BOEK
XXIII
1.
Een vergeefse poging van Julianus, de lang daarvóór verwoeste tempel van
Jeruzalem te herbouwen
1.Dit
waren de gebeurtenissen van dat jaar [362], waarbij ik voorbij ben gegaan aan
details. Julianus nu, die al driemaal consul was geweest, koos voor zijn
vierde consulaat de prefect van Gallië, Sallustius, als ambtgenoot. En dit
leek weer iets nieuws te zijn: dat een burger die niet tot de keizerlijke
familie behoorde, met een Augustus dit ambt deelde - in elk geval sinds
Diocletianus en Aristobulus voorzover men zich kon herinneren. 2.Terwijl hij
in zijn planning rekening hield met alle eventualiteiten in de toekomst en
zijn aandacht over velerlei zaken verdeelde, werkte hij met name gestaag aan
de voorbereiding van zijn veldtocht [tegen de Perzen]. Tegelijkertijd attent
op elke gelegenheid de herinnering aan zijn keizerschap te bestendigen door de
uitvoering van grote werken, besloot hij de ooit zo imposante tempel van
Jeruzalem, die na een lange moorddadige strijd tijdens een belegering door
Vespasianus tenslotte door Titus met veel moeite veroverd was, ongeacht de
buitensporige kosten te laten herstellen1 3.Met de aanpak daarvan
belastte hij Alypius uit Antiochia, die eerder vice-prefect van Britannië was
geweest. Maar toen deze met medewerking van de gouverneur van de provincie
energiek aan de slag ging, spoten aan de fundamenten van die tempel telkens
fonteinen van vuur omhoog die de werklieden op een afstand hielden (sommigen
kwamen erbij om), en moest het project door de tegenwerking van dit element
worden opgegeven. 4.In die dagen ontving hij afgezanten uit de Eeuwige Stad,
mannen van hoge geboorte en een onberispelijke en verdienstelijke
levenswandel, aan wie hij verschillende eervolle ambten verleende. Apronianus
benoemde hij tot stadsprefect, Octavianus tot proconsul
van Africa; Venustus belastte hij met de functie van vicarius
van Spanje; Rufinus Aradius bevorderde hij tot comes
Orientis als opvolger van zijn oom
Julianus, die kort tevoren was gestorven. 5.Nadat hij deze benoemingen formeel
had geregeld, werd hij verontrust door een teken dat later zou blijken
inderdaad van een voorspellende aard te zijn. Want toen de comes largitionum Felix
plotseling aan een bloedstorting was overleden en de comes Julianus hem in het graf gevolgd was, lazen mensen een bepaald
opschrift over hemzelf, de Augustus Julianus, [namelijk ‘Felix Julianus
Augustus’] [voor de grap] als ‘Felix, Julianus en Augustus’2 6.Daarvóór
was er ook al iets omineus gebeurd, want juist toen de keizer op nieuwjaarsdag
de trappen van de tempel van de Genius [van Antiochia] besteeg, viel
plotseling zonder geduwd te zijn één van de priesters, die ouder was dan de
andere, en stierf ter plaatse. Of het toen was uit naïviteit dan wel om
Julianus gerust te stellen weet ik niet, maar omstanders duidden dit als een
teken dat betrekking had op Sallustius, de oudste van de twee consuls, terwijl
integendeel zou blijken dat hier de dood zich aankondigde niet van de man die
ouder was in leeftijd, maar hoger in rang. 7.Bovendien gaven af en toe ook
minder opvallende tekens te kennen wat ging gebeuren. Zo kwam tijdens de
eerste voorbereidingen voor de oorlog met Perzië het bericht dat
Constantinopel door een aardbeving was getroffen, waarvan lieden die daarvan
verstand hadden, zeiden dat dit niet zo’n gunstig omen was voor een
aanvoerder die van plan was vijandelijk gebied binnen te trekken. Zo
probeerden ze Julianus van die ongelukkige onderneming af te houden.
Hoogstens, voegden ze eraan toe, mochten zulke tekenen worden veronachtzaamd
in het geval van een vijandelijke aanval, wanneer als enige regel gold, het
land met alle middelen en met alle macht te verdedigen. Tegelijkertijd ontving
hij uit Rome per brief het bericht, dat op zijn verzoek de Sibyllijnse boeken3
over zijn oorlog waren geraadpleegd en deze de keizer met grote beslistheid
hadden ontraden dit jaar de grenzen van het rijk te overschrijden.
2.
Julianus vraagt Arsaces, de koning van Armenië, zich klaar te maken voor
de oorlog met Perzië en steekt met zijn leger en Scythische
hulptroepen de Euphraat over
1.Intussen
was het een komen en gaan van gezantschappen van verschillende volken die hulp
toezegden. Ze werden hartelijk ontvangen maar bedankt, want Julianus stelde
zich, overlopend van zelfvertrouwen, op het standpunt dat het de Romeinse
staat niet paste haar zaak te verdedigen met hulp van vreemden; dat het
integendeel haar taak was juist haar vrienden en bondgenoten te beschermen
wanneer die door nood gedrongen daarom vroegen. 2.Alleen Arsaces, de koning
van Armenië, vroeg hij een sterke troepenmacht te concentreren in afwachting
van zijn orders, met de mededeling dat hij hem op korte termijn zijn
bestemming en zijn taak zou doen weten. En zodra het, alles welbeschouwd,
verantwoord was, gaf hij zijn divisies hun marsorders, met de bedoeling het
hele leger nog in het begin van de lente de Euphraat over te hebben om sneller
dan het gerucht daarover vijandelijk gebied binnen te vallen. 3.Daarop braken
alle troepen op uit hun winterkwartieren, volvoerden overeenkomstig hun
schriftelijke orders de oversteek, namen hun verschillende posities in en
wachtten de komst van de keizer af. Zelf op het punt Antiochia te verlaten,
benoemde deze een zekere Alexander uit Heliopolis tot gouverneur over Syrië,
een heetgebakerde en onberekenbare man, die ook volgens Julianus die post
eigenlijk niet verdiende maar net goed was voor die gierige, oproerige
Antiocheners. 4.En toen een bonte menigte hem uitgeleide deed uit de stad en
hem een goede reis en een glorieuze terugkeer wenste (hopend dat hij dan wat
inschikkelijker en milder zou zijn), antwoordde hij nors, aangezien zijn
boosheid over alle verwijten en beledigingen aan zijn adres nog niet gezakt
was, dat ze hem nooit meer zouden zien4. 5.Want, zo liet hij weten,
hij had besloten na afloop van de expeditie via een kortere weg terug te keren
naar Tarsus in Cilicië om er te overwinteren, en had Memorius, de gouverneur
van die stad, al schriftelijk verzocht daarvoor de noodzakelijke voorzieningen
te treffen. Zo zou het niet lang daarna inderdaad ook gaan: zijn stoffelijk
overschot werd daar in een eenvoudige rouwstoet heengebracht en even buiten de
stad begraven zoals hij het zelf geregeld had... 6.Intussen was het een
zonnige dag, die vijfde maart, toen hij vertrok, en zonder wederwaardigheden
bereikte hij Hierapolis. Maar toen hij de poort van die stad binnenreed,
stortte links van hem plotseling een zuilengalerij in, waardoor vijftig
soldaten die daarin opgesteld stonden, onder het gewicht van balken en
dakpannen verpletterd werden en veel anderen gewond. 7.Hij trok hier zijn hele
legermacht samen en marcheerde in ijltempo op in de richting van Mesopotamië
om elk gerucht over het feit dat hij in aantocht was, vóór te zijn en de
Assyriërs te verrassen. Vervolgens stak hij met zijn leger en de Scythische
hulptroepen via een schipbrug de Euphraat over en kwam in Batnae aan, een stad
in Osdroëne, waar hij een treurig voorteken kreeg. 8.Want toen een groot
aantal paardenknechten zoals gebruikelijk voer was komen halen en bij een
enorme berg kaf stond (één zoals ze in die streek gewoon zijn aan te leggen)
en er met velen tegelijk in begonnen te graaien, kwam er beweging in de hoop,
stortte ze in en bedolf vijftig mannen die in één keer onder die enorme
massa de dood vonden.5
3.
Tijdens zijn opmars door Mesopotamië wordt keizer Julianus door Saraceense
stamhoofden een gouden kroon aangeboden. Ook beloven zij hem hulptroepen.
Aankomst van een Romeinse vloot van 1100 schepen. De Euphraat wordt er door
geblokkeerd
1.In
een neerslachtige stemming daarvandaan vertrokken, bereikte Julianus na een
snelle mars het oude Carrhae, bekend van de ramp die daar het Romeinse leger
trof onder de Crassi.6 Vandaar leiden twee hoofdwegen naar Perzië:
één linksaf door Adiabene langs de Tigris en één rechtsaf door Assyrië en
langs de Euphraat. 2.Hij bleef er verscheidene dagen voor het treffen van
noodzakelijke voorzieningen en bracht volgens plaatselijk gebruik offers aan
de Maan (die in deze streken als godin vereerd wordt). Voor haar altaar zou
hij buiten bijzijn van getuigen, in het geheim, zijn purperen mantel aan zijn
verwant Procopius hebben geschonken met de opdracht direct het keizerschap
over te nemen mocht hij horen dat hij in Perzië gesneuveld was. 3.Door dromen
die hem in zijn slaap verontrustten, vermoedde hij dat een of ander onheil
dreigde. Daarom verdiepten hijzelf en droomuitleggers zich in de bestaande
situatie, waarbij ze tot de conclusie kwamen dat de volgende dag, de 19e
maart, speciale oplettendheid vereiste. In feite echter, zoals later bekend
werd, was het in deze nacht, tijdens de prefectuur van Apronianus, dat de
Eeuwige Stad afbrandde, waarbij, als er niet met man en macht hulp was
geboden, ook de Sibyllijnse boeken in het geweld van de vlammen verloren
zouden zijn gegaan. 4.Nauwelijks was dit achter de rug, of aan Julianus, druk
met de organisatie van zijn leger en allerlei bevoorradingsproblemen, werd
door ademloos binnenvallende verkenners gemeld dat vijandelijke ruiterbenden
onverwachts de grens waren overgestoken en met veel buit weer waren verdwenen.
5.Verrast door deze onthutsende actie, stelde hij onmiddellijk volgens een
plan dat hij daarvoor klaar had, dertigduizend van zijn beste manschappen
onder het gezamenlijke commando van de eerdergenoemde Procopius en de comes
Sebastianus, een ex-dux
van Egypte, met de opdracht zich enige tijd aan deze kant van de Tigris op te
houden, er de situatie nauwkeurig op te nemen om zeker te zijn dat op die
onbeschermde flank geen overrompelingen te duchten waren (wat dit betrof was
hij door ervaring wijs geworden), dan, bij voorkeur en zo mogelijk, contact te
maken met koning Arsaces, met hem op te trekken door Corduene en Moxoëne, in
bliksemacties Chiliocomum, een vruchtbare streek van Medië, en andere
gebieden te verwoesten, en zich dan weer bij hem te voegen in Assyrië om bij
de hand te zijn mocht zich een kritieke situatie voordoen. 6.Na hen geïnstrueerd
te hebben, deed hij alsof hij zelf in de richting van de Tigris zou gaan via
een route waarlangs hij opzettelijk voorraden had laten aanleggen, maar sloeg
dan af naar het zuiden. En na een rustige nacht vroeg hij op een morgen hem
zijn paard voor te leiden dat Babylon heette. Maar toen dit kwam, werd het
plotseling door een hevige koliek getroffen en rolde over de grond van pijn,
waarbij het de gouden versierselen en edelstenen waarmee het getooid was in
het rond strooide. Dat was een omen! Verheugd riep Julianus onder bijval van
de omstanders, dat Babylon gevallen was en van zijn sieraden beroofd! 7.Na een
kort oponthoud - om het voorteken door schouwing van ingewanden van
offerdieren te verifiëren - bereikte hij het fort Davana aan de bron van de
Belias, een zijrivier van de Euphraat. Daar werd halt gehouden om te eten en
te rusten, waarna het de volgende dag verder ging naar Callinicum, een
geduchte vesting die het voordeel had dat er een massa koopwaar voorhanden
was, waar hij op 27 maart, de dag waarop in Rome de jaarlijkse processie ter
ere van de Moeder der Goden7 gehouden wordt en de wagen waarop haar
beeld wordt meegevoerd, zoals het heet, in de beek Almo ‘gewassen’ wordt,
op traditionele wijze de religieuze handelingen verrichtte en een vredige
slaap genoot: hij voelde zich gelukkig en was vol goede moed. 8.De volgende
dag marcheerde hij verder, de oever volgend van de Euphraat, die gezwollen was
van de instroom uit de vele zijrivieren, tot hij een of ander station bereikte
waar hij langer bleef bivakkeren. Daar dienden zich namelijk Saraceense
stamhoofden aan, die zich voor hem bogen, hem een gouden kroon aanboden en hem
eerden als heer van de wereld, koning van hun volken. Julianus zag hen gaarne
omdat ze goed waren in ‘speciale’ strijdmethoden. 9.Terwijl hij zich met
hen onderhield, arriveerde onder commando van de tribuun Constantianus en de comes
Lucillianus zijn vloot, bestaande uit duizend extra verstevigde vrachtschepen,
geladen met voedsel, wapens en belegeringswerktuigen, vijftig oorlogsschepen
en evenveel schepen nodig om bruggen te kunnen slaan. Het leek wel de vloot
van de grote koning Xerxes! De Euphraat, zo breed als ze was, werd er geheel
door geblokkeerd.
4. Een beschrijving van belegeringswerktuigen: de ballista, de scorpio of wilde ezel, de stormram, de helepolis en de vuurfakkel
5.
Julianus steekt met zijn hele leger bij Cercusium via een schipbrug de rivier
de Abora over. Toespraak tot zijn troepen
1.Met
de Saraceense hulptroepen die hem spontaan waren aangeboden bij de zijne
ingelijfd marcheerde Julianus in snel tempo op naar Cercusium, een zeer
vakkundig gebouwd en veilig fort op een soort eiland gevormd door de
samenvloeiing van de Abora en de Euphraat, dat hij begin april bereikte. 2.Dit
was vroeger zomaar een plaats tot keizer Diocletianus, geschokt door een
bepaalde gebeurtenis, haar met muren en hoge torens beveiligde als onderdeel
van een verdedigingslinie tegen de barbaren, die moest voorkomen dat de Perzen
nog eens Syrië zouden overrompelen zoals een paar jaren daarvóór gebeurd
was met groot malheur voor de provincies. 3.Dat was ermee begonnen dat in een
theater in Antiochia tijdens het optreden van een mimespeler met zijn vrouw,
waarbij scènes uit het dagelijkse leven werden uitgebeeld, een boeiend
schouwspel waarvan het publiek ademloos genoot, de vrouw plotseling uitriep:
‘Droom ik, of zie ik daar Perzen!’ Meteen keek iedereen om en ontstond een
vreselijke paniek onder een hagel van pijlen die vanaf de citadel werden
afgeschoten. De stad ging in vlammen op en veel van haar inwoners die niets
vermoedend hun dingen deden, werden gedood. Ook andere plaatsen in de buurt
werden platgebrand en verwoest, waarna de Perzen met rijke buit en zonder een
man te hebben verloren naar huis terugkeerden. (Maar eerst hadden ze Mareades
levend verbrand, die zo dwaas was geweest hen te gidsen, wat zijn eigen
medeburgers duur te staan kwam.) Dit gebeurde in de tijd van Gallienus.10
4.Terwijl Julianus bij Cercusium zijn leger en alles wat daarbij hoorde via
een schipbrug de Abora liet overzetten, ontving hij een brief van de prefect
van Gallië, Sallustius, waarin deze er ernstig op aandrong de expeditie tegen
Perzië af te gelasten en geen onzeker avontuur aan te gaan vóór de gunst
van de goden voor zeker was afgebeden. 5.Maar hij legde het advies van de
bezorgde raadgever naast zich neer en ging zelfverzekerd door. Want met geen
mogelijkheid, met geen geweld heeft een mens ooit kunnen voorkomen dat gebeurt
wat het Lot besloten heeft. Direct na de oversteek beval hij de brug af te
breken, zodat geen van zijn soldaten in stilte kon hopen weg te komen van het
leger en naar huis terug te keren. 6.Zo lag het ook vast, dat nu weer dit
ongunstige voorteken zou worden gezien: het lijk dat ergens lag van een
ondergeschikte functionaris die, door de prefect Salutius ter dood
veroordeeld, was geëxecuteerd omdat hij vóór een bepaalde dag voor nieuwe
aanvoer van levensmiddelen zou zorgen maar door omstandigheden daartoe niet in
staat was geweest. Uitgerekend de dag nadat de ongelukkige onder beulshanden
gevallen was, waren de door hem beloofde schepen, afgeladen met graan,
aangekomen! 7.Vandaar kwamen we11
bij een plaats Zaitha geheten, wat ‘olijfboom’ betekent. Hier zagen we al
van ver de grafheuvel van keizer Gordianus, over wiens daden vanaf zijn jeugd,
succesvolle veldtochten en dood onder moordenaarshanden ik vroeger bij
gelegenheid verteld heb. 8.Julianus bracht er, vroom als hij van nature was,
aan de vergoddelijkte keizer een dodenoffer. Vervolgens op weg naar de
verlaten stad Dura, zag hij in de verte een afdeling soldaten aankomen en
hield halt. Hij zag niet goed wat ze bij zich hadden tot ze een enorme leeuw
voor hem neerlegden die hen had aangevallen en met een regen van pijlen was
gedood. Alsof hij door dit omen nog zekerder meende te mogen zijn van een
goede afloop, zette hij zijn opmars in de beste stemming voort, maar helaas,
het Lot is ongewis, het zou anders gaan. Want wel hield het voorval de
voorspelling in van de dood van een heerser, maar van welke bleef de vraag.
9.Want zo weten we ook van dubbelzinnige orakels waarvan de betekenis bleek
uit de afloop van een geschiedenis, zoals die van de Delphische voorspelling
dat Croesus na het oversteken van de rivier de Halys de ondergang van een
groot koninkrijk zou bewerken; of zoals een ander orakel in bedekte termen
aangaf dat de Atheners op zee de Perzen zouden moeten bevechten; of nog één
van een recentere datum, wel waar maar voor tweeërlei uitleg vatbaar:
‘Aeacus’ zoon, zeg ik, kan het Romeinse volk overwinnen’.12
10.Etruskische waarzeggers in het gezelschap van de zieners haalden, omdat ze
niet geloofd werden als ze telkens weer probeerden de expeditie te
verhinderen, hun boeken over oorlog te voorschijn en lieten daarin zien dat
dit omen [de leeuw] een vorst juist verbood vijandelijk gebied binnen te
trekken al had hij daarvoor nog zulke gegronde redenen. 11.Maar ze werden
weggedrukt en overstemd door de ‘filosofen’, die toen zeer in de mode
waren, het soms bij het verkeerde eind hadden, maar met betrekking tot zaken
waarvan ze weinig verstand hadden nogal eigenwijs waren.13 Als
bewijs voor de betrouwbaarheid van hun methode voerden ze nota bene het feit
aan dat de vroegere caesar Maximianus, op het punt slag te leveren met de
Perzenkoning Narses, op dezelfde manier een gedode leeuw en een reusachtig
everzwijn aangeboden had gekregen en veilig was thuisgekomen na zijn vijand te
hebben verslagen, waarbij het niet bij hen opkwam dat het voorteken de
ondergang voorspelde van iemand die een vreemd gebied aanviel - in dit geval
dus Narses, die eerst Armenië, dus Romeins grondgebied had bezet! 12.De
volgende dag, 7 april, gebeurde er weer zoiets: het begon tegen zonsondergang
met een klein wolkje, en in de kortste keren was het aardedonker. In een
geweldige onweersbui met de ene angstaanjagende bliksemflits en donderslag na
de andere werd toen de soldaat Jovianus samen met twee paarden waarmee hij
terugkwam van een drenkplaats aan de rivier, door het hemelvuur dodelijk
getroffen. 13.Toen men dit had zien gebeuren, werden opnieuw de waarzeggers
ontboden, die met grote stelligheid verklaarden dat dit teken tegen de
expeditie sprak. Met name baseerden ze zich hierop, dat bliksem een raadgevend
omen was. (Zo worden namelijk de tekens genoemd die iets ontraden of
aanbevelen.) En juist met deze bliksem moest men oppassen omdat hij een
soldaat met een verheven naam en twee oorlogspaarden had gedood en omdat -
volgens de boeken over bliksem - plaatsen waar die was ingeslagen ook niet
bekeken of betreden mochten worden. 14.De ‘filosofen’ van hun kant
beweerden daarentegen dat de plotselinge flits van hemellicht niets bijzonders
te betekenen had en niet méér was dan een intense luchtverplaatsing onder
invloed van een of andere kracht uit de ether, of - als het dan al een teken
was - de keizer grotere roem voorspelde, aangezien hij aan het begin stond van
een glorieuze onderneming en vuur, zoals men weet, van nature onweerstaanbaar
naar omhoog streeft. 15.Toen de brug, zoals gezegd, was afgebroken en het
voltallige leger zich aan de overkant bevond, voelde de keizer zich gedrongen
zijn soldaten, die in blind vertrouwen op hun aanvoerder voorttrokken, nog een
hart onder de riem te steken. Dus liet hij trompetters een signaal geven en
alle centuriën, cohorten en manipels om zich verzamelen, posteerde zich,
omringd door zijn hoogste officieren en functionarissen op een aarden heuvel
en hield positief gestemd de volgende toespraak tot zijn mannen, die zonder
uitzondering met sympathie naar hem opkeken. 16.‘Mijn dapperen, ik zie u vol
goede moed en strijdlust. Daarom meen ik u bijeen te moeten roepen om u
duidelijk te maken dat dit niet de eerste keer is - zoals kwade tongen wel
beweren - dat de Romeinen het Perzische rijk binnenvallen. Want ik hoef
Lucullus niet eens te noemen en Pompeius, die via het gebied van de Albanen en
de Massageten (die we nu Halanen noemen) in dit land doordrong tot aan de
Kaspische Zee toe, of Ventidius, die als onderbevelhebber van Antonius, zoals
bekend, in deze regionen ontelbare verwoestingen heeft aangericht. 17.Over
deze oude tijden zal ik het dus niet hebben, maar zal opsommen wat een
recentere geschiedenis ons te vertellen heeft: Trajanus, Verus en Severus zijn
met roem beladen als overwinnaars hiervandaan teruggekeerd en de jongere
Gordianus, waarvan we het grafteken kort geleden met eerbied hebben
aanschouwd, zou een even glorieuze thuiskomst hebben beleefd na de Perzische
koning bij Resaina verslagen en op de vlucht te hebben gejaagd, als hij niet
bij een gewetenloze aanslag door een paar misdadigers die handelden voor een
kliek rond de praefectus praetorio
Philippus, was omgekomen, juist op de plek waar hij begraven ligt. Zijn schim
hoefde niet lang ongewroken rond te dolen, want alsof Justitia hun daad
gewogen had, vonden al degenen die tegen hem hadden samengezworen een
ellendige dood. 18.Was de drijfveer van deze ambitieuze keizers hun loutere
wil gedenkwaardige wapenfeiten op hun naam te brengen, wíj worden gedreven
tot wat we op ons hebben genomen door het rampzalige lot van onlangs veroverde
steden, de ongewroken schimmen van vernietigde legers, de grootte van geleden
schaden en het verlies van vestingen - allen bezield als we zijn door deze ene
gedachte, het verleden te willen herstellen en onze staat te versterken door
haar oostflank te beveiligen, zodat ons nageslacht met trots over ons zal
spreken. 19.Zo de eeuwige godheid mij bijstaat, zal ik overal met u zijn, als
keizer, in uw frontlinies en uw achterhoede - en ik geloof dat de voortekens
gunstig zijn. Maar mocht het wispelturige Lot mij ergens doen vallen, zal het
mij voldoende zijn mij voor de Romeinse wereld te hebben geofferd naar het
voorbeeld van de Curtii, de Mucii en de familie van de Decii14 Want
het is eenvoudig onze plicht dit misdadige volk te vernietigen, op wier
zwaarden het bloed van onze mensen nog niet is opgedroogd. 20.Het heeft onze
voorvaderen eeuwen gekost alles uit te roeien wat hen last veroorzaakte. De
verovering van Carthago vergde een lange en zware strijd, en nog vreesde onze
fameuze veldheer dat ze zijn overwinning te boven zou komen. Daarop maakte
Scipio na een langdurig en moeizaam beleg Numantia met de grond gelijk. Rome
vernietigde Fidenae om de opkomst van deze rivale te voorkomen en onderwierp
om dezelfde reden Veii en Falerii,15 steden waarvan zelfs
betrouwbare oude getuigenissen ons nauwelijks kunnen doen geloven dat ze ooit
iets hebben voorgesteld. 21.Dit vertel ik u maar, omdat ik met deze oude
geschiedenis bekend ben. Wat u betreft, onderdrukt de neiging tot plunderen
die de Romeinse soldaat dikwijls heeft bekropen, blijft op mars in het gelid,
volgt als strijd moet worden geleverd uw eigen veldtekens en bedenkt dat wie
ergens achterblijft, riskeert dat hem [door de Perzen] de hielpezen worden
doorgesneden... Zelf vrees ik niets dan de listen en hinderlagen van onze
ongelooflijk sluwe vijand! 22.Tenslotte dit: ik beloof u allen dat als deze
onderneming eenmaal succesvol beëindigd zal zijn, ik mij niet aan de
aanmatigende houding zal bezondigen van vorsten die in hun machtspositie menen
dat alles wat ze gezegd en gedaan hebben juist is geweest, maar aan wie er ook
om vraagt rekenschap zal geven van mijn goede en foute beslissingen. 23.Dus
schept moed, zeg ik u, schept moed, want wat er ook op onze weg komt, zullen u
en ik met vertrouwen in de goede afloop samen verduren, in de overtuiging dat
gerechtigheid altijd zegeviert.’ 24.Na deze laatste optimistische woorden
hieven de krijgers in een uitbundige stemming over zo’n glorieuze aanvoerder
en zo’n vooruitzicht op succes hun schilden hoog en schreeuwden dat hun
niets gevaarlijk of te moeilijk zou zijn onder een aanvoerder die meer van
zichzelf vergde dan van zijn soldaten. 25.Vooral de Galliërs lieten zich
daarbij luidruchtig horen, die zich herinnerden hoe ze dikwijls onder zijn
bevel en terwijl hij tussen de linies door stormde, volken hadden zien vallen
of om genade smeken.
6.
Beschrijving van de achttien grootste provincies van het Perzische koninkrijk
met hun steden, en van de zeden en gewoonten van hun bewoners
1.Nu ik met mijn relaas van de gebeurtenissen op dit punt ben aangekomen, lijkt het mij op zijn plaats in snelle lijnen een schets te geven van het Perzische koninkrijk, op basis van gegevens over zijn bevolking die ik zorgvuldig heb verzameld (maar die van slechts enkele zegslieden afkomstig zijn die nog weinig betrouwbaar zijn ook). Als mijn uiteenzetting wat uitvoerig uitvalt, zal dat zijn voor een beter begrip, want alleen wie op beknoptheid uit is wanneer het over onbekende zaken gaat, is meer gericht op wat hij kan weglaten dan op wat hij zo duidelijk mogelijk wil uitleggen. 2.Dit rijk, dat eens een geringe omvang had en om redenen die ik al dikwijls genoemd heb, met veel verschillende namen werd aangeduid, kreeg, nadat het noodlot Alexander de Grote in Babylon had achterhaald, zijn definitieve naam van de Parth Arsaces, een man van lage afkomst, die in zijn jonge jaren een soort roverhoofdman was geweest, maar langzamerhand zijn leven had gebeterd en zich door een hele geschiedenis van opmerkelijke daden een hoog aanzien had verworven. 3.Toen hij menige heldendaad op zijn naam had gebracht en Seleucus Nicator, de opvolger van Alexander (die de bijnaam Nicator dankte aan zijn talrijke overwinningen) verslagen en de Macedonische bezettingstroepen verjaagd had, leidde hij als een milde vorst en rechter verder een rustig leven. 4.En nadat hij alle buurlanden met geweld, met overreding of door intimidatie onder zijn heerschappij had gebracht en Perzië, door hem volgebouwd met steden, vestingen en forten, de schrik werd van alle buurvolken die het ooit zelf had gevreesd, stierf hij gerust op nog pas middelbare leeftijd. Om strijd beijverden zich toen allen, edele en gewone man, hem volgens een heilig gebruik onsterfelijk te verklaren en werd hij als eerste (naar men gelooft) onder de sterren opgenomen. 5.Dat is de achtergrond van het feit dat de protserige koningen van dat volk zich tot op de huidige dag Broeders van de Zon en de Maan laten noemen en zoals onze keizers zich graag en bij voorkeur sieren met de titel Augustus, de koningen der Parthen, die ooit maar heel weinig voorstelden, zich een enorm prestige aanmeten vanwege nog het gelukkige bewind van Arsaces. 6.Daarom vereren ze hem dus als een god en gaan in hun eerbied voor hem zo ver, dat tot op de dag van vandaag geldt dat een afstammeling van die man (zo er ergens een leeft), als het gaat om een troonopvolging, boven alle anderen de voorkeur heeft en zelfs in burgeroorlogen die daar vaak uitbreken iedereen zich er wel voor hoedt een hand op te heffen tegen een Arsacide, of hij krijgsman is of burger. 7.Iedereen weet dat dit volk door tal van andere volken met geweld te onderwerpen eens zijn heerschappij uitbreidde tot aan de Propontis en Thracië, maar door de overmoed van zijn leiders, die met hun ongebreidelde ambities hun rooftochten almaar verder uitstrekten, in problemen raakte en zware verliezen leed, eerst door toedoen van Cyrus,16 die met een reusachtig leger de Bosporus overstak maar volledig vernietigd werd door koningin Tomyris van de Scythen, de onverbiddelijke wreekster van haar zonen. 8.Van Darius en na hem Xerxes, die een tegengesteld gebruik maakten van de elementen [water en aarde17 om Griekenland aan te vallen, gingen de legers te land en ter zee vervolgens bijna volledig verloren, terwijl ze zelf ternauwernood een goed heenkomen vonden. En dan heb ik het maar niet over Alexander met zijn oorlogen en het feit dat hij bij zijn laatste wilsbeschikking het hele rijk naliet aan één enkele opvolger.18 9.Na deze geschiedenissen brak een lange periode aan waarin de Romeinse staat eerst geleid werd door consuls en daarna onder het gezag van caesars kwam en deze volken ons herhaaldelijk de oorlog aandeden; soms bleef de strijd dan onbeslist, soms werden zij verslagen en af en toe wij. 10.Ik zal nu, zover dat dienstig is, van Perzië een korte, bondige beschrijving geven.19 Haar gebied beslaat lang en breed een enorme oppervlakte langs de hele eilandrijke en druk bezeilde Perzische Golf, waartoe de toegang [vanuit de oceaan] naar men zegt zo nauw is, dat vanaf Harmozon (het voorgebergte Carmanië) het tegenoverliggende voorgebergte, dat door de bewoners Maces wordt genoemd, goed zichtbaar is. 11.Voor wie de zeeëngte gepasseerd is, strekt zich een wijde zeevlakte uit die goed bevaarbaar is tot de stad Teredon toe, waar de Euphraat na veel [van haar kracht en massa] te hebben ingeboet, in de Golf uitmondt. De omtrek van de Golf, waarin een perfecte ronding, bedraagt in totaal 20.000 stadiën. Langs haar kusten liggen grotere en kleinere steden dicht opeen, waartussen levendig scheepvaartverkeer plaatsvindt. 12.Wanneer men de zojuist bedoelde zeeëngte [naar het zuiden] doorvaart, heeft men oostwaarts de baai van Carmanië. Een eind verder naar het zuiden komt dan de baai Canthicus geheten en niet veel verder, westelijk, nog een baai, de Chalites. Als men vervolgens een aantal eilanden voorbijvaart, waarvan er slechts enkele bekend zijn, verenigen die baaien zich met de Arabische Zee, die de eerste gloed van de opgaande zon ontvangt en zelf buitengewoon warm is. 13.Volgens de geschriften van geografen ziet het bedoelde gebied er als volgt uit. Naar het noorden toe, tot aan de Kaspische Poort grenst het aan de woonplaatsen van de Cadusiërs, van tal van Scythische stammen en van de Arimaspen, eenogige wilden. In het westen grenst het aan Armenië, de berg Niphates, het woongebied van de Aziatische Albanen, de Perzische Golf en het land van de Scenitische Arabieren, die men later Saracenen is gaan noemen. Onder de zuidelijke hemelstreek ziet het naar Mesopotamië. Aan de andere kant, in het oosten, strekt het zich uit tot de rivier de Ganges, die India doorsnijdt en uitmondt in de zuidelijke oceaan. 14.Perzië telt in haar totaliteit de volgende grote provincies (alle kleinere te noemen zou niet eenvoudig en bovendien zinloos zijn), die bestuurd worden door Vitaxen (cavalerieofficieren), koningen en satrapen: Assyrië, Susiana, Medië, Persis, Parthië, Groot Carmanië, Hyrcanië, Margiana, Bactrië, Sogdiana, het land van de Sacers, Scythië aan de voet van de Imaus [de Himalaya], en aan de andere kant van dit gebergte Serica, Areia, het thuisland van de Paropanisaden, Drangiana, Arachosië en Gedrosië. 15.Van al deze provincies ligt Assyrië het dichtst bij ons, beslaat een grote oppervlakte, is dicht bevolkt en rijk aan een verscheidenheid van producten. Ooit telde deze provincie verschillende grote, welvarende volken, verdeeld over een aantal districten die vervolgens één naam kregen, zodat nu het geheel Assyrië heet, waar behalve een overvloed aan boom- en veldvruchten ook bitumen gevonden wordt in de buurt van het meer Sosingites, waarin de Tigris onderduikt om, na over een grote afstand onzichtbaar te zijn gebleven, weer tevoorschijn te komen. 16.Hier komt ook naphta aan de oppervlakte, een kleverige, op bitumen lijkende substantie. Zelfs het kleinste vogeltje, eenmaal daarop beland, kan met geen mogelijkheid meer opvliegen, zakt erin weg en verdwijnt er onherroepelijk in. En wanneer dit vloeibare goedje in brand raakt, kan niemand een ander middel bedenken om het te doven dan zand. 17.In dit gebied bevindt zich ook een kloof, waaruit een dodelijke, stinkende damp opstijgt die elk levend wezen dat in de nabijheid komt, verstikt. Als deze pest, die uit een diepe bron komt, zich vanuit de opening direct wijd zou verspreiden in plaats van meteen op te stijgen, zou het omliggende land vanwege de stank een woestenij zijn geworden. 18.Een dergelijke kloof zou vroeger volgens sommigen ook te zien zijn geweest in Hierapolis in Phrygië. Ook daaruit stegen schadelijke dampen met een penetrante stank op die dodelijk waren voor alles wat in de nabijheid kwam, behalve voor eunuchen; waarom dat zo was, moeten de natuurwetenschappers maar verklaren. 19.Zo bevindt zich bij de tempel van Jupiter Asbamaeus in Tyana, Cappadocië, waar volgens de overlevering de befaamde filosoof Apollonius geboren is, een bron, gevoed door een meer, die afwisselend een grote hoeveelheid water produceert en weer opzuigt en zodoende nooit overloopt. 20.In dit gebied ligt Adiabene, vroeger Assyrië geheten maar langzamerhand gewoonlijk met deze naam aangeduid omdat het tussen de twee bevaarbare rivieren de Ona en de Tigris gelegen niet via een doorwaadbare oversteek bereikbaar was. (Wij, Grieken, zeggen namelijk diabaínein voor ‘oversteken’.) Althans dit werd vroeger zo gedacht, 21.maar uit eigen waarneming weet ik dat er twee grote rivieren in dit land zijn, de Diabas en de Adiabas, die ik zelf ben overgestoken en waarin schipbruggen liggen, zodat het aannemelijker is dat Adibene daarnaar genoemd is, zoals ook andere landen hun naam danken aan grote rivieren: Egypte bijvoorbeeld volgens Homerus aan de Aegyptus [de Nijl], India aan de Indus, Euphratensis, voorheen Commagene, aan de Euphraat, Hiberia (nu Hispania) aan de Hiberus [de Ebro] en de provincie Baetica aan de bekende rivier de Baetis [de Guadalquivir]. 22.In Adiabene ligt de stad van waaruit Perzië eens geregeerd werd, Ninus [Nineve], genoemd naar de vroegere machtige koning Ninus, die gehuwd was met Semiramis; verder Ecbatana en Arbela en Gaugamela, waar Alexander de Grote na verschillende eerdere gevechten Darius in een beslissende slag overwon. 23.Assyrië telt een groot aantal steden, waaronder het welbekende Apamea (ook wel Mesene geheten), Teredon, Apollonia, Vologessia en nog andere daarmee vergelijkbaar. Maar het schoonst zijn wel de drie wereldbekende steden Babylon, waarvan Semiramis de muren liet bouwen van bitumen (een veel vroegere koning Belus had de burcht gebouwd), Ctesiphon, lang geleden gesticht door Vardanes en later meer bevolkt en met muren versterkt door koning Pacorus, die de stad een Griekse naam gaf en het schoonste aanzien van heel Perzië, en tenslotte Seleucia, het trotse werk van Seleucus Nicator. 24.Toen deze stad veroverd was door de generaals van keizer Verus, zoals ik vroeger heb verteld, werd het beeld van Apollo Comaeus van zijn sokkel gerukt en overgebracht naar Rome, waar de opperpriesters van de goden het in de tempel van de Palatijnse Apollo plaatsten. Er wordt verteld dat soldaten, toen dit beeld was verwijderd en heel de stad in brand stond, de tempel op buit doorzochten en een smalle gleuf zagen die ze, in de hoop iets waardevols te zullen vinden, verwijdden, maar dat toen uit een soort kluis die ooit verzegeld was met geheime rituelen der Chaldeeën, een oerbesmetting ontsnapte, die de kiem was van de ongeneeslijke ziekte die in de dagen van deze Verus en van Marcus Antonius dodelijk om zich heen greep van de grenzen van Perzië tot aan de Rijn en Gallië toe. 25.Niet ver daarvandaan ligt het land der Chaldeeën, volgens henzelf de bakermat van de oude filosofie, waar de wetenschap van de waarzegging haar oorsprong heeft. Belangrijke rivieren die door dit land hun weg zoeken, zijn, vergeleken met de andere die ik al genoemd heb, de Marses, de ‘Koninklijke Waterweg’ en, de allergrootste, de Euphraat. De laatste, die verschillende eilanden omspoelt, splitst zich in drie takken, die alle bevaarbaar zijn, en bevloeit door de vlijt en de inspanning van de boeren hun akkers, die daardoor geschikt worden voor de ploegschaar en de teelt van gewas. 26.Een buurvolk van deze Chaldeeën is dat van de Susianen, die maar weinig steden kennen. Wel beroemd is Susa, dikwijls de hofstad van koningen; verder zijn te noemen Arsiana, Sele en Aracha. Alle andere zijn klein en onbeduidend. Hun gebied wordt door tal van rivieren doorsneden met als de belangrijkste de Oroates, de Harax en de Mosaeus, die in het smalle zanderige gebied dat de Kaspische Zee van de Perzische Golf scheidt, grote overstromingen veroorzaken. 27.Links [ten noorden] daarvan strekt zich Medië uit langs de Hyrcanische [Kaspische] Zee, Medië dat, zoals we kunnen lezen, vóór de regering van de oudere Cyrus en de machtsuitbreiding van Perzië de koningin van Azië was sinds ze Assyrië veroverd had, waarvan ze de meeste provincies onder de nieuwe naam Atropatene op grond van het oorlogsrecht in bezit hield. 28.De Meden zijn een oorlogszuchtig volk, op de Parthen na het meest geducht. In hun land, dat vierhoekig van vorm is, hebben ze genoeg ruimte om te wonen aan de voet van hoge bergen, die ze de Zagrus, de Orontes en de Iasonius noemen. 29.Die ten westen van het zeer hoge Coronusgebergte wonen, bezitten uitgestrekte korenvelden en wijngaarden, en treffen het bijzonder met de vette, vruchtbare grond, de vele rivieren en klare bronnen. 30.Op grazige weiden fokken ze edele raspaarden, zogenaamde Nisaiïsche paarden, waarop, zoals oude schrijvers vermelden en ikzelf ook heb gezien, hun aanvoerders fier ten strijde trekken. 31.Medië dus, telt een groot aantal rijke steden en dorpen die ook al bijna steden lijken, en een grote bevolking. Men mag wel zeggen dat vorsten zich geen rijkere residentie kunnen wensen. 32.In dit gebied liggen ook de vruchtbare akkers van de Magiërs, over welke sekte met hun praktijken - nu we op dit punt zijn aanbeland - het interessant is iets te vertellen. Volgens Plato, de grootste leraar op het gebied van de hogere wijsheid, is magie - of zoals hij het met een mystieke naam aanduidde: hagistia - de zuiverste vorm van godsverering. Tot de wetenschap hiervan droeg in vroegere eeuwen Zoroaster uit Bactria niet weinig bij uit de geheime leer van de Chaldeeën, zoals ook na hem de wijze koning Hystaspes, de vader van Darius. 33.Toen Zoroaster zich eens in de geheimzinnige wereld van Noord-India had gewaagd, kwam hij in een bosrijke streek waar een diepe stilte heerste en de verheven geest van de Brahmanen waarde. Onder hun leiding leerde hij de wetten kennen die de bewegingen van de aarde en de sterren regelen en de zuivere sacrale riten (zoveel hij daarover kon vergaren). Van hetgeen hij geleerd had, droeg hij het een en ander over aan de Magiërs, die dat op hun beurt mèt de wetenschap van de waarzegging ieder aan zijn eigen nageslacht doorgaven. 34.Zo wijdt zich dus nu al eeuwenlang tot op de dag van vandaag éénzelfde geslacht, uitgegroeid tot een volk, aan de dienst van de goden. De Magiërs beweren - voor wie het geloven wil - dat een vuur dat ze eeuwig brandend houden, bij hen uit de hemel is gevallen, en dat daarvan vroeger altijd iets als een geluksteken vóór Aziatische koningen werd uitgedragen. 35.Natuurlijk was oudtijds het getal van hun directe afstammelingen gering. Toen begonnen Perzische machthebbers van hun diensten gebruik te maken bij godsdienstige handelingen (het was heiligschennis een altaar te naderen of een offerdier aan te raken voordat een Magiër met voorgeschreven gebeden een plengoffer had gebracht) en geleidelijk groeide hun aantal, werden ze een echt volk met een eigen naam, kregen ze woonsteden die geen muren behoefden, met het recht volgens hun eigen wetten te leven, en werden ze uit respect voor hun religie in ere gehouden. 36.Volgens oude boeken hebben sinds de dood van Cambyses zeven van deze Magiërs de Perzische troon bezeten tot ze verslagen werden door de partij van Darius, die aan de macht kwam dankzij het hinniken van een paard.20 37.In dit land wordt de zogenaamde Medische olie gemaakt. Wanneer een met dit goedje bestreken [en in brand gestoken] pijl rustig van een niet te strak gespannen boog wordt geschoten - dus niet snel, want dan gaat het vuur uit - en ergens in terecht komt, blijft het branden. Als iemand het met water probeert te blussen, zelfs nog feller. Het kan alleen verstikt worden onder zand. 38.Die olie wordt als volgt gemaakt: lieden die daar kundig in zijn, nemen gewone olie voor algemeen gebruik, mengen die met een bepaald kruid en laten dit mengsel lange tijd met rust tot het indikt en een giftige substantie wordt. Een andere, ook dikkere soort olie komt uit Perzië (zoals ik eerder verteld heb) en wordt in het Perzisch nafta genoemd. 39.In deze streken verspreid liggen tal van steden, waarvan Zombis, Patigran en Gazaca de grootste zijn, en Heraclia, Arsacia, Europos, Cyropolis en Ecbatana, alle gelegen aan de voet van de Iasonius in het woongebied van de Syromeden, vooral beroemd zijn om hun rijkdom en hun machtige muren. 40.Het land wordt doorsneden door verscheidene rivieren, met als grootste de Choaspes, de Gyndes, de Amardus, de Charinda, de Cambyses en de Cyrus, een schoonheid van een rivier, waaraan de geliefde oudere koning Cyrus, toen hij op weg was om het rijk van de Scythen in te palmen, deze nieuwe naam gaf in plaats van haar oudere, omdat ze machtig is, zoals men ook de koning zei te zijn, en zich met geweld een weg baant (zoals hij deed) tot ze uitmondt in de Kaspische Zee. 41.Voorbij Medië strekt zich zuidwaarts, in de richting van de kust, het oude Perzië uit, dat rijk is aan groenten, fruit en wijn en een groot aantal goede waterlopen kent. Want inderdaad wordt dit gebied doorsneden door verschillende rivieren die uitmonden in de Golf, zoals, om de grootste te noemen, de Batradites, de Rogomanius, de Brisoana en de Bagrada. 42.De grotere steden liggen in het binnenland (waarom men aan de kust niets belangrijks heeft gebouwd, is een raadsel) met als de belangrijkste Persepolis, Ardea, Habroatis en Tragonice. Onder de kust liggen drie eilanden: Tabiana, Fara en Alexandria. 43.Niet ver daarvandaan, meer naar het noorden, ligt het woongebied van de Parthen, vaak bedekt door sneeuw en ijs, dat doorsneden wordt door de rivier de Choatres, die waterrijker is dan sommige andere. De belangrijkste steden hier zijn: Oenunia, Moesia, Charax, Apamea, Artacana en Hecatompylus, waarvandaan de afstand onder langs de Kaspische Zee tot aan de Kaspische Poort 1040 stadiën bedraagt. 44.De bevolking van zonder uitzondering alle Parthische districten is woest en krijgshaftig; het geniet zo van vechten en oorlogvoeren, dat sneuvelen als het hoogste geluk geldt en wie vreedzaam de laatste adem uitblaast, als verwijfd en laf wordt beschouwd en beschimpt. 45.Aangrenzend, ten zuidoosten hiervan, ligt het land van de ‘Gelukkige’ Arabieren, zo genoemd omdat ze zich mogen verheugen in een overvloed aan veldgewas, vee, dadelpalmen en heerlijke reukwerken. Een groot deel van hun gebied ligt rechts tegen de Arabische Zee, links tegen de Perzische Golf, de voordelen van welke beide de bevolking goed weet te benutten. 46.Daar hebben ze naast de nodige ankerplaatsen een groot aantal veilige havens; men komt er van de ene handelsplaats in de andere; koningen hebben er de meest luxueuze paleizen; men vindt er natuurlijke geneeskrachtige warmwaterbronnen; er zijn rivieren en beken, niet te tellen; en een klimaat, zo heilzaam... Goed beschouwd lijkt niets aan het volmaakte geluk van dit volk te ontbreken. 47.En zoveel steden er zijn, binnenslands en aan de kusten, in zoveel vruchtbare vlakten en dalen, verdienen zulke het zelfs nog eervol vermeld te worden: Geapolis en Nascus, Baraba en Nagara en Maephe, Taphra en Dioscuris. In beide zeeën liggen vlak onder de kust verscheidene eilanden, maar niet van zoveel belang dat ik ze wil noemen, behalve de bekendste: Turgana [Ormuz], waar een grote tempel van Serapis moet staan. 48.Over de landsgrenzen van dit volk verheft zich - tot aan de Arabische Zee - met hoge toppen Groter Carmanië, dat welvoorzien is van veldgewassen en fruitbomen, maar veel onbelangrijker is en ook kleiner dan het land van de Arabieren, anderzijds ook veel rivieren telt en evenzo gezegend is met vruchtbare grond. 49.De meer bekende rivieren hier heten de Sagareus, de Saganis en de Hydriacus. In de weliswaar weinige steden heeft het volk een verzorgd en comfortabel bestaan; ik noem als de belangrijkste: Carmana, de moederstad van de andere, Portospana, Alexandria en Hermupolis. 50.Landinwaarts komt men in Hyrcanië, wier kust de gelijknamige zee bespoelt. De grond hier is zo arm dat zaad niet ontkiemt, zodat de Hyrcaniërs zich aan landbouw weinig gelegen laten liggen en leven van de jacht, die hun een enorme, gevarieerde buit oplevert. Hier komen ook duizenden tijgers en nog veel andere wilde dieren voor; hoe die gevangen worden, herinner ik me al lang geleden te hebben verteld. 51.Toch is het niet zo dat de Hyrcaniërs helemaal onbekend zijn met landbewerking, want er zijn gebieden met een wat vettere grond die wel worden ingezaaid, terwijl op plaatsen die daarvoor geschikt zijn, bomen worden geplant. Verder zijn er die in hun levensonderhoud voorzien met overzeese handel. 52.Twee met name bekende rivieren hier zijn de Oxus en de Maxera, die door hongerige tijgers soms zwemmend worden overgestoken - een onverwachtse bezoeking dan voor de plaatsen in de buurt. Naast kleinere zijn er enkele machtige steden: twee aan de kust, namelijk Socanda en Saramanna, andere landinwaarts, zoals Asmurna, Sale en het beter bekende Hyrcana.53.Ten noorden van dit volk vindt men de nomadische Abiërs, een goedmoedig volk, dat niets geeft om de voorbijgaande dingen des levens en waarop Zeus, volgens een vers van de dichter Homerus, vanaf de berg Ida zijn blik laat rusten.54.Aansluitend achter de Hyrcaniërs hebben de Margianen hun woonplaats gekozen. Ze wonen vrijwel ingesloten door hoge bergen en daardoor gescheiden van de zee. Door gebrek aan water is hun land grotendeels onvruchtbaar; toch bezitten ze enkele steden, waarvan Iasonion, Antiochia en Nigaia de meest bekende zijn.55.Vervolgens komen de Bactrianen, oudtijds een krijgshaftig en machtig volk, dat voortdurend met de Perzen in conflict was vóór het alle buurvolken aan zich onderwierp en onder zijn eigen naam inlijfde. Destijds werd het geregeerd door koningen waarvoor zelfs Arsaces ontzag had. 56.Het grootste deel van hun woongebied ligt, evenals Margiana, ver van de kust, maar is rijk aan allerlei gewas. Hun vee, dat in de dalen en op de berghellingen weidt, is van een groot en sterk ras, even stoer als de kamelen waarvan Mithridates er een paar meenam, en die de eerste waren die de Romeinen ooit zagen bij de belegering van Cyzicus. 57.Verscheidene stammen zijn de Bactrianen onderhorig, zoals in de eerste plaats de Tocharen. Het land lijkt op Italië wat de vele rivieren betreft, waarvan de Artamis en de Zariaspes, die zich eerst verenigen - zoals ook de Oxus en de Orgomanes - en dan samen bijdragen aan de enorme watermassa van de Oxus. 58.Aan deze en andere rivieren liggen verschillende steden die de eer van de belangrijkste te zijn aan de volgende laten: Chatracharta, Alicodra, Astatia, Menapila en Bactra zelf, waaraan het koninkrijk en het volk hun naam ontlenen. 59.Nog verder dan dit land ligt het woongebied van de Sogdianen, aan de voet van de zogenaamde Sogdische bergen. Het telt twee rivieren die bevaarbaar zijn: de Araxates en de Dymas, die via bergen en dalen onstuimig uitlopen in de vlakte en het wijde meer Oxia vormen. Bekende steden zijn hier onder andere Alexandria, Cyreschata en de metropool Drepsa.60.Buren van deze Sogdianen zijn de Sacers, een woest volk dat een ruig gebied bewoont, geschikt alleen voor veeteelt. Steden kennen ze niet. Hun land ligt in de schaduw van de bergen Ascanimia en Comedus, waar onderlangs en via een kleine plaats, Lithinos Pyrgos geheten, een lange weg loopt die gebruikt wordt door kooplieden die hier af en toe passeren op hun reizen van en naar de Seres [Chinezen].61.De hellingen en uitlopers van de bergen die men de Imaus en de Apuriën noemt, worden bewoond door verschillende stammen Scythen, die in het Perzische gebied buren zijn van de Aziatische Sarmaten en tot de uiterste grenzen van de Halanen te vinden zijn. Ze leven als het ware in een uithoek, zijn vergroeid met de eenzaamheid, wonen wijd en zijd verspreid en doen het met eenvoudig en karig voedsel. 62.Er wonen trouwens nog verscheidene andere stammen in deze streken, die ik voor het moment niet nodig vind afzonderlijk te noemen, omdat ik liever snel op iets anders overga. Want het is interessant te weten dat tussen deze volken, die zo woest zijn dat men er geen toegang toe kan krijgen, ook vriendelijke en godvrezende mensen leven, zoals de Iaxarten en de Galactophagen, die door de dichter Homerus genoemd worden in het volgende vers:‘Galactophagen, Abiërs ook, allerrechtvaardigste mensen’.21 63.Onder de vele waterlopen die in hun landen vanwege de aard van het landschap ofwel met grotere rivieren worden verenigd ofwel rechtstreeks naar zee gaan, zijn de Rhymmus, de Iaxartes en de Daicus te noemen. Het is bekend dat ze niet meer dan drie steden bezitten: Aspabota, Chauriana en Saga. 64.Voorbij de woongebieden van de twee Scythische volken, oostwaarts, leven, omringd en beschermd door hoge wallen22 de Seres, fameus om de vruchtbaarheid en uitgestrektheid van hun land. In het westen grenst dit aan de thuislanden van de Scythen, in het noorden en het oosten eindigt het in sneeuwwoestenijen, en zuidwaarts strekt het zich uit tot India en de Ganges. Bergen daar heten de Anniba, de Nazavicium, de Asmira, de Emodon en de Opurocorra. 65.Het aan alle kanten door steile bergwanden omgeven, enorm uitgestrekte, vlakke land wordt doorsneden door twee bekende traag stromende rivieren: de Oechartis en de Bautis. Het landschap is gevarieerd: afwisselend vlak en lichtglooiend, waardoor er een overvloed is aan veldgewas, vee en ooft. 66.Dit vruchtbare land wordt door verschillende stammen bewoond: naar het noorden, in de richting van de sneeuwvelden, door de Anthropophagen, Aniben, Sizygen en Charden; in de richting van de opgaande zon de Rabannen, de Asmiren en als belangrijksten de Essedonen, waarvan in het westen de Athagoren en Aspacaren buren zijn; de zuidelijke berghellingen worden bewoond door de Baeten, die ook enkele grote en welvarende steden bezitten, waarvan Asmira, Essedon, Asparata en Sera het rijkst en het meest bekend zijn. 67.Wat de Seres zelf betreft: ze leiden een kalm bestaan. Wapens hebben ze niet en met oorlogvoering zijn ze onbekend. Het is een rustig en vreedzaam volk dat problemen schuwt en zijn naburen dus niet lastigvalt. Het klimaat bij hen is gematigd en gezond, de lucht helder. De winden die er staan zijn mild, heel aangenaam. Er is een veelheid van schaduwrijke bossen, met bomen waarvan ze de vruchten onder regelmatige bevochtiging tot een soort webben bewerken, een vochtige en pluizige heel fijne substantie die ze uitkaarden en er draden van spinnen, zijde!, vroeger voor gebruik door welgestelden, tegenwoordig ook voor heel gewone mensen. 68.Chinezen zijn buitengewoon sober, houden van een rustig leven en bemoeien zich niet met andere stervelingen. En als vreemdelingen hun rivier overkomen om garens of andere dingen te kopen, wordt, zonder dat een woord wordt gesproken, de prijs van aangeboden waren louter op het oog vastgesteld, waarbij ze zo weinig op hun voordeel bedacht zijn dat ze hun producten afstaan zonder er vreemde waren voor in ruil te bedingen. 69.Nog verderweg dan de Chinezen wonen de Arianen, overgeleverd aan de ijzige adem van de noordenwind. Door hun land stroomt een rivier, de Arias, die zich voor scheepvaartverkeer leent en een uitgestrekt meer vormt van dezelfde naam. Dat land Aria telt een groot aantal steden, waarvan Vitaxa, Sarmatina, Sotira, Nisibis en Alexandria het dichtst bevolkt zijn. Vandaar tot aan de Kaspische Zee bedraagt de afstand via de Arias 1500 stadiën. 70.Aangrenzend hieraan leven de Paropanisaden tussen de Indiërs in het oosten en de Caucasus in het westen. Ze bewonen ook de berghellingen waartussendoor, afgezien van kleinere rivieren, de Gordomaris stroomt, die haar oorsprong vindt in Bactrië. Ze bezitten verschillede steden, waarvan Agazaca, Naulibus en Ortospana het meest bekend zijn. De afstand daarvandaan tot de grenzen van Medië bij de Kaspische Poort bedraagt, langs de rivier gemeten, 2200 stadiën. 71.Naast hen wonen in hetzelfde bergachtige gebied de Drangianen. Hun land wordt doorstroomd door de rivier de Arabius, zo genoemd naar het land van haar oorsprong. Hun trots zijn naast andere steden vooral deze twee: Prophtasia en Ariaspe, vanwege hun rijkdom en hun roem. 72.Tegenover hen komen we in Arachosië, dat zich naar rechts uitstrekt tot de Indiërs. Een aftakking van de moeder van alle rivieren, de Indus, waarnaar die hele regio genoemd wordt, voorziet dit land rijkelijk van water en vormt het meer Arachotoscrene. Naast enkele onbelangrijke plaatsen vindt men hier Alexandria, Arbaca en Choaspa. 73.Diep in Perzië ligt Gedrosië, rechts grenzend aan het land van de Indiërs. In dit land, dat zijn vruchtbaarheid, behalve aan kleinere rivieren, dankt aan de Artabius, eindigt het Arbitanische gebergte, aan de voet waarvan andere rivieren ontspringen, die zich verenigen met de Indus en dan vanwege deze enorme rivier geen eigen naam meer hebben. Er zijn hier eilanden te noemen en beroemde steden, waarvan Ratira en Gynaecon Limen alle andere overtreffen. 74.Ik wil niet, door een gedetailleerde beschrijving te geven van de zeekust van de verst gelegen regionen van Perzië, te ver van mijn onderwerp afdwalen, en ermee volstaan te vermelden dat de zee van de Kaspische bergen gerekend in het noorden tot aan de eerder genoemde engte een uitgestrektheid heeft van 9000 stadiën, de zuidelijke zee vanaf de monding van de Nijl tot waar Carmania begint 14000 stadiën23 75.Deze zo verschillende volken geven wat hun uiterlijk betreft een even grote verscheidenheid te zien als de landen die ze bewonen. Laat ik dus hun uiterlijk en hun gewoonten in het algemeen beschrijven. Ze zijn vrijwel allen slank, enigszins donker of grauw van huidskleur, hebben iets wilds in hun ogen, die lijken op geitenogen, met halfronde wenkbrauwen die tegen elkaar aan groeien. Ze hebben aardige baarden en dragen hun ruige haar lang. Men zal er nooit één zien zonder zwaard, zelfs niet tijdens hun gelagen of op feestdagen, een ook oude Griekse gewoonte, waarmee volgens de uiterst geloofwaardige Thucydides het eerst door de Atheners gebroken werd. 76.De meesten van hen hebben een honger naar seks die door aantallen concubines nauwelijks te stillen is. Maar schandknapen kennen ze niet. Ieder neemt zich dus, afhankelijk van zijn vermogen, meer of minder vrouwen, vandaar dat liefdestrouw bij hen, over zovelen verdeeld, niet veel voorstelt. Tafelgenot, luxe en vooral drank mijden ze als de pest. 77.Afgezien van de tafelgewoonten van koningen kennen ze geen vaste tijden voor hun maaltijden. Ieders buik is als het ware zijn klok; als die zegt dat het zover is, eten ze wat voorhanden is en, zijn ze verzadigd, zullen ze niet onnodig verder eten. 78.Ze zijn ongelooflijk precies en voorzichtig, zo zelfs dat als ze soms in vijandelijk gebied akkers of wijngaarden passeren, ze niets daarvan wegnemen of ook maar aanraken uit vrees voor een vergiftiging of betovering. 79.Ook zal men zelden een Pers zien staan wateren of terzijde gaan om aan een natuurlijke aandrang gehoor te geven, zo keurig vermijden ze zulke onwelvoeglijkheden. 80.Aan de andere kant zijn ze zo nonchalant en laks en hebben ze zo’n slome manier van lopen, dat men ze voor verwekelijkt zou houden, terwijl het in feite buitengewoon dappere krijgers zijn - hoewel, eerder listig dan sterk en vooral te duchten in een gevecht op afstand. Het zijn zwetsers, kletsers, schreeuwers en pochers. Ze zijn onaangenaam, afstotend, onbetrouwbaar zowel in goede als in slechte zaken, hardvochtig, hooghartig en wreedaardig en beschikken arrogant over leven en dood van slaven en minder volk. Ze villen mensen levend, beetje bij beetje of in één keer. Het is degenen die hen aan tafel bedienen verboden hun mond open te doen; ze mogen niet praten en niet spuwen; zodra de tafel gedekt is, zijn ieders lippen als verzegeld. 81.Voor wetten hebben ze een heilig ontzag; vooral die tegen ondankbaren [jegens hun land] en verraders zijn buitengewoon wreed, sommige ronduit afschuwelijk, zoals die, op grond waarvan wegens een ernstig vergrijp van één man diens hele familie wordt gedood. 82.Voor de functie van rechter worden bij hen mannen gekozen van wie vaststaat dat ze integer zijn en voldoende ervaring hebben en nauwelijks adviezen van derden behoeven. Daarom spotten ze over wat bij ons wel eens gebeurt, dat welbespraakte rechtskundigen [ter ondersteuning] achter ondeskundige rechters zitten. Maar dat ooit een rechter gedwongen was zitting te nemen op de afgestroopte huid van een collega die wegens een onrecht ter dood was veroordeeld, is óf een oud verzinsel óf, als het al eens de gewoonte was, iets dat sinds lang niet meer voorkomt. 83.Door militaire training en discipline, door zich voortdurend te oefenen in gevechten en wapenhandel, zoals ik vaker heb beschreven, zijn ze een schrik voor zelfs de grootste legers. Ze steunen voornamelijk op hun geduchte ruiterij, waarin al hun edelen en hogergeplaatsten zonder zich te ontzien dienst doen, want hun infanteristen zijn slechts bewapend als murmillo’s [een soort gladiatoren] en zijn er voor het knechtenwerk. Hun troep vormt steevast de achterhoede, min of meer gedoemd tot eeuwige slavernij zonder ooit enige beloning of gift te ontvangen. En was dit volk, zo krijgshaftig als het is en zo getraind voor het slagveld, niet voortdurend geplaagd door burgeroorlogen en in beslag genomen door buitenlandse conflicten, het zou naast de volken die het onderworpen had, nog veel andere onder zijn juk hebben gebracht. 84.De meeste Perzen dragen opzichtige, overdadig kleurige kleren, en hoewel die van voren en opzij met lange splitten openvallen en wapperen in de wind, is bij hen van top tot teen geen bloot te zien. Gouden armbanden, halskettingen en edelstenen zijn bij hen in de mode gekomen na hun overwinning op Lydië en Croesus. Vooral parels zijn favoriet, en daar bezitten ze er veel van. 85.Ik wil tot besluit dan kort iets zeggen over de herkomst van deze edelstenen. Bij de Indiërs en de Perzen worden parels gevonden in harde, witte zeeschelpen, waarin ze in een bepaalde tijd van het jaar door een vermenging met dauw verwekt worden. Die schelpen verlangen dan namelijk naar een soort coïtus en happen naar maanverlichte dauw. Daarvan zwanger geraakt, brengen ze twee of drie kleine parels voort, of anders ‘eenlingen’, zo genaamd omdat zo’n schelpdier als het uit de schelp gehaald wordt, maar één parel blijkt te bevatten, maar dan wel een grotere. 86.En dat ze van etherische herkomst zijn en niet door iets uit zee verwekt en gevoed worden, bewijst het feit dat druppels morgendauw die [de schelpen] binnendringen, glanzende, ronde stenen verwekken, maar de avonddauw onregelmatig gevormde, rode, soms gevlekte. Hun grootte hangt af van de aard van het binnengekregen vocht en verschillende omstandigheden. De schelpdieren die zich uit vrees voor de bliksem vaak sluiten, blijven zonder of krijgen mismaakte parels of raken ze voortijdig kwijt en kwijnen weg. 87.Het vissen van deze schelpen is een moeilijk en gevaarlijk werk waarvoor veel wordt betaald, omdat ze toegankelijke kusten mijden, volgens sommigen om niet in handen van parelvissers te vallen, en zich verborgen houden in de buurt van afgelegen rotsen en de schuilplaatsen van hondshaaien. 88.Het is mij bekend dat een soort parels ook groeit en gevist wordt in de verre wateren van Britannië, maar minder waard is.
Noten
1.Over Julianus’ motief voor deze actie is veel gespeculeerd: hield ze verband met een streven alle godsdiensten, dus ook de joodse, recht te doen, of was ze indirect tegen de christenen gericht? retour
2
.Alsof
hij als derde zou sterven.
3.De
Romeinse koning Tarquinius (6e eeuw vC) zou deze boeken met profetieën en
orakelspreuken hebben gekocht van de Sibylle (een profetes die sprak namens
een god) van Cumae. Ze werden veelvuldig geraadpleegd.
4.De
verhoudingen tussen Julianus en de machtige senaat van Antiochië waren
intussen zeer verslechterd. Zie boek xxii,13
en 14.
5.Precies
vijftig doden in Hierapolis en in Batnae. Ammianus heeft een voorkeur voor
bepaalde getallen als hij een onbepaalde hoeveelheid wil aanduiden. Overigens
een van de vele voorbeelden van ‘rijm’? Zie ook boek xxi,15,2 en xxiii,5,6.
6.In
53 vC werd in een slag bij Carrhae een Romeins leger vernietigend verslagen.
Ook de bevelhebber, Crassus, en zijn zoon vonden daarbij de dood.
7.De
Magna Mater, de Cybele, een Klein-Aziatische natuurgodin, sinds ca 200 vC ook
in Rome vereerd.
8.Een
misschien wel eerder literair dan explicatief bedoeld intermezzo, allesbehalve
een beschrijving ‘ten gerieve van hen die er niet mee bekend zijn’.
9.De
helepolis moet in feite een enorme constructie zijn geweest met ook hoge
torens. Zie boek xxiv,2,19.
10.Vermoedelijk
in 260.
11.Hier
begint Ammianus in de eerste persoon meervoud te spreken. Waarschijnlijk is
hij bij Cercusium bij het leger gekomen.
12.Croesus
werd zelf verslagen. Aan de Atheners gaf het orakel van Delphi de raad zich
met houten muren te beveiligen (schepen). Aeacus’ zoon was Pyrrhus, de
koning van Epirus die met Rome in oorlog was in de jaren 280-275 vC In de
betreffende orakelspreuk waren subject en object verwisselbaar.
13.Er
was in deze tijd strijd tussen twee richtingen in de waarzeggerij: de
‘Romeinse’, die zich hield aan in heilige boeken en anderszins in
tradities vastgelegde interpretaties, tegenover de ‘Griekse’, die
vrijelijk, intuïtief interpreteerde. Julianus had vertegenwoordigers van
beide richtingen in zijn entourage, maar hield zich bij voorkeur aan de
‘Griekse’ (hier de ‘filosofen’.
14.M.
Curtius zou zich in 362 vC voor Rome hebben geofferd door in volle
wapenrusting in een kloof in het Forum te springen die zich volgens een orakel
pas na een heldendaad zou sluiten. Mucius Scaevola bewees zijn
vaderlandsliefde in de 6e eeuw vC tegen de Etrusken. De ex-consul Decius
(vader) ‘wijdde zich ten dode’ in 340 vC in een slag tegen de Latijnen. De
consul Decius (zoon) deed in 295 vC hetzelfde in een slag tegen de Samnieten
en Galliërs.
15.Fidenae
en Veii waren Etruskisch. De stad Falerii was een bondgenote van de Etrusken.
16.Cyrus
II, koning der Perzen van 559 tot 530. Hij sneuvelde in een veldtocht tegen de
Massageten, verwant met de Scythen, een volk ten oosten van de Kaspische Zee.
17.Een
landtong werd doorgestoken om de vloot te laten passeren en de Hellespont
overbrugd om het landleger over te zetten.
18.Een
dergelijke wilsbeschikking is niet bekend. Seleucus? Hij was niet de enige
opvolger.
19.Ammianus’
topografische beschrijvingen zijn soms verwarringwekkend. Blijkbaar heeft hij
niet altijd een goed beeld, zodat hij de ligging van bepaalde gebieden ten
opzichte van elkaar onjuist weergeeft. Bijvoorbeeld ligt Mesopotamië in het
westen van Perzië, niet in het zuiden; Parthië ligt ten noordoosten van Medië,
niet ten noorden van Persis; Arabia Felix zou ten zuidoosten van Parthië
liggen (??), maar wordt vervolgens gesitueerd aan de Straat en de Golf van
Oman, aan de overzijde van Groter Carmanië; Hyrcanië aan de Kaspische Zee
wordt gesitueerd ‘landinwaarts’ vanaf Carmanië aan de Perzische Golf;
Margiana zou grenzen aan Hyrcanië in plaats van aan Parthië, enz. De Sacers,
Scythen, Aziatische Sarmaten en Halanen liggen het verst buiten Ammianus’
gezichtsveld. Arabia Felix en China zouden uiteraard geheel buiten het bestek
van zijn ‘korte en bondige’! beschrijving van Perzië moeten vallen. retour
20.Darius
en zes mede-samenzweerders tegen een usurpator van de Perzische troon (Cambyses
was in 522 vC overleden) hadden in 512 afgesproken dat wiens paard de volgende
dag bij het uitrijden het eerst zou hinniken, na de moord op de usurpator het
koningschap zou verwerven. Door een truc van een stalknecht was dat het paard
van Darius.