BOEK XXV

  1. De Perzen vallen de Romeinen op mars aan, maar worden teruggeslagen  

1.Die nacht, die door geen sterrenschijnsel werd verlicht, brachten wij door zoals dat in hachelijke situaties gewoonlijk gaat: zonder dat iemand durfde te gaan zitten of het hart had zijn ogen te sluiten om wat te slapen. En nauwelijks brak de ochtendschemering aan, of de blikkering van ijzerbeslag op maliënkolders en de schittering van kurassen in de verte lieten er geen twijfel over dat de troepenmacht van Sapor dáár was. 2.De aanblik daarvan wond onze mannen zo op dat ze direct in de aanval wilden - enkel een smalle rivier [de Duros] scheidde hen van de vijand - maar de keizer hield hen terug. Niet ver van onze verdedigingswal kwam het niettemin tot een hevig treffen tussen onze voorhoede en die van de Perzen, waarbij Machameus, een van onze compagniescommandanten, dodelijk gewond raakte. Zijn broer Maurus (later bevelhebber in Phoenicië) schoot hem te hulp, doodde de man die hem had neergehouwen en joeg ieder die hem te na kwam achteruit. Zelf door een pijl in zijn schouder gehinderd, slaagde hij er met grote moeite in Machameus, met de bleekheid van zijn naderende dood al op de wangen, uit het gevecht weg te slepen. 3.Maar toen beide partijen langzamerhand vermoeid raakten van de ondraaglijke hitte en de telkens oplaaiende gevechten, joegen wij de vijandelijke eenheden tenslotte met een laatste krachtsinspanning in verwarring op de vlucht. Daarna trokken we ons terug, op grote afstand gevolgd door Saracenen, die uit vrees voor onze infanterie al gauw omkeerden en aansluiting zochten bij de Perzische hoofdmacht, om ons, met hoop op buit uit onze legertros, veiliger te kunnen aanvallen - tot ze onze keizer ontwaarden en definitief terugkeerden naar de reserve-ruiterij. 4.We verlieten nu deze streek en kwamen bij een landgoed Hucumbra geheten. Hier vonden we allerlei bruikbaars en voldoende graan bovendien, zodat we ons buiten verwachting twee dagen lang te goed konden doen. Daarna vertrokken we weer, na alles, behalve zoveel als we tijd hadden om mee te nemen, in brand te hebben gestoken.5.De volgende dag marcheerde ons leger in een tamelijk kalm tempo op, toen de Perzen onverwachts de troepen aanvielen waaraan die dag de taak was toebedeeld de achterhoede te vormen. En het was zonder twijfel een bloedbad geworden als niet onze ruiterij in de buurt was geweest, dit onmiddellijk had opgemerkt en, uitwaaierend over open terrein, een ramp had afgewend, waarbij ze de vijand verliezen toebracht. 6.Onder anderen sneuvelde in dat gevecht de edele satraap Adaces, een man die ooit als afgezant naar keizer Constantius was gezonden en welwillend door hem was ontvangen. Degene die hem verslagen had, bood Julianus de wapenrusting van de man aan, waarvoor hij de beloning kreeg die hij verdiende.7.Diezelfde dag beschuldigden de legioenen de ruiterij van de Tertiaci ervan, voor de vijand geweken te zijn terwijl zijzelf standhielden tegen de vijandelijke linies, en daardoor de gevechtskracht van ongeveer het hele leger had ondermijnd. 8.De keizer ontstak hierover terecht in woede, ontnam die ruiterij de vaandels, liet haar lansen stukbreken en verwees al degenen die ervan beschuldigd werden gevlucht te zijn, naar de tros bij de gevangenen en de bagage. Maar hun aanvoerder, die zelf wel dapper had gevochten, gaf hij het commando over een ander eskadron, waarvan de tribuun de strijd lafhartig was ontvlucht. 9.Vier andere tribunen van de ruiterij werden om eenzelfde schandelijk gedrag uit de dienst ontslagen - slechts ontslagen, want met het oog op te verwachten moeilijkheden nam de keizer met deze niet al te harde bestraffing genoegen. 10.Terwijl we daarna zeventig stadiën oprukten, slonken onze voorraden zienderogen, en omdat al het gras en graan [door de vijand] in brand was gestoken, moest ieder voor zich maar zoveel hij aan eetbaars voor man en paard kon dragen uit de vlammen zien te redden. 11.Ook dit gebied liet ons leger achter zich en kwam in een streek, Maranga geheten, toen op een vroege ochtend een enorme Perzische legermacht in het vizier kwam onder aanvoering van ruitergeneraal Merena, twee zonen van de koning en een groot aantal andere hoge officieren. 12.Alle manschappen waren gepantserd, zo dat alle delen van hun lichaam werden beschermd door dikke metalen platen, waarvan de stugge verbindingen exact pasten op de gewrichten van armen en benen, terwijl de helmen zo precies aansloten op de gezichtsvorm en het hoofd, dat pijlen die deze volledige pantsering raakten, alleen daar konden binnendringen waar kleine ronde openingen voor de ogen waren uitgespaard, of waar door de neus - met moeite - geademd kon worden. 13.Een deel van hen stond met lansen gewapend klaar voor de strijd, maar zo bewegingloos, dat ze met bronzen klampen vastgezet leken. Daarnaast spanden boogschutters (want de mannen van dat volk hebben vanaf hun vroegste jeugd vooral die vorm van krijgskunst geoefend) hun buigzame bogen met ver uitgestrekte armen, waarbij ze de pezen rechts tegen hun borst trokken en de pijlpunten bij de linkerhand hielden, om met één snelle vingerbeweging de doodgevaarlijke pijlen snorrend weg te schieten. 14.De aanblik van de olifanten daarachter met hun enorme, glanzende lijven en hun grimmige open muilen, was voor vreesachtige naturen bijna onverdraaglijk, en meer nog joegen hun gekrijs, hun stank en vreemde gestalte de paarden schrik aan. 15.De drijvers op hun ruggen hadden, sinds de catastrofe die hun bij Nisibis was overkomen, messen met de heften aan hun rechterpolsen gebonden, zodat ze, als zo’n beest, wild geworden, niet meer onder controle te houden zou zijn en dreigde achteruit door de eigen gelederen stampend het voetvolk ondersteboven te lopen en te verpletteren (zoals toen gebeurde1), met één geweldige stoot de hoofdader van de nek naar de kop konden doorhakken. Want door Hasdrubal, de broer van Hannibal was ooit uitgevonden dat deze ondieren op die manier het snelst te doden waren. 16.Hoewel dit alles niet zonder grote beduchtheid werd aangezien, stelde de keizer, omgeven door een schare gewapende lijfwachten, vol zelfvertrouwen, samen met zijn generaals zijn troepen op zoals de ontzaglijke vijandelijke overmacht dat vereiste: in een halvemaan, met gebogen flanken. 17.En om te voorkomen dat de aanval van de Perzische boogschutters onze opstelling meteen uit elkaar zou slaan, liet hij zeer snel oprukken om de uitwerking van hun pijlen te frustreren. Toen werd het gebruikelijke signaal voor de strijd gegeven en drong onze infanterie in een stormaanval in gesloten formaties het dichte front van de vijand achteruit. 18.En in de hitte van de strijd was het één en al gedreun van schilden en mannen en akelig gekletter van wapens, en werden de velden gedrenkt in bloed en bedekt met massa’s lijken van gesneuvelden, vooral van de Perzen, die tegen een langer gevecht lijf aan lijf, van man tegen man, niet goed bestand waren. (Maar ze streden gewoonlijk wel dapper op langere afstand, en zelfs, wanneer ze merkten dat hun troepen terrein verloren en zich terugtrokken, schrikten ze door een hagel van pijlen naar achteren te schieten de vijand nog af van een achtervolging.) Onder de druk van dit enorme geweld werden de Perzen dus teruggedreven, en toen het signaal werd gegeven om de strijd te staken, zochten onze soldaten, afgemat door de langdurige hitte van de zon, maar optimistisch gestemd over de afloop van eventueel zelfs gevaarlijkere acties, hun tenten op. 19.In dit treffen, zoals gezegd, leken de Perzen de zwaarste verliezen te hebben geleden, de onzen heel weinig. Het gevoeligste verlies aan onze kant, was de dood van Vetranio, een dapper man, die het legioen van de Zianni2 aanvoerde.  

2. Het leger heeft te lijden van gebrek aan graan en voer voor de dieren. Julianus wordt verontrust door voortekenen

  1.Hierna werd een wapenstilstand van drie dagen in acht genomen, waarin ieder zijn eigen wonden of die van een kameraad verzorgde. We hadden echter gebrek aan proviand en werden door honger gekweld. Omdat al het graan en gras verbrand was en mens en dier daardoor in nood kwamen, werd toen een groot deel van de voorraad die de lastdieren van de tribunen en de comites droegen, verdeeld onder het hongerende soldatenvolk tot de laagste man toe. 2.Ook de keizer, voor wie onder de luifel van zijn bescheiden tent geen koningsmaal, maar een beetje bonenbrij bereid werd - iets wat een gewoon soldaat nog zou versmaden - gaf alles wat voor zijn eigen verzorging bestemd was onzelfzuchtig weg aan de mannen die er het slechtste aan toe waren. 3.Wanneer hij toe was aan bedrust, wierp hij, onrustig en nerveus, na korte tijd de slaap van zich af, zoals hij gewoon was, en wijdde hij zich naar het voorbeeld van Julius Caesar in zijn tent aan wat schrijfwerk. Zo, eens in het diepst van de nacht verzonken in de gedachten van de een of andere filosoof, zag hij vaag - zoals hij later aan zijn naaste medewerkers vertelde - hoe de Genius van de staat in de gedaante waarin hij hem in Gallië had gezien toen hij tot Augustus zou worden verheven, maar nu gesluierd en met een bedekte hoorn des overvloeds, bedroefd door de voorhangsels van zijn tent verdween. 4.Voor een moment star van verbazing, maar elk gevoel van angst beheersend, beval hij wat ook komen mocht aan de hemelse voorzienigheid aan, verliet, geheel wakker nu, al was het nog volop nacht, zijn bed dat op de grond gespreid was, en wendde zich smekend tot de goden met onheilwerende riten. Toen zag hij wat hij dacht een fel brandende fakkel te zijn, als een vallende ster, die een deel van de lucht doorkliefde en verdween. En hem overviel de vrees, dat hem de dreigende ster van Mars veelbetekenend verschenen was. 5.Het was natuurlijk zo’n vurige schittering die wij een ‘diaïssoon’ [een vallende ster] noemen, die niet werkelijk ooit valt of de aarde raakt. Immers, wie gelooft dat dingen uit de hemel kunnen vallen, moet wel een leek [in de astrologie] of een dwaas zijn. Zo’n verschijnsel doet zich namelijk op verschillende manieren voor, waarvan ik er wel enkele wil noemen. 6.Sommigen menen dat vonken die opgloeien door een etherische energie, slechts kracht hebben voor een korte vlucht en dan doven, of dat lichtstralen die zich plotseling tot een wolk verdichten, door het felle contact vonken spatten; of ook, dat als enig lichtschijnsel in aanraking komt met een wolk, dit de vorm aanneemt van een ster, die dan verschiet, zolang ze tenminste door de kracht van het vuur in stand wordt gehouden, want vervliegend in de enorme hemelruimte wordt ze weer de substantie die door de wrijving was opgegloeid. 7.Dus nog vóór het eerste morgenlicht aanbrak, werden ijlings Etruskische waarzeggers ontboden voor de vraag wat die nieuwe soort ster wel voor goeds of kwaads mocht aankondigen. Zij antwoordden dat nu per se vermeden moest worden ook maar iets te ondernemen, omdat in de Tarquitische boeken3 in het hoofdstuk ‘Over het bovennatuurlijke’ geschreven stond dat wanneer zo’n fakkel aan de hemel gezien werd, geen gevecht mocht worden aangegaan of iets soortgelijk belangrijks mocht worden ondernomen. 8.Die uitleg accepteerde de keizer niet, zoals hij ook aan meer zulke teksten geen geloof hechtte, waarop de waarzeggers hem dringend aanraadden dan tenminste zijn vertrek een paar uur uit te stellen. Maar zelfs dit kregen ze niet gedaan, want Julianus verwierp de hele [zogenaamde] wetenschap der waarzeggerij4 En omdat het inmiddels dag was geworden, brak hij het kamp op.  

3. De keizer werpt zich ongeharnast in de strijd om de Perzen, die ons van alle kanten belagen, terug te slaan. Hij wordt door een speer gewond en naar zijn tent gedragen. Daar spreekt hij nog met degenen die bij hem staan, drinkt wat koud water en sterft

  1.Toen wij verder oprukten, schaduwden ons ongezien de Perzen (die staande infanteriegevechten, waarin ze dikwijls verliezen hadden geleden, liever vermeden en erop aasden hinderlagen te kunnen leggen), en bleven onze eenheden op hun mars aan beide kanten van hoogten af observeren, zodat onze soldaten, die dit wel vermoedden, de hele dag geen verdedigingswal konden opwerpen of achter palissaden bescherming konden zoeken. 2.En terwijl we onze flanken goed gedekt hielden en het leger, gezien de aard van het terrein, in gesloten maar niet al te strakke formaties voorttrok, werd de keizer, die ongewapend vooruit reed ter verkenning, gemeld, dat de achterhoede plotseling in de rug was aangevallen. 3.In zijn drift over deze klap gunde hij zich geen tijd zijn harnas aan te doen, greep in de verwarring lukraak een schild en haastte zich de achterhoede hulp te bieden. Maar meteen werd hij teruggeroepen met een boodschap over nog meer onheil, namelijk dat de voorhoede, die hij net verlaten had, hetzelfde was overkomen. 4.Zonder zich te bekommeren om het gevaar dat hij zelf liep, joeg hij terug om de situatie daar te redden, toen een eskadron gepantserde Perzische ruiters van een andere kant zijn centuriën in het centrum aanviel en de linkerflank, in paniek door de stank en het gekrijs van olifanten, overrompelde in een poging met speren en een hagel van pijlen de strijd snel te beslissen. 5.Maar terwijl de keizer heen en weer galoppeerde tussen de heetste gevechtshaarden, kwam onze strijdmacht langzamerhand beter gedisciplineerd in actie, joeg de Perzen met hun olifanten op de vlucht en achtervolgde ze, inhakkend op billen en ruggen. 6.Niet bedacht op zijn eigen veiligheid, maakte Julianus met roepen en armzwaaien duidelijk, dat de vijand in paniek ordeloos aan het vluchten was, vuurde de achtervolgers aan en wierp zich ook zelf roekeloos in de strijd. Zijn lijfwachten, die hij in de verwarring was kwijtgeraakt, schreeuwden hem van alle kanten toe, niet in het gedrang van de vluchtenden te raken - even gevaarlijk als onder een slecht gebouwd dak op instorten - toen (niet bekend vanwaar5) plotseling de lans van een ruiter zijn arm schampte, zijn ribben doorboorde en steken bleef in zijn lever. 7.Hij probeerde hem er met zijn rechterhand uit te rukken, maar voelde hoe het tweezijdig scherpe staal dwars door de pezen van zijn vingers sneed, en viel van zijn paard. Direct snelden degenen die daarvan getuigen waren toe en brachten hem terug naar het kamp, waar dokters zich over hem ontfermden. 8.Toen de pijn langzaam verminderde en hij de eerste schrik te boven was - aan dood wilde hij al helemaal niet denken - vroeg hij om zijn wapens en zijn paard om, terug in het veld, het vertrouwen van zijn soldaten te herstellen. Ze moesten zien dat hij, niet om zichzelf bekommerd, vooral zorg had over de veiligheid van anderen - even moedig als in een andere situatie weliswaar de befaamde aanvoerder Epaminondas, die, toen hij bij Mantinea levensgevaarlijk gewond uit de strijd werd weggedragen, alleen aan zijn schild dacht en pas toen hij dat bij zich had, gelukkig stierf aan zijn verschrikkelijke verwondingen. Een man die onverschrokken de geest gaf en zich zorgen maakte over zijn schild! 9.Maar Julianus’ krachten waren minder sterk dan zijn wil. Verzwakt door bloedverlies bleef hij onbeweeglijk liggen en verloor elke hoop dit te zullen overleven toen hij op een vraag ten antwoord had gekregen dat de plaats waar hij gevallen was, Phrygië heette6 Hij had namelijk ooit te horen gekregen, dat hij volgens een voorbestemming van het lot daar zou sterven. 10.Het is niet te geloven met wat een woede en wraakzucht de soldaten, toen de keizer van het slagveld was gedragen, op de vijand af stormden, terwijl ze met hun speren op hun schilden sloegen. Het kon ze niet schelen te moeten sneuvelen als het Lot het zo wilde. Hoog opwervelend stof benam hun het zicht en de verzengende hitte verlamde hun armen, maar alsof ze niet meer aan de krijgstucht gehouden waren nu ze hun aanvoerder hadden verloren, stortten ze zich blindweg op de zwaarden van de vijand. 11.Van de andere kant schoten de triomferende Perzen een regen van pijlen af, terwijl ze zelf voor hun tegenstanders onzichtbaar bleven achter de langzaam voor hen uit stappende olifanten, die met hun enorme lichamen en angstwekkende hoofdtooien mannen en paarden schrik aanjoegen. 12.De botsing van de strijders, het gekerm van de gevallenen, het gesnuif van de paarden en het gekletter van ijzer op ijzer bleef tot ver in de omtrek te horen tot beide partijen genoeg gewond en doodop waren en het nachtelijk duister een eind aan hun strijd maakte. 13.In dat gevecht sneuvelden vijftig Perzische edelen en satrapen en veel voetvolk. Ook de twee hoogste generaals, Merena en Nohodare, vonden de dood. De oudheid mag zich dan verbazen en hoog opgeven van de wel twintig veldslagen die Marcellus op verschillende plaatsen heeft geleverd en Sicinius Dentatus, met al zijn militaire onderscheidingen nog daarbij citeren; naast deze twee Sergius bewonderen, waarvan men zegt dat hij in verschillende slagen drieëntwintig keer gewond is geraakt (de laatste van wiens nakomelingen, namelijk Catilina, zijn roemrijke daden met onuitwisbare smetten heeft bezoedeld)... Verdriet overschaduwde onze vreugde over onze successen. 14. Want nadat onze bevelhebber het strijdtoneel had verlaten en de rechtervleugel van ons leger vermoeid raakte, sneuvelde [aan onze kant] de magister officiorum Anatolius, en raakte de prefect Salutius in groot gevaar, waaruit hij gelukkig door zijn adjudant gered werd, terwijl zijn consiliarius Phosphorius, die toevallig vlak bij hem was, wel gedood werd. Enkele hovelingen en soldaten die in ernstige moeilijkheden kwamen, moesten hun heil zoeken in een fort in de buurt en konden zich pas drie dagen later weer bij het leger voegen. 15.Intussen lag Julianus in zijn tent en richtte zich tot de verslagen omstanders met de woorden: ‘Wel snel, vrienden, is voor mij de tijd gekomen dit leven te verlaten, dat ik toch met vreugde als een goede schuldenaar aan eiseres Natuur zal teruggeven, niet dus, zoals sommigen zullen denken, met droefheid, maar met de wetenschap dat de ziel - zoals de wijzen leren - schoner is dan het lichaam en in het besef dat we, zo vaak iets beters zich scheidt van iets slechters, eerder verheugd dan bedroefd moeten zijn. Ook dit bedenk ik me, dat de hemelse goden soms de dood schenken aan degenen die hun het meest welgevallig zijn. 16.Ik ben dankbaar dat het mij gegeven is geweest nooit onder de last van grote moeilijkheden te bezwijken, mij nooit te vernederen of te verlagen, mij ervan bewust dat allerlei verdrietigheden op zwakkelingen indruk maken, maar op sterkeren geen vat hebben. 17.Ik heb geen spijt van mijn daden en word door geen herinnering aan enige wandaad gekweld. Zowel toen ik [in mijn jonge jaren] een schaduwbestaan leidde als tijdens mijn keizerschap heb ik mijn ziel, in haar wezen als het ware verwant aan de hemelingen, naar mijn mening zuiver bewaard. Ik heb een gematigd bestuur gevoerd en oorlogen ben ik begonnen of heb ik ontweken op grond van weldoordachte beslissingen (hoewel het nut van goed overleg niet altijd door een goede uitkomst wordt bewezen, aangezien hogere machten zich de afloop van alle ondernemingen voorbehouden). 18.Van mening dat een behoorlijke regering op het welzijn en de veiligheid van de onderdanen moet zijn gericht, ben ik, zoals u weet, vooral geneigd geweest tot vreedzaamheid en heb ik mijn doen en laten vrij gehouden van willekeur, die rot van karakters en daden. Ik ga dus tevreden heen, wetend dat, zo vaak de staat mij als het ware opzettelijk, als een harde vader, aan gevaren heeft blootgesteld, ik sterk heb gestaan, gewend het hoofd te bieden aan de grillen van het Lot. 19.Ik moet u bekennen, dat ik al lang door een betrouwbare voorspelling geweten heb dat ik door het staal zou omkomen, en dank de hemelse machten dat ik niet door een samenzwering of na een lange kwellende ziekte of als een gestrafte misdadiger mijn einde vind, maar midden in een glorieuze loopbaan deze roemvolle aftocht uit de wereld heb verdiend. Want even zwak en laf moet degene beschouwd worden die wenst te sterven wanneer het zijn tijd niet is, als degene die daarvoor terugschrikt wanneer zijn tijd is gekomen. 20.Maar laat mij het hierbij laten, want mijn krachten beginnen me te begeven. Ik denk dat het wijs is, niets over mijn opvolging te zeggen,7 om niet bij vergissing iemand over het hoofd te zien die daartoe waardig zou zijn, of iemand die ik zou noemen omdat ik hem geschikt acht in gevaar te brengen wanneer een ander de voorkeur krijgt. Als een eenvoudige zoon van ons land wens ik dus slechts dat na mij een goede vorst wordt gevonden.’ 21.Nadat hij dit in alle kalmte had gezegd, wilde hij zijn persoonlijke bezittingen in een laatste wilsbeschikking onder zijn naaste vrienden verdelen en vroeg daarom naar Anatolius. Toen de prefect Salutius hem antwoordde: ‘Anatolius is gelukkig geweest’, begreep hij dat deze dood was. En hij die zojuist zijn eigen lot moedig onder ogen had gezien, was diep geschokt over dat van zijn vriend. 22.Die daarbij waren, konden bij dit alles hun tranen niet bedwingen, maar met zijn oude gezag berispte hij hen, want het was niet gepast, zei hij, om een keizer te treuren die met de hemel en de sterren ging worden verenigd. 23.Ze kalmeerden daarop, terwijl hij met de filosofen Maximus en Priscus8 nog een ingewikkelde gedachtenwisseling begon over de verhevenheid van de ziel9- tot de wond in zijn lende door de stuwing van het bloed openbarstte en dit hem het ademen bemoeilijkte. Hij vroeg en dronk nog een slok koud water en gaf in het donkerste uur van de nacht, in zijn eenendertigste levensjaar, vreedzaam de geest. Hij was geboren in Constantinopel en was als kind wees geworden door de dood van zijn vader Constantius (die na het overlijden van zijn broer Constantijn in de strijd rond de troonopvolging samen met verschillende anderen was omgekomen) en van zijn moeder Basilina, een telg uit een nobel geslacht.  

4. Julianus’ goede en slechte eigenschappen. Zijn voorkomen en zijn gestalte

  1.Julianus was een man die grootse daden op zijn naam bracht en een natuurlijke majesteit uitstraalde, dus met recht tot de heroïsche figuren mag worden gerekend. Want aangezien er naar de mening van wijze mannen vier kardinale deugden zijn: gematigdheid, wijsheid, rechtvaardigheid en moed, waarbij meer uiterlijke dingen kunnen komen als bedrevenheid in de krijgskunde, gezag, geluk in ondernemingen en wellevendheid, legde hij zich op elk daarvan welbewust en nauwgezet toe. 2.In de eerste plaats bewaakte hij zijn eerbaarheid zo streng, dat hij zich na het verlies van zijn vrouw nooit meer met seks inliet, gedachtig wat men bij Plato kan lezen, namelijk dat de tragediedichter Sophocles, toen hem op hoge leeftijd werd gevraagd of hij nog omgang had met vrouwen, ontkennend antwoordde, en daaraan toevoegde dat hij blij was van die passie, als van een onberekenbare en wrede tiran verlost te zijn. 3.Om dit levensprincipe nog te benadrukken, haalde hij vaak een gezegde aan van de lyrische dichter Bacchylides, die hij graag las, namelijk dat zoals een kundige schilder schoonheid legt in een gelaat, zedigheid het leven siert van een man die naar het hogere streeft. De zwakheid van de man in de kracht van zijn jonge jaren vermeed hij zo zorgvuldig, dat zelfs bij zijn meest intieme dienaren (zoals toch zo gemakkelijk gebeurt) niet de minste verdenking van enige zinnelijke lust opkwam. 4.Die zelfbeheersing werd nog versterkt door matigheid in eten en slapen zowel thuis als op reis. Want in tijden van vrede wekten zijn eenvoudige levenswijze en de soberheid van zijn tafel de verwondering van iedereen die daarvan getuige was - het was alsof hij zich erop voorbereidde weer de filosofenmantel aan te nemen. Soms zag men hem zelfs tijdens veldtochten als een gewoon soldaat staande zijn eenvoudig en karig maal gebruiken. 5.Zodra hij zijn lijf en leden, gehard in vermoeienissen, in een korte nachtrust had verkwikt, stond hij op, zag persoonlijk toe op de wisseling van wachten en posten en verdiepte zich na deze serieuze bezigheden in wetenschappelijke studies. 6.En als de lampen waarbij hij ’s nachts werkte hadden kunnen spreken, zouden ze ons hebben verzekerd van het grote verschil tussen hem en sommige andere keizers, omdat ze hem kenden als iemand die zich nog niet overgaf aan zelfs de meest natuurlijke genoegens. 7.Dan waren er de talloze bewijzen van zijn wijsheid, waar ik kort bij wil stilstaan. Hij beheerste de problemen van oorlogstijd zo goed als die van vredestijd. Hij streefde ernaar hoffelijk te zijn tegenover anderen, maar eiste niet meer eerbied voor zichzelf dan volgens hem genoeg verschil maakte met minachting en grofheid. Hij was ouder in deugd dan in jaren: hij verdiepte zich in alle aspecten van de rechtspleging en was een soms onverbiddelijke rechter; in kwesties van zedelijkheid legde hij zeer hoge maatstaven aan; rijkdom had voor hem geen betekenis; hij versmaadde wat vergankelijk was, kortom, men hoorde hem vaak zeggen dat het een wijs man niet paste, eer te zoeken in wat met zijn stoffelijk bestaan te maken had, aangezien hij immers een ziel bezat. 8.Hoe hij faam verwierf door goede rechtspraak, valt met veel voorbeelden aan te tonen. Ten eerste wekte hij ontzag - zonder hardvochtig te zijn - doordat hij goed wist te onderscheiden in zaken en personen. Ten tweede wist hij de misdaad binnen de perken te houden door de bestraffing van enkelen: hij dreigde liever met het zwaard dan dat hij het gebruikte. 9.Ten derde - om kort te gaan - stelde hij zich, zoals men weet, uitzonderlijk genadig op tegenover vijanden die hem openlijk belaagden en verzachtte hij - lankmoedig als hij van nature was - de hardheid van hun bestraffing. 10.Van zijn persoonlijke moed bleek in tal van veldslagen, in de harde werkelijkheid van de oorlog en in situaties waarin hij bittere kou en brandende hitte doorstond. En hoewel van een soldaat lichamelijke, maar van een aanvoerder geestelijke inspanning wordt verwacht, ging hij een keer onvervaard een woeste tegenstander tegemoet, die hij eigenhandig neersloeg.10 Ook gebeurde het wel dat als onze troepen begonnen terug te vallen, hij ze alléén staande hield door zich persoonlijk op hun weg te stellen. In vernietigende campagnes in de gouwen van woeste Germanen en in het hete stuifzand van Perzië versterkte hij het zelfvertrouwen van zijn soldaten door in de voorste linies mee te strijden. 11.Van zijn goed inzicht in de krijgstechniek bleek herhaaldelijk bij de belegering van steden en forten onder de moeilijkste omstandigheden, bij de gevarieerde opstelling van zijn slagordes, de degelijke en veilige aanleg van zijn legerkampen en de tactische plaatsing van wachten en buitenposten. 12.Zo groot was zijn gezag, dat hij, enerzijds gevreesd, anderzijds op handen gedragen werd als een deelgenoot in gevaar en nood; in het heetst van een gevecht beval hij lafaards te straffen en toen hij nog caesar was, gehoorzaamden zijn troepen hem in campagnes tegen wilde volksstammen zelfs toen hij ze niet kon betalen; gewapende muiters confronteerde hij met het dreigement zich in zijn privé bestaan te zullen terugtrekken als ze hun verzet niet staakten. 13.Maar eigenlijk zou het voldoende zijn te herinneren aan dit ene alleszeggende feit, dat hij met een simpele toespraak Gallische krijgers, gewend aan winterse kou en de rivier de Rijn, meekreeg over eindeloze afstanden dwars door het hete Assyrië tot aan de grenzen van Medië. 14.Hij had zo opvallend veel geluk, dat het lange tijd leek alsof Fortuna zelf hem op haar schouders droeg als een goede leidsvrouwe en hem triomfantelijk de grootste moeilijkheden deed overwinnen. En nadat hij uit het westen van het rijk vertrokken was, bleef het, zolang hij op aarde verwijlde, vredig en rustig onder alle volken als onder de betovering van een Mercurius op aarde. 15.Er zijn voorbeelden te over te geven van zijn  grootmoedigheid. Zo legde hij maar lichte belastingen op, deed afstand van zijn recht op kroongoud,11 schold tal van oude, hoog opgelopen schulden kwijt, loste kwesties van burgers met de keizerlijke schatkist rechtvaardig op, restitueerde aan de steden grondbelastingen en gronden (met uitzondering van gronden die al door voormalige machthebbers quasi rechtmatig waren verkocht12), waarbij kwam dat hij zich nooit verrijkte - geld was beter in handen van die het bezaten, meende hij, en citeerde vaak Alexander de Grote, die op de vraag waar hij zijn schatten bewaarde, met een glimlach zou hebben geantwoord: ‘bij mijn vrienden’. 16.Na zijn goede eigenschappen, voorzover we die kunnen kennen, te hebben opgesomd, kom ik nu tot een beschrijving van zijn fouten en gebreken - maar dat kan kort. Hij was van nature wispelturig, maar wist deze eigenaardigheid binnen de perken te houden door een eerlijke bereidheid zich te laten corrigeren als hij van de juiste weg af dwaalde. 17.Hij was een praatgraag, die zelden of nooit zweeg. Verslingerd aan het onderzoeken van voortekenen, leek hij wat dat betreft niet onder te doen voor keizer Hadrianus. Eerder een bijgelovige dan één die zich aan ordelijke erediensten hield, slachtte hij ongeacht de kosten onnoemelijke aantallen offerdieren, zodat een tekort aan runderen voorspeld werd, mocht hij uit Perzië terugkeren. In dat opzicht deed hij weer denken aan keizer Marcus [Aurelius], over wie het volgende rijm is overgeleverd: ‘Wij, witte stieren, die keizer Marcus groeten, zullen, als hij nogmaals wint, met ons leven boeten.’ 18.Hij genoot van de toejuichingen van het volk. Voor het minste of geringste wenste hij bovenmatig te worden geprezen. In zijn zucht naar populariteit zocht hij vaak zelfs ongepaste omgang. 19.Desondanks zou men haast geloven (iets wat hij zelf graag zei) dat de oude godin Justitia, die volgens Aratus ten hemel gevaren was, ontstemd over de verdorvenheid van het mensdom, onder zijn bewind op aarde was teruggekeerd, ware het niet dat hij in bepaalde gevallen naar willekeur handelde en soms zichzelf vergat. 20.Want de wetten die hij uitvaardigde, waren redelijk en stipuleerden helder en duidelijk wat geboden of verboden was, wel echter met een paar uitzonderingen, waaronder de beruchte harde wet, die christelijke retoren en taalleraren verbood [de jeugd] te onderwijzen als ze zich niet bekeerden tot het geloof in de goden. 21.Ook was het nauwelijks acceptabel dat hij tegen de regels in sommigen dwong in stadsbesturen zitting te nemen die op grond van vreemdelingschap, privileges of geboorte van dergelijke diensten waren vrijgesteld.13 22.Zijn gestalte en lichaamsbouw waren als volgt. Hij was middelmatig groot; zijn haar was zacht en welverzorgd; hij had een enigszins stugge baard die in een punt toeliep,  aantrekkelijke ogen met een gloed en een fonkeling die een scherpe intelligentie verrieden, welgevormde wenkbrauwen, een rechte neus, een wat grote mond met zware onderlip, een dikke, gebogen nek en stevige, brede schouders. Van top tot teen was hij goed gebouwd, zodat hij sterk was en een goede loper. 23.Kwaadsprekers die hem ervan beschuldigen oorlogen te zijn begonnen die grote ellende en schade voor het land met zich hebben gebracht, mogen weten, want de feiten wijzen het uit, dat niet Julianus, maar Constantijn de Perzische brand heeft aangestoken toen hij lichtvaardig geloof hechtte aan de leugens van Metrodorus,14 zoals ik vroeger uitvoerig heb verteld. 24.Híj, Constantijn, is er de oorzaak van, dat Romeinse legers zijn vernietigd, soms hele legereenheden krijgsgevangen zijn gemaakt, steden verwoest, forten veroverd of met de grond gelijk zijn gemaakt, provincies door zware belastingen zijn geruïneerd en heel het gebied tot aan Bithynië en de kusten van de Propontis toe onder bepaald geen loze dreigementen door de Perzen wordt opgeëist. 25.Maar toen in Gallië de arrogantie van de barbaren buitensporige vormen begon aan te nemen, de Germanen overal in onze gebieden rondzwierven en de barrière van de Alpen bijna bezweek onder hun druk, zodat Italië dreigde te worden verwoest en het zwaar beproefde volk niets restte dan tranen en schrik - want de herinnering aan het verleden was bitter en het vooruitzicht van wat het te wachten stond nog treuriger - werd dit alles door die jonge man, die als caesar (slechts in naam15) naar het westen was gezonden en er vorsten als nietswaardige slaven voor zich uit dreef, in een bijna ongelooflijk korte tijd opgelost. 26.Het was om in het oosten even krachtig de orde te herstellen, dat hij vervolgens Perzië binnenviel, vanwaar hij zegevierend, met de eretitel ‘Perzicus’ zou zijn teruggekeerd als de hemelse besluiten gestrookt hadden met zijn plannen en schitterende daden. 27.En zoals er soms lieden zijn die in hun kortzichtigheid ervaringen zo geringschatten dat ze oorlogen hervatten die ze verloren hebben, zeeën opgaan waar ze schipbreuk hebben geleden, kortom, in problemen raken waaronder ze al vaker bezweken zijn, zo zijn er ook, die het laken in een vorst die alleen maar overwinningen heeft gekend, als hij daar verder op uit is gebleven. 

5. De commandant van de garde, Jovianus, wordt inderhaast tot keizer gekozen 

1.Er was geen tijd om te rouwen. Want nadat Julianus’ lichaam zo goed en zo kwaad als de middelen en de omstandigheden dat toelieten verzorgd was, zodat hij later kon worden begraven op de plaats die hij lang tevoren daarvoor bestemd had, kwamen in de vroege morgen van de 27e juni, met de vijand overal om ons heen, de generaals bij elkaar, samen met de commandanten van de legioenen en de cavalerie, om zich te beraden over de keuze van een nieuwe keizer. 2.Het ging daarbij heftig toe tussen twee partijen: aan de ene kant Arintheus en Victor en anderen die nog over waren van Constantius’ hovelingen, die voor een kandidaat waren uit hun kring; aan de andere kant Nevitta en Dagalaifus met de aanvoerders van de Galliërs, die een man wilden uit het leger. 3.Na lang delibereren werd met algemene stemmen gekozen voor Salutius, die zich echter verontschuldigde met een beroep op zijn leeftijd en zijn slechte gezondheid, waarop een van de hogere officieren hem om zijn hardnekkige weigering berispte en zei: ‘Wat zou u doen als de keizer zelf u in een voorkomend geval bij zijn afwezigheid met zo’n taak belastte? Zou u dan niet alles opzij zetten om het leger uit een benarde situatie te redden? Doe dat dus nu, en als we Mesopotamië terug mogen zien, zullen de twee legers samen stemmen over de aanstelling van een rechtmatige keizer’. 4.Terwijl dit duurde - niet eens zo lang, gezien het belang van de zaak - en het overleg nog gaande was, liep buiten de zaak uit de hand, zoals dikwijls gebeurt in een crisis, en werd door een groep soldaten Jovianus tot keizer gekozen. Dat was de commandant van de gardetroepen, met de verdiensten van zijn vader als een zekere aanbeveling. Hij was namelijk de zoon van de bekende comes Varronianus, die kort tevoren, na de beëindiging van zijn militaire loopbaan, voor een rustiger leven had gekozen. 5.Jovianus kreeg inderhaast de keizerlijke mantel omgeslagen, kwam daarmee uit zijn tent en begaf zich direct tussen de manschappen die zich klaarmaakten voor vertrek. 6.Maar de hele marscolonne was wel vier mijl lang, en toen ze in de voorhoede hoorden dat [in de verte] ‘Jovianus Augustus!’ werd geroepen, namen ze dit [fout] over. Want misleid door de grote overeenkomst tussen de namen, die praktisch maar één letter verschilden,16 dachten ze dat Julianus hersteld was en onder toejuichingen naar buiten was gekomen. Toen ze daarom de wat langere, gebogen gestalte van Jovianus ontwaarden en begrepen wat er was gebeurd, barstten ze in tranen en gejammer uit. 7.Mocht een kritische beschouwer vinden dat wat hier in uiterste nood overhaast gebeurde, afkeurenswaardig was, zou hij met meer recht zeelui kunnen bekritiseren die na het verlies van een ervaren stuurman bij storm op zee het roer aan een willekeurige makker in het gevaar hadden toevertrouwd. 8.Toen dit alles dank zij een ondoorgrondelijke beschikking van het Lot eenmaal een feit was, deserteerde de vaandeldrager van het legioen der Joviani, dat vroeger was aangevoerd door [Jovianus’ vader] Varronianus. De man had een conflict met de nieuwgekozen keizer, daterend van vóór diens benoeming, zoals hij ook met diens vader problemen had gehad, en zag gevaar dreigen van de kant van zijn vijand, nu die tot de hoogste rang was gestegen. Hij liep dus over naar de Perzen. Eenmaal daar, en in de gelegenheid te rapporteren wat hij wist, verried hij aan Sapor, die zich in de nabijheid bevond, dat degene voor wie hij beducht was, dood was, en dat in de consternatie door nota bene de trossoldaten een gardist, Jovianus, tot schertskeizer was gekozen, een onbekwame, zwakke figuur. 9.Toen hij dus vernam wat hij zich in zijn ongeruste gebeden had gewenst, putte Sapor moed uit dit onverwachte geluk, voegde nog een grote eenheid koninklijke cavalerie toe aan de strijdmacht die met ons gevochten had en gaf bevel onze colonne direct in de rug aan te vallen. 

6. De Romeinen trekken zich haastig terug uit Perzië en worden onderweg  herhaaldelijk aangevallen door Perzen en Saracenen, die ze echter onder zware verliezen van zich afslaan

1.Toen dit aan beide kanten zo geregeld was, werden voor Jovianus offerdieren geslacht. De uitslag van de schouw van hun ingewanden was dat hem grote verliezen te wachten stonden wanneer hij binnen de omwalling van het kamp zou blijven (zoals hij overwoog), maar overwinningen als hij nu vertrok. 2.Maar toen we aan de afmars begonnen, vielen de Perzen ons aan met olifanten voorop. De vreselijke, afstotende stank van die dieren bracht aanvankelijk paarden en manschappen in verwarring, maar nadat ze een paar van die dieren hadden gedood, hielden de Joviani en Herculiani moedig stand tegen de gepantserde ruiters. 3.Daarna kwamen de legioenen van de Jovii en de Victores hun krijgsmakkers in nood te hulp en legden behalve twee olifanten een groot aantal vijanden neer. Op onze linkervleugel sneuvelden Julianus, Macrobius en Maximus, dappere tribunen van de legioenen die toen de hoofdmacht van ons leger vormden. 4.We begroeven ze zo goed als in die omstandigheden mogelijk was, en toen we tegen het vallen van de avond, haastig opmarcherend, de vesting Sumere bereikten, herkenden we een lijk dat daar ergens lag als dat van Anatolius en begroeven het zonder veel plichtplegingen. Daar voegden zich ook de zestig soldaten met de hovelingen weer bij ons, die, zoals ik verteld heb, een verlaten vesting waren binnen gevlucht. 5.De volgende dag sloegen we ons kamp op in een wijde, vlakke vallei, een ideale plaats, als het ware omsloten door een wal met maar één brede toegang, waaromheen we bovendien gepunte palen plaatsten, scherp als zwaarden. 6.Onze vijanden bezagen dit vanaf de hoogten en bestookten ons met allerlei projectielen, terwijl ze ons uitscholden voor verraders en moordenaars van een goede keizer: ze hadden namelijk van overlopers gehoord dat Julianus, volgens een vaag gerucht dat de ronde deed, door de speer van een Romein was gedood. 7.Tenslotte forceerden een paar roekeloze ruitereenheden de toegang tot het kamp in een poging tot de tent van de keizer zelf door te dringen, maar werden met zware verliezen aan doden en gewonden door ons resoluut teruggeslagen. 8.De nacht daarop vertrokken we weer en bezetten de plaats Charcha, waar we veilig waren achter aarden wallen die de bewoners langs de oevers hadden opgeworpen tegen de rooftochten van Saracenen op Assyrisch gebied. Onze troepen werden hier, anders dan daarvóór door de vijand met rust gelaten. 9.Toen we vandaar, na een mars van dertig stadiën op 1 juli de stad Dura bereikten, werden de begeleiders van onze pakpaarden, die met hun vermoeide dieren te voet in de achterhoede meekwamen, door een horde Saracenen omsingeld en zouden er geweest zijn als onze lichte cavalerie hen in die precaire situatie niet te hulp was geschoten. 10.De vijandigheid van deze Saracenen hadden we daaraan te danken, dat hun in opdracht van Julianus geen geld en geschenken meer waren gegeven zoals in het verleden en, toen ze zich daarover bij hem beklaagden, waren afgescheept met de woorden dat een keizer in oorlog in staal deed, niet in goud. 11.In die omgeving verloren we vier dagen door tergende acties van de Perzen. Want als we oprukten volgden ze ons en dwongen ze ons door herhaalde aanvallen om te keren, maar zodra we stilhielden om de strijd met ze aan te gaan, trokken ze zich langzaam terug en brachten ons door deze voortdurende vertragingen tot wanhoop, tot (aangezien lieden die het ergste vrezen, bereid zijn zelfs verzinsels te geloven) het gerucht zich verspreidde dat onze grens niet ver meer was, en het leger openlijk oproerig begon te eisen de Tigris te mogen oversteken. 12.De keizer en zijn generaals verzetten zich daartegen. Wijzend op de hoge waterstand nu de Hondsster boven de horizon verschenen was, waarschuwden ze de mannen zich niet in de gevaarlijke maalstromen te wagen, omdat velen niet of slecht konden zwemmen en bovendien benden vijanden op verschillende plaatsen de oevers van de gezwollen rivier bezet hielden. 13.Maar toen hij daar herhaaldelijk vergeefs tegen had gepleit en de troepen hevig opgewonden schreeuwend dreigden te muiten, stond Jovianus met tegenzin de Galliërs en de noordelijke Germanen toe, als eersten de rivier over te steken, zodat, als die door het geweld van de golven werden meegesleurd, de overigen van hun koppigheid zouden genezen, maar mochten ze heelhuids de overkant bereiken, de oversteek inderdaad met enig vertrouwen gewaagd kon worden. 14.Voor die onderneming werden de meest geschikte mannen uitgekozen, namelijk die in hun land van herkomst al jong geleerd hadden zelfs de breedste rivieren over te zwemmen, en toen dit in de nachtelijke stilte ongemerkt te doen was, stoven ze tegelijk weg als na een startsein, en waren sneller dan we verwachtten op de andere oever, waar ze een groot aantal Perzen overliepen en doodden die daar ter bewaking gelegerd waren, maar zich van geen gevaar bewust in diepe slaap verzonken lagen. Zwaaiend met armen en mantels gaven ze het teken dat het waagstuk was gelukt. 15.De manschappen die dit zagen en nu heethoofdig naar de overkant wilden, konden met moeite nog even worden tegengehouden met de belofte, dat de pontonniers van zakken genaaid uit dierenhuiden een soort drijvende bruggen zouden maken. 

7. Door de honger en de radeloosheid van zijn troepen gedwongen, sluit  Jovianus een vernederende vrede met Sapor, waarbij hij vijf provincies opgeeft, plus Nisibis en Singara

  1.Terwijl dit nutteloze gedoe gaande was, vernam Sapor, van ver allengs naderbij komend, uit betrouwbare berichten van verkenners en overlopers over onze heldendaden en de eigen smadelijke verliezen, ook aan olifanten de grootste verliezen uit al zijn regeringsjaren; daarbij over het Romeinse leger, dat het, gehard door herhaalde tegenslagen, na de dood van zijn roemrijke aanvoerder niet (zoals hij dacht) op eigen redding, maar op wraak uit was, vastbesloten aan alle problemen een eind te maken door een beslissende overwinning of een eervolle ondergang. 2.Daarom begon hij zich ernstig zorgen te maken: uit ervaring wist hij dat verspreid in onze provincies sterke legereenheden in garnizoen lagen die op een eenvoudig bevel te mobiliseren waren, afgezien van een even groot leger [als waarmee hij te kampen had] dat in Mesopotamië achter de hand werd gehouden. Daarentegen wist hij zijn eigen mensen, na de bijzonder zware verliezen die ze hadden geleden, in een staat van grote verwarring en radeloosheid. 3.Bij dit alles kwam nog tot zijn verbijstering, dat van ons vijfhonderd man tegelijk zonder verliezen de gezwollen rivier waren overgestoken, de wachten hadden gedood en hun achtergebleven kameraden tot dezelfde heldendaad hadden aangemoedigd. 4.Intussen bleek het ons wegens de onstuimigheid van de rivier toch niet mogelijk [van opgeblazen dierenhuiden] een soort pontonvlot te vormen, was onze proviand totaal op, ontbrak het ons aan al het nodige en maakten we twee ellendige dagen door. Door voedselgebrek en verbittering raakten de manschappen in zo’n onverantwoordelijke stemming, dat ze nog liever door het zwaard dan door verhongering, de ellendigste soort dood, wilden sterven. 5.De eeuwige hemelse godheid was echter met ons. Want tegen alle verwachting in zonden de Perzen als eersten onderhandelaars - de Surena en een andere hoogwaardigheidsbekleder - om over vrede te praten. Zij waren het namelijk ook moe, door het sterkere Romeinse leger in bijna alle gevechtscontacten overtroefd te worden en met de dag meer ontredderd te raken. 6.Ze kwamen echter met een moeilijk zomaar te accepteren en trouwens ondoorzichtig voorstel, hierop neerkomend dat de koning zogenaamd uit menslievendheid allergenadigst bereid was de resten van ons leger huiswaarts te laten keren als de keizer en zijn generaals aan zijn eisen zouden voldoen. 7.Van onze kant werden Arintheus en de prefect Salutius als onderhandelaars aangewezen, en terwijl moeizaam beraadslaagd werd over een definitief besluit, gingen weer vier dagen voorbij - dagen die een kwelling waren vanwege de honger, ellendiger dan welke doodsstrijd ook. 8.Als onze keizer vóór hij die afvaardiging afzond, deze tijd had benut om geleidelijk uit vijandelijk gebied terug te trekken, had hij zeker het veilige Corduene kunnen bereiken, een rijk gebied, dat ons behoorde, op een afstand van honderd mijl van waar dit alles zich afspeelde. 9.Wat Sapor nu bij wijze van losprijs pertinent eiste, was teruggave van datgene wat, zoals hij beweerde, hem toebehoorde maar hem lang geleden door Maximianus ontnomen was. Zoals bij de onderhandelingen bleek, ging het daarbij om vijf gebieden aan de overzijde van de Tigris: Arzanena, Moxoëna, Zabdicena,  Rehimena en Corduene, met vijftien forten; bovendien Nisibis, Singara en het bijzonder strategisch gelegen Castra Maurorum. 10.En hoewel het beter zou zijn geweest, tien maal slag te leveren dan iets daarvan prijs te geven, maakte een stel kruiperige lieden het de aarzelende keizer wat dit betreft moeilijk door de gevreesde naam van Procopius te laten vallen. Ze verzekerden hem dat als die man na het vernemen van Julianus’ dood zou komen aanzetten met een verse troepenmacht, hij zich zonder dat iemand hem zou kunnen stoppen van de heerschappij zou meester maken. 11.Deze voortdurend herhaalde defaitistische suggestie miste haar uitwerking niet: zonder zich verder te bedenken gaf de keizer alles uit handen wat van hem geëist werd, zij het dat hij bij de gratie gedaan kreeg, dat de Perzen Nisibis en Singara overnamen zonder hun inwoners en dat van de forten die we moesten prijsgeven, de Romeinse bezetting zich onder onze bescherming mocht stellen. 12.Maar er kwam godgeklaagd nog een andere zware eis bij, namelijk dat aan onze trouwe vriend en bondgenoot Arsaces na de bekrachtiging van deze overeenkomst, zou hij daarom vragen, tegen de Perzen geen hulp meer geboden mocht worden. Dit had een tweevoudige bedoeling: ten eerste, de man te kunnen straffen die in opdracht van de keizer Chiliocomum had verwoest;17 ten tweede, de mogelijkheid te scheppen voor een ongehinderde inval in Armenië. Zo gebeurde het later dan ook dat deze Arsaces levend gevangen genomen werd18 en de Parthen in een roerige en verwarde situatie een groot deel van Armenië grenzend aan Medië, plus Artaxata konden bezetten. 13.Nadat deze vernederende overeenkomst was gesloten, werden, ter voorkoming van verdragsschendingen tijdens de wapenstilstand van beide kanten achtenswaardige mannen als gijzelaars gegeven: van onze kant Nemota, Victor en Ballovaedius, tribunen van vermaarde legeronderdelen; van de andere kant Bineses, uit de kring van hooggeplaatste edelen en drie andere bekende satrapen. 14.Zo werd, bekrachtigd met heilige eden, vrede gesloten voor dertig jaar, waarna wij onze terugtocht vervolgden. Omdat we toen echter het land langs de rivier, dat ruig en moeilijk begaanbaar was, vermeden, kregen we problemen door gebrek aan water en proviand. 

8. De Romeinen steken de Tigris over, gedurig geplaagd door voedselgebrek, wat zij dapper verdragen, en bereiken tenslotte Mesopotamië. Keizer Jovianus regelt zo goed en zo kwaad als het gaat zaken met betrekking tot Illyricum en Gallië

1.De vrede die ons zogenaamd uit menselijkheid genadig gegund was, werd de oorzaak van de dood van velen die door honger gekweld ongemerkt al ver vooruit getrokken waren en óf omdat ze niet goed genoeg konden zwemmen, in de kolken van de Tigris verdronken, óf als ze tegen de sterke stroming van de rivier wel opgewassen waren en de overkant bereikten, in handen vielen van de Saracenen of van de Perzen die, zoals ik kort hiervóór heb verteld, door de Germanen waren overvallen. Die werden afgeslacht als vee of weggevoerd om te worden verkocht. 2.Zodra echter met trompetsignalen officieel het sein werd gegeven om de rivier over te steken, stortte ieder zich, de één voor de ander, hals over kop blindelings in allerlei gevaar om alle verschrikkingen maar zo snel mogelijk achter zich te laten. Schuin tegen de sterke stroom in gingen ze te water: sommigen op inderhaast gevlochten horden of zich vastklampend aan her en der zwemmende lastdieren, anderen zittend op opgeblazen zakken of noodgedwongen met andere geïmproviseerde middelen. 3.De keizer zelf stak met enkele anderen over in bootjes die, zoals ik verteld heb, van de in brand gestoken vloot over waren, en beval die zo lang heen en weer te laten pendelen tot het hele leger weer verzameld was. Zo waren we dus eindelijk - afgezien van degenen die verdronken waren - aan de overkant, door de goedgunstigheid van de hemelse machten na alle moeilijkheden gered uit het gevaar. 4.Toch nog beducht voor verdere dreigingen, hoorden we van verkenners dat de Perzen bezig waren buiten ons gezicht een brug te slaan om, nu met het vredesverdrag aan de vijandelijkheden een einde was gekomen en wij minder op onze hoede onze weg vervolgden, onze verzwakte troepen en allang uitgeputte lastdieren te overvallen. Toen ze zich echter ontdekt wisten, zagen ze daar gelukkig verder vanaf. 5.Met een bevrijd gevoel haastten we ons in lange dagmarsen voort en bereikten zo Hatra, een oude, verlaten stad, midden in een woestenij gelegen, die de keizers Trajanus en Severus verschillende malen in oorlogen hadden geprobeerd te verwoesten (waarbij ze bijna mèt hun legers de ondergang vonden), zoals ik verteld heb in mijn relaas over hun levens. 6.Hier hoorden we, dat we over een uitgestrektheid van zeventig mijl, dor gebied, alleen maar brak en stinkend water zouden kunnen vinden en aan eetbaars niets anders dan averuit, alsem, slangenkruid en andere onsmakelijke kruidensoorten, dus vulden we onze kruiken met vers water en legden mondvoorraad aan door kamelen en andere lastdieren te slachten - wat ons nog zou opbreken. 7.Na een tocht van zes dagen, waarin we zelfs geen onkruid vonden dat onze nood kon verlichten, kwamen Cassianus, de bevelhebber van Mesopotamië, en de tribuun Mauricius (die lang tevoren daartoe opdracht had gekregen) naar de Perzische vesting Ur, met door zuinig gebruik overgespaarde proviand uit de voorraden van het leger dat met Procopius en Sebastianus was achtergelaten. 8.Daarvandaan werden een andere Procopius,19 een notarius namelijk, en Memoridus, een tribuun, naar Illyricum en Gallië gezonden om de dood van Julianus en de verheffing van Jovianus tot Augustus te melden. 9.De keizer droeg hun daarbij op, zijn schoonvader Lucillianus, die na zijn ontslag uit de krijgsdienst stil was gaan leven en toentertijd in de buurt van Sirmium woonde, een aanstellingsbrief tot magister equitum et peditum te overhandigen en hem te verzoeken, zich zo snel mogelijk naar Milaan te begeven om daar de rust te verzekeren en eventuele opstandige bewegingen het hoofd te bieden. 10.Aan die boodschap voegde hij een geheime brief toe, waarin hij hem bovendien opdroeg, zekere lieden van gebleken toewijding en betrouwbaarheid met zich mee te nemen om, naargelang zich ontwikkelingen zouden voordoen, van hun steun gebruik te kunnen maken. 11.Een wijs besluit was ook, Jovinus, de generaal der ruiterij in Gallië, te vervangen door Malarichus, die toen in Italië zijn privé zaken naging, en daarvoor de bijbehorende onderscheidingstekenen mee te geven. Daarmee beoogde hij een tweevoudig doel: een commandant met een grote staat van dienst, die juist daardoor niet betrouwbaar was, van zijn functie te ontheffen, en een hoge rang te verlenen aan een ander die daarop nauwelijks gerekend had en dus de nog onzekere positie van zijn meester door bijzondere toewijding zou versterken. 12.De boodschappers die op weg gingen om dit alles uit te voeren, werden gemaand de loop der gebeurtenissen in een zo gunstig mogelijk licht te stellen en waar ze maar kwamen het bericht te verspreiden dat de Perzische veldtocht succesvol was beëindigd; ook: hun reistijd te bekorten door ’s nachts door te rijden, de provinciale bestuurders en militaire commandanten de missiven van de nieuwe keizer ter hand te stellen, onopvallend hun stemming te peilen en snel terug te keren met hun antwoorden, zodat tijdig gepaste maatregelen konden worden getroffen ter bevestiging van ’s keizers macht. 13.Toch was één ijlbode hen vóór: de snelste verspreider van slecht nieuws: het Gerucht, dat zich repte door provincies en volken en de inwoners van Nisibis als een donderslag trof met de tijding dat hun stad aan Sapor was overgegeven, de man wiens woede en vijandschap ze vreesden, denkend aan de verliezen die hij telkens weer geleden had bij pogingen haar te veroveren. 14.Want zoveel was wel duidelijk, dat het hele oosten aan de Perzen verloren zou zijn gegaan als deze strategisch gelegen en machtig ommuurde stad hem geen weerstand had geboden. In hevige angst voor wat hun te wachten stond, klampten de ongelukkige bewoners zich nog vast aan een schijntje hoop, namelijk dat de keizer uit zichzelf of bewogen door hun smeekbeden hun stad, het sterkste bolwerk van het oosten, zou behouden. 15.Terwijl zo allerlei geruchten zich verspreidden over wat gaande was, was in het leger het weinige voedsel opgeraakt dat we hadden meegenomen, zoals ik eerder vertelde, en zouden we ons noodgedwongen aan lijken hebben vergrepen als we niet enige tijd hadden toegekund met het vlees van de lastdieren die we slachtten, wel met als gevolg, dat het merendeel van de wapens en de bagage moest worden weggegooid. Want zo ellendig waren we er aan toe van de honger, dat als ergens nog een maat meel te krijgen was - wat zelden gebeurde - daarvoor tien goudstukken werden betaald alsof het niets was. 16.Vandaar bereikten we vervolgens Thilsaphata, waar Sebastianus en Procopius ons met de tribunen en officieren van de troepen die hun voor de verdediging van Mesopotamië waren toegewezen, tegemoet kwamen zoals dat formeel behoorde. We ontvingen ze hartelijk, waarna ze zich bij ons aansloten. 17.Daarna marcheerden we snel verder en waren blij Nisibis in zicht te krijgen, waar de keizer een vast kamp opsloeg, wel buiten de muren, want ondanks de sterke aandrang van veel bewoners om de stad binnen te komen en zijn intrek te nemen in het paleis, zoals keizers dat normalerwijs deden, weigerde hij dat uit schaamte, omdat dan deze onneembare stad aan de gevreesde vijand zou moeten worden overgegeven met hemzelf binnen de muren. 18.Daar werd ’s avonds Jovianus, de voornaamste onder de notarii, (dezelfde waarvan ik eerder vertelde, dat hij bij de belegering van Maiozamalcha samen met anderen als eerste door een onderaardse tunnel de stad was binnengedrongen), van tafel weggesleurd en naar een achterafplek gebracht, waar hij in een droge put werd gegooid en bedolven onder een vracht stenen. Dit ongetwijfeld vanwege het feit, dat hij na de dood van Julianus door sommigen ook als kandidaat voor de troonopvolging was genoemd, en zich na de verkiezing van Jovianus niet terughoudend had opgesteld, maar daarover het een en ander had gefluisterd en af en toe bepaalde officieren aan zijn tafel had genodigd. 

9. Bineses, een Perzische edele, ontvangt van Jovianus de onneembare stad Nisibis. Haar inwoners worden gedwongen de stad te verlaten en naar Amida te verhuizen. De vijf provincies, met de stad Singara en zestien forten worden overeenkomstig het verdrag overgeleverd aan Perzische edelen 

1.De volgende dag haastte zich Bineses, een van de Perzen die zich, zoals ik eerder heb gezegd, onder alle andere onderscheidde, de bevelen van zijn koning uit te voeren, eiste op wat toegezegd was en nam met toestemming van de Romeinse keizer zijn intrek in Nibisis, waar hij de vlag van zijn volk hees op de citadel, de verslagen burgers ten teken dat ze hun woonplaats moesten verlaten. 2.Op dit bevel tot onmiddellijke evacuatie smeekten allen [de keizer] met uitgestrekte handen onder tranen, toch niet te hoeven vertrekken, hem verzekerend, heel wel in staat te zijn alléén, zonder hulp van de staat en zonder militaire bijstand hun woonplaats te verdedigen, in het vertrouwen dat de Gerechtigheid zelf hen in de strijd om hun geboortegrond zou bijstaan zoals ze vaker hadden ondervonden. Maar het stadsbestuur en het volk smeekten vergeefs en hun kreten vervlogen in de wind: de keizer wenste zich niet aan meineed te bezondigen (of hij gaf dat voor, omdat hij in werkelijkheid andere zorgen had). 3.Een gefortuneerde en hooggeboren burger, Sabinus, maakte nog de bittere opmerking, dat Constantius eens in een slecht verlopende oorlog door de Perzen verslagen en op de vlucht gejaagd tenslotte met een paar man naar de onverdedigde vestingplaats Hibita was ontkomen, waar hij het moest doen met een stuk brood dat hij van een boerenvrouw had gebedeld, maar toch tot zijn laatste dag niets had verloren, terwijl Jovianus direct aan het begin van zijn regering al de verdediging van de provincies had opgegeven ondanks vestingwerken die sinds onheuglijke tijden onaangetast waren gebleven. 4.Het hielp allemaal niets. De keizer bleef zich hardnekkig verschuilen achter de heiligheid van zijn eed en toen hem een kroon werd aangeboden, die hij na een aanvankelijke weigering tenslotte genoopt was te aanvaarden, riep een zekere Silvanus, een advocaat, brutaal uit: ‘Zo moge u ook door de andere steden worden gekroond!’ Geërgerd over die woorden, gaf de keizer bevel de stad binnen drie dagen te ontruimen, en allen vervloekten wat gebeurde.5.Drijvers werden toen aangesteld, die al degenen die daarmee geen haast maakten met de dood bedreigden. De stad was vervuld van geweeklaag en gejammer. Overal klonk gehuil. Hier trokken matrones zich de haren uit, gedwongen als ballingen de woning te verlaten waarin ze waren geboren en opgegroeid. Daar beklaagden zich moeders die hun kinderen, en vrouwen die hun man hadden verloren over de gedwongen scheiding van hun doden. Overal klampten ze zich huilend vast aan deurposten en drempels. 6.Toen vulden zich de wegen met vluchtelingen die een goed heenkomen zochten en waarvan velen haastig en heimelijk die bezittingen meesmokkelden die ze dachten te kunnen dragen, met achterlating van hun soms vele en kostbare andere eigendommen, waarvan ze gedwongen waren af te zien bij gebrek aan lastdieren. 7.Hier, beschermgodin van de Romeinse wereld, treft u terecht een verwijt: terwijl stormen het schip van onze staat teisterden, hebt u een ervaren stuurman het roer uit handen geslagen en het overgegeven aan een jongeman die daar niet aan toe was, want hij had zich in zijn leven nog door geen opmerkelijke daden op dit punt onderscheiden, zodat hij noch te kritiseren noch te prijzen valt. 8.Wat echter elke goede Romein tot in zijn ziel geraakt heeft, is, dat hij uit vrees voor een mededinger naar de macht en bedenkend dat dikwijls juist in Gallië en Illyricum lieden hun weg naar de top begonnen zijn, in zijn haast om het bericht van zijn komst vóór te zijn, deze een keizer onwaardige daad pleegde: onder het voorwendsel een meineed te willen vermijden Nisibis prijs gaf, een stad die zich al sinds de regering van Mithridates met alle macht verzet had tegen de verovering van het oosten door de Perzen. 9.Wanneer men de geschiedenis terugleest, zal men naar mijn mening vanaf de stichting van Rome nergens kunnen vinden, dat ook maar enig gebied dat ons behoorde, door een oorlogsleider of een consul aan een vijand is afgestaan. Zelfs is nooit de eer van een triomf toegekend wegens de verovering van wat verloren was gegaan, maar alleen wegens een uitbreiding van het rijk. 10.Vandaar, dat een triomf werd geweigerd aan Publius Scipio voor de herovering van Spanje, aan Fulvius toen hij na een langdurige strijd Capua had ingenomen en aan Opimius toen hij destijds onze doodsvijanden, de Fregellani na een wisselvallige oorlog tot overgave had gedwongen. 11.Ook leert ons de geschiedenis dat in uiterste nood op oneervolle wijze gesloten verdragen, hoe ook door partijen met plechtige eden bekrachtigd, bij hervatting van oorlogshandelingen altijd meteen ongeldig zijn verklaard, zoals toen oudtijds onze legioenen onder het juk waren doorgegaan bij de Caudijnse Passen in Samnium; toen Albinus in Numidië een schandelijke vrede had geaccepteerd; en toen Mancinus na een haastig gesloten smadelijk verdrag aan de Numantiërs was uitgeleverd. 12.Toen de bevolking verdreven was en de stad was overgegeven, kreeg de tribuun Constantius opdracht, de schanswerken [buiten de muren] met het omliggende land aan Perzische edelen over te dragen. Vervolgens werd Procopius weggezonden met de stoffelijke resten van Julianus om ze te doen bijzetten in een voorstad van Tarsus zoals de overledene bij leven had gewenst. 13.De man vertrok  om die opdracht uit te voeren, maar bleek onmiddellijk na de begrafenis verdwenen en nergens meer te vinden, hoe ook naar hem gezocht werd, tot hij veel later opdook in Constantinopel, in het purper... 

10. Uit vrees voor rebellie marcheert Jovianus in geforceerde marsen door Syrië, Cilicië, Cappadocië en Galatië. In Ancyra benoemt hij zichzelf en zijn minderjarige zoon tot consuls, maar sterft kort daarop onverwachts in Dadastana

  1.Nadat deze zaken aldus geregeld waren, bereikten we via verschillende routes Antiochia, waar dagenlang - alsof de godheid beledigd was - huiveringwekkende tekenen werden waargenomen, die door waarzeggers met ervaring in die dingen als onheilspellend werden geduid. 2.Want het standbeeld van keizer Maximianus in de hal van het paleis liet plotseling de koperen bol, voorstellend het heelal, uit zijn hand vallen, terwijl de balken van de raadszaal schrikwekkend begonnen te kraken. Bij klaarlichte dag werden kometen gezien - verschijnsels waarover natuurkundigen verschillende opvattingen huldigen. 3.Want sommigen denken dat ze zo genoemd worden omdat ze een samenklontering zouden zijn van een groot aantal sterren en kronkelige lichtstralen afgeven te vergelijken met lange haren [kómai]. Anderen zijn van mening dat ze opgloeien door droog stuifsel dat van de aarde geleidelijk opstijgt naar hogere regionen; weer anderen daarentegen dat zonnestralen die op een extra dichte wolk stuiten en dus niet verder omlaag kunnen, deze dichte materie met licht verzadigen, wat zich voor het menselijk oog voordoet als iets wat op sterren lijkt. Nog weer anderen huldigen de opvatting dat dit verschijnsel zich voordoet wanneer een bijzonder hoge wolk oplicht doordat ze in de nabijheid komt van de eeuwige vuren, of dat het om sterren gaat net als alle andere, maar waarvan de regelmaat in de tijden van opkomst en ondergang door de mensen niet begrepen wordt. Nog menige andere theorie kan men vinden bij degenen die geverseerd zijn in de wetenschap van het heelal, maar mijn ongeduld om mijn relaas in een andere richting voort te zetten, verbiedt mij daarover verder uit te weiden. 4.De keizer bleef maar kort in Antiochia. Door zorgen gekweld, werd hij door een merkwaardige onrust voortgedreven. Dus brak hij, ofschoon tal van tekenen daartegen waarschuwden, op een dag midden in de winter op met als volgend doel Tarsus in Cilicië, een stad waarvan ik de ontstaansgeschiedenis eerder heb beschreven.20 5.Ook vandaar wenste hij snel weer te vertrekken, maar besloot eerst het grafmonument voor Julianus te doen verfraaien. Dat lag buiten de stad aan de weg naar de passen door het Taunusgebergte. Julianus’ stoffelijke resten hadden natuurlijk, welbeschouwd, niet daar, binnen het zicht van de Kydmus een rustplaats moeten vinden, hoewel dat een vriendelijke en heldere rivier is, maar ter vereeuwiging van de roem van zijn goede daden, aan de ruisende Tiber, die midden door de eeuwige stad stroomt langs de monumenten van de vergoddelijkte keizers. 6.Daarna vertrok hij uit Tarsus en bereikte in lange dagmarsen Tyana in Cappadocië. Hier ontmoetten hem op hun terugweg de notarius Procopius en de tribuun Memorides, die hem verslag deden van wat ze hadden ervaren. Om bij het begin te beginnen [zo meldden ze], was Lucillianus, toen hij met de tribunen Seniauchus en Valentinianus in Milaan was aangekomen en daar vernam, dat Malarichus de benoeming tot magister militum had geweigerd, zo snel mogelijk doorgereisd naar Reims. 7.Alsof alles in pais en vree was, had hij toen echter iets gedaan wat belachelijk was en misplaatst, want de situatie was nog instabiel: namelijk had hij de rekeningen van de actuarius gecontroleerd! Zich wel bewust van zijn bedriegerijen en diefstallen, was die naar een militaire afdeling gevlucht, waar hij de leugen opdiste dat Julianus nog leefde, maar dat de een of andere onbetekenende figuur een greep naar de macht had gedaan. Woest over dit bedrog, hadden de soldaten Lucillianus en Seniauchus gedood. Valentinianus - de latere keizer - die in zijn radeloosheid niet wist waar hij zich verbergen zou, was echter door zijn gastvriend Primitivus in veiligheid gebracht. 8.Behalve dit slechte nieuws was er ook goed nieuws, namelijk dat door Jovinus gezonden officieren (in legerjargon capita scholarum genaamd) binnenkort te verwachten waren met het bericht dat het leger in Gallië de machtsovername door Jovianus zonder problemen had aanvaard. 9.Op dit nieuws werd Valentinianus, die met deze lieden was meegekomen, benoemd tot commandant van de tweede afdeling der Scutarii en werd Vitalianus, een man van de Heruli, toegevoegd aan de garde. Veel later zou hij tot de rang van comes worden bevorderd, maar zou het slecht doen in Illyricum. Arintheus werd onmiddellijk naar Gallië gezonden met een brief voor Jovinus, waarin deze werd verzocht op zijn post te blijven, zijn gezag te handhaven, de aanstichter van de rebellie te straffen en de raddraaiers in ketenen naar het hof te sturen. 10.Toen dit alles zo goed mogelijk geregeld leek te zijn, meldden zich in het stadje Aspuna in Galatië inderdaad de officieren van het Gallische leger. Toegelaten tot het consistorium en met vreugde aangehoord, werden ze rijkelijk beloond en naar hun onderdelen teruggezonden. 11.De keizer hield vervolgens zijn intocht in Ancyra zo feestelijk als die, gezien de omstandigheden, kon worden georganiseerd en aanvaardde daar het consulaat, waarbij hij als mede-consul zijn zoon Varronianus koos. Dat was nog een kleuter, die zich er gillend tegen verzette volgens traditie in de draagstoel te worden getild, hetgeen een voorteken was voor wat te gebeuren stond. 12.Ook vanhier eiste de dag, voorbestemd voor zijn dood, Jovianus’ haastige vertrek. Want in Dadastana tenslotte, op de grens tussen Bithynië en Galatië gelegen, trof men hem op een nacht levenloos [in bed] aan. 13.Over de oorzaak van zijn dood wordt verschillend gespeculeerd. Hij zou namelijk de ongezonde reuk van zijn pas witgekalkte slaapvertrek niet hebben verdragen of overleden zijn als gevolg van de verbranding van een grote hoeveelheid houtskool, waardoor zijn hoofd was opgezwollen, dan wel doordat hij zich had overeten aan allerlei voedsel door elkaar, waardoor hij een benauwdheid had gekregen. Hij stierf in zijn drieëndertigste jaar, en hoewel er een overeenkomst bestaat tussen zijn einde en dat van Scipio Aemilianus, is, voorzover ik heb kunnen achterhalen naar de dood van geen van beiden een onderzoek ingesteld. 14.Jovianus had een zware gang. Zijn gezichtsuitdrukking was opgewekt. Hij had grijsblauwe ogen en was groot en zwaar van bouw, zodat lange tijd geen keizerlijke kleding te vinden was die hem paste. Hij imiteerde graag de gewoonte van Constantius, ’s middags enkele gewichtige zaken af te doen en verder met zijn naaste omgeving openlijk plezier te maken. 15.Hij was een overtuigd aanhanger van de christelijke godsdienst en bevoordeelde die soms. Zijn opleiding was niet meer dan middelmatig, maar hij was van goede wil en koos zijn hogere beambten na zorgvuldig overleg, zoals men kon zien aan enkele bevorderingen die hij verordonneerde. Hij was een groot eter en een liefhebber van wijn en vrouwen, maar zou zich wat dat betreft misschien later in keizerlijke terughoudendheid wel gebeterd hebben. 16.Zoals men vertelde, had zijn vader Varronianus door een droomgezicht lang van te voren geweten wat er zou gebeuren en had hij dit ook aan twee vertrouwde vrienden meegedeeld, met de toevoeging dat ook aan hemzelf de consulstoga zou worden aangeboden. Daarvan ging het ene in vervulling, het andere mocht hij niet beleven. Want toen hij van de grote uitverkiezing van zijn zoon vernam, stierf hij vóór hij hem terugzag. 17.Terwijl de oude vader dus in zijn slaap voorspeld was dat het hoogste ambt voorbestemd was voor de drager van zijn naam, werd [niet hijzelf, maar] zijn kleinzoon Varronianus, nog een kind zoals ik zei, samen met zijn vader Jovianus tot consul benoemd.

Noten

1.Namelijk bij de belegering van Nisibis door Sapor in 350. retour

 

2.Waarschijnlijk een Thracisch volk. retour

 

3.Ook wel de Tagetische boeken genoemd. Ze zouden geschreven zijn door een zekere Tarquitius of 

Tages. Zie boek xvii,10,2 en xxi,1,10. retour

 

4.Zie boek xxiii, noot 14 over verschillende vormen van waarzeggerij. retour

 

5.Volgens Libanius, Or. XVIII,274, moet de dader een cavalerist uit Julianus’ leger zijn geweest, want geen Pers meldde zich bij zijn koning voor een beloning. In Or. XXIV,6 beweert hij dat het een Taïener, een Saraceen, was geweest, met de suggestie dat deze handelde in opdracht van zijn bevelhebber, die door Christenen zou zijn omgekocht. Zie ook onder, 6,6.  retour

 

6.Zie Zonaras, XIII,13 A. retour

 

7.Dat Julianus zijn verwant Procopius als zijn opvolger had aangewezen (zie boek xxiii,3,2) zou dan inderdaad een gerucht zijn. retour

 

8.Maximus van Ephese en Priscus van Thesprotië waren oude vrienden en raadgevers van Julianus. Zij waren tijdens de veldtocht in zijn gezelschap. retour

 

9.Een vergelijking met de dood van Socrates dringt zich op. Libanius, Or. XVIII,272: ‘Zijn tent was als de gevangenis van Socrates, zijn gezelschap als diens gezelschap, zijn wond als diens vergif en zijn woorden die van Socrates. Ook Socrates was de enige die niet in tranen was.’ retour

 

10.Zie boek xxiv,4,4. retour

 

11.Het coronarium was een geschenk in goud, door de provincies opgebracht en aan de keizer aangeboden bij diens aantreden of ter gelegenheid van een jubileum. retour

 

12.Bijvoorbeeld tempelgrond. retour

 

13.Zie boek xxi, noot 14. retour

 

14.Een filosoof, die Constantijn op de mouw zou hebben gespeld dat Sapor een voor hem bestemd groot geschenk van de koning van India had verduisterd. retour

 

15.Want Julianus werd namens de keizer gecontroleerd en financieel kort gehouden. retour

 

16.Afgezien van het bijna met ‘Ju’ gelijkluidende ‘Jo’. retour

 

17.Zie boek xxiii,3,5. retour

 

18.Zie boek xxvii,12,3. retour

 

19.Niet te verwarren met Procopius van xxv,7,10;8,16;9,12. retour

 

20.Zie boek xiv,8,3. retour