BOEK XXIV

  1. Julianus trekt met zijn leger Assyrië binnen. Hij ontvangt de overgave van de vesting Anatha aan de Euphraat en steekt ze in brand 

1.Na dus het moreel van zijn soldaten te hebben gepeild, die massaal enthousiast met de gebruikelijke kreten bij god gezworen hadden dat hun duivelse keizer onoverwinnelijk was,1 achtte Julianus de tijd gekomen om zijn plannen een begin van uitvoering te geven. Dus liet hij na een korte nachtrust de trompetblazers het sein geven voor de afmars. Zich goed georganiseerd wetend met het oog op alle eventualiteiten van een zware veldtocht, stak hij in de eerste ochtendschemer de grens met Assyrië over - hij te paard, in een opperbeste stemming de colonnes monsterend, zijn mannen uitdagend met hem in dapperheid te wedijveren. 2.Maar niet voor niets een aanvoerder wijs geworden door ervaring en studie van de krijgskunde, bleef hij op onbekend terrein steeds bedacht op verborgen hinderlagen en hield hij van het begin af zijn leger in gesloten formaties. Ook stuurde hij vijftienhonderd bereden verkenners vooruit om behoedzaam het voorterrein en de situatie aan weerskanten te controleren op het gevaar van onverwachtse aanvallen. Zelf voerde hij in het centrum de infanterie aan, die de hoofdmacht van het leger vormde, liet Nevitta met enkele legioenen op de rechtervleugel dicht langs de oever van de Euphraat optrekken, Arintheus en Hormisdas2 met de ruiterij onder hun bevel op de linkervleugel door het vlakke veld. Dagalaifus en Victor commandeerden de volgende colonnes, terwijl de militaire bevelhebber van Osdroëne, Secundinus, de achterhoede leidde. 3.Om de vijand, zo die mocht opdoemen of ons uit de verte zou observeren, extra ontzag in te boezemen door zijn leger groter te laten lijken, rekte hij de colonnes infanterie en cavalerie zo ver uit, dat de afstand van de achterhoede tot de standaarddragers in de voorhoede wel bijna tien mijl kwam te bedragen. Dit was een truc die de roemruchte vorst van Epirus, Pyrrhus, vaak zou hebben toegepast, die namelijk een oog had voor geschikte plaatsen om zijn kamp op te slaan en slim was in het misleiden van de vijand door de omvang van zijn leger groter of ook wel kleiner te doen schijnen dan ze in werkelijkheid was. 4.De tros, de trosknechten, de overige non-combattanten en alle bagage hield hij op mars tussen de flanken van zijn legers om te voorkomen dat ze, onbeschermd, bij een onverwachtse aanval zouden worden beroofd - wat namelijk niet zelden gebeurt. De vloot [die met het leger meevoer] op de nogal bochtige rivier, mocht intussen noch vóór noch achter raken.5.Na een mars van twee dagen bereikten we de verlaten stad Dura, gelegen aan de oever van de rivier. Hier stuitten we op kudden gazellen, waarvan we er sommige schoten, andere met de zware roeiriemen doodsloegen, zodat we ons daaraan naar hartenlust te goed konden doen. Snelle zwemmers als het zijn, ontkwamen de meeste dieren echter zonder dat wij er iets aan konden doen door de rivier naar hun schuilplaatsen. 6.Nog eens vier lichte dagmarsen verder ging tegen het vallen van de avond de comes Lucillianus op bevel van de keizer met duizend lichtbewapende manschappen scheep om een beleg te slaan om de vesting Anatha [Ana], zoals de meeste andere midden in de Euphraat gelegen. Conform de opdracht namen de schepen tactisch zodanige posities in, dat ze het hele eiland omsloten, een manoeuvre die in het nevelige donker niet werd opgemerkt. 7.Pas toen het goed licht werd, zag iemand die water kwam halen plotseling de vijand, schreeuwde moord en brand en alarmeerde met zijn misbaar het garnizoen. Julianus, die vanaf een uitkijkpost de situatie bij de vesting in het oog hield, stak toen snel onder dekking van twee schepen de rivier over, gevolgd door een groot aantal schepen met belegeringstuig. 8.Dichter bij de muren gekomen zag hij echter in dat een gevecht hem op zware verliezen zou komen te staan, waarom hij de verdedigers eerst met vriendelijke woorden, dan met dreigementen tot overgave probeerde te bewegen. Die vroegen om een onderhoud met Hormisdas, door wiens beloften en verzekeringen ze er vertrouwen in kregen door ons goed behandeld te zullen worden. 9.Dat eindigde ermee, dat ze een omkranste stier voor zich uit drijvend - bij hen het teken dat ze het vredesaanbod accepteerden - gedwee naar buiten kwamen. Daarop werd het hele fort in brand gestoken en zijn bevelhebber Pusaeus beloond met een benoeming tot tribuun. (Later zou hij een commando in Egypte krijgen.) De overigen werden op een fatsoenlijke manier met hun gezinnen en hun bezittingen geëvacueerd naar Chalcis, een stad in Syrië. 10.Onder hen bevond zich iemand die daar, zoals hij vertelde, als nog bijna baardloze jonge soldaat bij een inval van Maximianus in Perzië was achtergelaten omdat hij ziek was, naar ’s lands wijs verschillende vrouwen toebedeeld had gekregen en veel kinderen had. De nu gebogen, stokoude man, die mede tot de overgave geadviseerd had, kon, toen hij naar ons kamp werd gebracht, zijn geluk niet op en vertelde aan ieder die het maar horen wilde dat hij altijd al geweten en voorspeld had dat hij in Romeinse grond begraven zou worden al moest hij er honderd jaar voor worden. Daarna brachten de Saracenen tot groot genoegen van Julianus enkele gevangen schermutselaars op die tot een vijandelijke eenheid behoorden, werden daarvoor beloond en aangespoord zulks meer te doen.11.De dag daarop gebeurde iets wat minder aangenaam was. Een storm stak op, gepaard gaande met wervelwinden die een enorme chaos veroorzaakten: tenten werden uit elkaar gerukt, soldaten rolden omvergeblazen over de grond. En die dag gebeurde nog een kleine ramp. Want de rivier trad buiten haar oevers en een aantal graanschepen zonk, toen de gemetselde stuwdammen het begaven die dienden om het waterpeil te regelen in verband met de irrigatie van de velden. Hoewel, of dit door de druk van het water kwam dan wel door sabotage, kon niet worden vastgesteld. 12.De verovering en vernietiging van de eerste stad - want meer zouden er volgen - en de evacuatie van de gevangenen, versterkte het vertrouwen van de troepen in het succes van de expeditie. Ostentatief betuigden ze hun aanhankelijkheid aan de keizer, overtuigd van een ook verdere hemelse bijstand. 13.En hij, op onbekend terrein altijd al op zijn hoede voor loerende gevaren, wist hier rekening te moeten houden met krijgslisten en wie weet welke streken van dit volk. Daarom reed hij met zijn lichtbewapende schermutselaars soms mee in de voorhoede, soms in de achterhoede, spiedend naar de ruige begroeiingen en verdiepingen in het landschap, zodat niets hem kon ontgaan, terwijl hij zijn manschappen op zijn gewone goedmoedige manier of met dreigementen ervan weerhield te zorgeloos te worden of te ver af te raken. 14.Wel liet hij ze de rijkbegroeide velden van de vijand in brand steken met gewas en primitieve bebouwingen en al (maar pas nadat ieder zich voor eigen gebruik het nodige had toegeëigend) en op die manier de vijand onschatbare schade toebrengen. 15.De mannen slokten en schrokten naar hartenlust wat ze bij elkaar hadden gegraaid, alsof ze moedig luilekkerland hadden veroverd, gnuivend bedenkend dat terwijl ze zich onbeperkt te goed deden, de voorraden in de schepen niet hoefden te worden aangesproken. 16.Hier werd een door drank overmoedig geworden soldaat, die op zijn eigen houtje de rivier was overgestoken, voor onze ogen door de vijand gegrepen en gedood.  

2. Na enkele vestingen en steden gepasseerd te zijn en andere, die verlaten  waren, in brand te hebben gestoken, ontvangt de keizer de overgave van Pirisabora. De stad wordt in de as gelegd 

1.Na al deze meer of minder gelukkige gebeurtenissen kwamen we bij een vesting, Thilutha genaamd, midden in de rivier gelegen op een hoog oprijzende rots, door natuurlijke omstandigheden beveiligd als door mensenwerk, en vanwege die hoogte en ontoegankelijkheid vrijwel onmogelijk gewapenderhand te veroveren. Er zat niets anders op dan te zien of de bewoners met goede woorden tot overgave waren te bewegen. Maar dit was nog niet het moment, zo was hun besliste reactie, hoewel ze zich, mochten wij straks verder oprukkend het binnenland in onze macht krijgen, wel naar ons, als overwinnaars, zouden voegen. Ze waren immers, zeiden ze, altijd maar een deel van een rijk, ongeacht welk. 2.Toen dus later onze schepen onder hun muren langs voorbij voeren, keken ze geïmponeerd toe, maar roerden zich niet. Na deze plaats gepasseerd te zijn, kwamen we bij een volgende vesting, Achaiachala geheten, ook rondom beveiligd door de rivier en moeilijk te beklimmen, waar we hetzelfde te horen kregen en voorbijvoeren. Een ander fort, dat vanwege de slechte toestand van de muren verlaten stond, staken we vervolgens en passant in brand. 3.Twee dagen later en tweehonderd stadiën verder kwamen we bij de plaats Baraxmalcha. Hier staken we3 de rivier over en trokken de stad Diacira binnen, zeven mijl daarvandaan. Ze was door de bewoners verlaten, maar welvoorzien van graan en zilverwit zout; ook zagen we een tempel op een acropolis. Na de stad in brand te hebben gestoken en een paar vrouwen te hebben gedood die we er aantroffen, passeerden we een bron waaruit bitumen opwelde en bezetten de stad Ozogardana, waaruit de bewoners ook al gevlucht waren uit angst voor ons naderende leger. Hier was nog een gedenkteken van keizer Trajanus te zien. 4.Deze stad legden we eveneens in de as, waarna we twee dagen uitrustten. Tegen het eind van de nacht na de tweede dag werd een poging gedaan Hormisdas, van wie men te weten was gekomen (hoe, was ons een raadsel) dat hij een verkenning zou uitvoeren, in een hinderlaag te laten lopen. Betrokken daarbij waren de Surena,4 de bij de Perzen hoogste waardigheidsbekleder na de koning, en een Malechus,5 Podosaces genaamd, een phylarch dus van de Assanitische Saracenen en een beruchte, wrede schurk, die lange tijd onze grensgebieden onveilig had gemaakt. Hun opzet mislukte echter omdat de rivier ter plaatse smal en zeer diep en niet doorwaadbaar bleek. 5.Toen bij het eerste ochtendgloren de vijand in zicht kwam - we zagen ze toen voor het eerst in hun stijve harnassen met hun glanzende helmen op - gingen onze soldaten er in stormloop opaf en vielen ze moedig aan. En hoewel hun bogen met vaste hand gespannen werden en het flitsende staal ons ontzag inboezemde, joeg onze drift ons op en, met een scherm van schilden tegen de Perzen aanduwend, beletten we hen te schieten. 6.Bemoedigd door dit eerste wapenfeit, rukte het leger verder op naar het dorp Macepracta, waar nog vervallen resten van muren te zien waren die in vroeger tijden, naar men zei, over een grote afstand Assyrië tegen invallen van buiten beschermd hadden. 7.Hier splitst zich een deel van de Euphraat af, dat met een grote vloed water naar het binnenland van Babylonië stroomt, wat goed is voor de velden en de aanliggende steden. (Er is nog een andere aftakking, die vanaf een punt waar een tamelijk hoge toren staat, een soort pharos,6 onder de naam Naarmalcha, ‘Koningsrivier’, in de richting van Ctesiphon gaat.7) De [eerstbedoelde] rivierarm werd via met zorg gebouwde bruggen overgestoken door de infanterie. 8.De cavalerie ging, met de lastdieren, volledig bewapend te water waar de rivier in een bocht minder diep en woelig was en zwom naar de overkant; sommigen vonden daarbij de dood in de stroming, anderen sneuvelden onder een plotselinge beschieting door de vijand, die echter door toegeschoten lichtgewapende hulptroepen op de vlucht gejaagd, nagezet en neergemaaid werd als prooi voor de roofvogels.9.Ook met de afloop van deze onderneming mochten we onszelf wel gelukwensen. Daarna bereikten we de grote, dichtbevolkte stad Pirisabora, bijna als een eiland in de rivier gelegen. Te paard reed de keizer op tot onder de muren om de situatie persoonlijk in ogenschouw te nemen en begon toen een belegering, maar pro forma, want het was slechts zijn bedoeling de burgers zo te imponeren dat ze van een verdediging zouden afzien. Maar nadat hij hun houding in verschillende contacten had afgetast en ze niet vatbaar bleken voor zijn beloften of dreigementen, liet hij een aanval uitvoeren: de stad werd ingesloten met een drievoudig kordon en van de vroege morgen tot het vallen van de avond beschoten. 10.De verdedigers, niet onder de indruk en goedsmoeds, spreidden tussen de borstweringen losjes kleden van schapenwol om de schoten te dempen en boden hevig weerstand van achter hun schilden van stevig vlechtwerk bekleed met ettelijke lagen ongelooide huiden. Ze zagen er trouwens uit alsof ze geheel van ijzer waren, want beschermende pantserplaten die precies de contouren van hun lichaam volgden omsloten ze van onder tot boven. 11.Verschillende malen eisten ze een onderhoud met Hormisdas, die immers een landgenoot was en van koninklijke bloede, maar als het inderdaad tot een contact kwam, overlaadden ze hem met beledigingen en scholden ze hem voor verrader en overloper. Met dit ergerlijke, tijdrovende gedoe ging het grootste deel van de dag heen. In de eerste stille avonduren werd toen door ons allerlei belegeringstuig aangevoerd en een begin gemaakt met het volstorten van de grachten. 12.In het schemerduister volgden de verdedigers deze gang van zaken nauwlettend tot het moment waarop met een enorme stoot van de stormram een gat in een hoektoren werd geslagen en ze de dubbele muren ontruimden om zich te verschansen in de citadel, gebouwd op een oneffen plateau van een ruige rots, die in het midden hoog oprees en met zijn ronde omtrek op een argolisch schild leek, behalve dat aan de voorkant de ronding onderbroken werd waar uitstekende klippen tot in de stroom van de Euphraat extra bescherming boden. Aan de citadel vielen vooral de gekanteelde muren op, gebouwd van bitumen en bakstenen, de veiligste bouwsels, zoals men weet, die er bestaan. 13.Onze soldaten stormden nu de stad door, waarin ze niemand meer troffen, en leverden een fel gevecht met de verdedigers, die hen vanaf de citadel met alle mogelijke projectielen beschoten. Want terwijl ze door de onzen met katapulten en ballista’s werden bestookt, hieven zij daarboven hun strak gespannen bogen met de lange uiteinden tot het uiterste zo krom getrokken, dat wanneer de pezen plotseling met een felle haal van de vingers gelost werden en de wegschietende pijlen met de ijzeren punten iemand raakten, ze dwars door hem heen gingen, met dodelijk gevolg. 14.Ook vlogen over en weer salvo’s handgeslingerde stenen. Maar hoewel de grimmige strijd ononderbroken duurde van zonsopgang tot zonsondergang, kreeg geen van de partijen de overhand en bleef de uitslag onbeslist. Toen de volgende dag het gevecht in alle hevigheid doorging met wederzijds grote verliezen aan doden en de krachtsverhoudingen gelijk bleven, besloot Julianus midden in de algemene slachting plotseling een gok te wagen en stormde met een troep vechtjassen in een dichte formatie, beschermd tegen de neersuizende pijlen door een dak van schilden, op de zware met ijzer beslagen vijandelijke poort af. 15.Hoewel hij en zijn deelgenoten in het gevaar bestookt werden met stenen, slingerkogels en andere projectielen, bleef hij zijn mannen aanvuren bij hun pogingen de dubbele poortdeur in te beuken om een toegang te forceren, en trok zich pas terug toen hij onder de massa projectielen die op hem neer regenden, bedolven dreigde te raken. 16.Tenslotte keerde hij met alle mannen behouden terug, sommigen licht gewond, hijzelf heelhuids, maar wel wat gegeneerd. Want hij had gelezen over Scipio Aemilianus, die samen met de geschiedschrijver Polybius van Megalopolis in Arcadië en dertig soldaten in een soortgelijke actie een poort van Carthago had ondermijnd. (De bewezen geloofwaardigheid van de oude schrijvers pleit trouwens voor [de waarheid] van het zojuist beschreven feit.) 17.Maar wel was de poort die doel was van Aemilianus’ actie overwelfd met een gemetselde boog, waaronder hij veilig en onzichtbaar bleef terwijl de vijand de stenen constructie attaqueerde, tot hij kans zag de toen niet meer verdedigde stad binnen te dringen. Julianus daarentegen opereerde op een plek die open en bloot lag, en werd genoodzaakt zich tegen zijn zin terug te trekken omdat de hemel boven hem letterlijk verduisterd werd door de stortvloed van rotsblokken en projectielen.  18.Het ging er dus heftig en chaotisch toe, en toen het duidelijk was dat we met de vervaardiging van schutdaken en het werk aan de wallen steeds meer achterop raakten vanwege andere, dringend noodzakelijke activiteiten, gaf Julianus bevel voorrang te geven aan de bouw van een helepolis, zo’n machine waarmee, zoals ik eerder heb vermeld, koning Demetrius een groot aantal steden veroverde en daar de bijnaam Poliorcetes aan dankte.8 19.De bouw van dat enorme monster met constructies die boven de kantelen van hun torens zouden uitkomen, werd door de verdedigers met gespannen aandacht gevolgd, en het fanatisme van hun belegeraars goed inschattend, zochten ze toen plotseling toch hun toevlucht in een overgave. Elkaar verdringend op de torens en tussen de kantelen riepen ze met uitgestrekte handen om de bescherming van Rome, smekend om pardon en genade. 20.Ziende dat de bouw werd gestaakt en ook de schanswerkers het werk neerlegden, wat een onmiskenbaar hoopvol teken was, vroegen ze hen in de gelegenheid te stellen met Hormisdas te spreken. 21.Dat werd toegestaan, waarna Mamersides, de commandant van het garnizoen aan een touw werd neergelaten en voor de keizer gebracht, van wie hij op zijn bede een stellige belofte kreeg van genade en straffeloosheid voor hemzelf en zijn medestrijders en verlof om terug te keren. Gehoord zijn verslag, inhoudend dat op alle punten genoegdoening was gegeven, werd met godsdienstige ceremoniën een vredesverdrag gesloten, werden de poorten geopend en stroomde heel het volk, mannen en vrouwen, naar buiten, Julianus luid toeroepend dat hij, de machtige en genadige keizer, hun een heilbrengende genius was. 22.Het aantal gevangenen ging de 2500 niet te boven omdat de rest van de bevolking met de belegering in het verschiet al eerder de rivier was overgestoken en gevlucht.In de citadel troffen de overwinnaars een grote hoeveelheid wapens en voedsel aan, die ze, na het nodige in beslag te hebben genomen, tegelijk met de stad aan de vlammen prijsgaven.  

3. Keizer Julianus belooft zijn troepen als beloning voor hun moeiten honderd denariën per man. Ze wijzen die kleine gift smalend af, waarop hij ze met een kalmerende toespraak tot rede brengt

  1.De dag volgend op deze gebeurtenissen werd de keizer, terwijl hij rustig aan de maaltijd was, bericht dat de Surena, die het opperbevel over de Perzen voerde, onverwachts drie verkenningseenheden van onze cavalerie had overvallen, waarbij een aantal manschappen waaronder een van de drie tribunen was gedood en een standaard was buitgemaakt. 2.Een geweldige razernij maakte zich van hem meester; hij stoof eropaf met een gewapende troep - snelheid was geboden - en joeg de vijand, die in paniek raakte, op de vlucht, onthief de twee andere tribunen wegens incompetentie en lafheid van hun krijgseed, en ontsloeg tien van de soldaten die gevlucht waren, die hij ook volgens oude wetten liet executeren9 3.Nadat de stad, zoals gezegd, in vlammen was opgegaan, besteeg Julianus een verhoog dat daarvoor was opgericht en sprak tegenover de verzamelde troepen zijn dank uit met de aansporing op dezelfde manier door te gaan, waarbij hij ze per man honderd denariën toezegde. Maar toen hij merkte dat ze ontevreden morrend reageerden vanwege de miezerigheid van die belofte, ging hij diep verontwaardigd aldus voort: 4.‘Ziet hoe de Perzen baden in elke denkbare weelde. Met alles wat dit volk bezit kunt u zich straks, als we moedig te werk gaan, verrijken. Maar gelooft u mij, niet langer onmetelijk rijk, is de Romeinse staat tot grote armoede vervallen door de schuld van diegenen die om er zelf beter van te worden keizers hebben geleerd vrede te kopen van de barbaren. 5.De schatkist is geplunderd, steden zijn ontvolkt, provincies verwoest. Zelf bezit ik niets, en al ben ik van hoge geboorte, aan familie heb ik niemand. Wat ik heb is een hart dat geen vrees kent en ik, uw keizer, die vooral waarde hecht aan de dingen van de geest, schaam mij er niet voor arm te zijn met ere. Want ook mannen als Fabricius10 bezaten geen vermogen, maar voerden zware oorlogen en verrijkten zich aan roem. 6.Alles dus, zoveel u maar wilt, kunt u krijgen als u onder gods en mijn voorzienige leiding (zover het menselijk vermogen reikt) moed houdt en de discipline handhaaft. Maar als u zich tegen mij keert en weer zo nodig als vroeger oproer moet kraaien, gaat uw gang! 7.Ik zal dan zoals het een prins past na mijn taak naar behoren te hebben vervuld, door iedereen verlaten, maar als een man de dood onder ogen zien - want hoe zou ik hechten aan een leven dat ik door een beetje koorts al kan verliezen! Of anders zal ik aftreden, want ik heb zo geleefd dat ik heel goed weer een ambteloos burger kan zijn. En ik ben blij te kunnen zeggen dat we hier gelukkig voortreffelijke officieren hebben, aan wie het oorlogvoeren in al zijn vormen verder best kan worden toevertrouwd!’ 8.Door dit woord van de keizer, bepaald niet vriendelijk, maar ook niet al te scherp gesproken, kalmeerden de mannen voorlopig, kregen weer vertrouwen in wat hun in het vooruitzicht werd gesteld en roemden opnieuw gedisciplineerd bij algemene acclamatie ’s keizers leiderschap en edel karakter - en als zulk geroep gemeend is en uit het hart komt, blijkt dat gewoonlijk uit een zacht geroffel op de schilden. 9.Daarna zocht ieder zijn tent op, at en sliep (voorzover mogelijk) en kwam weer op krachten.Julianus bemoedigde zijn leger ook met voortdurend te zweren, niet bij wat hem lief was, maar bij de enorme onderneming die hij begonnen was: ‘Zo waar als ik de Perzen onder het juk zal brengen, zo waar zal ik de geschonden Romeinse wereld herstellen!’ Op die manier zou ook Trajanus soms zijn gezegden met eden hebben bekrachtigd: ‘Zo waar als ik Dacië tot niet méér maak dan een provincie!’ ‘Zo waar als ik de Donau en de Euphraat met bruggen zal oversteken!’ enzovoort.10.Vervolgens, na een mars van veertien mijl, kwamen we ergens waar vruchtbare velden lagen in een waterrijk gebied; maar de Perzen hadden voorzien dat we daar langs zouden komen en de stuwdammen opengezet zodat alles overstroomd was. 11.Aangezien dus dat hele land blank stond, kregen de troepen de volgende dag rust, terwijl Julianus zelf vooruitging en van opgeblazen zakken, bootjes en in stukken gezaagde stammen van palmbomen - naar wat voorhanden was - overbruggingen liet fabriceren, waarover hij het leger zo goed en zo kwaad het ging liet oversteken. 12.In deze regionen zijn veel velden beplant met wijnstokken en vruchtbomen. Hier begint ook het gebied van de dadelpalm, die men van daar af in dichte bossen tegenkomt tot aan Mesene [Apamea] en de [Indische] Oceaan toe, zodat men waar men ook gaat, de takken beladen ziet met vruchten, waaruit volop wijn en honing wordt bereid. Van deze palmen wordt gezegd dat ze elkaar zelf bevruchten en men de mannelijke goed van de vrouwelijke kan onderscheiden. 13.Ook dat aan de vrouwelijke palmen vruchten ontkiemen wanneer ze in aanraking komen met zaad van de mannelijke en ze over en weer van de liefde genieten, zoals blijkt uit het feit dat ze, naar elkaar overneigend, zelfs onder hevige windvlagen niet van elkaar loskomen. Wanneer een vrouwelijke palm niet op een natuurlijke manier met zaad van een mannelijke palm in aanraking komt, stoot ze haar vruchten onrijp af. En als men niet weet voor welke boom een vrouwelijke palm attractief is, en haar stam met haar eigen bloesemgeur wordt bestreken, wordt de andere onweerstaanbaar door die zoete geur aangetrokken. Op grond van deze aanwijzingen is men gaan geloven in een soort paring. 14.Na ons aan deze vruchten overdadig te goed gedaan te hebben, passeerden we verschillende eilanden, en waar we vroeger schaarste aan voedsel te vrezen hadden, moesten we nu serieus oppassen voor een te veel. Tenslotte, na nog door vijandelijke boogschutters vanuit een hinderlaag aangevallen te zijn - maar dat bleef niet ongewroken - bereikten we het punt waar de hoofdstroom van de Euphraat zich in een aantal waterwegen opsplitst.  

4. De stad Maiozamalcha wordt door de Romeinen bestormd en verwoest 

1.In deze streek werd een stad die vanwege haar te lage muren door de joodse bewoners verlaten was, door de woedende soldaten in de as gelegd11 Daarna trok Julianus verder, bemoedigd door wat hij zag als de hulp van een goedgunstige godheid (2.) tot hij aankwam bij Maiozamalcha, een grote, zwaarbemuurde stad, waar hij een tentenkamp opsloeg met de nodige beveiligingen tegen verrassingsaanvallen van de Perzische cavalerie, die in open veld een geweld kon ontplooien waar alle volken ontzag voor hadden. 3.Na het een en ander geregeld te hebben, besloot Julianus zelf te voet en met niet meer dan een paar lichtgewapende lijfwachten de situatie van de stad te verkennen, maar liep in een gevaarlijke hinderlaag, waaruit hij zich maar ternauwernood wist te redden. 4.Want uit een poort die we niet hadden opgemerkt, kwamen een stuk of tien Perzen geslopen, kropen op handen en voeten achter langs een paar lage heuvels en vielen de groep onverwachts aan. Twee van hen attaqueerden de keizer met het blanke staal (want hij viel op door zijn kleding) maar hij pareerde hun slagen met zijn geheven schild en stootte koelbloedig zijn zwaard in de zij van een van zijn belagers, terwijl zijn mannen de andere met een regen van slagen doodden. De overigen stoven, soms gewond, uiteen, waarna de twee van hun wapenrusting werden ontdaan en Julianus met die krijgsbuit naar het kamp terugkeerde, waar hij met zijn wapenmakkers met applaus werd ontvangen. 5.Torquatus nam eens een verslagen vijand zijn gouden halsketting af; Valerius, later bijgenaamd Corvus [de Raaf], versloeg eens samen met een raaf een reus van een Galliër, en beiden verdienden om hun heldendaden de bewondering van het nageslacht. Wij misgunnen hun dat niet, maar vinden dat deze bijzondere prestatie van Julianus wel aan de historische reeks mag worden toegevoegd. 6.De volgende dag werd het leger via bruggen overgezet en op een meer geschikte plaats een kamp afgepaald dat dubbel werd omwald,  aangezien (zoals ik zei) de open vlakte niet veilig was. Daarop besloot de keizer tot de belegering van de stad, aangezien het gevaarlijk zou zijn verder te trekken en zo’n geduchte vijand in de rug te laten. 7.Terwijl hij nog met de grootscheepse voorbereidingen daarvoor doende was, overviel de Surena, de opperbevelhebber van de Perzen, de lastdieren die tussen de palmbomen graasden, maar werd door de cohorten die ze bewaakten, afgeslagen en moest onverrichter zake terug. 8.De bewoners van twee steden op eilanden midden in de rivier gelegen, kregen het inmiddels zo benauwd dat ze de bescherming van de muren van Ctesiphon zochten. Sommigen glipten weg door de dichte bossen, anderen vluchtten in uitgeholde boomstammen via nabijgelegen moerasmeren - de enige mogelijkheden die er waren om het binnenland te bereiken. 9.Sommigen daarvan, die achtergeraakt waren, werden gedood door onze mannen die ook in bootjes rondvoeren, anderen werden als gevangenen binnengebracht. Er was namelijk bewust voor gekozen dat de infanterie de stad zou aanvallen en de cavalerie, over verschillende eenheden verdeeld, zoveel mogelijk buit zou zien binnen te halen, waardoor de troepen zonder de provincies te belasten, konden worden geravitailleerd op kosten van de vijand.10.Na een drievoudig kordon om de stad te hebben gelegd, die met een dubbele muur beveiligd was, zette de keizer een massale aanval in, rekenend op succes. Maar zo noodzakelijk zijn plan was, het succes liet zich niet afdwingen. Want de stad was tussen hoge, grillige rotsen door en via bochtige kloven, waar van alle kanten gevaar loerde, zo goed als onbenaderbaar. Daarbij kwam het probleem van het aantal torens, die ook nog net zo hoog waren als de door de natuur gevormde rots van de citadel, terwijl een plateau dat het zicht op de rivier beheerste, met schansen versterkt was. 11.En niet het minste was, dat de uitgelezen macht aan verdedigers zich op geen enkele manier tot overgave liet verleiden, maar een tegenstand bood alsof er geen andere keus was dan winnen of ondergaan in de as van de stad. Aan de andere kant waren onze mannen ook niet te houden, daagden de vijand zelfs uit tot een gevecht in het open veld, met slagordes tegenover elkaar, en als de trompetters het sein gaven om zich terug te trekken, bleven ze de vijand nog afmatten tot ze er zelf bij neervielen. 12.Het gezonde verstand won het echter van de drift. De aanpak werd vervolgens beter georganiseerd met voor ieder zijn taak. Hier werden hoge wallen opgeworpen, daar dichtten anderen de diepe grachten, elders werden mangaten en lange ondergrondse gangen gegraven. Geschutmeesters brachten de belegeringswerktuigen in stelling die weldra in een onheilspellend geraas zouden losbarsten. 13.Nevitta en Dagalaifus waren verantwoordelijk voor de aanleg van mijngangen en de fabricage van schutdaken; de keizer zelf bemoeide zich met de bescherming van de aanvalsmachines tegen brand en overvallen en hield het oppercommando aan zich. Terwijl dankzij die bloedige inspanning alles in gereedheid kwam voor de vernietiging van de stad, en luid om de aanvang van het gevecht geroepen werd, viel generaal Victor binnen, die de wegen tot aan Ctesiphon verkend had, en meldde dat hij op geen enkele vijand gestuit was. 14.Dat bericht viel uitermate goed bij de troepen, die nog meer moed vatten en met de wapens klaar op het signaal voor de aanval wachtten.15.En toen de trompetten dan eindelijk schalden, klonk in beide kampen krijgsgehuil op. De Romeinen daagden meteen onder angstaanjagend geloei met salvo na salvo de Perzen uit, die zich, gehuld in een harnas van ijzeren strips (als in een verenpak) veilig voelden, aangezien de pijlen afketsten op het harde metaal; maar door de voortdurende bewegingen lieten soms de verbindingen los tussen een bepaald soort schutdak van schilden waarmee de onzen zich beschermden. De Perzen hielden stand op de muren, waar ze met alle middelen probeerden onze dodelijke aanvallen te pareren en te ontwijken. 16.Als de onzen zich achter hun gevlochten borstweringen tot onder de muren vochten, werden ze door de vijandelijke slingeraars en boogschutters met fakkels en brandpijlen, door anderen met zware stenen teruggedreven; ballista’s geladen met houten spiesen werden krakend onder de spanning opgedraaid en schoten regens van projectielen af, terwijl scorpio’s ronde stenen slingerden waarheen ervaren schutters ze richtten. 17.Telkens en telkens opnieuw vielen de partijen elkaar aan, maar naar de middag nam onder de onbarmhartig brandende zon de hitte toe en moesten de strijders zich, hoe fel ze ook waren op het belegeringswerk en op vechten, uitgeput en badend in hun zweet terugtrekken. 18.Even verbeten ontmoetten de partijen elkaar weer, de volgende dag, en vochten ze met alles wat ze hadden, maar weer waren ze aan elkaar gewaagd en bleef de strijd onbeslist. Onder alle omstandigheden bleef de keizer bij zijn mannen, want hij moest met alle geweld de stad snel veroveren om niet door een te lang oponthoud voor de muren zijn grotere plannen in gevaar te zien komen.19.Maar als het eropaan komt, kan soms onverwachts een kleinigheid in een grote zaak de doorslag geven. Want toen het gevecht weer eens verflauwde en de partijen zich, zoals vaker, al haast begonnen terug te trekken, stortte de hoogste bakstenen toren in onder een extra zware stoot van een stormram die juist was aangevoerd en sleepte in zijn val onder donderend geraas een stuk van de aangrenzende muur mee. 20.Dat veranderde de situatie op slag, waardoor de drift van de belegeraars en de energie van de belegerden weer oplaaide. Niets scheen onze wraakzuchtige strijders meer teveel, niets te zwaar of te erg voor de verdedigers die vochten voor hun leven. Lang woedde de strijd, een bloedbad met doden en gewonden aan beide kanten, maar bleef onbeslist. Pas toen de avond viel kwam er een eind aan en kon men toegeven aan zijn moeheid. 21.Terwijl dit zich bij daglicht en bovengronds afspeelde, werd de keizer, aan wiens oplettendheid overigens niets ontging, gemeld dat de sappeurs belast met het graven van mijnen de gangen gestut en wel klaar hadden, onder de fundamenten van de muren door waren en op een teken van hem bereid waren naar boven te gaan. 22.Dus toen de nacht zo goed als voorbij was en met trompetstoten het strijdsignaal gegeven werd, liep alles weer te wapen. En expres werden de muren toen zowel vóór als achter geattaqueerd, zodat de verdedigers hier en overal moesten zijn om de dreiging af te weren en daardoor het schrapen van de ijzeren gereedschappen van de sappeurs niet konden horen die nu hun doel naderden en plotseling konden opduiken zonder dat ze aan de andere kant werden opgewacht. 23.Dat liep dus volgens plan. En terwijl de verdedigers op die manier werden beziggehouden, werd een gang opengestoten en sprong Exsuperius, een soldaat van een afdeling Victores er als eerste uit, met na hem Magnus, een tribuun, en Jovianus, een notarius, gevolgd door een hele moedige troep. Ze doodden meteen degenen die ze in de ruimte troffen waar ze voor de dag kwamen, slopen verder en maakten korte metten met de wachten, die volgens een gewoonte van dat volk luid een loflied zongen op hun rechtvaardige en begenadigde koning. 24.Het leek destijds wel of Mars zelf (als de majesteit van de goden het verdraagt dat zij zich onder stervelingen begeven) destijds met Luscinus was, toen hij het kamp van de Lucaniërs binnendrong, want men begon dit te geloven omdat men in het heetst van de strijd een reusachtige krijger had gezien die stormladders op zijn schouders torste, en hem de volgende dag, toen het leger geschouwd werd, nergens kon vinden hoe men ook zocht, terwijl hij zich, als hij een gewoon soldaat was geweest, uit eigen beweging wel gemeld zou hebben in het besef een bijzondere prestatie te hebben geleverd. Maar terwijl toen degene die de heldendaad had verricht, onbekend bleef, werden nu de mannen die uitblonken in de strijd, met belegeringskransen12 beloond en volgens een oude gewoonte voor het front van de troepen onderscheiden. 25.Eindelijk werden de muren niet langer verdedigd en waren er zoveel bressen in geslagen dat de stad zo goed als ons was. Onze soldaten stormden naar binnen en sloegen in hun razernij alles neer wat op hun weg kwam, alles, mannen en vrouwen zonder onderscheid, oud en jong. Er waren ook burgers die in doodsangst, in de val tussen brand aan de ene en staal aan de andere kant, vrijwillig, huilend om hun einde, van de muren sprongen en met gebroken ledematen nog een poos in leven bleven erger dan dood, tot ze uit hun lijden werden verlost. 26.Nabdates, de commandant van het garnizoen, werd echter samen met tachtig kompanen levend naar buiten gesleurd en voor de keizer gebracht, die opgelucht en genadig gestemd beval zowel hemzelf als de anderen te sparen en gevangen te houden.Toen de buit werd verdeeld en ieder daarvan kreeg naargelang zijn inspanningen en verdiensten, nam Julianus, met weinig tevreden, alleen een jonge knaap, die stom was en zich van een gebarentaal bediende waarin hij zich met levendige gestes wist uit te drukken, en vond zich met die jongen, ter waarde van drie goudstukken (?), voldoende en naar tevredenheid beloond voor de overwinning die hij had behaald. 27.De meisjes die gevangen waren - en ze waren betoverend mooi, zoals de meeste vrouwen in Perzië van een bijzondere schoonheid zijn - raakte hij niet aan en wilde hij zelfs niet zien; wat dat betrof was hij als Alexander en [Scipio] Africanus, die zich op dit punt onthielden om niet door genotzucht te verslappen waar ze zich onder de zwaarste omstandigheden sterk hadden getoond. 28.Tijdens de gevechten stond een van onze bouwmeesters, wiens naam me ontschoten is, toevallig achter een scorpio toen een steen die de schutter slordig in het werpnet had gelegd, naar achteren werd geslingerd, waardoor de man vol in de borst getroffen werd, achteroversloeg en de geest gaf, zo volledig verbrijzeld, dat zijn lichaam nergens nog iets herkenbaars had.29.Juist toen de keizer op het punt stond op te breken, werd hem door een betrouwbare spion gemeld dat zich vlakbij de muren van de verwoeste stad in bedrieglijk gecamoufleerde gangen zoals er daar veel zijn, een bende vijanden listig verborgen hield om op een gegeven moment onverwachts te voorschijn te komen en op de achterhoede van ons leger aan te vallen. 30.Meteen stuurde hij er gehaaide infanteristen opaf om ze eruit te halen. Die zagen echter geen kans de openingen naar de gangen te forceren of degenen die zich erin verborgen hadden, te verleiden tot een gevecht, waarop ze stro en rijshout verzamelden, voor de toegangen ophoopten [en in brand staken]. De rook daarvan drong naar binnen en vulden de benauwde ruimten, waardoor sommigen stikten en anderen half verschroeid door de hete lucht gedwongen werden naar buiten te kruipen, een zekere dood tegemoet. En nadat ze allen door vuur of zwaard waren omgebracht, keerden onze mannen naar hun onderdelen terug. Zo viel die grote, dichtbevolkte stad onder het Romeinse geweld en bleef als een rokende puinhoop achter. 31.Na deze roemvolle episode staken we via de ene brug na de andere een aantal in elkaar vervlochten rivierlopen over en kwamen bij een kundig gebouwd tweelingfort, waar een zoon van de Perzische koning, die met een aantal edelen en een legertje uit Ctesiphon was gekomen, een poging deed de comes Victor, die onze voorhoede commandeerde, te verhinderen de rivier [de Naarmalcha] over te steken, maar zich terugtrok toen hij zag welke troepen verder in aantocht waren.

 

 

 

5. Een door zijn natuurlijke ligging en verdedigingswerken sterke vesting wordt door de Romeinen veroverd en in de as gelegd

  1.Op onze verdere tocht kwamen we aan bosschages en akkers met zo’n weelde aan gewas dat ze een lust waren voor het oog, waar we een paleis aantroffen in Romeinse stijl, zo prachtig dat we het ongemoeid lieten. 2.In de omgeving daarvan lag een uitgestrekt terrein, rond, met een zwaar hek erom, waarin wilde dieren werden gehouden bestemd voor ’s konings jacht: leeuwen met een kraag van manen, evers met borstelige schonken, onvoorstelbaar woeste beren (zoals ze in Perzië zijn) en ander uitgezocht wild, dat onze ruiterij, na de grendels van de hekken te hebben geforceerd, met jagerslansen en pijlen afslachtte. 3.Niet ver daarvandaan ligt (...) Coche, ook Seleucia geheten, waar een provisorisch versterkt kamp werd ingericht en het leger een paar dagen kon bijkomen, want daar was genoeg water en voedsel voorhanden. De keizer zelf reed met lichtgewapende schermutselaars alvast de volgende route af, om een verlaten stad te bezichtigen die vroeger door keizer Carus was verwoest en waar zich een bron bevindt die continu zoveel water geeft dat ze een enorm meer vormt dat overloopt in de Tigris. Hij zag er een groot aantal lijken aan kruisen hangen, verwanten van de man die (zoals ik verteld heb) de stad Pirisabora had overgegeven13 4.Hier werd ook Nabdates, die immers na de verovering van de stad [Maiozamalcha] met tachtig man uit een schuilplaats was gehaald, levend verbrand omdat hij bij het begin van de belegering heimelijk beloofd had ons de stad in handen te spelen, vervolgens ons fanatiek had bevochten, onverdiend begenadigd was, maar toen de brutaliteit had Hormisdas op allerlei manieren te beledigen. 5.Toen we onze mars voortzetten, overkwam ons iets kwalijks. Want terwijl drie cohorten lichtgewapende schermutselaars in een handgemeen waren geraakt met een troep Perzen die uit een plotseling geopende poort van een stad kwam gestormd, ving een andere troep, die van over de rivier kwam aanzetten, de pakpaarden die achteraan meegevoerd werden en maakte ze af, tegelijk met een aantal foerageurs die er in de buurt wat rondkeken. 6.Hevig verbolgen daarvandaan vertrokken, kwam de keizer aan bij een hoog gelegen vesting, niet ver meer van Ctesiphon, die hij nader wilde verkennen. Denkend dat hij niet herkend zou worden, reed hij met een paar anderen op tot onder de muren, maar toen hij nogal roekeloos binnen schootsafstand kwam, kon het niet anders of hij werd toch herkend, kreeg meteen een regen van projectielen over zich heen en zou, als de anderen hem niet met een haag van schilden hadden beschermd, door een schot uit een machine op de muur dodelijk zijn geraakt. Terwijl wel zijn wapendrager vlak naast hem werd gewond, ontsnapte hij aan dat gevaar ternauwernood. 7.Razend daarover, beval hij de belegering van de vesting, waarvan het garnizoen grimmig bereid was tot het einde toe te vechten - die plek was immers moeilijk te benaderen en de koning, die met een geweldige troepenmacht snel naderbij kwam, kon elke dag arriveren. 8.Het hele belegeringsarsenaal, schutdaken incluis, was al in positie, toen kort vóór middernacht bij toevallig heldere maan, zodat de hele omgeving in het licht lag en men vanaf de muren goed zicht op ons had, onverwachts de poorten werden opengegooid, een hele horde naar buiten stormde, zich op een van onze niets vermoedende cohorten stortte en een groot aantal van onze mannen doodde, waaronder de tribuun die het gevaar probeerde af te wenden. 9.Tegelijk gebeurde hetzelfde als kort tevoren: Perzen vielen vanaf de overkant van de rivier een van onze afdelingen aan, doodden een paar van de manschappen en namen er een paar gevangen. De onzen reageerden daarop niet adequaat, deels van schrik, deels omdat ze dachten dat er vijandelijke troepen in grotere aantallen aankwamen, maar ze herstelden zich, grepen links en rechts naar de wapens, en toen op het alarm onder vervaarlijk geschreeuw ook hulp kwam aanzetten, trokken de aanvallers zich, zonder verliezen, schielijk terug. 10.In zijn kwaadheid hierover zette de keizer de rest van de afdeling [ruiterij] die zich onder de aanval van de plunderaars laf had gedragen terug tot infanteriestatus, wat een zwaardere dienst in een lagere rang betekende. 11.Fanatiek zette hij daarna alles op alles om de vesting, onder de muren waarvan hij in levensgevaar had verkeerd, te vernietigen, bleef onafgebroken in de voorste gelederen meevechten om zijn soldaten met zijn voorbeeld te inspireren en hun prestaties te zien en te prijzen. Onvermoeibaar trotseerde hij de grootste gevaren, tot door de inzet van het hele arsenaal aan belegeringstuig en artillerie en dankzij onze gezamenlijke inspanning het fort veroverd werd en aan het vuur werd prijsgegeven. 12.Vanwege de zwaarte van de geleverde prestaties en met het oog op wat nog te wachten stond, kreeg het leger, uitgeput als het was, gelegenheid tot rust te komen en werd het onbeperkt geproviandeerd. Sindsdien echter werd het kamp zorgvuldiger beveiligd met dichte palissades en een diepe gracht, gezien Ctesiphon niet ver meer weg was en gevaar bestond voor vijandelijke bliksemacties en andere verraderlijke aanslagen.

  6. De Perzen verliezen 2500 man tegen Julianus nauwelijks zeventig. Hij onderscheidt een groot aantal soldaten in tegenwoordigheid van het hele leger met erekransen

  1.Vervolgens kwamen we aan een gegraven waterweg, die op dat moment droog stond. In het verleden had hier Trajanus en daarna Severus ten koste van grote inspanningen een massa grond laten verzetten om dit enorme kanaal aan te leggen waardoor water van de Euphraat werd afgeleid en scheepvaart naar de Tigris mogelijk werd.14 2.Het leek om allerlei redenen het beste, dit kanaal vrij te maken van een dam van steenstort waarmee de Perzen hem voor de veiligheid hadden afgesloten. Toen dat gebeurd was en de sluizen werden opengezet, kwam het water zo hoog dat onze vloot zonder enig probleem dertig stadiën door kon varen, de Tigris op. Vervolgens werden bruggen [over de Naarmalcha]15 geslagen, het leger trok er over en marcheerde verder, richting Coche. 3.Om na de vermoeienissen van gedane arbeid een welkome rustpauze in te lassen, liet Julianus een bivak opslaan in een rijke streek met ooftbomen, wijngaarden en groene cipressen, waar het goed toeven was. Midden daarin lag een beschaduwde, sierlijk  gebouwde villa, met in alle vertrekken schilderingen in een inheemse stijl, die in allerlei jachttaferelen de koning uitbeeldden terwijl hij wilde dieren doodde (want bij hen wordt niets anders geschilderd of anderszins afgebeeld dan slachtingen en oorlogen). 4.Omdat alles tot zover naar wens verliep, stapte Julianus soms te luchtig over moeilijkheden heen en ondernam hij, vertrouwend op het geluk dat hem nog nooit in de steek had gelaten,  waagstukken die wel gekkenwerk leken. Zo liet hij de beste schepen die proviand en geschut vervoerden, afladen, bemande ze elk met tachtig soldaten, en wilde die, terwijl hij het grootste deel van de vloot in drie verbanden georganiseerd paraat hield, na het invallen van de nacht onder bevel van de comes Victor de rivier laten oversteken om de vijandelijke oever te bezetten. 5.Alle generaals - in paniek! - probeerden hem met de grootste aandrang van dat plan af te brengen, maar slaagden er niet in hem van zijn beslissing te doen terugkomen. Op zijn bevel werd de standaard geheven en weldra verdwenen de vijf schepen uit het zicht. Maar ze hadden de overkant nog niet bereikt, of ze werden zo massaal met fakkels en allerlei andere brandende voorwerpen bestookt dat ze met manschappen en al een prooi van de vlammen zouden zijn geworden als de keizer niet in een plotselinge opwelling geroepen had dat de bemanning daar [met vuursignalen] het afgesproken teken gaf dat de oever inderdaad was bezet, en de hele vloot bevel had gegeven er met snelle riemslagen opaf te gaan. 6.Zodoende behielden we de schepen onbeschadigd en slaagden de overlevende manschappen erin, zij het onder een regen van stenen en allerlei projectielen en na een fel gevecht de hoge, steile oever te beklimmen en bezet te houden. 7.De geschiedenis bewondert Sertorius erom dat hij gepantserd en in volle wapenrusting de Rhône was overgezwommen, maar bij de huidige gelegenheid waren er soldaten, die na het gegeven signaal in hun angst om achter te blijven voorover liggend zich vastklauwend aan hun brede, schelpvormige schilden, nauwelijks in staat die te manoeuvreren, kans zagen de snelle schepen in de kolkende rivier bij te houden.8.De Perzen wachtten ons op met hun gepantserde ruiterij, op strijdrossen onder leren dekken, zo massief opgesteld dat de ijzeren platen die precies op hun lijven pasten hun tegenstanders verblindden. Achter hun cavalerie stonden in gesloten gelederen afdelingen infanteristen met hun lange, gebogen schilden bekleed met gevlochten tenen en ongelooide huiden, en daar weer achter olifanten, die wel heuvels op poten leken en met de bewegingen van hun kolossale lijven ieder dreigden te verpletteren die in hun weg kwam - vreselijke dieren, zoals in het verleden al was gebleken.9.Daarom wees de keizer volgens een door Homerus beschreven tactiek16 aan de zwakkere afdelingen infanterie een plaats tussen de linies, om te voorkomen dat als ze, in de voorhoede opgesteld, smadelijk zouden wijken, allen met zich mee zouden sleuren, of, in de achterhoede achter alle centuriën geplaatst, op een willekeurig moment konden vluchten zonder dat iemand ze daarvan kon weerhouden. Zelf galoppeerde hij met een lichtgewapende lijfwacht uit de hulptroepen op en neer tussen de voorste en achterste gelederen. 10.Dus toen de partijen oog in oog kwamen te staan, stapten de Romeinen met hun glanzende helmen met de helmbossen en zwaaiend met hun schilden als op het ritme van de anapest17 langzaam voorwaarts. Lichtgewapende schermutselaars openden het gevecht door als eersten hun speren te werpen. Wolken stof waaiden wervelend op. 11.En toen van beide kanten zoals gebruikelijk de strijdkreten werden aangeheven en trompetten de mannen aanvuurden, begon een gevecht van man tegen man met speren en zwaarden, waarbij de onzen zo snel mogelijk in de vijandelijke rijen doordrongen om veilig te zijn voor pijlen. Julianus intussen, tegelijk kameraad en aanvoerder, schoot als een razende zijn mannen te hulp waar ze terugweken, joeg ze op waar ze aarzelden, (12.) tot tenslotte het front van de Perzen in hun hete harnassen begon te wankelen en ze terugweken, eerst langzaam, dan steeds sneller, naar de stad, achtervolgd door onze soldaten, die ook aan het eind van hun krachten na een volle dag vechten op een brandendhete vlakte, toch niet loslieten en, op ruggen en benen inhakkend, de hele meute met Pigranes, de Surena en Narses - zulke generaals! - halsoverkop terugjoegen tot aan de muren van Ctesiphon. 13.Ze zouden zelfs nog met de horden verslagenen mee door de poorten de stad zijn binnengedrongen als niet generaal Victor, die zelf een pijlwond aan de schouder had opgelopen, hen met armzwaaien en schreeuwen daarvan had weerhouden, want hij zag het gevaar dat de opgewonden mannen roekeloos binnen de muren geraakt geen uitweg zouden vinden en door een overmacht omsingeld zouden worden. 14.De oude dichters mogen de tweekampen van Hector bezingen en de dappere Thessalische leider18 prijzen tot in de hemel; de eeuwen door mogen Sophanes, Aminias, Callimachus en Cynaegirus, de sterren van de Perzische oorlogen met bewondering besproken blijven: niet minder schitterden deze dag sommigen van onze moedige strijders, zoals allen zullen bevestigen die er getuigen van waren. 15.Toen de spanning was geweken, liepen onze soldaten, nog bespat met terecht vergoten bloed over de lijken van de verslagen vijanden heen te hoop voor ’s keizers tent, hem ervoor lovend en dankend dat hij het gevecht zo geleid had - al kon men nooit zeggen wat hij méér was: veldheer of vechtsoldaat - dat daarbij zo’n 2500 Perzen waren omgekomen en van de onzen niet meer dan zeventig. 16.Julianus noemde velen van hen bij naam, van wie hij met eigen ogen gezien had hoe ze koelbloedig heldenmoed hadden getoond en beloonde hen met scheeps-, burger- en kampkransen.1917.In de overtuiging dat méér van zulke successen hem ten deel zouden vallen, wilde hij offeren aan Mars ‘de Wreker’, maar van de tien prachtige stieren die hij zich daarvoor liet brengen, zonken er negen vanzelf mismoedig door de poten nog vóór ze tot aan de altaren geleid waren, en de tiende rukte zich los en vluchtte, maar toen deze met moeite was teruggebracht en geslacht, gaf hij omineuze voortekenen te zien, bij het schouwen waarvan Julianus kwaad uitriep en bij Jupiter zwoer dat hij nooit meer aan Mars zou offeren - een eed waaraan hij zich zou houden, want hij zou spoedig sterven. 

7. Julianus laat zich raden tegen een belegering van Ctesiphon, beveelt in een opwelling alle schepen te verbranden en trekt zich terug van de rivier

  1.Toen vervolgens met de hoogste generaals krijgsraad werd gehouden over de vraag of men Ctesiphon wel of niet zou belegeren, prevaleerde de mening van sommigen, die geloofden dat dit een moeilijke en gevaarlijke onderneming zou zijn, aangezien de stad vanwege haar ligging ongenaakbaar en goed verdedigbaar was en bovendien Sapor waarschijnlijk met een geweldig leger in aantocht was. 2.Dienovereenkomstig werd besloten, met instemming van de keizer, die er, altijd aan de voorzichtige kant, ook de zinnigheid van inzag. Hij liet dus Arintheus met een legertje lichtbewapend voetvolk het omliggende land verwoesten dat rijk was aan vee en gewas, en met geweld de vijanden verjagen die weer aan het rondzwerven waren, gebruik makend van allerlei sluipwegen en hun bekende schuilplaatsen. (...) 3.Overigens negeerde Julianus, voortgedreven door zijn ambitie, de waarschuwingen en bezwaren van zijn generaals (die hij verweet hem uit lafheid en gemakzucht te willen bewegen het Perzische rijk, dat hij al zo goed als veroverd had, nu te laten voor wat het was), en besloot de rivier verder links te laten liggen, om direct het binnenland in te trekken (maar had hij maar betere gidsen!). 4.En als met een onheilsfakkel van Bellona zelf stak hij zijn schepen in brand en liet hij de hele vloot in vlammen opgaan, met uitzondering van twaalf kleinere boten, die hij op wagens wilde meenemen om er eventueel bruggen mee te kunnen slaan. Want, dacht hij, zo waren de achtergelaten schepen niet bruikbaar voor de vijand en kreeg hij 20.000 man extra tot zijn beschikking die vanaf het begin van de expeditie belast waren geweest met het reilen en zeilen van de vloot. 5.Maar toen er algemene onrust ontstond, angst zelfs, omdat men zich plotseling realiseerde dat als men misschien wegens de onherbergzaamheid van het land of de onoverkomelijkheid van gebergten genoodzaakt zou zijn om te keren, het leger niet meer terug kon naar de rivier, en overlopers onder foltering bekenden dat ze valse adviezen hadden gegeven,20 werd op bevel met man en macht geprobeerd de branden weer te blussen. Helaas! Het vuur had al verschrikkelijk om zich heen gegrepen en de meeste schepen verteerd. Alleen de twaalf boten die waren afgezonderd om meegenomen te worden, waren nog intact. 6.Zo ging de vloot onnodig verloren. Maar wel met een vergroot, want verenigd leger, aangezien geen soldaten meer door andere bezigheden in beslag werden genomen, en daar maar op vertrouwend, sloeg Julianus de weg naar het binnenland in,21 land dat vruchtbaar was en voldoende leeftocht zou verschaffen.... 7.Toen onze vijanden dit zagen gebeuren, staken ze al het gewas, de hele rijpende oogst in brand om ons aan hongersnood prijs te geven, zodat we, door de branden gehinderd in onze opmars, genoodzaakt waren tot de vlammen doofden in een vast kamp te blijven. De Perzen begonnen ons ook op een afstand te sarren: opzettelijk verspreidden ze zich soms, dan weer stelden ze zich in gesloten gelederen op, zodat het voor ons uit de verte moest lijken alsof de hulptroepen van Sapor al gearriveerd waren en we zouden denken dat ze daarom zulke manoeuvres uitvoerden en ons uitlokten. 8.De keizer en het leger betreurden het intussen dat de schepen zonder goede reden vernietigd waren, waardoor we geen brug meer konden slaan [om terug de rivier over te steken] en aan de bewegingen van de oprukkende vijand niet het hoofd kon worden geboden - want hij was onmiskenbaar in aantocht zoals we zagen aan het blinken van de nauwsluitende harnassen. Daarbij kwam nog de grote tegenslag dat ook de hulplegers onder Arsaces en onze generaals niet kwamen opdagen vanwege de problemen waarover ik het eerder heb gehad.22

8. Aangezien het niet meer mogelijk is bruggen te bouwen en hij de rest van zijn troepen niet langer verwacht, besluit Julianus terug te trekken via Corduene

  1.Om de toenemende onrust onder de troepen in de nu ontstane situatie te bezweren, liet Julianus een stel krijgsgevangenen, die zoals alle Perzen van nature slank, maar nu ook door ondervoeding vermagerd waren, voor hen ten toon stellen en riep toen zijn manschappen toe: ‘Kijkt eens wat dat zijn, waarvan jullie, dappere kerels, denken dat het mannen zijn! Walgelijke, stinkende geiten zijn het, die zoals talloze keren gebeurd is, hun wapens laten vallen en op de loop gaan vóór het tot vechten komt!’ 2.Na die demonstratie werden de gevangenen afgevoerd en werd over de situatie krijgsraad gehouden. Na lang delibereren liet een onverantwoordelijke meerderheid luid horen te willen terugkeren langs de weg die we gekomen waren, waar Julianus mordicus op tegen was, er met ook anderen op wijzend dat het volstrekt ondenkbaar was terug te gaan via een vlakte waarop al het gewas, al het eetbaars was opgebruikt, en wat nog overeind stond van de verbrande en verlaten dorpen niets te bieden had. Bovendien begon de sneeuw te smelten en zou, doordat de rivieren tot razende stromen zwollen en buiten hun oevers traden, alles onder water komen te staan. 3.Daarbij kwam nog het probleem dat die regionen, gestoofd door een brandende zon, vergeven waren van vliegen en muggen in zulke zwermen dat overdag het zonlicht en ’s nachts het sterrenschijnsel erdoor werd verduisterd. 4.Omdat we er met ons allen niet uitkwamen, bleven weifelen en aarzelen, bouwden we altaren en slachtten we offerdieren om de goden raad te vragen: moesten we terugkeren via Assyrië of langzaam onder de bergen langs optrekken en Chiliocomum overvallen en vernietigen onderweg naar Corduene? Maar schouwing van de ingewanden leverde op, dat geen van deze alternatieven doenlijk was. 5.Bij gebreke van iets beters werd toen besloten Corduene te nemen en dus werd in de vroege ochtend van de 16e juni opgebroken en vertrokken we, met de keizer voorop.Toen zagen we in de verte iets als rook of een grote wervelende stofwolk, mogelijk veroorzaakt door wilde ezels, waarvan er in die streken massa’s voorkomen en die dicht bij elkaar grazen om in kudden veiliger te zijn voor de leeuwen. 6.Maar sommigen dachten dat Arsaces en onze generaals eindelijk in aantocht waren, misschien op het gerucht afkomend dat de keizer met zijn enorme leger het beleg om Ctesiphon had geslagen; anderen dat de Perzen ons daar de weg versperden. 7.Omdat het onduidelijk was wat er gaande was, werden de troepen om ongelukken te voorkomen met trompetsignalen samengetrokken en gingen we in een grazige vallei aan een kleine rivier in bivak, rondom extra bewaakt en beveiligd, want die hele dag tot de avond toe konden we vanwege de dichte stofwolk niet uitmaken wat het was wat we daar onduidelijk zagen...

Noten

1.Ammianus vervolgt hier zijn na boek xxiii,5,25 onderbroken relaas. retour

 

2.Zie boek xvi,10,16, noot.  retour

 

3.Ongetwijfeld ging het hier slechts om een detachement, waartoe ook Ammianus behoorde (‘we’), en bleef de hoofdmacht aan de linkerkant van de rivier. retour

 

4.Een erfelijke Perzische adellijke titel.  retour

 

5.Een phylarch of ‘Malechus’ was het hoofd van een Saraceense stam.  retour

 

6.Een vergelijking met de Pharos, de enorme vuurtoren bij Alexandrië.  retour

 

7.Ammianus is onduidelijk over de verschillende waterwegen. De situatie is als volgt. Na de Euphraat te zijn overgestoken (xxiii,2,7) trok het leger in zuidelijke richting langs de linkeroever op (onder, 1,2), passeerde twee waterwegen (kanalen): het hier eerstbedoelde en de Naarmalcha. Na de Naarmalcha te zijn overgestoken (onder, 4,31), marcheerde het langs de zuidkant daarvan oostwaarts, richting Ctesiphon. Waar de Naarmalcha op een zeker punt sterk naar het zuiden afboog, takte zich een andere waterweg af (onder, 6,1) wel in de richting van Ctesiphon, die een verbinding maakte met de Tigris. Het leger volgde deze laatste waterweg na voor de vloot een blokkade te hebben opgeruimd, en moest daarvoor de Naarmalcha terug oversteken (onder, 6,2). retour

 

8. Zie boek xxiii,4,10-13. De beschrijvingen van de machine zijn verschillend.  retour

9.Of elke tiende? Het ‘decimeren’ was een vaker toegepaste straf in het Romeinse leger. retour

10.Gaius Fabricius Luscinus, consul in 282 en 278, censor in 275, held in de oorlog tegen Pyrrhus. Zie ook boek xxiv,4,24 en xxx,1,22. retour

11.Mogelijk nakomelingen van joden uit de Babylonische gevangenschap (6e eeuw vC) of van joden die na de val van Jeruzalem (70 nC) uit angst voor de Romeinen naar Perzië waren gevlucht. retour

12.Belegeringskransen werden geschonken aan soldaten die zich bij een belegering uitzonderlijk dapper hadden gedragen. Zie ook onder: 6,16.  retour

 

13.Zie 4,26.  retour

14.Zie boven, noot 7.  retour

15.Zie boven noot 7.  retour

16.Homerus, Ilias, IV,997 vv.  retour

17.Versvoet, kort-kort-lang. retour

 

18.Achilles. retour

19.Kransen resp. door een commandant geschonken aan de soldaat die het eerst in een vijandelijk schip was geklommen, door een burger geschonken aan een burger die hem het leven had gered, en door een commandant geschonken aan een soldaat die het eerst een vijandelijk kamp was binnengedrongen. Zie Gellius, V,vi, 11,17,18 retour

20.In boek xviii,5,3 heeft Ammianus de naam van Zopyrus laten vallen, een Perzische overloper, maar in feite een verkapte agent, die Babylon in handen wist te spelen van Darius. Mogelijk  is Julianus nu ook in een val getrapt, hem gezet door zogenaamde overlopers. retour

 

21.Maar nu in de richting van Romeins gebied. retour

22.Voor Arsaces en de Romeinse hulptroepen, zie boek xxiii,3,5. De tekst aan het begin van dit hoofdstuk vertoont een of meer lacunes, waardoor zowel de actie van de ‘overlopers’ als de problemen waarnaar hier wordt verwezen, niet zijn overgeleverd. retour