BOEK XXII

  1. Beducht voor keizer Constantius houdt Julianus halt in Dacië. Hij raadpleegt heimelijk waarzeggers en schouwers van tekenen 

1.Terwijl deze gebeurtenissen door de beschikking van het grillige Lot in een ander deel van de wereld plaatsvonden, schouwde Julianus tussen al zijn activiteiten in Illyricum door voortdurend ongeduldig de ingewanden van offerdieren en de vlucht van vogels om de afloop van de gebeurtenissen uit voortekenen af te lezen. Maar door de onduidelijkheid van de voorspellingen bleef hij weifelachtig en onzeker over de toekomst. 2.Op een keer berichtte hem de Gallische redenaar Aprunculus, een ervaren voorspeller uit ingewanden, die het later nog tot gouverneur van Gallia Narbonensis zou brengen, dat hij door beschouwing van een lever, die door een extra dik vlies omgeven bleek te zijn (zoals hij zei) een goede afloop van de geschiedenis had voorzien. Maar Julianus, die er rekening mee hield dat soms dingen bedacht werden overeenkomstig zijn wensen en daar dus niet gelukkiger van werd, beleefde zelf een veel duidelijker omen, één dat onmiskenbaar de dood van Constantius verkondigde. Op hetzelfde moment namelijk waarop deze in Cilicië stierf, verloor een soldaat die hem, Julianus, met de hand steunde bij het bestijgen van zijn paard, zijn evenwicht en viel languit, waarop Julianus zo dat iedereen het hoorde meteen riep dat degene die hem hoog had verheven, nu zelf gevallen was. 3.Maar hoewel hij ervan overtuigd was dat dit verheugende aanwijzingen waren, liet hij zich er niet door meeslepen en bleef hij in Dacië, steeds nog voor van alles beducht, want hij paste er wel voor op, zich te verlaten op gissingen die misschien juist een tegengestelde uitkomst konden krijgen.  

2. Na het vernemen van Constantius’ dood trekt Julianus op door Thracië. Zonder tegenstand te ontmoeten houdt hij zijn intocht in Constantinopel en neemt zonder slag of stoot de macht over het Romeinse rijk over 

1.In deze onzekere en gespannen situatie arriveerden plotseling de boden Theolaifus en Aligildus met het bericht dat Constantius was gestorven en hem in zijn laatste woorden de macht had overgedragen. 2.Door dit bericht duidelijk opgelucht, want op slag verlost van alle getob over risico’s en gevaren en van de zenuwslopende zorgen om de oorlog, hechtte hij eindelijk geloof aan de voorspellingen en, aangezien snelheid van handelen hem in zijn ondernemingen al enkele malen eerder succes had opgeleverd, besloot hij nu op te rukken naar Thracië. Haastig brak hij dus op en nam via de pas van Succi de weg naar Philippopolis, het vroegere Eumolpia, opgewekt gevolgd door de troepen onder zijn bevel. 3.Want de situatie was nu, dat de heerschappij die ze op weg waren geweest te veroveren, uiteraard bezorgd over de grote gevaren die ze daarbij tegemoet gingen, hem buiten verwachting volkomen rechtmatig was toegevallen. En aangezien nieuws van mond tot mond gewoonlijk buiten proporties raakt, haastte Julianus zich [van Philippopolis] verder, steeds meer grootheid uitstralend - als in zo’n wagen van Triptolemus,1 die volgens oude mythen door gevleugelde draken met grote snelheid door de lucht werd voortgetrokken - tot hij, ontzag wekkend te land en ter zee, door niets weerhouden, Heraclea [Perinthus] bereikte. 4.Toen dit kort daarop in Constantinopel bekend werd, liep de hele stad uit - jong en oud, man en vrouw - alsof iemand uit de andere wereld te bezichtigen viel. En op de elfde december [361] werd hij vol respect ontvangen door de voltallige senaat onder algemeen gejuich van het volk, en werd hij, omringd door zijn troepen en een menigte burgers als door een leger in slagorde, de stad binnengeleid, terwijl aller ogen op hem gericht waren, niet uit nieuwsgierigheid alleen, maar met grote bewondering. 5.Want het leek wel een droom, zoals deze nog jonge man, klein van gestalte maar groot door zijn daden, na een bloedige strijd met koningen en volken, alles overrompelend van stad tot stad was gestormd en, zich steeds sterker makend waar hij verscheen, met de snelheid van het gerucht alles gemakkelijk voor zich had gewonnen om tenslotte met hemelse toestemming en zonder enige schade voor de staat de keizerskroon te bemachtigen.  

3. Verschillende aanhangers van Constantius worden ter dood veroordeeld, sommigen terecht, anderen ten onrechte 

1.Kort daarop bevorderde Julianus zijn vertrouweling Secundus Salustius tot praefectus praetorio [Orientis] en belastte hem met de leiding over de gerechtelijke onderzoeken die nu werden ingesteld. Aan hem werden toegevoegd: Mamertinus, Arbetio, Agilo en Nevitta; bovendien Jovinus, die kort tevoren was gepromoveerd tot magister equitum in Illyricum. 2.Zij staken over naar Chalcedon en vingen met hun onderzoeken aan in aanwezigheid van de generaals en tribunen van de legioenen der Joviani en Herculiani, maar met een fanatisme dat een behoorlijke rechtsgang niet ten goede kwam - enkele gevallen waarin van bijzonder ernstige misdaden sprake was, daargelaten. 3.Om te beginnen verbanden zij de voormalige magister officiorum Palladius naar Britannië, dit op het loutere vermoeden dat hij Constantius het een en ander in het oor had gefluisterd over Gallus, toen hij onder deze caesar dezelfde functie bekleedde. 4.Vervolgens verbanden zij de voormalige praefectus praetorio [van Italië] Taurus naar Vercellae, hoewel wat hem ten laste werd gelegd in de ogen van rechters met meer zin voor het onderscheid tussen recht en onrecht wellicht vergeeflijk was geweest. Wat had hij namelijk anders misdaan dan dat hij zich eens uit vrees voor dreigend onheil onder de bescherming van de keizer had gesteld?2 Van het oordeel dat over hem werd uitgesproken, kon men niet dan met afschuw kennisnemen, aangezien dit in het officiële protocol begon met de woorden: ‘Tijdens het consulaat van Taurus en Florentius, toen Taurus door aanzeggers werd gedagvaard...’ 5.Hetzelfde lot leek Pentadius beschoren, tegen wie werd ingebracht dat hij in opdracht van Constantius in snelschrift de antwoorden had opgeschreven die Gallus, met de dood al voor ogen, bij zijn ondervraging over verschillende zaken gegeven had. Omdat hij zich wist vrij te pleiten, kwam hij er tenslotte toch nog goed vanaf. 6.Soortgelijk onrecht [als Taurus] trof de toenmalige magister officiorum Florentius (zoon van Nigrinianus) die naar het eiland Boae in Dalmatië werd gestuurd. In paniek geraakt door de plotselinge machtswisseling onttrok zich de andere Florentius, namelijk de ex-praefectus praetorio [in Gallië] en toenmalige consul, samen met zijn vrouw aan het gevaar door zich lange tijd verborgen te houden. Bij verstek ter dood veroordeeld, kon hij pas weer te voorschijn komen toen Julianus gestorven was. 7.Zo werden ook de comes rei privatae Euagrius, de voormalige cura palatii Saturninus en Cyrinus, een voormalige notarius, verbannen. Maar om de dood van de comes largitionum Ursulus moet Justitia, lijkt me, zelf hebben getreurd en de keizer ondankbaarheid hebben verweten. Want toen Julianus naar het westen was gezonden en hij zo krap werd gehouden dat hij geen enkele mogelijkheid had om voor zijn soldaten iets extra’s te doen (dat was om hem bloot te stellen aan opstandigheid van het leger), was het deze zelfde Ursulus, die schriftelijk opdracht gaf aan de betaalmeester in Gallië, hem, de caesar, zonder meer alles te verschaffen waarom hij vroeg. 8.Het ontging Julianus achteraf niet dat hij om de executie van deze man door velen werd verwenst en vervloekt, maar in een poging zich voor die onvergeeflijke misdaad te verschonen, verklaarde hij dat de man buiten zijn medeweten was gedood en slachtoffer was geworden van de woede van soldaten, die niet vergeten waren wat hij (zoals ik eerder heb verhaald3) bij het zien van de verwoesting van Amida gezegd had: [‘Zo dapper dus worden de steden verdedigd door soldaten die zo royaal worden betaald dat de schatkist van het rijk uitgeput raakt’]. 9.Door een man, zo onbetrouwbaar van karakter en zo aanmatigend als Arbetio met deze onderzoeken te belasten (anderen, waaronder de commandanten van de legioenen, waren daarbij alleen voor de vorm aanwezig), gaf hij blijk van een zekere nonchalance of te weinig gevoel voor wat verstandig was te doen, want hij moest weten dat deze man, die een groot aandeel had gehad in de overwinningen in de burgeroorlogen, voor hemzelf de grootste bedreiging had gevormd. 10.Dit, wat ik hier vertel, beviel ook zijn aanhangers niet. Maar het volgende werd wèl met gepaste strengheid gedaan. 11.Apodemius namelijk, een man van de geheime dienst van wie ik eerder heb verhaald4 hoe fanatiek hij was uit geweest op de dood van Silvanus en Gallus, werd mèt Paulus ‘de Keten’, wiens naam niet kan worden genoemd of men hoort overal gezucht, levend verbrand. Zij kwamen aan hun eind zoals men niet had durven hopen. 12.Ook Eusebius, die Constantius’ cubiculi praepositus was geweest, een trots en hardvochtig man, werd door de rechters ter dood veroordeeld. Van werkelijk de laagste trede was hij op de ambtelijke ladder zo hoog gestegen, dat zijn orders klonken als bijna van de keizer zelf en hij een onverdraaglijke potentaat was geworden. Door de wraakgodin Adrasteia,5 die het doen en laten van de mens beziet, was hij al eens (volgens het gezegde) aan zijn oor getrokken met de waarschuwing zich te beteren, wat hij niet deed, zodat ze hem nu als het ware van een grote hoogte te pletter gooide.     

4. Julianus jaagt alle eunuchen, barbiers en koks uit zijn paleis. De  verdorvenheid van de eunuchen aan het hof. Het verval van de militaire discipline

1.Daarna richtte de keizer zijn aandacht op de hofhouding. Hij ontsloeg ieder die er maar ten naaste bij toe behoorde, maar niet zoals een wijs man daarbij de zorgvuldigheid in acht zou hebben genomen: (2.) hij zou er goed aan hebben gedaan tenminste enkele redelijke en fatsoenlijke functionarissen in dienst te houden. Het moet gezegd worden dat de meesten daarvan een gewetenloze kliek vormden, die de staat besmetten met hun verdorvenheid en meer nog door hun voorbeeld dan door hun feitelijke teugelloosheid voor velen een ergernis waren. 3.Sommigen6  hadden zich verrijkt door de roof van tempelschatten en waren met hun neus voor elke kans op profijt van grauwe armoede in één sprong tot ontzaglijke rijkdom gekomen; afpersers, dieven en mateloze verkwisters waren het, gewoon zich aan andermans goed te vergrijpen. 4.Daarin lagen de kiemen van hun bandeloosheid, leugenachtigheid en minachting voor een goede naam; in hun verwatenheid bezoedelden ze hun eer met schandalig winstbejag. 5.Slemperijen en zuiperijen waren aan de orde van de dag. In plaats van op wapenfeiten werd op drinkprestaties gepocht. Niets was belangrijker dan tafelgenot. Zijde en buitenissige kleren waren de grote mode. Voor hun rijk ingerichte huizen werden de meest prestigieuze lokaties gezocht van zo’n oppervlakte, dat, had consul Quinctius die als akkerland bezeten, hij de lof om zijn armoede zelfs na zijn dictatorschap zou hebben verspeeld. 6.Bij deze schandelijkheden kwam nog de verslapping van de legerdiscipline: allerlei populair gezang kwam in de plaats van soldatenliederen; soldaten namen geen genoegen meer, zoals tot dan toe, met een stenen legerstee, maar eisten een zacht, veren bed; hun bokalen waren zwaarder dan hun zwaarden (uit aarden bekers drinken was beneden hun stand); hun behuizingen moesten rijk zijn aan marmer, terwijl in oude geschriften te lezen is, dat de Spartaanse soldaat zelfs streng werd gestraft als hij te velde onderdak werd aangetroffen. 7.Zo brutaal en roofzuchtig het soldatendom in die dagen was tegenover de eigen landgenoten, zo laf en zwak was het in het zicht van de vijand. Zó had het zich verrijkt door gunstbejag en handel buiten de dienst om, dat iedereen nu verstand had van de verschillen tussen de soorten goud en edelstenen. Niet lang daarvóór nog was dat anders. 8.Bijvoorbeeld was er die eenvoudige soldaat in het leger van keizer Maximianus, die bij de plundering van een Perzisch legerkamp een Parthische buidel met parels vond, in zijn onwetendheid de parels weggooide en verder ging, tevreden met het glanzend leren ding.9.In die dagen gebeurde het, dat toen een barbier ontboden was om ’s keizers haar te snijden, iemand in prachtige kledij verscheen. Toen Julianus hem zag, zei hij verbluft: ‘Ik heb een barbier laten komen, geen thesaurier!’ Op zijn vraag over het inkomen uit zijn beroep, antwoordde de barbier: ‘Twintig broodrantsoenen per dag, evenveel voer voor mijn lastdieren (gewoonlijk aangeduid met capita) en een heel goed jaarsalaris, afgezien van veel interessante bijverdiensten’. 10.Daarover ontstak Julianus in woede en ontsloeg heel dat soort personeel, inclusief de koks en andere dergelijke figuren, die hetzelfde inkomen genoten (en hem nauwelijks nodig leken), met permissie te gaan waar het hun beliefde.

5. Keizer Julianus bekent zich, niet langer in het geheim zoals vroeger, maar openlijk en zonder terughoudendheid tot de cultus der goden. Hij zet de bisschoppen tegen elkaar op

1.Hoewel hij zich al vanaf zijn vroegste jeugd aangetrokken voelde tot de cultus van de goden, en de drang in hem, daaraan metterdaad toe te geven, met de jaren steeds sterker werd, had hij genoeg redenen daarmee voorzichtig te zijn en praktiseerde voorzover mogelijk wel bepaalde rituelen, maar in het diepste geheim. 2.Toen hij op dit punt evenwel niets meer te vrezen had en zich realiseerde dat hij nu vrij was te doen wat hij verkoos, openbaarde hij het geheim van zijn hart en verordende kort en krachtig bij decreet de tempels te openen, offerdieren naar de altaren te brengen en de eredienst der goden te hervatten. 3.En om die regelingen kracht bij te zetten, ontbood hij de bisschoppen van de christenen, die met elkaar in conflict waren, samen met hun onderling verdeelde volgelingen en maande hen minzaam hun tweedracht te beëindigen en ieder onbevreesd en onbelemmerd zijn eigen overtuiging te volgen. 4.Dit deed hij opzettelijk zo om door die vrijheid hun tegenstellingen te doen toenemen en zelf later niet met een eensgezind christelijk volk te maken te zullen krijgen, want hij wist uit ervaring, dat geen wilde dieren zo gevaarlijk waren voor de mensen als de meeste christenen in hun dodelijke haat voor elkaar. Hij riep dan ook dikwijls: ‘Luistert naar mij, naar wie de Alamannen en de Franken hebben geluisterd!’ in de mening, daarmee een gezegde van de vroegere keizer Marcus [Aurelius] te herhalen, niet beseffend dat zijn uitroep daarvan nogal verschilde. 5.Van Marcus wordt namelijk gezegd dat hij, via Palestina op weg naar Egypte, zich dikwijls ergerde aan de onuitstaanbaarheid en onhandelbaarheid van de Joden, en dan wanhopig uitriep: ‘Marcomannen, Quaden en Sarmaten! Eindelijk heb ik een volk gevonden, nog oproeriger dan jullie!’  

6. Door een list dwingt hij een aantal Egyptische chicaneurs die hem lastig vallen, naar huis terug te keren  

1.In diezelfde tijd kwam, aangelokt door bepaalde geruchten, een groot aantal Egyptenaren naar de hoofdstad, twistzieke lieden, verslingerd aan ingewikkelde rechtszaken, een soort dat bijvoorbeeld een veelvoud terugeiste van een gedwongen schuldaflossing om zo verlichting van die schuld, uitstel van betaling of een gunstigere aflossingsregeling te krijgen; of rijke lieden betichtte van afpersing, in de hoop dat die een aanklacht zouden willen vermijden. 2.Die Egyptenaren dus bestormden de keizer zelf en de praefecti praetorio als een troep brutale, krassende kraaien met claims op teruggave van betalingen die ze tot bijna zeventig jaar terug terecht of ten onrechte aan derden hadden gedaan. 3.Aangezien ze daarmee de behandeling van andere zaken belemmerden, beval Julianus hen per decreet over te steken naar Chalcedon, met de belofte dat hij zich op korte termijn ook daarheen zou begeven om al hun kwesties definitief op te lossen. 4. Maar toen ze eenmaal waren overgestoken, werd het de scheepskapiteins verboden heen en terug nog Egyptenaren over te zetten, en aangezien hier strikt de hand aan werd gehouden, liepen hun drammerige chicanes tenslotte op niets uit en keerden ze teleurgesteld in hun verwachtingen naar huis terug. 5.Daarna werd een wet uitgevaardigd - en het was alsof de Gerechtigheid zelf sprak - stipulerend dat geen voorspreker aan het hof meer achteraf mocht worden lastig gevallen over hetgeen hij terecht aan betalingen had ontvangen.

7. Julianus houdt regelmatig zitting in de senaat van Constantinopel. Hij treft regelingen in Thracië en ontvangt gezantschappen van vreemde volkeren

  1.Zo werd het 1 januari [362], de dag waarop de namen van Mamertinus en Nevitta op de consullijst werden ingeschreven, en zag men de keizer zich in gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders eenvoudig te voet naar hun inauguratie begeven, wat sommigen in hem prezen, anderen als aanstellerij beneden zijn waardigheid achtten. 2.Ook, toen tijdens door Mamertinus georganiseerde circusspelen slaven die volgens oud gebruik zouden worden vrijgelaten, door de plaatsvervangend ceremoniemeester de arena werden binnengeleid, sprak de keizer zelf haastig met de voorgeschreven formule uit dat de vrijlating naar gebruik en volgens de wet kon geschieden, maar werd er direct op gewezen dat de bevoegdheid daartoe die dag aan iemand anders toekwam, en legde zichzelf vanwege die fout een boete op van tien pond goud. 3.Intussen bezocht hij regelmatig de senaat ter bespreking van de verschillende aspecten van tal van nieuwe verordeningen. En toen hem op zekere dag, terwijl hij zich daar met zulke zaken bezighield, bericht werd, dat uit Asia de filosoof Maximus7 was aangekomen, sprong hij op een werkelijk ongepaste manier op, vergat zichzelf geheel, rende het voorportaal uit en nog een eind weegs, en na de filosoof onderdanig met kussen begroet te hebben, nam hij hem mee terug, door welke misplaatste vertoning hij de indruk gaf uit te zijn op goedkope populariteit. Kennelijk herinnerde hij zich niet een prachtige uitspraak van Cicero,8 waarmee die zulke lieden eens tekende: 4.‘Er zijn filosofen, die hun geschriften over het verachten van roem onder hun eigen naam doen gaan, zodat ze door precies datgene waaruit hun geringschatting voor eer en roem moet blijken, te kennen geven geprezen en met ere genoemd te willen worden.’ 5.Niet lang daarna werd hij discreet benaderd door twee voormalige geheime agenten die samen met anderen waren ontslagen, met het aanbod de schuilplaats van Florentius9  te verraden om in ruil daarvoor in hun militaire rang te worden hersteld. Maar hij voer tegen ze uit en schold ze voor verraders, zeggend dat het beneden zijn waardigheid was als keizer, zich van kwalijk verkregen informatie te bedienen om een man uit zijn schuilhoek te sleuren die in doodsangst was ondergedoken en zich misschien toch niet lang meer zonder uitzicht op genade verborgen zou weten te houden. 6.In al deze gevallen werd hij terzijde gestaan door de senator Praetextatus, een nobel man van een ouderwetse gestrengheid, die hij toevallig in verband met privé-zaken in Constantinopel had aangetroffen en spontaan tot gouverneur van Achaea had benoemd met de titel van proconsul. 7.Maar terwijl hij zo ernst maakte met hervormingen in de civiele sfeer, veronachtzaamde hij ook de rijksverdediging niet, benoemde officieren met een lange staat van dienst tot bevelhebbers over de troepen en, belangrijker misschien, versterkte alle steden in Thracië en de grensforten en zag erop toe dat de eenheden die aan de oevers van de Donau waren gelegerd, blootgesteld aan uitvallen van de barbaren, waartegen ze, zoals hij wist, vastberaden en moedig optraden, geen gebrek hadden aan wapens, kleding, betaling en voedsel. 8.Terwijl hij deze zaken regelde, waarbij hij geen enkele vertraging duldde, werd hem door naaste medewerkers aangeraden de dichtstbij wonende Goten aan te pakken, die duidelijk niet te vertrouwen waren, maar zijn antwoord daarop was dat hij vijanden op het oog had die meer de moeite waard waren; voor de Goten werd voldoende gezorgd door de slavenjagers van de Galaten, die ze overal zonder aanzien des persoons te koop boden. 9.Door zijn aanpak van dit alles verwierf hij zich faam als een bestuurder die uitmuntte in moed, eenvoud, kennis van militaire zaken, kortom al zijn persoonlijke kwaliteiten - een faam die geleidelijk tot de hele wereld doordrong. 10.Vandaar dat de gedachte dat hij zich tegen hen zou kunnen keren, volkeren heinde en ver zodanig verontrustte, dat zich van overal en eerder dan men zou verwachten gezanten bij hem aandienden: de ene keer smeekten volken van over de Tigris en Armeniërs om vrede, een andere keer waren het Indische volken, te beginnen met de Diven en de Serendiven,10 die haastig en om strijd hoge functionarissen met geschenken zonden; uit zuidelijke regionen boden de Moren hun diensten aan de Romeinse staat aan en uit de woeste gebieden in het noorden, waar de Phasis door stroomt die uitmondt in de Zwarte Zee, reisden gezanten van de Bosporanen en andere tot dan toe onbekende volken af met de smeekbede, tegen betaling van een jaarlijkse schatting op hun geboortegrond in vrede te mogen blijven leven.

 8. Een beschrijving van Thracië, de Zwarte Zee, de aangrenzende gebieden en de volken die er wonen.

  1.Nu ik in de geschiedenis van de fameuze keizer over dit gebied ben komen te spreken, lijkt me een goed moment gekomen om over dat verre Thracië en de ligging van de Zwarte Zee op een duidelijke en verantwoorde wijze te vertellen wat ik ervan gezien en gelezen heb. 2.Het bekende hoge Athosgebergte in Macedonië, waar eens de Perzen met hun schepen doorheen voeren, en Caphereus [Akra Kafirèfs], de kaap van Euboea waarop Nauplius, de vader van Palamedes de Argivische vloot te pletter liet varen, scheiden - hoewel ze ver uit elkaar liggen - de Thessalische van de Egeïsche Zee. Deze laatste verwijdt zich geleidelijk en telt rechts [in het zuiden], waar ze het wijdst is, talrijke eilanden: de Sporaden en de Cycladen, die zo genoemd worden omdat ze alle verspreid rondom Delos liggen (beroemd als geboorteplaats van goden11), links [in het noorden] de eilanden Imbros, Tenedos, Lemnos en Thasos bespoelt en bij harde wind op de kust van Lesbos slaat. 3.Vandaar teruggolvend beroert ze de tempel van Apollo Sminthius [op Tenedos], Troas en Ilion, waar de helden sneuvelden, en vormt ze de Golf van Melas [Saros], die open ligt naar het Westen, met Abdera, de vaderstad van Protagoras en Democritus, de bloedbevlekte woonstee van de Thracische Diomedes, de valleien waardoor de Hebrus [de Maritza] in haar uitstroomt, en de steden Maronea en Aenus, waarvan Aeneas onder slechte voortekenen de bouw begon, die hij opgaf om zich onder leiding van de goden naar het oude Ausonia [Italië] te spoeden. 4.Vanhier wordt de Egeïsche Zee langzaam aan smaller, loopt uit in de Pontus en verbindt zich heel natuurlijk met een deel daarvan tot de vorm van de Griekse letter phi [Φ] 12. Vervolgens scheidt ze de provincie Hellespontus van de provincie Rhodope, en stroomt ze voorbij Cynossema, waar Hecuba zou zijn begraven, en voorbij Coela, Sestos en Callipolis [Gallipoli]. Op de tegenoverliggende oever bevochtigt ze de graven van Achilles en Ajax en vervolgens Dardanus en Abydus, vanwaaruit Xerxes zijn brug bouwde om te voet de zeestraat over te steken; daarna Lampsacus, door de Perzische koning destijds aan Themistocles ten geschenke gegeven, en Parion, gesticht door Paris, de zoon van Jason. 5.Dan verwijdt ze zich tot een halve cirkel, zodat de landstreken aan weerszijden ver uit elkaar komen te liggen, en bespoelt als Propontis [de Zee van Marmara] aan de oostkust Cyzicus, Dindyma, waar een tempel staat van de Grote Moeder [Cybele], Apamea en Cius, waar Hylas door de nimf geroofd werd, en Astacus, later naar een koning Nicomedia genoemd; aan de westkust de [Thracische] Chersonesus met Aigospotami, waar Anaxagoras een stenenregen voorspelde, Lysimachia en de stad die Hercules stichtte en aan de nagedachtenis wijdde van zijn vriend Perinthus. 6.Precies in het midden van de cirkel liggen het langwerpige eiland Proconnesus en het eiland Besbicus, waarmee het geheel inderdaad en compleet de vorm van de Griekse letter krijgt. 7.Als ze haar grootste breedte heeft bereikt, versmalt ze weer, uiteindelijk tot een zeestraat [de Thracische Bosporus], stroomt tussen Europa en Bithynië voorbij Chalcedon, Chrysopolis [Scutari] en wat minder bekende ankerplaatsen. 8.Op haar linkeroever zien de havenplaats Athyras en Selymbria op haar neer, en Constantinopel, het oude Byzantium, ooit als Attische kolonie gesticht, en tenslotte de kaap Ceras, waarop een hoge toren met een vuurbaken ten behoeve van voorbijvarende schepen. (Daarom wordt een zeer koude wind die dikwijls uit die richting waait, de Ceratas genoemd.) 9.Na op deze manier getemd te zijn en aan haar eind gekomen doordat elk van twee zeeën inbreng heeft in het vervolg, wordt dit geheel nu rustiger en verwijdt zich tot een zee [de Pontus] zo breed en ver als het oog reikt. 10.Een hele reis per schip langs de kusten daarvan als rond de omtrek van een eiland beloopt volgens Eratosthenes, Hecataeus, Ptolemaeus en andere nauwkeurige beoefenaars van de betreffende wetenschappen 23000 stadiën. Volgens de eensluidende bevinding van alle geografen heeft ze de vorm van een gespannen Scythische boog. 11.Waar de zon oprijst uit de oostelijke oceaan,13 eindigt die in de moerassen van de Maeotis [de Zee van Azov]; waar de zon naar het westen neigt, wordt ze begrensd door de Romeinse provincies; onder de Poolster voedt ze volken van verschillende talen en zeden; haar zuidzijde loopt in een lichte bocht. 12.Over dit hele gebied verspreid liggen steden van Grieken die met enkele uitzonderingen in verschillende tijden gesticht zijn door de Milesiërs, wier eigen stad een kolonie van de Atheners was, oudtijds naast andere Ionische steden gegrondvest door Nileus, de zoon van de bekende Codrus die zich in de Dorische oorlog voor zijn vaderland zou hebben opgeofferd. 13.De uiteinden van de ‘boog’ worden gevormd door de twee tegenover elkaar gelegen Bosporussen, namelijk de Thracische en de Cimmerische - Bosporussen [Koe-vorden] genoemd omdat ooit, zoals de dichters verhalen, de dochter van Inachus [Io], nadat ze in een koe was veranderd, door die zeeëngten naar de Ionische Zee is gezwommen. 14.De rechterbocht van de Thracische Bosporus begint met het kustgebied van Bithynië, door de Ouden Mygdonia genoemd, met de landstreken Thynia en Mariandena, en waar ook de Bebryciërs wonen, die eens door Pollux bevrijd zijn van de wrede Amycus, en verder de plaats waar de gevleugelde Harpijen de ziener Phineus belaagden en schrik aanjoegen. Aan deze kusten met hun wijde baaien monden verschillende rivieren, de Sangarius, de Phyllis, de Lycus en de Rheba, uit in zee, waarin daartegenover de donkere Symplegades liggen, tweelingrotsen die aan alle kanten stijl uit zee oprijzen. In vroeger tijden bewogen die zich telkens naar elkaar toe, botsten met hun enorme massa’s met een verschrikkelijke klap op elkaar, en weken weer terug om telkens opnieuw met een heftige aanzet af te gaan op wat ze juist geraakt hadden. Zodat, als een vogel soms tussen deze wijkende en botsende rotsen door vloog, hij zo snel niet kon zijn of hij werd verpletterd. 15.Sinds echter de Argo, op weg naar Colchis om het Gulden Vlies te stelen, er als eerste schip onbeschadigd tussendoor voer, zijn die rotsen onbeweeglijk in het kolkende water op hun plaats gebleven, zo’n tweeëenheid dat niemand die ze nu ziet, zou geloven dat ze ooit gescheiden waren, ware het niet dat alle oude zangers daarover hetzelfde hebben gezegd. 16.Achter een deel van Bithynië strekken zich de provincies Pontus en Paphlagonië uit, met de grote steden Heraclea, Sinope, Polemonion en Amisus, en met Tios en Amastris - die alle hun ontstaan danken aan activiteiten van de Grieken - en tenslotte Cerasus, waar Lucullus de vruchten van die naam [kersen] vandaan haalde. Daar liggen ook twee eilanden met de welbekende steden Trapezus en Pityus. 17.Voorbij die plaatsen ligt de grot Acherusion, die de bewoners daar Mychopontion noemen, en de haven Acone, terwijl een aantal snelstromende rivieren: de Acheron (ook wel de Arcadius genoemd), de Iris, de Thybris en, vlak daarbij, de Parthenius in zee uitmonden. De eerstvolgende rivier is dan de Thermodon, die op de berg Armonius ontspringt en door de wouden van Themiscyra stroomt, waarheen ooit de Amazonen gedwongen waren te verhuizen, en wel om de volgende reden. 18.Nadat oudtijds de Amazonen eerst hun buurvolken in bloedige en verwoestende strooptochten zoveel verliezen hadden toegebracht dat die volkomen waren geruïneerd, richtten ze hun blik op meer ambitieuze doelen. Zich te sterk wetend dan dat ze zich zouden beperken tot aanvallen op hun buren, en bezeten van een ongebreidelde hebzucht, begonnen ze, na al die andere volken overwonnen te hebben, een oorlog met de Atheners. Maar in een hevig treffen werden ze verpletterend verslagen doordat ze verzuimden de flanken van hun ruiterij te dekken, en kwamen allen daarbij om. 19.Toen degenen die ongeschikt voor het krijgsbedrijf thuis waren gebleven, van die nederlaag vernamen, raakten ze in grote problemen. Aangevallen door hun buurvolken, die nu revanche namen, weken ze uit naar het veiligere stroomgebied van de Thermodon, waarvandaan hun talrijke nakomelingen later, toen ze getalsmatig een geduchte macht vormden, weer naar hun oorspronkelijke woonstee terugkeerden, waar ze de schrik werden van verscheidene volken. 20.Niet ver daarvandaan verheft zich, noordwaarts glooiend, de heuvel Carambis, waartegenover op een afstand van 2500 stadiën de kaap Criumetopon van Taurië ligt. Vanaf dit punt vormt de hele kust [van de Zwarte Zee] te beginnen met de [monding van de] rivier de Halys ongeveer een rechte lijn - als een pees, gespannen tussen de twee uiteinden van een boog. 21.Aangrenzend wonen de Dahen, een buitengewoon krijgshaftig volk,14 en de Chalyben, die als eersten ijzer hebben gewonnen en bewerkt. In de open vlakten daarachter wonen de Byzaren, Sapiren, Tibarenen, Mossynoëcen, Macronen en Philyren, volken die wij bij gebrek aan contact niet kennen. 22.Op korte afstand daarvan liggen graven van beroemdheden, zoals Sthenelus, Idmon en Tiphys. De eerstgenoemde was een vriend van Hercules die dodelijk gewond raakte in een oorlog met de Amazonen, de tweede de ziener van de Argonauten, de derde de behendige stuurman van hun schip [de Argo]. 23.Voorbij de hier genoemde streken komt men bij de grot Aulion en de rivier de Callichorus [‘schone dansplaats’], die zo genoemd wordt omdat Bacchus, nadat hij in een driejarige strijd de volken van Indië had overwonnen en teruggekeerd was naar deze omgeving, aan de groene, schaduwrijke oevers van deze stroom de vroegere orgiën en koordansen in ere herstelde, welke feesten volgens sommigen tri-eterica 15 werden genoemd. 24.Nog weer verder liggen de dichtbevolkte woongebieden van de Camariten, en vormt de woest stromende Phasis de grens met het land van de Colchen, nazaten van Egyptenaren, met onder andere de steden Phasis (genoemd naar de rivier) en Dioscurias, een plaats die nog steeds bekendheid geniet en volgens een overlevering gesticht zou zijn door de Spartanen Amphitus en Cercius, de wagenmenners van Castor en Pollux en stamvaders van het volk der Heniochen. 25.Vlakbij wonen de Achaeërs,16 die na afloop van een eerdere oorlog bij Troje (dus zoals verschillende schrijvers ons hebben verzekerd niet de oorlog om Helena) door tegenwind uit de koers geraakt in de Pontus terecht kwamen, vanwege allerlei vijandige bejegeningen niet in staat waren een vaste woonstee te vinden en zich daarom hoog op de met eeuwige sneeuw bedekte bergen vestigden, waar ze vanwege het barre klimaat slechts een riskant roversbestaan konden leiden, als gevolg waarvan ze zich tot een ongelooflijk woest soort ontwikkelden. Over hun buurvolk de Cerceten bezitten we geen kennis van belang. 26. Achter hen vinden we de bewoners van de Cimmerische Bosporus. Hier liggen Milesische steden en met name Panticapaeum, om zo te zeggen de moeder van alle, die gestreeld wordt door de rivier de Hypanis, waarvan de stroom extra gevoed wordt door zijrivieren. 27.Tamelijk ver daarvandaan wonen de Amazonen, waarvan het leefgebied zich uitstrekt tot de Kaspische Zee. Hun rivier is de Tanaïs [de Don], die van de Kaukasus komt, sterk meanderend Azië van Europa scheidt en ondergaat in het stilstaande water van de Maeotis [de Zee van Azov]. 28.Daar niet ver vandaan loopt de rivier de Ra [de Wolga], op de oevers waarvan een gelijknamige plant groeit waarvan de wortel voor tal van geneesmiddelen wordt gebruikt.17 29.Aan de overzij van de Tanaïs bewonen Sauromaten [Sarmaten] een groot gebied dat door de Maraccus, de Rombites, de Theophanes en de Totordanes doorsneden wordt, rivieren die nooit droogvallen. (Een ander volk van de Sauromaten woont overigens ver daarvandaan in het kustgebied waar de rivier de Corax verwelkomd wordt en in de Pontus uitmondt.) 30.Dichtbij ligt de Maeotis, in werkelijkheid een enorm moeras. Uit haar overvloedige bronnen stroomt een grote massa water via de Bosporus van Panticapaeon [de Cimmerische Bosporus] de Pontus in. Rechts daarvan liggen de eilanden Phanagorus en Hermonassa, die hun ontstaan danken aan activiteiten van de Grieken. 31.Rond deze meest verafgelegen moerassen wonen veel volken met een grote verscheidenheid van zeden en talen: de Ixomaten, Maeoten, Iazygen, Roxolanen, Halanen, Melanchlainen; samen met de Gelonen ook de Agathyrsen, die rijk zijn aan diamanten, en nog andere volken die onbekend zijn omdat ze nog verder weg wonen. 32.Links van de Maeotis ligt de [Taurische] Chersonesus [de Krim] met een groot aantal Griekse kolonies. De mensen daar leiden een rustig en vreedzaam bestaan, bewerken hun velden en leven van wat het land opbrengt. 33.Op enige afstand wonen, verdeeld over verschillende koninkrijken, de Tauriërs, waaronder de om hun gruwelijke wreedheid gevreesde Arichen, Sinchen en Napeërs. Omdat hun woestheid almaar door hun brutaliteit gevoed wordt, wordt hun zee ‘Vreemdelingvijandig’ genoemd, of juist ironisch ‘Vreemdelingvriendelijk’ - de Pontus Euxeínos - zoals wij, Grieken, een gek euèthès [goedig, naïef] noemen, de nacht euphrónè [liefelijk] en de Furiën Eumenídes [vriendelijk]. 34.Bij die volken worden de goden namelijk mensenoffers gebracht en worden aan Diana, die ze Orsiloche noemen, vreemdelingen geofferd, waarvan de schedels aan de muren van haar heiligdom worden gehangen ter eeuwige herinnering aan hun heldendaden. 35.In dit Taurische land ligt het onbewoonde eiland Leuce, dat aan Achilles is gewijd. Wie daar toevallig aanbelandt, kan er overblijfselen uit oude tijden bezichtigen, de tempel en de gaven die de held gewijd zijn, maar keert ’s  avonds wel naar zijn schip terug, want er wordt gezegd dat niemand daar zonder levensgevaar kan overnachten. Er is water en men ziet er witte vogels die op ijsvogels lijken. (Over de herkomst daarvan en hun gevechten in de Hellespont kom ik bij gelegenheid nog te spreken.18) 36.Enkele bekendere steden in Taurië zijn Eupatoria, Dandace en Theodocia, naast andere, kleinere, die niet door mensenoffers bezoedeld zijn. 37.Daarmee, denkt men, bereikt de boog zijn uiterste punt. Gaan we nu ordentelijk verder met het volgende deel, dat zich, licht gebogen, onder de Grote Beer uitstrekt, tot links van de Thracische Bosporus - waarbij we eraan moeten denken dat, terwijl een boog bij alle andere volken één enkele doorlopende kromming heeft, die bij de Scythen alleen, of ook wel bij de Perzen, in het midden een rechte of wigvormige greep heeft met sterke krommingen aan weerszijden daarvan [naar de punten toe] in de vorm van een afnemende maan. 38.Dus, om te beginnen, direct [na deze ‘greep’], waar de Riphaeïsche bergen ophouden, wonen de Aremphaeën, rechtschapen mensen, bekend om hun vriendelijkheid, door wier gebied de rivieren de Chronius en de Visula lopen. Niet ver van hen vandaan wonen de Massageten, Halanen en Sargeten, naast verschillende onbekende volken waarvan we de namen noch de gewoonten kennen. 39.Op een grotere afstand vinden we de wijde Carcinitische Golf, een rivier van dezelfde naam en het heilige woud van Trivia [Diana]. 40.Vervolgens komt de Borysthenes [de Dnieper], die haar bronnen heeft in de bergen van de Nerviërs, direct al zeer waterrijk is en, zwellend door een toevloed uit een groot aantal zijrivieren, wild golvend in zee verdwijnt. Op haar bosrijke oevers liggen de steden Borysthenes en Cephalonesus en staan altaren gewijd aan Alexander de Grote en keizer Augustus. 41.Op grote afstand daarvan ligt een schiereiland dat bewoond wordt door de Sinden, een laag soort volk, dat zich na de ondergang van zijn meesters in Azië hun vrouwen en bezittingen toe-eigende. Daar weer naast ligt een smalle kuststrook, die door de bewoners de Achilléôs drómos [de renbaan van Achilles] wordt genoemd en fameus is vanwege de oefeningen eertijds van deze Thessalische held. Verderop ligt aan de rivier de Tyras [de Dniester] de stad Tyrus, een kolonie van de Phoeniciërs. 42.In het middelste deel van de boog, die zich, zoals al aangeduid enigszins uitstulpt over een afstand waar een flinke wandelaar vijftien dagen over doet, wonen de Europese Halanen en Costobocen en (we weten niet tot hoever) talrijke Scythische stammen. Daarvan leeft maar een klein deel van de producten van het land; de overigen zwerven door woeste, onontgonnen gebieden, waar ploeg en zaaigoed onbekend zijn en een ijzige koude heerst, en zoeken hun voedsel op een primitieve manier, als dieren. Als het hun invalt, laden ze hun gezinnen, tenten en armelijke huisraad op met schors afgedekte wagens en trekken daarmee, niet gehinderd door wat dan ook, naar de plek die ze zich gedacht hadden. 43.Maar komen we bij het volgende en laatste gedeelte van de boog, treffen we een groot aantal ankerplaatsen en het eiland Peuce [in de Donau], dat tot in zee steekt. Dat gebied wordt bewoond door Trogodyten, Peucen en andere, kleinere volksstammen, met plaatsen als Histros (eens een machtige stad), Tomi, Apollonia, Anchialus, Odessus en langs de Thracische kust nog vele andere. 44.De rivier de Donau, die in de buurt van Rauracum [Augst] in het berggebied dat de grens vormt met Raetië ontspringt, een enorme lengte heeft en wel zestig zijrivieren telt die bijna alle bevaarbaar zijn, stort zich hier, aan de Scythische kust met zeven mondingen in zee uit. 45.Van deze mondingen is de eerste die met het genoemde eiland Peuce; de tweede, de derde en de vierde heten, met Griekse namen althans, Naracustoma, Calonstoma en Pseudostoma; twee veel kleinere Borionstoma en Stenostoma; de zevende is modderig en donker als een moeras. 46.De Pontus is als geheel nevelig, heeft zoeter water dan andere zeeën en is vol ondiepten; de lucht erboven is vaak verdicht, bezwangerd met waterdamp; de rivieren die er aan alle kanten grote massa’s water in uitstorten en zich ermee vermengen, voeren veel slib en zand aan dat zich neerzet en ondiepten en banken vormt. 47.Het is een bekend feit dat vissen uit zelfs de verste uithoeken van onze [Middellandse] zee in scholen helemaal naar deze omgeving trekken om er te paaien, aangezien ze in dat zoete water hun broed gezondere levenskansen kunnen geven en in de holten en schuilplaatsen veilig zijn voor vraatzuchtige roofvissen. In de Pontus komt namelijk niets van dien aard voor, alleen een klein en ongevaarlijk soort dolfijn. 48.Het hele gedeelte van de Pontus echter dat gegeseld wordt door de ijzige noordenwind, vriest zodanig dicht, dat men niet kan geloven hoe rivieren daaronder door kunnen stromen en mens en dier op het onbetrouwbare, spiegelgladde oppervlak niet overeind kunnen blijven - een probleem dat zich in geen zoute zee voordoet, alleen in één die met zoet rivierwater gemengd is. Maar ik ben verder afgedwaald dan mijn bedoeling was en keer nu snel terug naar de rest van mijn verhaal. 49.De vreugde over de gang van zaken19 werd compleet door iets dat uiteraard verwacht werd, maar door allerlei omstandigheden vertraagd was: zoals Agilo en Jovius (de latere quaestor) berichtten, hadden de verdedigers van Aquileia, uitgeput door het lange beleg, op het vernemen van Constantius’ overlijden de poorten van hun stad geopend, waren naar buiten gekomen en hadden de aanstichters van de rebellie uitgeleverd. Die waren, zoals eerder verteld, levend verbrand, waarna alle andere schuldigen vergeving en genade was geschonken.    

9. Na Constantinopel te hebben vergroot en verfraaid, reist Julianus af naar Antiochia. Onderweg schenkt hij de bevolking van Nicomedia geld voor het herstel van hun verwoeste stad en vindt hij tijd om in Ancyra recht te spreken  

1.Moed puttend uit zijn successen, straalde Julianus een haast bovenmenselijke energie uit. Na zoveel gevaren te hebben doorstaan, leek het hem dat Fortuna, draagster van de hoorn van alle aardse goeds, hem zo welgezind was dat zij hem alle denkbare roem en voorspoed gunde. Aan zijn eerdere triomfen voegde zij nog toe, dat hij, zolang hij alléén heerste over de Romeinse wereld, niet verontrust werd door binnenlandse troebelen, geen barbaar zijn grenzen schond, en alle volken  hun eeuwige animositeit, even schadelijk voor zichzelf als voor anderen, intoomden en hem om strijd hemelhoog prezen. 2.Nadat hij naar de eisen van de veranderde tijden en omstandigheden allerlei zaken met grote zorgvuldigheid had geregeld en hij zijn soldaten met herhaalde harangues en door betaling van de hun verschuldigde soldij in de stemming had gebracht voor komende ondernemingen, vertrok hij zonder verder uitstel onder algemene toejuichingen naar Antiochia. Constantinopel liet hij groter en rijker achter, want hij was er geboren en hij beminde en koesterde haar als zijn vaderstad. 3.Na de [Thracische] Bosporus te zijn overgestoken en Chalcedon en Libyssa (waar Hannibal de Carthager begraven ligt) te zijn gepasseerd, kwam hij in Nicomedia aan, de eertijds glorieuze stad, door vroegere keizers zo begiftigd en begunstigd, dat ze met haar vele particuliere en publieke gebouwen door wie haar toen kenden, om zo te zeggen, als een district van de Eeuwige Stad werd beschouwd. 4.Toen hij zag hoe haar muren tot geblakerd puin waren vervallen, verrieden zijn stille tranen zijn hartzeer; met slepende stap begaf hij zich naar het paleis, des te meer met de stad begaan toen haar bestuurders en het volk, eens zo rijk en welvarend, hem in rouw tegemoet kwamen; sommigen herkende hij, aangezien hij hier door bisschop Eusebius, nog verre familie van hem, was opgevoed. 5.Hij zegde hun royaal alles toe wat nodig was voor het herstel van wat door de aardbeving was verwoest. Vervolgens reisde hij via Nicea door tot hij in Gallograecia [Galatië] kwam, waar hij zich, zuidwaarts van zijn route afwijkend, naar Pessinus begaf voor een bezoek aan het oude heiligdom van de Magna Mater, waarvan het beeld in de tweede Punische oorlog door Scipio Nasica op een aanwijzing in de Sibyllijnse Boeken uit die stad was weggehaald en naar Rome overgebracht. 6.Over de aankomst van dat beeld in Italië en enkele verwante onderwerpen heb ik vroeger al eens uitgeweid in verband met de geschiedenis van keizer Commodus. Waarom die stad Pessinus heet, wordt door schrijvers verschillend verklaard. 7.Sommigen beweren dat die naam is afgeleid van ‘vallen’ (in het Grieks apò tou peseín). Anderen zeggen dat Ilus, de zoon van Tros, de koning van Dardanië die plaats zo genoemd heeft. Theopompus echter verzekert dat het niet Ilus is geweest, maar Midas, de vroegere machtige koning van Phrygië. 8.Na de godheid vereerd en met zoenoffers gunstig gestemd te hebben, keerde Julianus naar Ancyra terug. Onderweg daarheen werd hij belaagd door nogal wat lieden die óf teruggave eisten van wat hun met geweld was ontnomen, óf zich beklaagden omdat ze onterecht aan een stadsbestuur waren toegevoegd,20 terwijl sommigen zelfs zo onverstandig waren om zonder rekening te houden met het gevaar dat ze daarmee zelf liepen, hun vijanden te beschuldigden van majesteitsschennis. 9.Als een nog strengere rechter dan ooit een Cassius of een Lycurgus, woog hij de argumenten in hun zaken onpartijdig tegen elkaar af, gaf ieder het zijne, deed daarbij nooit de waarheid geweld aan, maar trad hard op tegen lasteraars, die hij haatte sinds hij van de brutaliteit en de dwaasheid van nogal wat van hun soort bijna zelf het slachtoffer was geworden toen hij nog een eenvoudige burger was. 10.Het volgende voorbeeld van zijn geduld bij de behandeling van die zaken moge volstaan, al zijn er genoeg andere te geven. Een zeker iemand klaagde een persoonlijke vijand met wie hij een ernstig conflict had, aan wegens majesteitsschennis. Omdat de keizer hem negeerde, herhaalde hij dit dagen achtereen en antwoordde tenslotte op de vraag wie het dan wel was die hij beschuldigde: ‘die en die, een rijk man’. De keizer lachte daarom en vroeg hem op grond waarvan hij wel tot zijn conclusie was gekomen. 11.‘Hij laat zich namelijk uit een lap zijde een purperen kleed maken’, zei de man. Na deze verklaring werd hem het zwijgen opgelegd en werd hij - ongestraft - weggestuurd (hij was maar een onbetekenend sujet, dat iemand anders van zijn slag van iets enorms beschuldigde), maar hij gaf niet op. Toen Julianus daar genoeg van kreeg, zei hij tegen de comes largitionum, die bij hem stond: ‘Laat aan die gevaarlijke kletser een paar purperen muilen meegeven voor zijn vijand, die, als ik het goed begrijp, een mantel van die kleur in elkaar heeft geflanst, zodat hij weten mag wat zo’n vod waard is zonder de daarbij behorende macht’.12.Was dit in hem te prijzen en een voorbeeld voor goede regeerders, het was anderzijds niet fraai, dat wie onder zijn bewind door de curiales gestrikt was, al behoorde hij door vrijstellingen, langdurige krijgsdienst of een bewijsbare niet-curiale afkomst daarvan gevrijwaard te zijn, moeilijk zijn recht kon vinden, zo zelfs, dat velen uit angst tegen betaling van grote sommen geld de dreiging van die verplichte burgerdiensten afkochten. 13.Verder reizend kwam hij bij de Pylae, een pas op de grens tussen Cappadocië en Cilicië, waar hij Celsus, de gouverneur van de provincie, die hij nog kende uit zijn Atheense studententijd, met een kus begroette en bij zich in de reiswagen liet plaatsnemen om hem mee te nemen naar Tarsus. 14.Vol ongeduld keek hij uit naar Antiochia, het schoonste sieraad van de Oriënt, en toen hij eindelijk de stad naderde, werd hij met publieke beden ontvangen als was hij een godheid en verrast met acclamaties van een grote menigte, roepend dat een geluksster over het oosten was opgegaan. 15.Nu was het juist in de dagen waarop de jaarlijkse traditionele riten plaatsvonden ter ere van Adonis, volgens de dichters de geliefde van Venus, die door een ever met een fatale beet gedood was - een verzinnebeelding van de snede van de zeis door het rijpe graan. Het leek dus een slecht voorteken, dat, toen de hij voor het eerst deze machtige keizerstad binnenging, aan alle kanten geweeklaag en kreten van wanhoop klonken. 16.Hier bleek weer eens - met een onbeduidend weliswaar maar toch opmerkelijk voorbeeld - ’s keizers gelijkmoedigheid en mildheid. Hij had namelijk een wrok tegen een zekere Thalassius, een voormalige proximus libellorum, die mede de val van zijn broer Gallus had veroorzaakt en daarom weggehouden werd van de officiële audiëntie van hoge functionarissen ten paleize. Tegenstanders van deze man met wie hij in een geding gewikkeld was, verschenen de volgende dag met elkaar voor de keizer en riepen: ‘Thalassius, de vijand van uwe majesteit, heeft ons opgelicht!’ 17.Maar hoewel Julianus besefte dat dit hem de gelegenheid bood met de man af te rekenen, antwoordde hij: ‘Ik moet u zeggen, dat ik door degene die u bedoelt, inderdaad gekrenkt ben. Daarom past het u te zwijgen tot hij mij, de beledigde van een hogere rang, voldoening heeft gegeven.’ En hij gaf de prefect die hem terzijde stond, opdracht hun zaak niet in behandeling te nemen tot hij zich zelf met Thalassius had verzoend, wat kort daarop gebeurde.  

10. Julianus overwintert in Antiochia en spreekt er recht. Hij discrimineert niemand vanwege zijn geloof

  1.Hij bracht in Antiochia aangename wintermaanden door, maar liet zich niet verleiden door de genoegens en vermaken die Syrië ruimschoots te bieden had. Integendeel, bij wijze van ontspanning verdiepte hij zich in rechtszaken en tal van andere problemen, ook van de oorlog, en werd aldus in beslag genomen door allerlei bezigheden, waarbij hij pijnlijk nauwkeurig naging, hoe aan ieder het zijne te geven door met rechtvaardige vonnissen zowel schuldigen met gematigde straffen te doen boeten als onschuldigen met hun have en goed in bescherming te nemen. 2.En hoewel hij tijdens rechtszittingen soms buiten de orde raakte en te onpas informeerde welke godsdienst elk van de strijdende partijen beleed, is nooit gebleken dat een gerechtelijke uitspraak van hem de waarheid geweld aandeed, zoals men ook nooit heeft kunnen zeggen dat hij omwille van godsdienst of wat dan ook van de rechte weg der rechtvaardigheid afweek. 3.Een oordeel is immers pas correct en aanvaardbaar als recht wordt onderscheiden van onrecht door onderzoek van alle relevante omstandigheden. Daar week hij in niets van af, op zijn hoede voor gevaarlijke klippen. Dit kon hij daardoor bereiken dat hij, de onberekenbaarheid van zijn eigen impulsieve karakter kennend, zijn prefecten en adviseurs aanmoedigde onbeschroomd zijn opwellingen te corrigeren wanneer hij daardoor de verkeerde kant op dreigde te gaan. Soms, inderdaad, betuigde hij spijt over zijn vergissingen en toonde hij zich dankbaar voor correcties. 4.En toen verdedigers in bepaalde zaken hem eens overvloedig lof toezwaaiden om zijn hoogontwikkeld begrip van recht, zou hij geantwoord hebben: ‘Het zou mij plezier doen - en ik zou me daar niet voor generen - als ik geprezen werd door wie me ook zouden bekritiseren wanneer ik iets fout zou doen of zeggen’. 5.Ik wil ermee volstaan, in plaats van allerlei voorbeelden op te sommen van zijn lankmoedigheid in zaken die hij te behandelen kreeg, dit ene aan te halen, dat hier noch buiten de orde noch ongepast is. Een vrouw, die voor het gerecht gedaagd was en tot haar verbazing zag dat haar aanklager, een hoveling die, hoewel hij net als anderen ontslagen was, zijn tuniek toch nog [met een gordel] opgeschort droeg, maakte heftig bezwaar tegen die brutaliteit. Maar de keizer zei: ‘Gaat u verder met uw zaak als u meent dat u enig onrecht is aangedaan. Deze man heeft zijn kleren opgeschort om gemakkelijker door modder te kunnen waden. Het kan uw zaak weinig schaden’. 6.Door zulke voorvallen kon men haast geloven - wat Julianus ook zelf vaak zei - dat de oude godin Justitia, die Aratus om de wandaden der mensen ten hemel liet stijgen, onder zijn regering op aarde was teruggekeerd, ware het niet, dat hij sommige gevallen toch naar eigen goeddunken en niet volgens de regels van het recht afdeed en door de fouten die hij daarbij beging, afbreuk deed aan zijn roem. 7.Naast vele andere zaken verbeterde hij ook de wetgeving op een aantal punten, door haar te zuiveren van dubbelzinnigheden en in klare taal te laten vastleggen wat ze gebood en verbood. Maar dit ene was onmenselijk en zou voor eeuwig met stilzwijgen moeten worden toegedekt, dat hij leraren in literatuur en welsprekendheid verbood hun beroep uit te oefenen als ze de christelijke godsdienst beleden.   

11. Georgius, bisschop van Alexandria, wordt door de heidenen met twee anderen door de straten gesleept, aan stukken gescheurd en verbrand. Niemand wordt daarvoor gestraft

  1.In die tijd werden de beruchte notarius Gaudentius, die door Constantius, zoals eerder gezegd,21 naar Afrika was gezonden om maatregelen te nemen tegen een eventuele inval [van Julianus], evenals een voormalige vicarius, Julianus, die een fanatieke aanhanger was van dezelfde partij, in ketenen opgebracht en met de dood gestraft. 2.Toen onderging ook Artemius, de voormalige militaire commandant van Egypte, tegen wie de Alexandrijnen een verpletterende massa beschuldigingen hadden ingebracht, de doodstraf. Na hem werd de zoon van Marcellus, een voormalige magister equitum et peditum, die gereikt zou hebben naar de hoogste staatsmacht, in het openbaar terecht gesteld. Tenslotte werden Romanus en Vincentius, tribunen van het eerste en het tweede gardecorps der Scutarii, wegens machtsmisbruik veroordeeld en verbannen. 3.Toen kort hierna de Alexandrijnen hoorden van de dood van Artemius, van wie ze hadden gevreesd dat hij (zoals hij gedreigd had) in zijn oude positie zou terugkeren en - wee dan degenen die hem hadden beledigd! - richtten ze hun woede op bisschop Georgius, een slang wiens giftige beten ze al vaak hadden moeten verduren. 4.Deze man zou geboren zijn in een vollerij in Epiphania, een stad in Cilicië, was over de ruggen van anderen opgeklommen en, bepaald niet voor zijn eigen bestwil of in het algemeen belang, tot bisschop gewijd van Alexandria, een stad waar af en toe spontaan en zonder enige reden opstanden en rellen uitbreken, waarvan ook orakelspreuken getuigen. 5.Volgens heethoofden daar had Georgius zelf om moeilijkheden gevraagd door onder andere de goedgelovige oren van Constantius beschuldigingen in te fluisteren tegen lieden die zich tegen zijn gezag zouden verzetten, en had zich daarmee, verzakend aan zijn plicht om aan te sporen tot rechtvaardigheid en mildheid, verlaagd tot de dodelijke praktijken van een verrader. 6.Zo werd gezegd dat hij Constantius er met boos opzet op had gewezen dat alle openbare gebouwen in die stad door haar stichter Alexander ten koste van grote sommen aan publieke gelden waren opgericht en dus met het volste recht ten profijte van de staatskas mochten worden belast. 7.Aan al dit kwaad voegde hij nog iets toe waardoor hij tenslotte regelrecht zijn ondergang tegemoet ging. Toen hij namelijk een keer, zoals gewoonlijk omringd door een grote menigte, terugkeerde van het keizerlijke hof en de schitterende tempel van de Genius van de stad passeerde, wendde hij zijn blik ostentatief naar dat gebouw en zei: ‘Hoe lang zal dat dodenhuis nog overeind blijven?’ Die woorden sloegen bij de toehoorders in als een bliksem en, vermoedend dat hij eropuit was die tempel te verwoesten, begonnen ze te bedenken hoe ze hem onschadelijk konden maken. 8.Dus, toen plotseling het heuglijke bericht kwam over de dood van Artemius, raakte het plebs buiten zichzelf - hier had niemand op durven hopen! - en schreeuwend en tandenknarsend zochten hele horden Georgius op. Toen ze hem te pakken hadden, mishandelden ze hem op allerlei manieren, trapten en sloegen hem, sleepten hem aan zijn voeten door de straten en maakten hem af. 9.Met hem werden ook Draconius, de directeur van de Munt en een zekere Diodorus, een ere-comes, met touwen aan hun benen rondgesleurd tot ze stierven, de een omdat hij een altaar dat kort tevoren in zijn Munt was opgesteld, omver had geworpen, de ander, omdat hij als verantwoordelijke voor de bouw van een kerk, eigenmachtig de haarlokken van kleine jongens had afgeknipt, in de veronderstelling dat die iets te maken hadden met afgoderij. 10.Daarmee nog niet tevreden, zetten de woedende benden de verscheurde lijken van de drie op kamelen, reden ze naar het strand, verbrandden ze en wierpen hun as in zee om te voorkomen (zoals ze riepen) dat de stoffelijke resten zouden worden begraven en er een kerk voor zou worden gebouwd zoals voor anderen die, gedwongen hun geloof af te zweren, liever gruwelijke martelingen hadden verduurd, met ongeschonden geloof een eervolle dood tegemoet waren gegaan en sindsdien martelaren worden genoemd. De ongelukkigen die zo wreed aan hun einde kwamen, hadden misschien nog door de christenen kunnen worden gered als niet letterlijk de hele burgerij voor Georgius een gloeiende haat had gekoesterd. 11.Toen de keizer van het gebeurde vernam, was zijn eerste opwelling die afschuwelijke daad te wreken, maar op het punt de schuldigen streng te straffen werd hij gekalmeerd door mildere raadgevers en liet hij het bij een edict waarin hij de misdaad in scherpe bewoordingen afkeurde en met strenge straffen bedreigde wie het nogmaals zou wagen recht en wet met voeten te treden.  

12. Julianus treft voorbereidingen voor een campagne tegen de Perzen. Om de afloop daarvan te voorzien raadpleegt hij orakels en slacht hij ontelbare offerdieren. Hij verliest zich geheel in waarzeggerij en duiding van tekenen  

1.Intussen trof de keizer voorbereidingen voor een campagne tegen de Perzen waarvoor hij zich al sinds lang sterk maakte, vastbesloten hun vroegere wandaden te wreken. Want hij wist, ook uit rapporten, hoe dat woeste volk in het oosten al zo’n zestig jaar de gruwelijkste bewijzen van zijn moord- en roofzucht had geleverd, wat ons meer dan eens onze legers had gekost. 2.Het was om twee redenen dat hij brandde van ongeduld om die oorlog te beginnen. De eerste was, dat hij genoeg had van het nietsdoen en droomde van trompetgeschal en strijdgewoel; de tweede, dat hij al in zijn jonge jaren het hoofd had moeten bieden aan woeste stammen en zich levendig de smeekbeden herinnerde van hun koningen en prinsen, die toch de naam hadden liever totaal te worden verslagen dan zich op genade of ongenade over te geven, en hij aan zijn schitterende trofeeën met alle geweld nog de eretitel ‘Parthicus’ wenste toe te voegen. 3.Maar lieden die zelf geen hand uitstaken, hem zelfs tegenwerkten omdat ze hem vijandig gezind waren, en zagen hoe energiek en voortvarend hij te werk ging, verkondigden links en rechts dat het schandelijk was en schadelijk bovendien, dat als gevolg van de vervanging van één man door een ander,22 zoveel onnodig overhoop werd gehaald, en lieten niet na, de oorlogsvoorbereidingen te saboteren. Ook zeiden ze vaak in aanwezigheid van derden die hun woorden misschien aan de keizer zouden overbrieven, dat als hij niet kalmer te werk ging bij zijn overmatig succes en geluk, hij, zoals in vruchtbare grond al te weelderig groeiende planten, voortijdig aan zijn voorspoed ten onder zou gaan. 4.In hun vergeefse, voortdurende en hardnekkige obstructie waren ze als honden, grommend om een man op wie zulke halve bedreigingen even weinig indruk maakten als die van de Pygmeeën of die van de Lindische veehoeder Thiodamas ooit op Hercules.23 5.En zelfverzekerd als geen ander bestudeerde Julianus met pijnlijke nauwkeurigheid alle aspecten van de onderneming en nam hij met grote zorg de nodige maatregelen. 6.Intussen overgoot hij de altaren met stromen bloed van enorme aantallen offerdieren. Soms offerde hij stieren bij honderden, daarbij ontelbare kudden ander vee en witte vogels, op het land en op het water gevangen, zodat bijna dagelijks zijn soldaten, oververzadigd van het vlees dat ze hadden opgeschrokt tijdens offermaaltijden waar geen goed woord voor is, en te dronken om op hun benen te staan, openlijk op de schouders van voorbijgangers door de straten van de stad van de tempels naar hun onderkomens moesten worden gedragen. Vooral de onbeschaamdheid van de Petulanten en de Kelten ging in die dagen alle perken te buiten. 7.Ook werden steeds meer godsdienstige plechtigheden gehouden, waarvan de kosten een tot dan toe ongekend zware belasting vormden. En nu het niet langer verboden was, kon ieder die ook maar enigszins bedreven was in waarzeggerij, zonder beperking en niet gehinderd door regels en voorschriften, orakels uitvorsen en ingewanden van offerdieren raadplegen, waarin men soms de toekomst kan lezen, en werd op de meest merkwaardige manieren geprobeerd, uit getjilp of de vlucht van vogels en andere verschijnselen enige wetenschap te peuren. 8.Terwijl dit alles gebeurde als in een tijd van vrede, bedacht Julianus, om hoe dan ook maar in de toekomst te kunnen zien, nog een nieuwe soort raadpleging, namelijk door de voorspellende bronader van Castalia te heropenen, waarvan gezegd wordt dat ze ooit met een enorme vracht stenen geblokkeerd was door keizer Hadrianus, die uit deze profetische wateren had vernomen dat hem het keizerschap zou toevallen, en wilde voorkomen dat anderen hetzelfde te horen konden krijgen. En na god Apollo te hebben aangeroepen, beval Julianus de doden die rondom de bron waren begraven24 naar elders over te brengen in eenzelfde ceremonie als waarmee de Atheners het eiland Delos hadden gereinigd.  

13. De tempel van Apollo in Daphne brandt af. Julianus geeft ten onrechte de christenen daarvan de schuld en sluit de grote kerk van Antiochia

1.In diezelfde tijd, en wel op de 22e oktober, werd de schitterende tempel van Apollo in Daphne, ooit gesticht door de onberekenbare en wrede koning Antiochus Epiphanes, met daarin een beeld van Zeus - een kopie van gelijke grootte van dat in Olympia - plotseling door brand volledig verwoest. 2.Over dit onverwachtse, vreselijke ongeluk ontstak de keizer in hevige toorn. Hij liet een  diepgaand onderzoek instellen en de grote kerk van Antiochia sluiten. Hij vermoedde namelijk dat de christenen het hadden gedaan uit nijd over het feit, dat ze met lede ogen moesten aanzien hoe rondom die tempel een prachtige zuilengalerij werd gebouwd. 3.Er werd aan de andere kant gezegd, weliswaar op uiterst losse grond, dat de oorzaak van de brand een heel andere was, namelijk dat de bekende, vroeger door mij in de geschiedenis van Magnentius genoemde filosoof Asclepiades, die uit het buitenland naar Daphne was gekomen om Julianus te ontmoeten, [in de tempel] een zilveren beeldje van de Dea Caelestis, dat hij altijd bij zich droeg, voor de voeten van het beeld van de verheven god had geplaatst en na volgens zijn gewoonte een paar waskaarsen te hebben aangestoken was weggegaan, waarna na middernacht, toen er niemand was die er iets aan kon doen, daarvan vonken waren weggespat op het oude houtwerk en het vuur, gevoed door dit droge materiaal, al wat op zijn weg kwam van onder tot boven had verteerd. 4.Tegen de winter van datzelfde jaar ontstond zo’n groot tekort aan water, dat zelfs bronnen die anders overvloedig vloeiden, geen water meer gaven en beken droog kwamen te staan. Later kwam dit wel weer goed. 5.Toen, op de 2e december, juist vóór de avond, werd wat nog stond van Nicomedia door een aardbeving verwoest en tegelijk ook een groot deel van Nicea.  

14. Julianus offert aan Jupiter op de berg Casius. Woedend op het volk van Antiochia schrijft hij de ‘Misopogon’ 

1.Hoewel dit alles de keizer treurig en zorgelijk stemde, veronachtzaamde hij toch de dringende zaken niet die nog geregeld moesten worden vóór de geplande campagne kon aanvangen. Naast alle belangrijke en spoedeisende maatregelen scheen er echter één niet opportuun, namelijk dat hij zonder dat daar een gegronde reden voor was, louter omwille van zijn populariteit bij het volk, de prijs van levensmiddelen wenste te verlagen, hetgeen vaak, wanneer dat niet goed geregeld wordt, schaarste en hongersnood tot gevolg heeft. 2.Het stadsbestuur van Antiochia stelde zich op het standpunt dat dit op het tijdstip waarop hij dat wenste onmogelijk was, maar hij was er niet van af te brengen - soms leek hij op zijn broer Gallus, afgezien dan van diens wreedheid. Vanaf die tijd lag hij met de decurio’s in onmin, schold ze voor dwarsliggers en stijfkoppen en schreef een schotschrift met als titel ‘de Antiochener’ of ‘de Baardhater’, een opsomming van bittere verwijten aan de stad, waarvan sommige onterecht. Hij merkte, dat er daarna over hem geginnegapt werd, maar was zo wijs, dat voor het moment te negeren, al kookte hij innerlijk van woede. 3.Ze noemden hem spottend een ondermaatse aap, pronkend met zijn geitensik, die zijn magere schouders vergeefs breed maakte en rondliep met grote stappen alsof hij een broer was van Otus en Ephialtes, van wie Homerus de enorme gestalten heeft beschreven. Ook heette het, in een toespeling op de eindeloze dierenoffers die hij bracht, dat hij meer een slager leek dan een priester, en die beschuldiging was niet onterecht, want uit louter praalzucht schepte hij er genoegen in, zelf in plaats van de priesters de cultusvoorwerpen te dragen en zich daarbij met vrouwspersonen te omgeven. Hij ergerde zich dus wel over zulke praat, maar reageerde er niet op, bedwong zijn emoties en ging gewoon door met zijn offerhandelingen.4.Tenslotte besteeg hij op een bepaalde feestdag de Casius, een ronde, ruigbegroeide berg die hoog boven het landschap uitsteekt, van waaraf bij het tweede hanengekraai het eerste licht van de opkomende zon te zien is. Toen hij daar een offer bracht aan Zeus, viel zijn oog op een man die languit op de grond lag en onderdanig smeekte vergeven en gespaard te mogen worden. Op de vraag wie hij was, antwoordde de man dat hij Theodosius was, de voormalige gouverneur van Hierapolis die eens samen met andere hoge functionarissen Constantius uit zijn stad uitgeleide had gedaan en hem, in de overtuiging dat hij Julianus ging verslaan, met vleierijen die hij nu betreurde en veel emotioneel theater had gebeden, het hoofd van de ondankbare verrader toegezonden te mogen krijgen, zoals hij zich herinnerde dat ook eens het hoofd van Magnentius van stad tot stad was geshowd. 5.Daarop gaf Julianus als antwoord: ‘Inderdaad heb ik in het verleden van die uitspraak gehoord, want verschillenden hebben mij ervan verteld, maar gaat u gerust naar huis, vrij van vrees door de goedheid van uw keizer, die er, gedachtig de raad van een wijs man, met hart en ziel naar streeft, het getal van zijn vijanden te verminderen en dat van zijn vrienden te vergroten’. 6.Toen hij na het beëindigen van de offerplechtigheid daarvandaan vertrok, werd hem een brief overhandigd van de gouverneur van Egypte, waarin deze mededeelde dat men er na lang en intensief zoeken eindelijk in was geslaagd een nieuwe Apis-stier te vinden, hetgeen, zoals men daar gelooft, een teken is dat een overvloedige oogst en verder ook alle goeds voorspelt. 7.Dit wil ik in het kort uitleggen. Onder de naar oeroude godsdienstige overtuiging heilige dieren zijn Mnevis en Apis de bekendste. Mnevis is gewijd aan de zon - daarover valt verder niets bijzonders te vermelden - Apis aan de maan. Apis nu is een stier die opvalt door een bepaalde tekening van vlekken en met name herkenbaar is aan de figuur van een wassende maan op zijn rechterflank. Na een vastgestelde tijd van leven wordt hij in een heilige bron geworpen en gedood (hij mag namelijk niet langer leven dan mystieke boeken met een bepaalde autoriteit voorschrijven), terwijl in diezelfde ceremonie ook een koe, die vanwege vaste merktekens is uitgekozen, wordt gedood, dat wil zeggen aan de stier wordt aangeboden. Na de dood van de stier wordt onder publiek rouwbetoon een andere Apis gezocht en als men erin slaagt die te vinden, één dus die precies alle vereiste kentekenen vertoont, wordt hij naar Memphis gebracht, een stad die beroemd is om de veelvuldige aanwezigheid van de god Aesculapius. 8.Daar wordt hij onder begeleiding van honderd priesters een heiligdom binnen gevoerd, wordt geheiligd en geeft, naar men zegt, door duidelijke tekens aanwijzingen over toekomstige gebeurtenissen. Voor sommigen die hem benaderen toont hij echter door ongunstige tekenen een duidelijke afkeer, zoals hij zich eens, lezen we, afwendde van caesar Germanicus toen die hem voer aanbood, en daarmee aankondigde wat spoedig te gebeuren stond.  

15.  Een beschrijving van Egypte, van de Nijl, de krokodil, de ibis en de piramiden

  1.Dit geeft mij trouwens aanleiding (na de meer uitvoerige uiteenzetting die ik daarover, voornamelijk uit eigen aanschouwing, vroeger heb gegeven in verband met de geschiedenis van de keizers Hadrianus en Severus) in het kort iets te zeggen over Egypte. 2.Het Egyptische volk is van alle het oudste, hoewel het mogelijk om dit predikaat strijdt met dat van de Scythen. In het zuiden wordt hun land begrensd door de Grote Syrte, de voorgebergten Phycus en Borion en de woongebieden van verschillende volkeren, waaronder de Garamanten; naar het oosten strekt het zich uit tot de Ethiopische steden Elephantine en Meroë, de Catadupen, de Rode Zee en het land van de Scenitische Arabieren, tegenwoordig Saracenen genaamd; in het noorden grenst het aan het eindeloze gebied waar Azië en de Syrische provincies beginnen; van het westen wordt het gescheiden door de Golf van Issus, door sommigen de Parthenische Zee genoemd.25 3.Nu iets in het kort over de nuttigste rivier die bestaat, de Nijl (die Homerus de Egyptische noemt), waarna ik op nog andere opmerkelijke zaken in deze regionen zal wijzen. 4.Over de bronnen of de oorsprong van de Nijl zullen - daar ben ik van overtuigd - ook latere eeuwen net zo in het ongewisse blijven als wij zijn tot nu toe. Maar omdat in dichterlijke bespiegelingen en allerlei tegenstrijdige geschriften van geografen voor dit raadsel uiteenlopende verklaringen worden gegeven, zal ik in een paar woorden enkele van hun opvattingen behandelen die mij nog het dichtst bij de waarheid lijken te komen. 5.Sommige natuurfilosofen beweren stellig dat wanneer de winterkou in noordelijke gebieden alles doet verstijven, daar grote massa’s sneeuw bevriezen. Later ontdooien die weer onder de verwarmende stralen van de zon, verdampen en vormen wolken die door de ‘Jaarwinden’, de Etesiae zuidwaarts worden gedreven, waar ze door de extreme hitte daar uitregenen en een sterke stijging van het Nijlwater veroorzaken. 6.Anderen beweren dat het de overvloedige Ethiopische regenval is, die in hete seizoenen in die streken plaatsvindt en in een bepaalde tijd van het jaar de overstromingen veroorzaakt. Maar deze beide verklaringen lijken mij niet te kloppen. Regen valt namelijk in het land van de Ethiopiërs, naar men zegt, óf nooit óf zeer zelden. 7.Een meer gangbare verklaring luidt, dat wanneer de Prodromoi waaien en vervolgens vijfenveertig dagen lang de Etesiae, winden die recht op de monding van de Nijl staan, zij de stroomsnelheid van de rivier afremmen, zodat deze zwelt en óverstroomt; want zolang deze winden waaien, wordt het water van de rivier enerzijds door de kracht van de tegenwind teruggedreven en opgestuwd, en blijft het anderzijds wassen door de onverbiddelijke toevloed uit haar eeuwige bronnen. Die watermassa stijgt dan maar door tot ze alles bedekt, de gronden overspoelt en er boven de glooiende velden uitziet als een zee. 8.Koning Juba echter, die zich beroept op de autoriteit van Punische boeken, verklaart dat de Nijl zijn oorsprong vindt op een berg die aan de kust van Mauretanië is gelegen, wat volgens hem zou blijken uit het feit dat in dat moerassige gebied dezelfde vissen, planten en dieren voorkomen [als in het Nijlgebied]. 9.Op zijn weg door Ethiopië bereikt de Nijl, of hoe anders ook genaamd door de vele volkeren waarvan hij de woongebieden doorsnijdt, als een kolkende watermassa de cataracten (dat zijn steile rotsen) waar vanaf hij zich omlaag stort, eerder valt dan stroomt, zo, dat ooit de aanwonende Aten, geplaagd door gehoorstoornissen vanwege het voortdurende geraas, zich genoodzaakt zagen naar een rustigere plaats te verhuizen. 10.Daarna stroomt hij kalmer voort, tot hij via zeven mondingen, die eruit zien als hele rivieren en ook als zodanig bruikbaar zijn, en zonder dat hij in Egypte zelf van zijrivieren nog water ontvangt, uitmondt in zee. En afgezien van nog een groot aantal aftakkingen van deze hoofdstroom, die elk in bijna even grote rivieren uitlopen, zijn deze zeven door hun watermassa’s goed bevaarbaar. De ouden hebben ze de volgende namen gegeven: de Heracleoticus, Sebennyticus, Bolbiticus, Pathmiticus, Mendesius, Taniticus en Pelusiacus. 11.Wanneer de Nijl, ontstaan dus waar ik gezegd heb, van het moerasgebied tot aan de cataracten stroomt, vormt hij onderwijl verschillende eilanden, waarvan sommige, zegt men, zo’n oppervlakte beslaan, dat de rivier elk daarvan in drie dagen nauwelijks passeert. 12.Twee van deze eilanden zijn welbekend, namelijk Meroë en Delta, de laatste uiteraard zo genoemd naar de vorm van die driehoekige letter. Vanaf het moment nu, dat de zon in het sterrenbeeld van de Kreeft komt, tot ze overgaat naar de Weegschaal, stijgt het water van de rivier, blijft honderd dagen hoog en zakt dan weer. En wanneer die enorme watermassa’s zich terugtrekken, laten ze de vlakten bloot die een tijdlang bevaarbaar waren voor schepen, maar dan weer berijdbaar worden voor ruiters. 13.Wanneer de rivier overmatig zwelt, is dat even schadelijk als wanneer dit te matig gebeurt: door overvloed blijven de akkers te lang nat om te kunnen worden bebouwd, door onderbewatering dreigt een schrale oogst. Geen landeigenaar heeft ooit een hogere waterstand wenselijk geacht dan zestien el, en wanneer het water in de juiste mate stijgt, geeft zaad dat in vette grond is gestrooid, soms wel een bijna zeventigvoudige opbrengst. De Nijl is de enige rivier waaruit geen nevels opstijgen.14.Egypte bezit een fauna, rijk aan land- en waterdieren en dieren die zowel op het land als in het water leven en daarom amfibieën worden genoemd. Op het droge leven wilde geiten, gazellen, belachelijk lelijke apen en ander wonderlijk gedierte, waar ik niet verder op inga. 15.Onder de waterdieren komt vooral de krokodil in grote aantallen voor, een kwaadaardig viervoetig monster, in beide elementen thuis, een beest zonder tong, dat alleen de bovenkaak kan bewegen, maar met een kam van tanden in de bek waarmee het wat het maar tegenkomt, met onherroepelijk dodelijke beten vastgrijpt; zijn jongen komen uit eieren die lijken op die van ganzen. 16.Als hij met de klauwen waarmee hij gewapend is, ook zou kunnen grijpen, zou hij met zijn enorme kracht in staat zijn schepen te doen omslaan. Soms wordt hij wel achttien el lang. ’s Nachts rust hij in het water, overdag warmt hij zich op het droge, veilig in zijn huid, die zo hard is dat zijn gepantserde rug zelfs projectielen uit zwaar geschut kan weerstaan. 17.Wonderlijk genoeg zijn diezelfde kwaadaardige dieren (als bij een soort wapenstilstand) tam en volstrekt ongevaarlijk gedurende de feestweek waarin de priesters van Memphis de geboorte van de Nijl vieren! 18.Behalve dat krokodillen wel eens door toevallige omstandigheden de dood vinden, zijn er ook die gedood worden door dolfijnachtige vissen in dezelfde rivier, die met scherpgetande rugkammen hun zachte buik openrijten. Nog weer andere sterven op de volgende manier: 19.De trochilus - dat is een vogeltje - heeft, op zoek naar voedsel, de gewoonte om zo’n slapend beest heen te fladderen, kittelt en prikkelt daarbij de kaken [zodat de bek opengaat] en kan dan zelfs tot bij het keelgat komen. Dat wordt soms opgemerkt door een Ichneumon, een waterrat, die, wanneer de krokodil door het gedoe van het vogeltje zijn bek opendoet, mee naar binnen glipt, de maag plundert, de ingewanden verscheurt en dan maakt dat hij weg komt. 20.Zo agressief de monsterlijke krokodil is tegenover een angstige prooi, zo vreesachtig is hij tegenover een onverschrokken tegenstander. Op het land ziet hij het scherpst. Men zegt, dat hij gedurende de vier wintermaanden zonder voedsel leeft. 21.Ook hippopotamussen of nijlpaarden horen in deze gebieden thuis. Het zijn de slimste van alle redeloze dieren. Ze lijken enigszins op paarden, maar hebben gespleten hoeven en een klein staartje. Van hun vindingrijkheid wil ik hier twee voorbeelden aanhalen. 22.Dat dier legt zijn leger aan in met hoog en ruig riet dichtbegroeide plaatsen, observeert oplettend zijn omgeving, en wacht een rustig moment af om zich te goed te kunnen gaan doen op de korenvelden. Als het vervolgens volgevreten terugkeert naar zijn leger, loopt het verschillende malen langs andere paden achteruit om te voorkomen dat eventuele belagers door de sporen van een rechttoe rechtaan lopend pad te volgen hem gemakkelijk zouden kunnen vinden en doden. 23.Ook, wanneer het, met een van al te grote vraatzucht opgezwollen buik, traag is geworden in zijn bewegingen, wentelt het zich met zijn heupen en zijn poten over de scherpe stoppels van pas gemaaid riet, zodat de bloeding uit zijn gewonde poten de spanning van de oververzadiging vermindert. De opengereten plekken bedekt hij dan met modder tot de wonden met littekens gedicht zijn. 24.Het Romeinse volk heeft deze tot dan toe zeldzame monsters voor het eerst gezien toen Scaurus aedile was, de vader van de bekende Scaurus voor wie Cicero eens de verdediging op zich nam tegen de Sardiniërs en hen bezwoer zich aan te sluiten bij het gezaghebbend oordeel van de hele wereld over deze nobele familie. Nadien zijn een tijdlang meer nijlpaarden naar Rome gebracht. Nu zijn die dieren echter nergens meer te vinden. De bewoners van die streken veronderstellen dat ze, opgejaagd door grote aantallen jagers, gedwongen zijn uit te wijken naar het land van de Blemmyers. 25.Onder de ontelbaar vele soorten vogels van Egypte, geldt de ibis als heilig. Ze is geliefd en nuttig omdat ze de jongen in haar nest voedt met eieren van slangen en er dus voor zorgt dat de plaag van deze levensgevaarlijke schepsels binnen de perken blijft. 26.Ibissen nemen het ook op tegen de zwermen gevleugelde gifslangen, afkomstig uit de moerassen van Arabië, en verslaan die in luchtgevechten nog vóór ze hun gebieden verlaten en verslinden ze. (Ik heb ook gehoord, dat ze hun eieren leggen door de bek.) 27.In Egypte komen overigens ontelbare slangen voor, en wel de gemeenste en gevaarlijkste van hun soort: basilisken, amphisbaenen, scytalen, acontiën, dipsaden, vipers enzovoort, die allemaal in grootte en schoonheid worden overtroffen door de aspis, die uit zichzelf het stroomgebied van de Nijl nooit zal verlaten. 28.Tal van grote bouwwerken in dat land zijn de moeite van het aanschouwen waard. Enkele daarvan wil ik noemen. Overal staan enorme tempels. Over de langdurige en moeizame bouw van de piramiden, die tot de zeven wereldwonderen worden gerekend, heeft de historicus Herodotus geschreven: het zijn torenhoge constructies, de hoogste zelfs die maar door mensenhanden kunnen worden gebouwd. Aan de basis zijn ze buitengewoon breed, naar boven lopen ze toe in een punt. 29.Wiskundigen noemen die figuur zo, omdat ze als een vlam (pur in het Grieks) opwaarts spitser wordt. Aangezien hun massa naar boven toe geleidelijk afneemt, blijft hun schaduw volgens een regel van de natuurkunde volledig daarin besloten. 30.Er bestaan ook bepaalde onderaardse gangen en misleidend gevormde schuilplaatsen, die, naar men zegt, door ingewijden in oude mysteriediensten met voorkennis van ophanden zijnde overstromingen, uit vrees dat de herinnering aan hun ceremoniën daardoor verloren zou gaan, hier en daar diep onder de grond met grote moeite zijn aangelegd, en op de wanden waarvan door hen vele soorten vogels en andere dieren in steen zijn afgebeeld, welke diervoorstellingen zij hiërografisch schrift noemden. 31.Dan Cyene [Assoean]. Daar werpt de zon aan het einde van zijn zomerkoers tijdens de ‘zonnestilstand’ zijn licht gelijkelijk aan alle kanten op verticale voorwerpen, waardoor daaromheen geen schaduw kan vallen, zodat men aan een stok recht in de grond of bijvoorbeeld aan een rechtstaande mens of een boom kan waarnemen hoe de schaduwen zich oplossen op de omtrek zelf daarvan. Zoiets vindt ook plaats, zegt men, bij Meroë, het deel van Ethiopië dat vlak bij de evenaar ligt, waar de schaduwen negentig dagen lang in een tegengestelde richting vallen van die bij ons, waarom de mensen daar de Antiskieën26 worden genoemd. 32.Maar nog veel meer merkwaardigs daar te beschrijven zou het plan van mijn geschrift te buiten gaan, dus laat ik dat over aan de deskundigen, om nu iets over de verschillende provincies te vertellen.  

16. De vijf provincies van Egypte en hun beroemde steden  

1.Oudtijds, zegt men, heeft Egypte bestaan uit drie provincies: Egypte zelf, de Thebaïs en Libië. In latere tijden zijn er daaraan twee toegevoegd: Augustamnica, afgesplitst van Egypte, en Pentapolis, afgesplitst van het droogste deel van Libië. 2.De Thebaïs nu, telt een groot aantal beroemde steden, waaronder Hermopolis, Coptos en Antinupolis, door Hadrianus zo hernoemd ter ere van zijn geliefde Antinoüs, en natuurlijk het welbekende Thebe met zijn honderd poorten.3.In Augustamnica ligt de befaamde stad Pelusium, die gesticht zou zijn door Peleus, de vader van Achilles, nadat hij zich op aanwijzing van de goden gereinigd had in het meer waaraan de stad nu ligt, toen hij na de moord op zijn broer Phocus door de Furiën in hun afzichtelijke gestalten werd opgejaagd. Ook vinden we daar Cassium, met het graf van Pompeius de Grote, Ostracine en Rhinocorura.4.In Pentapolis-Libië liggen de oude maar nu verlaten stad Cyrene, gesticht door de Spartaan Battus, Ptolemaïs, Arsinoë (oftewel Teuchira), en Darnis en Berenice, samen ook de Hesperiden geheten. 5.In het droogste deel van Libië liggen Paraetonion, Chaerecla, Neapolis en nog enkele minder belangrijke plaatsen.6.Egypte zelf, dat, sinds het in het Romeinse rijk is opgenomen, bestuurd wordt door prefecten met een welhaast koninklijke status, siert zich met zulke steden als Athribis, Oxyrynchus, Thumis en Memphis, om de kleinere niet te noemen.7.Maar Alexandria is het schitterendste van al, beroemd om zijn vele magnifieke bezienswaardigheden, dank zij het initiatief van zijn grote stichter Alexander en de kundigheid van bouwmeester Dinocrates, die, toen hij de grondslag legde voor de indrukwekkende muren, in plaats van kalk (waarvan op dat moment niet genoeg voorhanden was) meel gebruikte om de omtrek daarvan op de grond uit te zetten, wat toevallig een aanwijzing bleek te zijn voor het feit dat de stad zich later zou verheugen in een overvloed aan voedsel. 8.Daar waaien heilzame winden; het klimaat is er mild, en, zoals de ervaring van een hele reeks generaties heeft geleerd, is er bijna geen dag waarop de bewoners de zon niet aan een onbewolkte hemel zien. 9.Aangezien de kust daar vroeger vanwege de vele verraderlijke plekken moeilijk benaderbaar was, waardoor zeevaarders vaak in ernstige moeilijkheden raakten, kwam Cleopatra op de gedachte, in de haven een hoge toren te laten bouwen,27 die naar de plaats waar hij staat, de Pharos wordt genoemd en ’s nachts met zijn licht de weg wijst aan schippers, die daarvóór, komend van de Parthenische of de Libische Zee, langs de wijde en bochtige kust voeren zonder berghoogten of vormen van heuvels te kunnen onderscheiden, vaak vastliepen op de zachte, zuigende zandplaten en er hun schip verloren. 10.Dezelfde koningin liet ook om een bekende reden het Heptastadium aanleggen, een weg van een opmerkelijke grootte, gezien ze met een wonderbaarlijke snelheid werd gelegd. Het eiland Pharos namelijk, waar, zoals Homerus bloemrijk over hem vertelt, Proteus leefde met zijn kudden zeehonden, lag een mijl van de kust en de stad en was schatplichtig aan de Rhodiërs. 11.Toen die zich op een dag aandienden om een veel te zware belasting in te vorderen, nodigde deze vrouw, listig als ze was, de belastinggaarders met zich mee naar buiten, zogenaamd voor de viering van jaarlijkse festiviteiten. Intussen gaf ze opdracht in zeven dagen continu doorwerkend evenzoveel stadiën land te winnen door vanaf het vasteland [naar dat eiland] grote massa’s grond in zee te storten. [Dat werd die weg] En toen die klaar was, reed ze er in een met paarden bespannen rijtuig overheen en lachte de Rhodiërs uit: ze waren tol komen eisen van een eiland, niet van een stuk vasteland! 12. Daarnaast zijn de schitterende tempels te noemen met hun majestueuze gevels, met het Serapeum als de meest imponerende van alle. Mijn armelijke woorden doen zijn pracht tekort: zo schitterend is dat uitgevoerd met grootse hoven, met zuilengalerijen, met levensechte godenbeelden en een overvloed aan kunstwerken, dat na het Capitolium, waarmee het eerbiedwaardige Rome zich voor alle eeuwigheid faam verwerft, niets ter wereld zo grandioos te vinden is. 13.In de bibliotheken van het Serapeum hebben zich niet te schatten aantallen boeken bevonden: volgens het eensluidende getuigenis van oude bronnen zouden 700.000 delen, met grote ijver en zorg bijeengebracht door de Ptolemeïsche koningen, verbrand zijn toen de stad tijdens de Alexandrijnse oorlog door de dictator Caesar werd geplunderd. 14.Op een afstand van twaalf mijlstenen van Alexandria ligt Canopus, dat volgens oude geschriften genoemd is naar de daar begraven stuurman van Menelaüs. Het is een buitengewoon bekoorlijke plaats, met tal van plezierige uitspanningen, gezond van klimaat, begunstigd door milde winden, zodat wie zich daar bevindt en luistert naar het ruisen van de lauwe zomerwind, zich buiten onze wereld waant. 15.Alexandria zelf, dat zich niet geleidelijk heeft ontwikkeld zoals andere steden, maar direct bij haar stichting al een grote stad was, heeft lang en bitter geleden van interne troebelen, tot de burgertwisten tenslotte na vele jaren, onder het keizerschap van Aurelianus, uitliepen op een moorddadige strijd, waarin de muren werden verwoest en een aanzienlijk deel van de stad, namelijk wat Bruchion heette en de wijk was van de upper-ten, zich afscheidde. 16.Aristarchus, die de neteligste aspecten van de taalkunde beheerste, kwam hier vandaan, zoals ook de meticuleuze wetenschappelijke onderzoeker Herodianus en Ammonius Saccas, de leermeester van Plotinus en menige andere auteur op verschillende gebieden van taal en wetenschap, onder wie de beroemde Didymus Chalcenterus,28 veelgeprezen om zijn grote kennis op allerlei gebied, hoewel hij in die zes boeken waarin hij soms weinig steekhoudende kritiek levert op Cicero, lijkt op bepaalde kwalijke schimpdichters29 - kritiek die betere beoordelaars in de oren klinkt als het zielige gekef van een jonge hond die op veilige afstand om een machtig grommende leeuw heen springt. 17.Naast degenen die ik hier heb genoemd, is nog menige andere figuur oudtijds in aanzien geweest, maar ook nu zijn in deze stad de verschillende scholen nog werkzaam en doen leraren in kunsten en wetenschappen in verschillende opzichten van zich spreken; met de meetlat wordt daar onthuld wat verborgen en onbekend is; de muziek leidt er bepaald nog geen kwijnend bestaan; ook wordt er de harmonie nog beoefend; de beschouwing van de bewegingen van de aarde en de sterren is bij sommigen nog in ere; anderen zijn bekwaam in de getallenleer. Bovendien zijn er, die ervaren zijn in de wetenschap die wegwijs maakt in de godsspraken. 18.De medische wetenschappen echter, waarop wij in het bepaald niet matige en sobere leven dat wij leiden, nogal eens een beroep moeten doen, komen er zelfs van dag tot dag op een hoger peil, zodat het voor een arts, al zou zijn professionele kwaliteit blijken uit zijn werk, in plaats van die daardoor te bewijzen voldoende zou zijn te zeggen dat hij in Alexandria is opgeleid. 19.Maar genoeg hierover. Dan nog: als iemand serieus de geschriften over de oorsprong van de waarzegkunst zou uitrollen, zou hij vinden dat dit soort kunsten over de hele wereld verspreid is vanuit Egypte. 20.Het is daar, dat men voor het eerst en lang vóór anderen de bakermat gespreid heeft (om zo te zeggen) voor de verschillende godsdiensten en nog steeds de oerbeginselen beschermt van de verering der goden die in geheime boeken besloten liggen. 21.Onderwezen in deze wetenschap, heeft Pythagoras de goden heimelijk vereerd en al wat hij heeft gezegd en geloofd een blijvende geldigheid gegeven, toonde hij dikwijls in Olympia zijn gouden dijbeen en liet hij zich zien in gesprek met een adelaar. 22.Van hieruit heeft Anaxagoras voorspeld, dat het uit de hemel stenen zou gaan regenen en, door modder uit een put te bekijken, dat aardbevingen te verwachten waren. Solon ook heeft, geholpen door de leerstellingen van Egyptische priesters, met zijn rechtvaardige wetten de grondslag van het Romeinse recht niet weinig versterkt, en na Egypte bezocht te hebben is Plato, uit die bronnen puttend, tot zulke hoge sferen opgestegen, dat hij met zijn verheven taal niet onderdeed voor Jupiter en heeft hij roemvol de wijsheid gediend. 23.De meeste Egyptenaren zijn enigszins bruin, met zwart haar, hebben een nogal sombere gezichtsuitdrukking, zijn slank en tanig, driftig in hun bewegingen, buitengewoon twistziek en echte chicaneurs. Volgens hen moet ieder zich schamen die op zijn rug geen geselstriemen kan laten zien wegens ontduiking van de belastingen. En de foltering waarmee een gehaaide rover in dat land gedwongen kan worden tegen zijn wil zijn naam op te geven, moet nog worden uitgevonden.24.Het is bekend uit oude annalen, dat heel Egypte vanouds door erfelijke koningen is geregeerd, maar sinds Antonius en Cleopatra in de zeeslag bij Actium zijn verslagen en Octavianus Augustus het land in bezit heeft genomen, heeft het de status van een provincie. Het drogere deel van Libië hebben we verworven bij testament van koning Apion; Cyrene en de andere steden van Libië-Pentapolis hebben we geschonken gekregen van Ptolemaeus.30 Maar ik ben te ver afgedwaald en zal nu de draad van mijn verhaal weer opnemen.

Noten

1.Gunsteling van de godin Demeter of Ceres, voor wie hij de landbouw over de aarde verspreidde. retour

2.Zie boek xxi,9,4. retour

3.Zie boek xx,11,5. retour

4.Zie boek xiv,11,19 en xv,5,8. retour

5.‘De onontkoombare’, bijnaam van de wraakgodin Nemesis. retour

6.Kennelijk doelt Ammianus hier op christenen. retour

7.Een door Julianus vereerde leraar. Hij begeleidde Julianus op zijn veldtocht tegen Perzië en was aanwezig bij diens dood (Zie boek xxv,3,23). retour

8.Cicero, Pro Archia, 11,26. retour

9.Zie boven, 3,6. retour

10.Bewoners van eilanden voor de kust van India. Volgens Gibbon moeten de gezanten gedacht hebben dat Constantius nog keizer was. retour

11.Apollo en Artemis. retour

12.Onduidelijk is hoe Ammianus zich de situatie voorstelt. Waarschijnlijk bedoelt hij met de Pontus hier de Propontus, maar beschrijft de Hellespont daarna in plaats van daarvóór. Vervolgens beschrijft hij in 5vv. de Propontus. De Pontus komt dan in 9vv. aan de orde. retour

13.Eigenlijk: in het noorden. retour

14.In werkelijkheid lag hun woongebied ten oosten van de Kaspische Zee. retour

15.De ‘driejaarlijkse’. retour

16.(Slechts) naamgenoten van de Griekse Achaeërs. retour

17.De rabarber. retour

18.Niet in deze boeken. retour

19.Hier wordt aangesloten bij het eind van hoofdstuk 7. retour

20.Zie onder: 9,12 en boek xxv,4,21. retour

21.In boek xxi,7,2. retour

22.Namelijk door de opvolging van Constantius door Julianus. retour

23.Thema’s uit de Herculessagen. retour

24.Waarschijnlijk martelaren. retour

25.Ammianus’ beschrijving is verward. retour

26.Van antí en skiá (schaduw). retour

27.In feite liet Cleopatra de toren herbouwen die in de Alexandrijnse oorlog was verwoest. retour

28.Aristarchus, filoloog, 3e-2e eeuw vC, Aelius Herodianus, grammaticus, 2e eeuw nC, Ammonios Saccas, stichter van de neo-platonische school, 172-242. Didymus Chalkenteros, filoloog, 1e eeuw vC.  retour

29.‘Sillografen’, schrijvers van silloi, schimpdichten, zoals Timon van Phlius, sceptisch filosoof, c.320-230  retour

30.Apion en Ptolemaeus zijn in feite een en dezelfde persoon. retour