BOEK
XXII
1.Terwijl
deze gebeurtenissen door de beschikking van het grillige Lot in een ander deel
van de wereld plaatsvonden, schouwde Julianus tussen al zijn activiteiten in
Illyricum door voortdurend ongeduldig de ingewanden van offerdieren en de
vlucht van vogels om de afloop van de gebeurtenissen uit voortekenen af te
lezen. Maar door de onduidelijkheid van de voorspellingen bleef hij
weifelachtig en onzeker over de toekomst. 2.Op een keer berichtte hem de
Gallische redenaar Aprunculus, een ervaren voorspeller uit ingewanden, die het
later nog tot gouverneur van Gallia Narbonensis zou brengen, dat hij door
beschouwing van een lever, die door een extra dik vlies omgeven bleek te zijn
(zoals hij zei) een goede afloop van de geschiedenis had voorzien. Maar
Julianus, die er rekening mee hield dat soms dingen bedacht werden
overeenkomstig zijn wensen en daar dus niet gelukkiger van werd, beleefde zelf
een veel duidelijker omen, één dat onmiskenbaar de dood van Constantius
verkondigde. Op hetzelfde moment namelijk waarop deze in Cilicië stierf,
verloor een soldaat die hem, Julianus, met de hand steunde bij het bestijgen
van zijn paard, zijn evenwicht en viel languit, waarop Julianus zo dat
iedereen het hoorde meteen riep dat degene die hem hoog had verheven, nu zelf
gevallen was. 3.Maar hoewel hij ervan overtuigd was dat dit verheugende
aanwijzingen waren, liet hij zich er niet door meeslepen en bleef hij in Dacië,
steeds nog voor van alles beducht, want hij paste er wel voor op, zich te
verlaten op gissingen die misschien juist een tegengestelde uitkomst konden
krijgen.
2.
Na het vernemen van Constantius’ dood
trekt Julianus op door Thracië. Zonder
tegenstand te ontmoeten houdt hij zijn intocht in Constantinopel en
neemt zonder slag of stoot de macht over het Romeinse rijk over
1.In
deze onzekere en gespannen situatie arriveerden plotseling de boden Theolaifus
en Aligildus met het bericht dat Constantius was gestorven en hem in zijn
laatste woorden de macht had overgedragen. 2.Door dit bericht duidelijk
opgelucht, want op slag verlost van alle getob over risico’s en gevaren en
van de zenuwslopende zorgen om de oorlog, hechtte hij eindelijk geloof aan de
voorspellingen en, aangezien snelheid van handelen hem in zijn ondernemingen
al enkele malen eerder succes had opgeleverd, besloot hij nu op te rukken naar
Thracië. Haastig brak hij dus op en nam via de pas van Succi de weg naar
Philippopolis, het vroegere Eumolpia, opgewekt gevolgd door de troepen onder
zijn bevel. 3.Want de situatie was nu, dat de heerschappij die ze op weg waren
geweest te veroveren, uiteraard bezorgd over de grote gevaren die ze daarbij
tegemoet gingen, hem buiten verwachting volkomen rechtmatig was toegevallen.
En aangezien nieuws van mond tot mond gewoonlijk buiten proporties raakt,
haastte Julianus zich [van Philippopolis] verder, steeds meer grootheid
uitstralend - als in zo’n wagen van Triptolemus,1 die volgens
oude mythen door gevleugelde draken met grote snelheid door de lucht werd
voortgetrokken - tot hij, ontzag wekkend te land en ter zee, door niets
weerhouden, Heraclea [Perinthus] bereikte. 4.Toen dit kort daarop in
Constantinopel bekend werd, liep de hele stad uit - jong en oud, man en vrouw
- alsof iemand uit de andere wereld te bezichtigen viel. En op de elfde
december [361] werd hij vol respect ontvangen door de voltallige senaat onder
algemeen gejuich van het volk, en werd hij, omringd door zijn troepen en een
menigte burgers als door een leger in slagorde, de stad binnengeleid, terwijl
aller ogen op hem gericht waren, niet uit nieuwsgierigheid alleen, maar met
grote bewondering. 5.Want het leek wel een droom, zoals deze nog jonge man,
klein van gestalte maar groot door zijn daden, na een bloedige strijd met
koningen en volken, alles overrompelend van stad tot stad was gestormd en,
zich steeds sterker makend waar hij verscheen, met de snelheid van het gerucht
alles gemakkelijk voor zich had gewonnen om tenslotte met hemelse toestemming
en zonder enige schade voor de staat de keizerskroon te bemachtigen.
3.
Verschillende aanhangers van
Constantius worden ter dood veroordeeld,
sommigen terecht, anderen ten
onrechte
1.Kort
daarop bevorderde Julianus zijn vertrouweling Secundus Salustius tot praefectus
praetorio [Orientis] en belastte hem met de leiding over de gerechtelijke
onderzoeken die nu werden ingesteld. Aan hem werden toegevoegd: Mamertinus,
Arbetio, Agilo en Nevitta; bovendien Jovinus, die kort tevoren was
gepromoveerd tot magister equitum in Illyricum. 2.Zij staken over naar Chalcedon en vingen met
hun onderzoeken aan in aanwezigheid van de generaals en tribunen van de
legioenen der Joviani en Herculiani, maar met een fanatisme dat een
behoorlijke rechtsgang niet ten goede kwam - enkele gevallen waarin van
bijzonder ernstige misdaden sprake was, daargelaten. 3.Om te beginnen
verbanden zij de voormalige magister
officiorum Palladius naar Britannië, dit op het loutere vermoeden
dat hij Constantius het een en ander in het oor had gefluisterd over Gallus,
toen hij onder deze caesar dezelfde functie bekleedde. 4.Vervolgens verbanden
zij de voormalige praefectus praetorio
[van Italië] Taurus naar Vercellae, hoewel wat hem ten laste werd gelegd in
de ogen van rechters met meer zin voor het onderscheid tussen recht en onrecht
wellicht vergeeflijk was geweest. Wat had hij namelijk anders misdaan dan dat
hij zich eens uit vrees voor dreigend onheil onder de bescherming van de
keizer had gesteld?2 Van het oordeel dat over hem werd
uitgesproken, kon men niet dan met afschuw kennisnemen, aangezien dit in het
officiële protocol begon met de woorden: ‘Tijdens het consulaat van Taurus
en Florentius, toen Taurus door aanzeggers werd gedagvaard...’ 5.Hetzelfde
lot leek Pentadius beschoren, tegen wie werd ingebracht dat hij in opdracht
van Constantius in snelschrift de antwoorden had opgeschreven die Gallus, met
de dood al voor ogen, bij zijn ondervraging over verschillende zaken gegeven
had. Omdat hij zich wist vrij te pleiten, kwam hij er tenslotte toch nog goed
vanaf. 6.Soortgelijk onrecht [als Taurus] trof de toenmalige magister
officiorum Florentius (zoon van
Nigrinianus) die naar het eiland Boae in Dalmatië werd gestuurd. In paniek
geraakt door de plotselinge machtswisseling onttrok zich de andere Florentius,
namelijk de ex-praefectus praetorio
[in Gallië] en toenmalige consul, samen met zijn vrouw aan het gevaar door
zich lange tijd verborgen te houden. Bij verstek ter dood veroordeeld, kon hij
pas weer te voorschijn komen toen Julianus gestorven was. 7.Zo werden ook de comes rei privatae
Euagrius, de voormalige cura palatii
Saturninus en Cyrinus, een voormalige notarius,
verbannen. Maar om de dood van de comes
largitionum Ursulus moet Justitia,
lijkt me, zelf hebben getreurd en de keizer ondankbaarheid hebben verweten.
Want toen Julianus naar het westen was gezonden en hij zo krap werd gehouden
dat hij geen enkele mogelijkheid had om voor zijn soldaten iets extra’s te
doen (dat was om hem bloot te stellen aan opstandigheid van het leger), was
het deze zelfde Ursulus, die schriftelijk opdracht gaf aan de betaalmeester in
Gallië, hem, de caesar, zonder meer alles te verschaffen waarom hij vroeg.
8.Het ontging Julianus achteraf niet dat hij om de executie van deze man door
velen werd verwenst en vervloekt, maar in een poging zich voor die
onvergeeflijke misdaad te verschonen, verklaarde hij dat de man buiten zijn
medeweten was gedood en slachtoffer was geworden van de woede van soldaten,
die niet vergeten waren wat hij (zoals ik eerder heb verhaald3) bij
het zien van de verwoesting van Amida gezegd had: [‘Zo dapper dus worden de
steden verdedigd door soldaten die zo royaal worden betaald dat de schatkist
van het rijk uitgeput raakt’]. 9.Door
een man, zo onbetrouwbaar van karakter en zo aanmatigend als Arbetio met deze
onderzoeken te belasten (anderen, waaronder de commandanten van de legioenen,
waren daarbij alleen voor de vorm aanwezig), gaf hij blijk van een zekere
nonchalance of te weinig gevoel voor wat verstandig was te doen, want hij
moest weten dat deze man, die een groot aandeel had gehad in de overwinningen
in de burgeroorlogen, voor hemzelf de grootste bedreiging had gevormd. 10.Dit,
wat ik hier vertel, beviel ook zijn aanhangers niet. Maar het volgende werd wèl
met gepaste strengheid gedaan. 11.Apodemius namelijk, een man van de geheime
dienst van wie ik eerder heb verhaald4 hoe fanatiek hij was uit
geweest op de dood van Silvanus en Gallus, werd mèt Paulus ‘de Keten’,
wiens naam niet kan worden genoemd of men hoort overal gezucht, levend
verbrand. Zij kwamen aan hun eind zoals men niet had durven hopen. 12.Ook
Eusebius, die Constantius’ cubiculi
praepositus was geweest, een trots
en hardvochtig man, werd door de rechters ter dood veroordeeld. Van werkelijk
de laagste trede was hij op de ambtelijke ladder zo hoog gestegen, dat zijn
orders klonken als bijna van de keizer zelf en hij een onverdraaglijke
potentaat was geworden. Door de wraakgodin Adrasteia,5 die het doen
en laten van de mens beziet, was hij al eens (volgens het gezegde) aan zijn
oor getrokken met de waarschuwing zich te beteren, wat hij niet deed, zodat ze
hem nu als het ware van een grote hoogte te pletter gooide.
4. Julianus jaagt alle eunuchen, barbiers en koks uit zijn paleis. De verdorvenheid van de eunuchen aan het hof. Het verval van de militaire discipline
1.Daarna
richtte de keizer zijn aandacht op de hofhouding. Hij ontsloeg ieder die er
maar ten naaste bij toe behoorde, maar niet zoals een wijs man daarbij de
zorgvuldigheid in acht zou hebben genomen: (2.) hij zou er goed aan hebben
gedaan tenminste enkele redelijke en fatsoenlijke functionarissen in dienst te
houden. Het moet gezegd worden dat de meesten daarvan een gewetenloze kliek
vormden, die de staat besmetten met hun verdorvenheid en meer nog door hun
voorbeeld dan door hun feitelijke teugelloosheid voor velen een ergernis
waren. 3.Sommigen6
hadden zich verrijkt door de roof van tempelschatten en waren met hun neus
voor elke kans op profijt van grauwe armoede in één sprong tot ontzaglijke
rijkdom gekomen; afpersers, dieven en mateloze verkwisters waren het, gewoon
zich aan andermans goed te vergrijpen. 4.Daarin lagen de kiemen van hun
bandeloosheid, leugenachtigheid en minachting voor een goede naam; in hun
verwatenheid bezoedelden ze hun eer met schandalig winstbejag. 5.Slemperijen
en zuiperijen waren aan de orde van de dag. In plaats van op wapenfeiten werd
op drinkprestaties gepocht. Niets was belangrijker dan tafelgenot. Zijde en
buitenissige kleren waren de grote mode. Voor hun rijk ingerichte huizen
werden de meest prestigieuze lokaties gezocht van zo’n oppervlakte, dat, had
consul Quinctius die als akkerland bezeten, hij de lof om zijn armoede zelfs
na zijn dictatorschap zou hebben verspeeld. 6.Bij deze schandelijkheden kwam
nog de verslapping van de legerdiscipline: allerlei populair gezang kwam in de
plaats van soldatenliederen; soldaten namen geen genoegen meer, zoals tot dan
toe, met een stenen legerstee, maar eisten een zacht, veren bed; hun bokalen
waren zwaarder dan hun zwaarden (uit aarden bekers drinken was beneden hun
stand); hun behuizingen moesten rijk zijn aan marmer, terwijl in oude
geschriften te lezen is, dat de Spartaanse soldaat zelfs streng werd gestraft
als hij te velde onderdak werd aangetroffen. 7.Zo brutaal en roofzuchtig het
soldatendom in die dagen was tegenover de eigen landgenoten, zo laf en zwak
was het in het zicht van de vijand. Zó had het zich verrijkt door gunstbejag
en handel buiten de dienst om, dat iedereen nu verstand had van de verschillen
tussen de soorten goud en edelstenen. Niet lang daarvóór nog was dat anders.
8.Bijvoorbeeld was er die eenvoudige soldaat in het leger van keizer
Maximianus, die bij de plundering van een Perzisch legerkamp een Parthische
buidel met parels vond, in zijn onwetendheid de parels weggooide en verder
ging, tevreden met het glanzend leren ding.9.In die dagen gebeurde het, dat
toen een barbier ontboden was om ’s keizers haar te snijden, iemand in
prachtige kledij verscheen. Toen Julianus hem zag, zei hij verbluft: ‘Ik heb
een barbier laten komen, geen thesaurier!’ Op zijn vraag over het inkomen
uit zijn beroep, antwoordde de barbier: ‘Twintig broodrantsoenen per dag,
evenveel voer voor mijn lastdieren (gewoonlijk aangeduid met capita)
en een heel goed jaarsalaris, afgezien van veel interessante
bijverdiensten’. 10.Daarover ontstak Julianus in woede en ontsloeg heel dat
soort personeel, inclusief de koks en andere dergelijke figuren, die hetzelfde
inkomen genoten (en hem nauwelijks nodig leken), met permissie te gaan waar
het hun beliefde.
5. Keizer Julianus bekent zich, niet langer in het geheim zoals vroeger, maar openlijk en zonder terughoudendheid tot de cultus der goden. Hij zet de bisschoppen tegen elkaar op
1.Hoewel
hij zich al vanaf zijn vroegste jeugd aangetrokken voelde tot de cultus van de
goden, en de drang in hem, daaraan metterdaad toe te geven, met de jaren
steeds sterker werd, had hij genoeg redenen daarmee voorzichtig te zijn en
praktiseerde voorzover mogelijk wel bepaalde rituelen, maar in het diepste
geheim. 2.Toen hij op dit punt evenwel niets meer te vrezen had en zich
realiseerde dat hij nu vrij was te doen wat hij verkoos, openbaarde hij het
geheim van zijn hart en verordende kort en krachtig bij decreet de tempels te
openen, offerdieren naar de altaren te brengen en de eredienst der goden te
hervatten. 3.En om die regelingen kracht bij te zetten, ontbood hij de
bisschoppen van de christenen, die met elkaar in conflict waren, samen met hun
onderling verdeelde volgelingen en maande hen minzaam hun tweedracht te beëindigen
en ieder onbevreesd en onbelemmerd zijn eigen overtuiging te volgen. 4.Dit
deed hij opzettelijk zo om door die vrijheid hun tegenstellingen te doen
toenemen en zelf later niet met een eensgezind christelijk volk te maken te
zullen krijgen, want hij wist uit ervaring, dat geen wilde dieren zo
gevaarlijk waren voor de mensen als de meeste christenen in hun dodelijke haat
voor elkaar. Hij riep dan ook dikwijls: ‘Luistert naar mij, naar wie de
Alamannen en de Franken hebben geluisterd!’ in de mening, daarmee een
gezegde van de vroegere keizer Marcus [Aurelius] te herhalen, niet beseffend
dat zijn uitroep daarvan nogal verschilde. 5.Van Marcus wordt namelijk gezegd
dat hij, via Palestina op weg naar Egypte, zich dikwijls ergerde aan de
onuitstaanbaarheid en onhandelbaarheid van de Joden, en dan wanhopig uitriep:
‘Marcomannen, Quaden en Sarmaten! Eindelijk heb ik een volk gevonden, nog
oproeriger dan jullie!’
6.
Door een list dwingt hij een aantal
Egyptische chicaneurs die hem lastig vallen, naar huis terug te keren
1.In diezelfde tijd kwam, aangelokt door bepaalde geruchten, een groot aantal Egyptenaren naar de hoofdstad, twistzieke lieden, verslingerd aan ingewikkelde rechtszaken, een soort dat bijvoorbeeld een veelvoud terugeiste van een gedwongen schuldaflossing om zo verlichting van die schuld, uitstel van betaling of een gunstigere aflossingsregeling te krijgen; of rijke lieden betichtte van afpersing, in de hoop dat die een aanklacht zouden willen vermijden. 2.Die Egyptenaren dus bestormden de keizer zelf en de praefecti praetorio als een troep brutale, krassende kraaien met claims op teruggave van betalingen die ze tot bijna zeventig jaar terug terecht of ten onrechte aan derden hadden gedaan. 3.Aangezien ze daarmee de behandeling van andere zaken belemmerden, beval Julianus hen per decreet over te steken naar Chalcedon, met de belofte dat hij zich op korte termijn ook daarheen zou begeven om al hun kwesties definitief op te lossen. 4. Maar toen ze eenmaal waren overgestoken, werd het de scheepskapiteins verboden heen en terug nog Egyptenaren over te zetten, en aangezien hier strikt de hand aan werd gehouden, liepen hun drammerige chicanes tenslotte op niets uit en keerden ze teleurgesteld in hun verwachtingen naar huis terug. 5.Daarna werd een wet uitgevaardigd - en het was alsof de Gerechtigheid zelf sprak - stipulerend dat geen voorspreker aan het hof meer achteraf mocht worden lastig gevallen over hetgeen hij terecht aan betalingen had ontvangen.
7. Julianus houdt regelmatig zitting in de senaat van Constantinopel. Hij treft regelingen in Thracië en ontvangt gezantschappen van vreemde volkeren
8. Een beschrijving van Thracië, de Zwarte Zee, de aangrenzende gebieden en de volken die er wonen.
9.
Na Constantinopel te hebben vergroot en
verfraaid, reist Julianus af naar Antiochia.
Onderweg schenkt hij de bevolking van Nicomedia geld voor het
herstel van hun verwoeste stad en vindt hij tijd om in Ancyra recht te
spreken
1.Moed
puttend uit zijn successen, straalde Julianus een haast bovenmenselijke
energie uit. Na zoveel gevaren te hebben doorstaan, leek het hem dat Fortuna,
draagster van de hoorn van alle aardse goeds, hem zo welgezind was dat zij hem
alle denkbare roem en voorspoed gunde. Aan zijn eerdere triomfen voegde zij
nog toe, dat hij, zolang hij alléén heerste over de Romeinse wereld, niet
verontrust werd door binnenlandse troebelen, geen barbaar zijn grenzen schond,
en alle volken hun eeuwige
animositeit, even schadelijk voor zichzelf als voor anderen, intoomden en hem
om strijd hemelhoog prezen. 2.Nadat hij naar de eisen van de veranderde tijden
en omstandigheden allerlei zaken met grote zorgvuldigheid had geregeld en hij
zijn soldaten met herhaalde harangues en door betaling van de hun
verschuldigde soldij in de stemming had gebracht voor komende ondernemingen,
vertrok hij zonder verder uitstel onder algemene toejuichingen naar Antiochia.
Constantinopel liet hij groter en rijker achter, want hij was er geboren en
hij beminde en koesterde haar als zijn vaderstad. 3.Na de [Thracische]
Bosporus te zijn overgestoken en Chalcedon en Libyssa (waar Hannibal de
Carthager begraven ligt) te zijn gepasseerd, kwam hij in Nicomedia aan, de
eertijds glorieuze stad, door vroegere keizers zo begiftigd en begunstigd, dat
ze met haar vele particuliere en publieke gebouwen door wie haar toen kenden,
om zo te zeggen, als een district van de Eeuwige Stad werd beschouwd. 4.Toen
hij zag hoe haar muren tot geblakerd puin waren vervallen, verrieden zijn
stille tranen zijn hartzeer; met slepende stap begaf hij zich naar het paleis,
des te meer met de stad begaan toen haar bestuurders en het volk, eens zo rijk
en welvarend, hem in rouw tegemoet kwamen; sommigen herkende hij, aangezien
hij hier door bisschop Eusebius, nog verre familie van hem, was opgevoed.
5.Hij zegde hun royaal alles toe wat nodig was voor het herstel van wat door
de aardbeving was verwoest. Vervolgens reisde hij via Nicea door tot hij in
Gallograecia [Galatië] kwam, waar hij zich, zuidwaarts van zijn route
afwijkend, naar Pessinus begaf voor een bezoek aan het oude heiligdom van de
Magna Mater, waarvan het beeld in de tweede Punische oorlog door Scipio Nasica
op een aanwijzing in de Sibyllijnse Boeken uit die stad was weggehaald en naar
Rome overgebracht. 6.Over de aankomst van dat beeld in Italië en enkele
verwante onderwerpen heb ik vroeger al eens uitgeweid in verband met de
geschiedenis van keizer Commodus. Waarom die stad Pessinus heet, wordt door
schrijvers verschillend verklaard. 7.Sommigen beweren dat die naam is afgeleid
van ‘vallen’ (in het Grieks apò
tou peseín).
Anderen zeggen dat Ilus, de zoon van Tros, de koning van Dardanië die plaats
zo genoemd heeft. Theopompus echter verzekert dat het niet Ilus is geweest,
maar Midas, de vroegere machtige koning van Phrygië. 8.Na
de godheid vereerd en met zoenoffers gunstig gestemd te hebben, keerde
Julianus naar Ancyra terug. Onderweg daarheen werd hij belaagd door nogal wat
lieden die óf teruggave eisten van wat hun met geweld was ontnomen, óf zich
beklaagden omdat ze onterecht aan een stadsbestuur waren toegevoegd,20
terwijl sommigen zelfs zo onverstandig waren om zonder rekening te houden met
het gevaar dat ze daarmee zelf liepen, hun vijanden te beschuldigden van
majesteitsschennis. 9.Als een nog strengere rechter dan ooit een Cassius of
een Lycurgus, woog hij de argumenten in hun zaken onpartijdig tegen elkaar af,
gaf ieder het zijne, deed daarbij nooit de waarheid geweld aan, maar trad hard
op tegen lasteraars, die hij haatte sinds hij van de brutaliteit en de
dwaasheid van nogal wat van hun soort bijna zelf het slachtoffer was geworden
toen hij nog een eenvoudige burger was. 10.Het volgende voorbeeld van zijn
geduld bij de behandeling van die zaken moge volstaan, al zijn er genoeg
andere te geven. Een zeker iemand klaagde een persoonlijke vijand met wie hij
een ernstig conflict had, aan wegens majesteitsschennis. Omdat de keizer hem
negeerde, herhaalde hij dit dagen achtereen en antwoordde tenslotte op de
vraag wie het dan wel was die hij beschuldigde: ‘die en die, een rijk
man’. De keizer lachte daarom en vroeg hem op grond waarvan hij wel tot zijn
conclusie was gekomen. 11.‘Hij laat zich namelijk uit een lap zijde een
purperen kleed maken’, zei de man. Na deze verklaring werd hem het zwijgen
opgelegd en werd hij - ongestraft - weggestuurd (hij was maar een onbetekenend
sujet, dat iemand anders van zijn slag van iets enorms beschuldigde), maar hij
gaf niet op. Toen Julianus daar genoeg van kreeg, zei hij tegen de comes
largitionum, die bij hem stond:
‘Laat aan die gevaarlijke kletser een paar purperen muilen meegeven voor
zijn vijand, die, als ik het goed begrijp, een mantel van die kleur in elkaar
heeft geflanst, zodat hij weten mag wat zo’n vod waard is zonder de daarbij
behorende macht’.12.Was dit in hem te prijzen en een voorbeeld voor goede
regeerders, het was anderzijds niet fraai, dat wie onder zijn bewind door de curiales
gestrikt was, al behoorde hij door vrijstellingen, langdurige krijgsdienst of
een bewijsbare niet-curiale afkomst daarvan gevrijwaard te zijn, moeilijk zijn
recht kon vinden, zo zelfs, dat velen uit angst tegen betaling van grote
sommen geld de dreiging van die verplichte burgerdiensten afkochten. 13.Verder
reizend kwam hij bij de Pylae, een pas op de grens tussen Cappadocië en
Cilicië, waar hij Celsus, de gouverneur van de provincie, die hij nog kende
uit zijn Atheense studententijd, met een kus begroette en bij zich in de
reiswagen liet plaatsnemen om hem mee te nemen naar Tarsus. 14.Vol ongeduld
keek hij uit naar Antiochia, het schoonste sieraad van de Oriënt, en toen hij
eindelijk de stad naderde, werd hij met publieke beden ontvangen als was hij
een godheid en verrast met acclamaties van een grote menigte, roepend dat een
geluksster over het oosten was opgegaan. 15.Nu was het juist in de dagen
waarop de jaarlijkse traditionele riten plaatsvonden ter ere van Adonis,
volgens de dichters de geliefde van Venus, die door een ever met een fatale
beet gedood was - een verzinnebeelding van de snede van de zeis door het rijpe
graan. Het leek dus een slecht voorteken, dat, toen de hij voor het eerst deze
machtige keizerstad binnenging, aan alle kanten geweeklaag en kreten van
wanhoop klonken. 16.Hier bleek weer eens - met een onbeduidend weliswaar maar
toch opmerkelijk voorbeeld - ’s keizers gelijkmoedigheid en mildheid. Hij
had namelijk een wrok tegen een zekere Thalassius, een voormalige proximus
libellorum, die mede de val van zijn broer Gallus had veroorzaakt en
daarom weggehouden werd van de officiële audiëntie van hoge functionarissen
ten paleize. Tegenstanders van deze man met wie hij in een geding gewikkeld
was, verschenen de volgende dag met elkaar voor de keizer en riepen:
‘Thalassius, de vijand van uwe majesteit, heeft ons opgelicht!’ 17.Maar
hoewel Julianus besefte dat dit hem de gelegenheid bood met de man af te
rekenen, antwoordde hij: ‘Ik moet u zeggen, dat ik door degene die u
bedoelt, inderdaad gekrenkt ben. Daarom past het u te zwijgen tot hij mij, de
beledigde van een hogere rang, voldoening heeft gegeven.’ En hij gaf de
prefect die hem terzijde stond, opdracht hun zaak niet in behandeling te nemen
tot hij zich zelf met Thalassius had verzoend, wat kort daarop gebeurde.
10.
Julianus overwintert in Antiochia en
spreekt er recht. Hij discrimineert niemand vanwege zijn geloof
11.
Georgius, bisschop van Alexandria,
wordt door de heidenen met twee anderen
door de straten gesleept, aan stukken gescheurd en verbrand. Niemand wordt
daarvoor gestraft
12.
Julianus treft voorbereidingen voor een
campagne tegen de Perzen. Om de afloop daarvan te voorzien raadpleegt hij
orakels en slacht hij ontelbare offerdieren. Hij verliest zich geheel in
waarzeggerij en duiding van tekenen
1.Intussen
trof de keizer voorbereidingen voor een campagne tegen de Perzen waarvoor hij
zich al sinds lang sterk maakte, vastbesloten hun vroegere wandaden te wreken.
Want hij wist, ook uit rapporten, hoe dat woeste volk in het oosten al zo’n
zestig jaar de gruwelijkste bewijzen van zijn moord- en roofzucht had
geleverd, wat ons meer dan eens onze legers had gekost. 2.Het was om twee
redenen dat hij brandde van ongeduld om die oorlog te beginnen. De eerste was,
dat hij genoeg had van het nietsdoen en droomde van trompetgeschal en
strijdgewoel; de tweede, dat hij al in zijn jonge jaren het hoofd had moeten
bieden aan woeste stammen en zich levendig de smeekbeden herinnerde van hun
koningen en prinsen, die toch de naam hadden liever totaal te worden verslagen
dan zich op genade of ongenade over te geven, en hij aan zijn schitterende
trofeeën met alle geweld nog de eretitel ‘Parthicus’ wenste toe te
voegen. 3.Maar lieden die zelf geen hand uitstaken, hem zelfs tegenwerkten
omdat ze hem vijandig gezind waren, en zagen hoe energiek en voortvarend hij
te werk ging, verkondigden links en rechts dat het schandelijk was en
schadelijk bovendien, dat als gevolg van de vervanging van één man door een
ander,22 zoveel onnodig overhoop werd gehaald, en lieten niet na,
de oorlogsvoorbereidingen te saboteren. Ook zeiden ze vaak in aanwezigheid van
derden die hun woorden misschien aan de keizer zouden overbrieven, dat als hij
niet kalmer te werk ging bij zijn overmatig succes en geluk, hij, zoals in
vruchtbare grond al te weelderig groeiende planten, voortijdig aan zijn
voorspoed ten onder zou gaan. 4.In hun vergeefse, voortdurende en hardnekkige
obstructie waren ze als honden, grommend om een man op wie zulke halve
bedreigingen even weinig indruk maakten als die van de Pygmeeën of die van de
Lindische veehoeder Thiodamas ooit op Hercules.23 5.En
zelfverzekerd als geen ander bestudeerde Julianus met pijnlijke nauwkeurigheid
alle aspecten van de onderneming en nam hij met grote zorg de nodige
maatregelen. 6.Intussen overgoot hij de altaren met stromen bloed van enorme
aantallen offerdieren. Soms offerde hij stieren bij honderden, daarbij
ontelbare kudden ander vee en witte vogels, op het land en op het water
gevangen, zodat bijna dagelijks zijn soldaten, oververzadigd van het vlees dat
ze hadden opgeschrokt tijdens offermaaltijden waar geen goed woord voor is, en
te dronken om op hun benen te staan, openlijk op de schouders van
voorbijgangers door de straten van de stad van de tempels naar hun onderkomens
moesten worden gedragen. Vooral de onbeschaamdheid van de Petulanten en de
Kelten ging in die dagen alle perken te buiten. 7.Ook werden steeds meer
godsdienstige plechtigheden gehouden, waarvan de kosten een tot dan toe
ongekend zware belasting vormden. En nu het niet langer verboden was, kon
ieder die ook maar enigszins bedreven was in waarzeggerij, zonder beperking en
niet gehinderd door regels en voorschriften, orakels uitvorsen en ingewanden
van offerdieren raadplegen, waarin men soms de toekomst kan lezen, en werd op
de meest merkwaardige manieren geprobeerd, uit getjilp of de vlucht van vogels
en andere verschijnselen enige wetenschap te peuren. 8.Terwijl dit alles
gebeurde als in een tijd van vrede, bedacht Julianus, om hoe dan ook maar in
de toekomst te kunnen zien, nog een nieuwe soort raadpleging, namelijk door de
voorspellende bronader van Castalia te heropenen, waarvan gezegd wordt dat ze
ooit met een enorme vracht stenen geblokkeerd was door keizer Hadrianus, die
uit deze profetische wateren had vernomen dat hem het keizerschap zou
toevallen, en wilde voorkomen dat anderen hetzelfde te horen konden krijgen.
En na god Apollo te hebben aangeroepen, beval Julianus de doden die rondom de
bron waren begraven24 naar elders over te brengen in eenzelfde
ceremonie als waarmee de Atheners het eiland Delos hadden gereinigd.
13. De tempel van Apollo in Daphne brandt af. Julianus geeft ten onrechte de christenen daarvan de schuld en sluit de grote kerk van Antiochia
1.In
diezelfde tijd, en wel op de 22e oktober, werd de schitterende
tempel van Apollo in Daphne, ooit gesticht door de onberekenbare en wrede
koning Antiochus Epiphanes, met daarin een beeld van Zeus - een kopie van
gelijke grootte van dat in Olympia - plotseling door brand volledig verwoest.
2.Over dit onverwachtse, vreselijke ongeluk ontstak de keizer in hevige toorn.
Hij liet een diepgaand onderzoek
instellen en de grote kerk van Antiochia sluiten. Hij vermoedde namelijk dat
de christenen het hadden gedaan uit nijd over het feit, dat ze met lede ogen
moesten aanzien hoe rondom die tempel een prachtige zuilengalerij werd
gebouwd. 3.Er werd aan de andere kant gezegd, weliswaar op uiterst losse
grond, dat de oorzaak van de brand een heel andere was, namelijk dat de
bekende, vroeger door mij in de geschiedenis van Magnentius genoemde filosoof
Asclepiades, die uit het buitenland naar Daphne was gekomen om Julianus te
ontmoeten, [in de tempel] een zilveren beeldje van de Dea Caelestis, dat hij
altijd bij zich droeg, voor de voeten van het beeld van de verheven god had
geplaatst en na volgens zijn gewoonte een paar waskaarsen te hebben
aangestoken was weggegaan, waarna na middernacht, toen er niemand was die er
iets aan kon doen, daarvan vonken waren weggespat op het oude houtwerk en het
vuur, gevoed door dit droge materiaal, al wat op zijn weg kwam van onder tot
boven had verteerd. 4.Tegen de winter van datzelfde jaar ontstond zo’n groot
tekort aan water, dat zelfs bronnen die anders overvloedig vloeiden, geen
water meer gaven en beken droog kwamen te staan. Later kwam dit wel weer goed.
5.Toen, op de 2e december, juist vóór de avond, werd wat nog
stond van Nicomedia door een aardbeving verwoest en tegelijk ook een groot
deel van Nicea.
14.
Julianus offert aan Jupiter op de berg Casius. Woedend op het volk van
Antiochia schrijft hij de ‘Misopogon’
1.Hoewel
dit alles de keizer treurig en zorgelijk stemde, veronachtzaamde hij toch de
dringende zaken niet die nog geregeld moesten worden vóór de geplande
campagne kon aanvangen. Naast alle belangrijke en spoedeisende maatregelen
scheen er echter één niet opportuun, namelijk dat hij zonder dat daar een
gegronde reden voor was, louter omwille van zijn populariteit bij het volk, de
prijs van levensmiddelen wenste te verlagen, hetgeen vaak, wanneer dat niet
goed geregeld wordt, schaarste en hongersnood tot gevolg heeft. 2.Het
stadsbestuur van Antiochia stelde zich op het standpunt dat dit op het
tijdstip waarop hij dat wenste onmogelijk was, maar hij was er niet van af te
brengen - soms leek hij op zijn broer Gallus, afgezien dan van diens
wreedheid. Vanaf die tijd lag hij met de decurio’s in onmin, schold ze voor
dwarsliggers en stijfkoppen en schreef een schotschrift met als titel ‘de
Antiochener’ of ‘de Baardhater’, een opsomming van bittere verwijten aan
de stad, waarvan sommige onterecht. Hij merkte, dat er daarna over hem
geginnegapt werd, maar was zo wijs, dat voor het moment te negeren, al kookte
hij innerlijk van woede. 3.Ze noemden hem spottend een ondermaatse aap,
pronkend met zijn geitensik, die zijn magere schouders vergeefs breed maakte
en rondliep met grote stappen alsof hij een broer was van Otus en Ephialtes,
van wie Homerus de enorme gestalten heeft beschreven. Ook heette het, in een
toespeling op de eindeloze dierenoffers die hij bracht, dat hij meer een
slager leek dan een priester, en die beschuldiging was niet onterecht, want
uit louter praalzucht schepte hij er genoegen in, zelf in plaats van de
priesters de cultusvoorwerpen te dragen en zich daarbij met vrouwspersonen te
omgeven. Hij ergerde zich dus wel over zulke praat, maar reageerde er niet op,
bedwong zijn emoties en ging gewoon door met zijn offerhandelingen.4.Tenslotte
besteeg hij op een bepaalde feestdag de Casius, een ronde, ruigbegroeide berg
die hoog boven het landschap uitsteekt, van waaraf bij het tweede hanengekraai
het eerste licht van de opkomende zon te zien is. Toen hij daar een offer
bracht aan Zeus, viel zijn oog op een man die languit op de grond lag en
onderdanig smeekte vergeven en gespaard te mogen worden. Op de vraag wie hij
was, antwoordde de man dat hij Theodosius was, de voormalige gouverneur van
Hierapolis die eens samen met andere hoge functionarissen Constantius uit zijn
stad uitgeleide had gedaan en hem, in de overtuiging dat hij Julianus ging
verslaan, met vleierijen die hij nu betreurde en veel emotioneel theater had
gebeden, het hoofd van de ondankbare verrader toegezonden te mogen krijgen,
zoals hij zich herinnerde dat ook eens het hoofd van Magnentius van stad tot
stad was geshowd. 5.Daarop gaf Julianus als antwoord: ‘Inderdaad heb ik in
het verleden van die uitspraak gehoord, want verschillenden hebben mij ervan
verteld, maar gaat u gerust naar huis, vrij van vrees door de goedheid van uw
keizer, die er, gedachtig de raad van een wijs man, met hart en ziel naar
streeft, het getal van zijn vijanden te verminderen en dat van zijn vrienden
te vergroten’. 6.Toen hij na het beëindigen van de offerplechtigheid
daarvandaan vertrok, werd hem een brief overhandigd van de gouverneur van
Egypte, waarin deze mededeelde dat men er na lang en intensief zoeken
eindelijk in was geslaagd een nieuwe Apis-stier te vinden, hetgeen, zoals men
daar gelooft, een teken is dat een overvloedige oogst en verder ook alle goeds
voorspelt. 7.Dit wil ik in het kort uitleggen. Onder de naar oeroude
godsdienstige overtuiging heilige dieren zijn Mnevis en Apis de bekendste.
Mnevis is gewijd aan de zon - daarover valt verder niets bijzonders te
vermelden - Apis aan de maan. Apis nu is een stier die opvalt door een
bepaalde tekening van vlekken en met name herkenbaar is aan de figuur van een
wassende maan op zijn rechterflank. Na een vastgestelde tijd van leven wordt
hij in een heilige bron geworpen en gedood (hij mag namelijk niet langer leven
dan mystieke boeken met een bepaalde autoriteit voorschrijven), terwijl in
diezelfde ceremonie ook een koe, die vanwege vaste merktekens is uitgekozen,
wordt gedood, dat wil zeggen aan de stier wordt aangeboden. Na de dood van de
stier wordt onder publiek rouwbetoon een andere Apis gezocht en als men erin
slaagt die te vinden, één dus die precies alle vereiste kentekenen vertoont,
wordt hij naar Memphis gebracht, een stad die beroemd is om de veelvuldige
aanwezigheid van de god Aesculapius. 8.Daar wordt hij onder begeleiding van
honderd priesters een heiligdom binnen gevoerd, wordt geheiligd en geeft, naar
men zegt, door duidelijke tekens aanwijzingen over toekomstige gebeurtenissen.
Voor sommigen die hem benaderen toont hij echter door ongunstige tekenen een
duidelijke afkeer, zoals hij zich eens, lezen we, afwendde van caesar
Germanicus toen die hem voer aanbood, en daarmee aankondigde wat spoedig te
gebeuren stond.
15. Een beschrijving van Egypte, van de Nijl, de krokodil, de ibis en de piramiden
16.
De vijf provincies van Egypte en hun beroemde steden
1.Oudtijds, zegt men, heeft Egypte bestaan uit drie provincies: Egypte zelf, de Thebaïs en Libië. In latere tijden zijn er daaraan twee toegevoegd: Augustamnica, afgesplitst van Egypte, en Pentapolis, afgesplitst van het droogste deel van Libië. 2.De Thebaïs nu, telt een groot aantal beroemde steden, waaronder Hermopolis, Coptos en Antinupolis, door Hadrianus zo hernoemd ter ere van zijn geliefde Antinoüs, en natuurlijk het welbekende Thebe met zijn honderd poorten.3.In Augustamnica ligt de befaamde stad Pelusium, die gesticht zou zijn door Peleus, de vader van Achilles, nadat hij zich op aanwijzing van de goden gereinigd had in het meer waaraan de stad nu ligt, toen hij na de moord op zijn broer Phocus door de Furiën in hun afzichtelijke gestalten werd opgejaagd. Ook vinden we daar Cassium, met het graf van Pompeius de Grote, Ostracine en Rhinocorura.4.In Pentapolis-Libië liggen de oude maar nu verlaten stad Cyrene, gesticht door de Spartaan Battus, Ptolemaïs, Arsinoë (oftewel Teuchira), en Darnis en Berenice, samen ook de Hesperiden geheten. 5.In het droogste deel van Libië liggen Paraetonion, Chaerecla, Neapolis en nog enkele minder belangrijke plaatsen.6.Egypte zelf, dat, sinds het in het Romeinse rijk is opgenomen, bestuurd wordt door prefecten met een welhaast koninklijke status, siert zich met zulke steden als Athribis, Oxyrynchus, Thumis en Memphis, om de kleinere niet te noemen.7.Maar Alexandria is het schitterendste van al, beroemd om zijn vele magnifieke bezienswaardigheden, dank zij het initiatief van zijn grote stichter Alexander en de kundigheid van bouwmeester Dinocrates, die, toen hij de grondslag legde voor de indrukwekkende muren, in plaats van kalk (waarvan op dat moment niet genoeg voorhanden was) meel gebruikte om de omtrek daarvan op de grond uit te zetten, wat toevallig een aanwijzing bleek te zijn voor het feit dat de stad zich later zou verheugen in een overvloed aan voedsel. 8.Daar waaien heilzame winden; het klimaat is er mild, en, zoals de ervaring van een hele reeks generaties heeft geleerd, is er bijna geen dag waarop de bewoners de zon niet aan een onbewolkte hemel zien. 9.Aangezien de kust daar vroeger vanwege de vele verraderlijke plekken moeilijk benaderbaar was, waardoor zeevaarders vaak in ernstige moeilijkheden raakten, kwam Cleopatra op de gedachte, in de haven een hoge toren te laten bouwen,27 die naar de plaats waar hij staat, de Pharos wordt genoemd en ’s nachts met zijn licht de weg wijst aan schippers, die daarvóór, komend van de Parthenische of de Libische Zee, langs de wijde en bochtige kust voeren zonder berghoogten of vormen van heuvels te kunnen onderscheiden, vaak vastliepen op de zachte, zuigende zandplaten en er hun schip verloren. 10.Dezelfde koningin liet ook om een bekende reden het Heptastadium aanleggen, een weg van een opmerkelijke grootte, gezien ze met een wonderbaarlijke snelheid werd gelegd. Het eiland Pharos namelijk, waar, zoals Homerus bloemrijk over hem vertelt, Proteus leefde met zijn kudden zeehonden, lag een mijl van de kust en de stad en was schatplichtig aan de Rhodiërs. 11.Toen die zich op een dag aandienden om een veel te zware belasting in te vorderen, nodigde deze vrouw, listig als ze was, de belastinggaarders met zich mee naar buiten, zogenaamd voor de viering van jaarlijkse festiviteiten. Intussen gaf ze opdracht in zeven dagen continu doorwerkend evenzoveel stadiën land te winnen door vanaf het vasteland [naar dat eiland] grote massa’s grond in zee te storten. [Dat werd die weg] En toen die klaar was, reed ze er in een met paarden bespannen rijtuig overheen en lachte de Rhodiërs uit: ze waren tol komen eisen van een eiland, niet van een stuk vasteland! 12. Daarnaast zijn de schitterende tempels te noemen met hun majestueuze gevels, met het Serapeum als de meest imponerende van alle. Mijn armelijke woorden doen zijn pracht tekort: zo schitterend is dat uitgevoerd met grootse hoven, met zuilengalerijen, met levensechte godenbeelden en een overvloed aan kunstwerken, dat na het Capitolium, waarmee het eerbiedwaardige Rome zich voor alle eeuwigheid faam verwerft, niets ter wereld zo grandioos te vinden is. 13.In de bibliotheken van het Serapeum hebben zich niet te schatten aantallen boeken bevonden: volgens het eensluidende getuigenis van oude bronnen zouden 700.000 delen, met grote ijver en zorg bijeengebracht door de Ptolemeïsche koningen, verbrand zijn toen de stad tijdens de Alexandrijnse oorlog door de dictator Caesar werd geplunderd. 14.Op een afstand van twaalf mijlstenen van Alexandria ligt Canopus, dat volgens oude geschriften genoemd is naar de daar begraven stuurman van Menelaüs. Het is een buitengewoon bekoorlijke plaats, met tal van plezierige uitspanningen, gezond van klimaat, begunstigd door milde winden, zodat wie zich daar bevindt en luistert naar het ruisen van de lauwe zomerwind, zich buiten onze wereld waant. 15.Alexandria zelf, dat zich niet geleidelijk heeft ontwikkeld zoals andere steden, maar direct bij haar stichting al een grote stad was, heeft lang en bitter geleden van interne troebelen, tot de burgertwisten tenslotte na vele jaren, onder het keizerschap van Aurelianus, uitliepen op een moorddadige strijd, waarin de muren werden verwoest en een aanzienlijk deel van de stad, namelijk wat Bruchion heette en de wijk was van de upper-ten, zich afscheidde. 16.Aristarchus, die de neteligste aspecten van de taalkunde beheerste, kwam hier vandaan, zoals ook de meticuleuze wetenschappelijke onderzoeker Herodianus en Ammonius Saccas, de leermeester van Plotinus en menige andere auteur op verschillende gebieden van taal en wetenschap, onder wie de beroemde Didymus Chalcenterus,28 veelgeprezen om zijn grote kennis op allerlei gebied, hoewel hij in die zes boeken waarin hij soms weinig steekhoudende kritiek levert op Cicero, lijkt op bepaalde kwalijke schimpdichters29 - kritiek die betere beoordelaars in de oren klinkt als het zielige gekef van een jonge hond die op veilige afstand om een machtig grommende leeuw heen springt. 17.Naast degenen die ik hier heb genoemd, is nog menige andere figuur oudtijds in aanzien geweest, maar ook nu zijn in deze stad de verschillende scholen nog werkzaam en doen leraren in kunsten en wetenschappen in verschillende opzichten van zich spreken; met de meetlat wordt daar onthuld wat verborgen en onbekend is; de muziek leidt er bepaald nog geen kwijnend bestaan; ook wordt er de harmonie nog beoefend; de beschouwing van de bewegingen van de aarde en de sterren is bij sommigen nog in ere; anderen zijn bekwaam in de getallenleer. Bovendien zijn er, die ervaren zijn in de wetenschap die wegwijs maakt in de godsspraken. 18.De medische wetenschappen echter, waarop wij in het bepaald niet matige en sobere leven dat wij leiden, nogal eens een beroep moeten doen, komen er zelfs van dag tot dag op een hoger peil, zodat het voor een arts, al zou zijn professionele kwaliteit blijken uit zijn werk, in plaats van die daardoor te bewijzen voldoende zou zijn te zeggen dat hij in Alexandria is opgeleid. 19.Maar genoeg hierover. Dan nog: als iemand serieus de geschriften over de oorsprong van de waarzegkunst zou uitrollen, zou hij vinden dat dit soort kunsten over de hele wereld verspreid is vanuit Egypte. 20.Het is daar, dat men voor het eerst en lang vóór anderen de bakermat gespreid heeft (om zo te zeggen) voor de verschillende godsdiensten en nog steeds de oerbeginselen beschermt van de verering der goden die in geheime boeken besloten liggen. 21.Onderwezen in deze wetenschap, heeft Pythagoras de goden heimelijk vereerd en al wat hij heeft gezegd en geloofd een blijvende geldigheid gegeven, toonde hij dikwijls in Olympia zijn gouden dijbeen en liet hij zich zien in gesprek met een adelaar. 22.Van hieruit heeft Anaxagoras voorspeld, dat het uit de hemel stenen zou gaan regenen en, door modder uit een put te bekijken, dat aardbevingen te verwachten waren. Solon ook heeft, geholpen door de leerstellingen van Egyptische priesters, met zijn rechtvaardige wetten de grondslag van het Romeinse recht niet weinig versterkt, en na Egypte bezocht te hebben is Plato, uit die bronnen puttend, tot zulke hoge sferen opgestegen, dat hij met zijn verheven taal niet onderdeed voor Jupiter en heeft hij roemvol de wijsheid gediend. 23.De meeste Egyptenaren zijn enigszins bruin, met zwart haar, hebben een nogal sombere gezichtsuitdrukking, zijn slank en tanig, driftig in hun bewegingen, buitengewoon twistziek en echte chicaneurs. Volgens hen moet ieder zich schamen die op zijn rug geen geselstriemen kan laten zien wegens ontduiking van de belastingen. En de foltering waarmee een gehaaide rover in dat land gedwongen kan worden tegen zijn wil zijn naam op te geven, moet nog worden uitgevonden.24.Het is bekend uit oude annalen, dat heel Egypte vanouds door erfelijke koningen is geregeerd, maar sinds Antonius en Cleopatra in de zeeslag bij Actium zijn verslagen en Octavianus Augustus het land in bezit heeft genomen, heeft het de status van een provincie. Het drogere deel van Libië hebben we verworven bij testament van koning Apion; Cyrene en de andere steden van Libië-Pentapolis hebben we geschonken gekregen van Ptolemaeus.30 Maar ik ben te ver afgedwaald en zal nu de draad van mijn verhaal weer opnemen.
Noten
1.Gunsteling
van de godin Demeter of Ceres, voor wie hij de landbouw over de aarde
verspreidde.
4.Zie
boek xiv,11,19 en xv,5,8.
5.‘De
onontkoombare’, bijnaam van de wraakgodin Nemesis.
6.Kennelijk
doelt Ammianus hier op christenen.
7.Een
door Julianus vereerde leraar. Hij begeleidde Julianus op zijn veldtocht tegen
Perzië en was aanwezig bij diens dood (Zie boek xxv,3,23).
8.Cicero,
Pro Archia, 11,26.
10.Bewoners
van eilanden voor de kust van India. Volgens Gibbon moeten de gezanten gedacht
hebben dat Constantius nog keizer was.
12.Onduidelijk
is hoe Ammianus zich de situatie voorstelt. Waarschijnlijk bedoelt hij met de
Pontus hier de Propontus, maar beschrijft de Hellespont daarna in plaats van
daarvóór. Vervolgens beschrijft hij in 5vv. de Propontus. De Pontus komt dan
in 9vv. aan de orde.
13.Eigenlijk:
in het noorden.
14.In
werkelijkheid lag hun woongebied ten oosten van de Kaspische Zee.
15.De
‘driejaarlijkse’.
16.(Slechts)
naamgenoten van de Griekse Achaeërs.
18.Niet
in deze boeken.
19.Hier
wordt aangesloten bij het eind van hoofdstuk 7.
20.Zie
onder: 9,12 en boek xxv,4,21.
22.Namelijk
door de opvolging van Constantius door Julianus.
23.Thema’s
uit de Herculessagen.
24.Waarschijnlijk
martelaren.
25.Ammianus’
beschrijving is verward.
26.Van
antí en skiá (schaduw).
27.In
feite liet Cleopatra de toren herbouwen die in de Alexandrijnse oorlog was
verwoest.
28.Aristarchus,
filoloog, 3e-2e eeuw vC, Aelius Herodianus, grammaticus, 2e eeuw nC, Ammonios
Saccas, stichter van de neo-platonische school, 172-242. Didymus Chalkenteros,
filoloog, 1e eeuw vC.
29.‘Sillografen’,
schrijvers van silloi,
schimpdichten, zoals Timon van Phlius, sceptisch filosoof, c.320-230
30.Apion
en Ptolemaeus zijn in feite een en dezelfde persoon.