tegelijk beneden hen
lichtbewapende schermutselaars uit de onderste ruimten kwamen, kleine
geprefabriceerde bruggen uitlegden en daarover naar voren stormden. Die
gecombineerde actie had als doel, terwijl ze elkaar daarboven over en weer
beschoten en met stenen bekogelden, die mannen via de bruggen in staat te
stellen ongehinderd een stuk muur open te breken, zodat ze door de bres de
stad in konden. 10.Maar dit mooie plan mislukte jammerlijk, want toen de
torens dichter bij de muur kwamen, werden ze bestookt met in pek gedoopte
brandpijlen, met rietbundels, takkenbossen en alles wat maar branden wilde.
Door het snel om zich heen grijpende vuur en het gewicht van de mannen die er
wankel op stonden (er werden er ook gedood, uit de verte geraakt door
projectielen), zakten ze scheef en vielen in de rivier. 11.Intussen werden de
infanteristen, door de val van hun kameraden aan zichzelf overgelaten,
verpletterd onder zware steenbrokken, op enkelen na die zich schutterend en
schuilend nog snel uit de voeten wisten te maken. Dat gevecht duurde tot de
avond, en toen op de gebruikelijke manier de aftocht werd geblazen, trokken
beide partijen zich voor voor de rest van de dag met gemengde gevoelens terug.
12.Want de weeklachten van de belegeraars die de dood van hun kameraden
betreurden, versterkte de hoop van de verdedigers op een overwinning; maar ook
zij hadden doden te beklagen. Niettemin moest er voortgemaakt worden en nadat
ze genoeg gegeten en een hele nacht gerust hadden, konden ze er weer tegenaan
en werd de strijd bij het aanbreken van de dag met een trompetsignaal hervat.
13.Met hun schilden boven hun hoofd (om veiliger te kunnen vechten) of opnieuw
met stormladders op hun schouders renden de onzen op de muren af en, al werden
ze een doelwit voor alle soorten projectielen, waren niet te stuiten. Sommigen
die probeerden de ijzeren vergrendeling van de poorten te verbreken, werden
door de verdedigers met brandpijlen bestookt of sneuvelden onder stenen die
van de muren werden gegooid. Anderen, die moedig de gracht probeerden over te
steken, werden plotseling overvallen door vijanden die ongezien door
achterpoorten naar buiten kwamen en moesten hun overmoed met de dood bekopen
of zich gewond terugtrekken. Hun belagers, aan de andere kant, konden veilig
terug naar de muren, terwijl ook een met plaggen versterkte wal vóór de
muren hun een tijdelijke dekking bood. 14.De verdedigers waren onovertrefbaar
in hardheid en krijgstactieken maar moesten het uiteindelijk van hun muren
hebben, dus zochten soldaten van ons, geselecteerd uit de beste compagnieën,
de hele omtrek daarvan af naar plekken waar met handgeweld of met geschut een
bres gemaakt en de stad binnengedrongen kon worden. 15.Toen dit vanwege
allerlei moeilijkheden niets opleverde, begon de animo voor de belegering
af te nemen en plunderden de troepen liever de omliggende velden, wat
van alles in overvloed opleverde waarin ze hun kameraden - die voor de wacht
en de patrouillering waren achtergebleven - rijkelijk lieten delen. Het gevolg
was, dat ze volgezopen en volgegeten tot niet veel meer in staat waren.
16.Julianus, die vanwege de winter nog in Constantinopel verbleef, vernam van
die gang van zaken van Immo cum suis en had snel een gepaste oplossing voor
het probleem bij de hand: hij zond direct de magister
peditum Agilo erop af, die in die dagen een naam had, in de hoop dat
de komst van deze hoge officier mèt het bericht van Constantius’ dood een
eind aan de belegering zou maken. 17.Die moest intussen wel doorgaan, en
aangezien alle andere middelen hadden gefaald, werd besloten de taaie
verdedigers door verdorsting tot overgave te dwingen. Eerst werden de
aquaducten afgesloten, maar ze verzetten zich nog verbetener; toen werd de
loop van de rivier afgeleid, wat een enorm karwei was, maar ook dat vergeefs.
Want toen het drinkwater gerantsoeneerd moest worden, deden die mannen, die
door hun eigen heethoofdigheid zaten opgesloten, het gewoon wat kalmer aan en
waren tevreden met water uit putten. 18.Midden in al dit gedoe dat weinig
uithaalde, verscheen dus Agilo. Beschermd door een haag van schilden riep hij
dicht onder de muur uitvoerig en naar waarheid zijn nieuws over Constantius’
overlijden en Julianus’ machtsovername, maar hij werd voor leugenaar
gescholden en niemand geloofde wat hij zei over wat gebeurd was, tot hij met
garantie voor zijn veiligheid alléén in het bolwerk toegelaten zijn bericht
herhaalde en de waarheid ervan met een heilige eed bevestigde. 19.Toen
inderdaad openden ze eindelijk na hun lange beproeving de poorten en stroomden
massaal naar buiten, bejubelden de generaal die hun vrede had gebracht en
wezen om zichzelf schoon te wassen Nigrinus en enkele anderen aan als de
aanstichters van de hele krankzinnige onderneming, die dus voor de misdadige
opstand en de ellende die de stad had geleden maar met hun leven moesten
boeten. 20.Nadat een paar dagen later de hele affaire door de praefectus
praetorio Mamertinus aan een
grondig gerechtelijk onderzoek was onderworpen, werd Nigrinius als de
eigenlijke aanstichter van de oorlog levend verbrand, en werden de senatoren
Romulus en Sabostius, schuldig bevonden aan het zaaien van tweedracht zonder
de gevaarlijke consequenties daarvan te achten, onthoofd. Alle anderen, die
meegesleept, niet werkelijk uit vrije wil, aan de waanzinnige opstand hadden
meegedaan, kwamen er levend af. Zo besliste het naar recht en billijkheid de
keizer, want hij was van nature mild en genadig. 21.Maar
ik loop hier op de dingen vooruit. Want Julianus bevond zich nog steeds in
Naessus en had zorgen, want hij voorzag problemen van twee kanten. Enerzijds
dreigde het gevaar dat de troepen die in Aquileia opgesloten zaten, plotseling
zouden uitbreken en de passen van de Julische Alpen zouden bezetten, waardoor
hij zou worden afgesneden van de provincies en de dagelijkse bevoorrading
daarvandaan kwijt zou zijn. 22.Anderzijds benauwde hem de gedachte aan
militaire bewegingen in de Oriënt, waar hij hoorde dat troepen die verspreid
in Thracië gelegerd waren, als reactie op zijn plotselinge machtsgreep snel
waren gemobiliseerd en zich onder aanvoering van de comes
Martianus al in de buurt van Succi bevonden. Niettemin hield hij het hoofd
koel en beantwoordde deze complexe dreiging met gepaste maatregelen: van zijn
kant trok hij het hele Illyrische leger samen dat, in het krijgsbedrijf
gestaald, altijd bereid was in tijd van oorlog een ervaren krijgsheer te
volgen. 23.Daarbij veronachtzaamde hij - al waren er crises - ook de
persoonlijke belangen van anderen niet, maar verdiepte zich in hun twisten en
geschillen, met name als het ging om vertegenwoordigers van de hogere
stedelijke klasse, die hij geneigd was te ontzien en daarom ten onrechte vele
anderen met zware publieke functies belastte.14 24.In Naessus trof
hij ook de eminente senatoren Symmachus en Maximus, die, door de Romeinse adel
naar Constantius afgevaardigd, op de terugweg waren van hun missie. Hij
ontving ze met alle eer en benoemde - met voorbijgaan van de beste keus [Symmachus]
- Maximus in de plaats van Tertullus tot prefect van de Eeuwige Stad, dit om
Rufinus Vulcatius een genoegen te doen, van wiens zuster deze een zoon was
zoals hij wist. Tijdens diens bestuur was de levensmiddelenvoorziening van de
stad optimaal en kwam een eind aan de voortdurende klachten van de bevolking.
25.Om in de gespannen situatie wat rust te scheppen en zijn aanhang te
bemoedigen, koos hij de praefectus praetorio
Mamertinus tot consul, samen met Nevitta - en dat, terwijl hij kort tevoren
Constantijn nog ernstig bekritiseerd had vanwege het feit dat hij de eerste
was die ‘barbarengespuis’ op hoge posten had benoemd!
13.
Sapor keert met zijn leger naar huis terug, aangezien voortekenen tegen een
oorlog waarschuwen. Constantius spreekt in Hierapolis zijn troepen toe vóór
hij tegen Julianus te velde trekt
1.Terwijl Julianus hopend en biddend met deze en andere maatregelen zijn situatie verder consolideerde, wist Constantius in Edessa, vanwege de verschillende berichten van zijn verkenners, die hem onzeker maakten, niet goed of hij zijn troepen in het veld moest brengen voor een slag dan wel, zo een gelegenheid zich zou aanbieden, opnieuw Bezabde moest belegeren, want hoe dan ook mocht hij de flank van Mesopotamië niet onbeschermd laten als hij straks naar het noorden wilde. 2.In deze tweestrijd stelde hij een beslissing daarover voortdurend uit, terwijl de Perzische koning aan de overzijde van de Tigris wachtte op gunstige tekens om te kunnen opbreken. Immers, als Sapor die rivier eenmaal over was en geen tegenstand zou ontmoeten, kon hij gemakkelijk doorstoten tot aan de Euphraat; daarnaast moest hij, Constantius, zijn soldaten sparen voor de komende burgeroorlog [tegen Julianus], zodat hij ze eigenlijk niet wenste bloot te stellen aan de risico’s die een aanval op een stad met zich meebracht, een stad in dit geval, waarvan hij uit ervaring wist hoe sterk haar fortificatie was en hoe fanatiek haar bezetting. 3.Om toch niet helemaal stil te zitten en niet van nalatigheid te kunnen worden beschuldigd, zond hij de magister equitum Arbetio en de magister peditum Agilo uit met sterke afdelingen, niet om de Perzen uit te dagen voor een gevecht, maar om aan onze kant van de Tigris een keten van wachtposten te leggen en uit te vinden op welk punt een aanval van de koning verwacht kon worden. Hij gaf er nadrukkelijk de mondelinge en schriftelijke aanwijzing bij, direct te retireren als de vijandelijke legers met de oversteek zouden beginnen. 4.Terwijl zijn generaals de hun toegewezen frontieren bewaakten en de geheime bedoelingen van het verraderlijke volk aftastten, hield Constantius zich, met het merendeel van zijn leger onder zijn commando, met dringende zaken bezig, verband houdend met een eventueel komend treffen, terwijl hij voor de veiligheid af en toe liet patrouilleren langs de steden. Maar verkenners en incidentele overlopers brachten tegenstrijdige berichten binnen, niet beter wetend wat te gebeuren stond omdat bij de Perzen niemand in plannen gekend pleegt te worden dan de hoogste top, die gesloten en loyaal is - niet voor niets wordt bij hen ook de god van het zwijgen vereerd... 5.De zoëven bedoelde generaals begonnen er intussen bij de keizer op aan te dringen zelf te komen en versterkingen te sturen. Want, verzekerden ze hem, alleen met alle strijdkrachten verenigd was een aanval van de oorlogbeluste koning te weerstaan. 6.In die hectische dagen kwam intussen het ene stellige bericht na het andere binnen waaruit duidelijk werd dat Julianus na zijn snelle doortocht door Italië nu de pas van Succi had bezet, waar hij wachtte op hulptroepen die van overal waren opgeroepen, om vervolgens met een grote legermacht Thracië binnen te vallen. 7.Door deze berichten weliswaar aangeslagen, hield Constantius zich vast aan de troostende gedachte dat hij in binnenlandse conflicten altijd nog als overwinnaar te voorschijn was gekomen. Niettemin was in de netelige situatie waarin hij zich bevond, goede raad duur: voorlopig achtte hij het ’t beste, troepen bij gedeelten op wagens van de Staatspost vooruit te sturen om tijdig de dreigende problemen het hoofd te kunnen bieden. 8.Dit plan vond algemene bijval en de manschappen vertrokken met lichte bepakking zoals bevolen. Maar dan! Nog terwijl hij dit regelde, al de volgende morgen, bereikte hem het bericht dat de koning vanwege slechte voortekenen met zijn hele leger naar zijn land terugkeerde! Opgelucht commandeerde hij dus alle troepen terug behalve die, die normaal voor de verdediging van Mesopotamië bestemd waren, en viel terug op de stad Nicopolis. 9.Nog steeds onzeker over de afloop van de hele geschiedenis, riep hij, zodra het leger weer verenigd was, alle centuriën, manipels en cohorten op voor een samenkomst, en terwijl de vlakte zich onder geschetter van trompetten vulde met massa’s soldaten, nam hij plaats op een hoge tribune, omringd door een groter gevolg dan normaal - om indruk te maken, wat goed was voor de discipline -, zette een monter en zelfzeker gezicht en hield de volgende rede: 10.‘Altijd erop bedacht, in woord en daad niets te begaan in strijd, hoe weinig ook, met eer en deugd, en als een voorzichtige roerganger met de helmstok roer te geven naar de bewegingen van de golven, moet ik nu helaas bekennen, mannen, dat ik vergissingen heb begaan of liever (om de waarheid te zeggen) te goedhartig ben geweest, aangezien ik dacht daarmee het algemeen belang te dienen. En wilt u precies weten waarom deze bijeenkomst gehouden wordt, luistert u dan goed, verzoek ik u, zonder vooroordeel of terughoudendheid. 11.Destijds, toen Magnentius, die dankzij uw dapper optreden overwonnen is, als een bezetene verwarring stichtte in de staat, heb ik mijn neef Gallus verheven tot caesar met als opdracht de verdediging van de Oriënt. Toen hij door daden, te afschuwelijk om mee te maken of te vertellen, van het juiste pad was geraakt, is hij volgens recht en wet gestraft. 12.En ik wilde wel dat Nijd, de wrede aanstichtster van troebelen, daarmee tevreden was geweest, zodat ik slechts verontrust zou worden door deze ene herinnering aan een intussen bezworen kwaad. Maar nu is er weer iets gebeurd, iets veel ellendigers dan dat andere, moet ik helaas zeggen, wat u met uw dapperheid van nature en met hemelse hulp zult moeten bestrijden. 13.Julianus, aan wie ik de verdediging van Gallië heb opgedragen terwijl u andere volken bestreed die Illyricum belaagden, heeft in zijn verwaandheid om een paar onbetekenende schermutselingen met primitief bewapende Germanen - opgeblazen idioot die hij is! - enkele benden bij zijn intriges betrokken die in hun bandeloosheid en hun hopeloze situatie tot elke wanhoopsdaad bereid zijn, en zweert samen tegen de staat, Justitia, de moeder en voedster van de Romeinse wereld, met voeten tredend - Justitia, die zoals ik vast geloof en weet uit eigen ervaring en uit lessen van het verleden, tenslotte als de wreekster van het kwaad zulke hoogmoedige geesten straft en als even oplichtende vonken zal uitblazen. 14.Wat blijft ons dus anders te doen dan de storm te trotseren die opsteekt en de razernij van de aanzwellende oorlog snel te bedwingen, vóór ze verhevigt. Want het lijdt geen twijfel of door de genade van de hoogste godheid, wiens onwrikbaar oordeel ondankbaren treft, zal het zwaard dat zo goddeloos geheven is, onverbiddelijk vernietigend neerkomen op diegenen die, absoluut niet vijandig bejegend maar op allerlei manieren begunstigd, zijn opgestaan en onschuldigen bedreigen. 15.Want ik zie gebeuren, vertrouwend op Justitia, die rechtvaardige ondernemingen steunt, en verzeker u, dat als het tot vechten komt, zij noch het bliksemen van uw ogen noch zelfs de aanzet van uw barritus zullen verdragen, maar verlamd zullen staan van angst.’ 16.Toen hij uitgesproken was, bleken allen het met hem eens en beantwoordden woedend zwaaiend met hun speren zijn woorden met instemmend geroep en de vraag, meteen tegen de opstandelingen te velde te worden gevoerd. Die reactie deed ’s keizers zorg omslaan in optimisme. Hij ontbond de vergadering en beval Arbetio, van wie hij uit eerdere ervaringen wist dat hij in het bijzonder succesvol was in het dempen van opstanden, hem met de Lancearii, de Mattiarii en afdelingen infanterie vooruit te gaan, terwijl Gomoarius, die hij speciaal daarvoor koos omdat hij een aartsvijand was van Julianus, die hem in Gallië min behandeld had, bevel kreeg met de Laeten het hoofd te bieden aan de vijand die via de pas van Succi verwacht werd.
14.
Voortekenen van Constantius’ dood
1.Onder
al deze wederwaardigheden kondigde Constantius’ reeds haperende fortuin door
allerlei tekenen aan - zo duidelijk als met woorden - dat zijn leven een
crisis naderde. ’s Nachts werd hij vaak opgeschrikt door verschijningen en
eens, toen hij half in slaap was, leek het hem dat de geest van zijn vader hem
een mooi kind aanreikte, en dat dit hem, toen hij het aannam en op zijn schoot
zette, de bol die hij in zijn rechterhand hield afpakte en wegwierp. Dit
voorspelde een verandering van de tijden, al gaven zieners nog zulke
geruststellende verklaringen. 2.Daarna sprak hij er met zijn vertrouwelingen
over dat hij iets geheimzinnigs en vaags dat soms aan hem verscheen, niet meer
zag, alsof het hem had verlaten. Sommigen meenden toen dat de demon met als
taak zijn leven te beschermen dus niet meer met hem was en hij binnenkort zou
sterven. 3.Theologen zijn namelijk van mening dat aan alle mensen bij hun
geboorte zulke demonen worden toegevoegd om hen (maar zonder de vaststaande
lotsbeschikkingen te beïnvloeden) op hun levensweg te begeleiden. Zij worden
slechts zelden gezien, en dan nog alleen door diegenen die dat door grote
verdiensten waardig zijn. 4.Dat dit zo is, wordt door orakels en schrijvers
van naam bevestigd, zoals door de dichter Menander, van wie deze twee verzen
zijn: ‘Aan elke mens wordt een demon toegewezen, bij zijn geboorte al, om
hem te leiden op zijn levenspad.’ 5.Zo begrijpen wij ook uit de
onsterfelijke zangen van Homerus dat niet de hemelse goden zelf met de helden
spraken, hen bijstonden en hielpen in de strijd, maar dat hun welgezinde
demonen met hen verkeerden. Door zich op hun steun te verlaten, zegt men,
hebben Pythagoras, Socrates en Numa Pompilius roem verworven, evenals de oude
Scipio en (volgens sommigen) Marius en Octavianus, aan wie voor het eerst de
titel Augustus is verleend, maar ook Hermes Trismegistus, Apollonius van Tyana
en Plotinus, die over deze mystieke dingen het een en ander heeft weten uiteen
te zetten en op een knappe manier heeft duidelijk gemaakt wat de diepste
redenen zijn waarom deze genii zich met de zielen van stervelingen verbinden,
ze als het ware aan hun boezem drukken, ze (zolang het hun gegeven is)
beschermen en hen diepere inzichten bijbrengen wanneer ze het gevoel hebben
dat ze zuiver zijn en vrij van zondige smetten door hun verbinding met een
rein lichaam.
15.
Keizer Constantius sterft te Mobsucrene in Cilicië
Hij was echter nog geen drie mijl buiten de stad, in de buurt van een vlek Hippocephalus geheten, of bij het morgenlicht zag hij rechts van de weg het lijk liggen van een man die kennelijk om het leven was gebracht. Zijn hoofd was afgerukt en hij lag uitgestrekt naar het westen gekeerd, de occident!15 Hoewel geschrokken van dit omen - zijn levenslot naderde het einde - trok hij koppig verder tot hij in Tarsus kwam. Daar beving hem een lichte koorts, maar denkend een bedreiging voor zijn al aangetaste gezondheid te kunnen afwenden door in beweging te blijven, zette hij over moeilijke wegen de tocht voort, naar Mobsucrene, de laatste halteplaats in Cilicië (uitgaande van Tarsus) aan de voet van het Taurusgebergte gelegen. Toen hij echter de dag daarop opnieuw probeerde te vertrekken, bleek zijn ziekte zodanig verergerd dat hij niet meer kon. Koortshitte verzengde zijn aderen. Gloeiend als het was kon men zijn lichaam zelfs niet aanraken. Geneesmiddelen baatten niet. Moeizaam ademend jammerde hij om zijn einde. Niettemin nog geheel bij zinnen benoemde hij Julianus tot zijn opvolger, zegt men. Dat was zijn laatste woord. 3.Hij begon te rochelen en stierf na een lange doodsstrijd op de vijfde oktober,16 in het achtendertigste jaar van zijn regering, vierenveertig jaar en een paar maanden oud. 4.Nadat men hem in tranen [ritueel] enkele malen bij zijn naam had geroepen, brak een algemeen geweeklaag uit. De hoogste waardigheidsbekleders aan het hof bezonnen zich intussen op de moeilijke vraag wat hen te doen stond. Op een suggestie van Eusebius (zegt men), die last had van een slecht geweten, werd er in het geheim even over gesproken of zij niet zelf een keizer zouden kiezen, maar omdat met Julianus zo dichtbij zo’n eigenmachtigheid wel op niets zou uitlopen, werden de toenmalige comites Theolaifus en Aligildus naar hem toe gezonden om hem mèt de melding van de dood van zijn oom te verzoeken onverwijld het gezag over het oosten over te nemen, dat bereid was zich aan hem te onderwerpen. 5.Anderzijds willen echter geruchten dat Constantius een testament had opgemaakt waarin hij - ik zei het al - Julianus als zijn opvolger aanwees en zijn nalatenschap verdeelde onder zijn dierbaren. 6.Hij liet een zwangere vrouw achter. De dochter die haar later geboren werd, kreeg zijn naam en werd, toen ze de huwbare leeftijd had bereikt, uitgehuwelijkt aan Gratianus.
16.
De goede en slechte eigenschappen van keizer Constantius
Noten
1.Bedoeld
is een ceremoniemeester of wedstrijdleider bij gymnastische evenementen,
veelal ter gelegenheid van een godsdienstig feest.
2.Constantijn
en Constantius werkten een uitvoerige en strenge wetgeving uit tegen het
occultisme. Zie de Codex Theodosianus, Boek IX, bijvoorbeeld art. 16.4,
uitgevaardigd door Constantius: ‘Het is eenieder verboden een ziener,
waarzegger of astroloog te raadplegen... De
nieuwsgierigheid naar waarzegging zal voor altijd worden uitgebannen. Als
iemand, wie dan ook aan deze bevelen niet gehoorzaamt, zal hij met de dood
worden gestraft.’ Onder Julianus herleefden de occulte praktijken
weer, tot zijn opvolgers de wetgeving ertegen hervatten.
3.Bedoeld
zijn demonen.
4.Themis,
een Griekse oergodin, namelijk geboren uit Uranus en Gaia en ooit de tweede
echtgenote van Zeus, was oorspronkelijk de hoedster van de onwrikbare ordening
van de goden- en mensenwereld, later van wettelijkheid en zedelijkheid.
5.Cicero,
De Natura Deorum, II,4,12; De Divinatione, I,52,118.
6.De
herkomst van deze spreuk, ook door andere auteurs geciteerd, is niet bekend.
7.Epiphania
was bij de Grieken het woord voor de verschijning of zelfopenbaring van een
god. Zo werd ook de komst, geboorte, verschijning van de figuur van Christus
als Epifanie gevierd, eerst op 6 januari, datum die in de oosterse Kerk
Doopfeest, in de westerse Driekoningen bleef toen Kerstmis het Geboortefeest
werd.
8.Ook
Libanius vermeldt in zijn Oratio XVIII,107,108 deze merkwaardige, haast
onwaarschijnlijke actie van Constantius. Het lijkt of Ammianus aan de waarheid
van het verhaal twijfelt.
9.De
hier genoemde ‘tribunen’ zijn in feite lieden van hoge afkomst of
bijzondere verdiensten.
11.Namelijk
dat van het consulaat.
12.In
een verloren gegaan boek
13.Ammianus
vlecht hier plotseling het feit van Constantius’ overlijden in en, laconiek,
van zijn intocht in
Constantinopel, waar hij later uitvoerig op terugkomt. De chronologie van zijn
relaas, gedeeltelijk hier in boek xxi, gedeeltelijk in boek xxii, wringt.
14.De
hogere, de bezittende klasse, die van de curiales,
had als klasseverplichting het bestuur van de steden. Dit impliceerde bepaalde
dienstplichten, verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld in verband met het
stadsonderhoud, onderhoud van muren, bruggen, wegen en thermen, transport van
militair materieel, de cursus publicus,
en, zeer belastend, de belastinginning. Voor dit alles, met name voor de
belastinginning stonden de stadsbestuurders, de decurio’s,
met hun vermogen garant. Vaak vervielen ze daardoor tot armoede, een gevaar
dat men op allerlei manieren trachtte te vermijden. Julianus ontzag kennelijk
sommige vertegenwoordigers van deze hogere klasse door anderen onterecht in
stadsbesturen te doen opnemen met de verplichtingen van dien.
15.Het
zien van een rouwstoet of een lijk voorspelde onheil. In dit geval lag een
lijk bovendien ‘naar het westen’, symbolisch voor ‘ondergang’.