BOEK
XXVI
2.
Valentinianus, opgeroepen uit Ancyra,
komt snel naar Nicea en wordt definitief
unaniem tot keizer gekozen. In het purper en gekroond met een diadeem wordt
hij als Augustus begroet en houdt hij een toespraak tot de troepen
1.Toen
de dag die (zoals sommigen menen) ongeschikt is voor het aanvatten van
belangrijke zaken voorbij was en de avond viel, werd op instigatie van de praefectus
praetorio Salutius direct unaniem
besloten dat op straffe des doods geen enkele hoge gezagdrager en niemand
verdacht van hogere aspiraties zich de volgende morgen in het publiek mocht
vertonen. 2.En toen na die nacht, waarin verschillenden hun teleurstelling om
vervlogen illusies hadden liggen verbijten, de ochtend gloorde, verzamelde
zich het leger en verscheen Valentinianus op de appelplaats, werd op een
tribune genodigd die daarvoor gebouwd was en als in een volksvergadering met
algemene stemmen als een man van karakter tot heerser over het rijk
uitgeroepen. 3.Meteen werd hij met een keizerlijk gewaad omhangen en gekroond,
begroet als Augustus en gelukgewenst zoals de vreugde om de nieuwe situatie
dat ingaf, waarna hij zich opmaakte om een toespraak te houden die hij had
voorbereid. Maar... toen hij zijn armbedekking terugsloeg om vrijer te kunnen
gebaren, ontstond een veelbetekenend geroezemoes, gepaard met geroffel op
schilden, terwijl van de centuriën en manipels tot de cohorten toe de eis
klonk meteen een tweede keizer te doen kiezen. 4.Er werd wel gedacht dat
sommigen daartoe waren omgekocht ten gunste van gepasseerde kandidaten, maar
dit leek daarom toch een ongegrond vermoeden, dat niet zomaar een paar
gekochte stemmen werden gehoord, maar massaal geroep opklonk van de hele
menigte, die sinds de recente geschiedenis genoeg wist van de broosheid van
het geluk van hun hooggeplaatsten. Dit gerommel onder de troepen, die steeds
driftiger werden, leek te gaan uitlopen op gewelddadigheden, zodat het gevaar
bestond dat hun onverantwoordelijkheid, zoals vaker, rampzalige gevolgen zou
hebben. 5.Niemand was daar meer beducht voor dan Valentinianus zelf. Hij hief
direct zijn hand op, liet zijn keizerlijke autoriteit gelden, was niet te bang
een paar figuren - ‘oproerkraaiers!’ ‘dwarskoppen!’ - op hun plaats te
zetten, en hield vervolgens zonder verdere interrupties zijn toespraak.
6.‘Dappere verdedigers van onze
provincies! Met vreugde en trots constateer ik, en zal ik mij blijven
herinneren, hoe door uw toedoen aan mij, die daaraan niet gedacht, daarnaar
niet gestreefd had, boven allen uitverkoren, de regering van de Romeinse
wereld is opgedragen. 7.Van de taak die in uw handen lag toen het aankwam op
de keuze van de bestuurder van het rijk hebt u zich op een gepaste en
prijzenswaardige manier gekweten door iemand tot de hoogste eer te verheffen
van wie u uit ervaring weet dat hij van zijn jongste jaren tot zijn rijpe
leeftijd een integer en onbesproken mens is geweest. Daarom vraag ik u met een
welwillend oor te luisteren naar wat ik in een paar woorden wil zeggen over
hetgeen ik het beste vind voor het algemeen belang. 8.Dat het, om aan alle
eventualiteiten het hoofd te kunnen bieden, nodig is de macht te delen met een
mederegent, is, alles welbeschouwd, ook voor mij buiten elke twijfel, want ik
ben ook een mens, beducht voor een overmaat van zorgen en de wisselvalligheden
van onze tijd. Maar we moeten wel, hoe dan ook, de eendracht zien te bewaren -
waardoor zelfs de allerzwakste dingen sterk plegen te worden - hetgeen we
gemakkelijk kunnen bereiken als u rustig, naar behoren, bereid bent aan mij
over te laten wat mij in mijn positie toekomt te doen. 9.Want Fortuna, die een
goede raadgeefster is, zal mij hopelijk, als ik naar mijn beste vermogen
daarnaar streef en zorgvuldig om mij heen zie, zeker attenderen op een man van
een beproefd karakter. Want zoals wijze mannen ons leren, is het niet alleen
in de sfeer van de regering zo, waar de risico’s en de bedreigingen het
grootst en het talrijkst zijn, maar ook in de sfeer van de dagelijkse,
persoonlijke verhoudingen, dat een verstandig man een onbekende pas als zijn
vriend kan beschouwen als hij hem beoordeeld heeft en hem niet moet beoordelen
nadat hij hem al als zijn vriend aanvaard heeft. 10.Dat mag u van mij
verwachten, met uitzicht op een goede toekomst, als u standvastig en trouw
blijft. En zolang de winterrust het toelaat, wil ik dat u geestelijk en
lichamelijk op krachten komt; ook zal ik u zonder uitstel datgene schenken7
waarop u wegens mijn benoeming tot keizer recht hebt.’ 11.Met
deze woorden, die hun gewicht dankten aan zijn onverwacht verkregen
autoriteit, won de keizer allen voor zijn voorstel; en degenen die kort
tevoren nog iets anders eisten, gingen daarin met hem mee en zo werd hij
omgeven door adelaars en standaards en een dichte menigte uit de verschillende
geledingen naar zijn keizerlijke verblijf begeleid - al een voorwerp van
eerbied en ontzag.
3. Over de stadsprefectuur van Apronianus
1.Terwijl
deze gebeurtenissen zich door de wisselvalligheid van het Lot voordeden in de
Oriënt, gaf Apronianus, de prefect van de Eeuwige Stad en een integer en
gestreng man, naast alle dringende zaken die zijn functie vaak zwaar
belastten, een hoge prioriteit aan de bestrijding van gifmengers en tovenaars,
(waarvan er toentertijd al niet veel meer waren) die hij liet arresteren en zo
ze, aan een gerechtelijk onderzoek onderworpen, bekenden iemand te hebben
geschaad, na hun medeplichtigen genoemd te hebben om hals brengen, zodat door
de veroordeling van enkelen de overigen die eventueel niet ontdekt waren uit
vrees voor eenzelfde lot zouden worden afgeschrikt. 2.Er werd gezegd dat hij
daarin zo fanatiek was, omdat hij na zijn benoeming door Julianus, die toen in
Syrië verbleef, tijdens een reis een oog had verloren, dacht slachtoffer te
zijn van zwarte kunst, en zijn terechte maar onmatige kwaadheid daarover nu
botvierde in het opsporen van zulke misdaden. Vandaar dat hij door sommigen
als een wreedaard werd beschouwd, vooral ook omdat hij meer dan eens de
zwaarste vergrijpen midden in het amfitheater onderzocht, ten aanschouwen van
het toegestroomde volk. 3.Eens werd, na verschillende andere zulke zaken, een
wagenmenner, Hilarinus genaamd, ter dood veroordeeld op grond van het bewezen
en door hem ook erkende feit dat hij zijn zoon, een puber nog, bij een
gifmenger in de leer had gedaan om hemzelf met zijn kennis van zekere bij de
wet verboden geheime praktijken thuis te kunnen helpen zonder iemand anders
daarbij.8 Aangezien de beul hem niet goed vasthield, zag hij eerst
nog kans te ontsnappen en asiel te zoeken in een christelijke kerk, maar werd
daar meteen vandaan gesleurd en onthoofd. 4.Met allerlei maatregelen werd
gepoogd zulke praktijken aan banden te leggen, waardoor zo goed als niemand
die geverseerd was in zulke schandelijkheden het nog waagde met de
wetshandhaving te spotten, tot later door langdurige laksheid op dit punt de
gruwel weer voet kreeg en de brutaliteit zo ver ging dat een zekere senator
naar het voorbeeld van Hilarinus een van zijn slaven (het ontbrak er nog maar
aan bij schriftelijk contract) aan een leermeester in kwalijke kunsten
toevertrouwde om in de zondige leer te worden ingewijd, en, daaraan schuldig
bevonden, zich met een hoge losprijs van de doodstraf redde - althans, zo
wilden het de geruchten. 5.Nu zou zo’n man zich, nadat hij zich op die
veronderstelde manier had vrijgekocht, moeten schamen over zijn leven en
zijn misdaad, maar integendeel deed hij niets om die smet af te wassen,
gedroeg zich als de enige onder alle schurken die van de prins geen kwaad
wist, besteeg een fraai opgetuigd paard en reed (rijdt vandaag de dag nog
steeds) over de keien gevolgd door hele stoeten slaven om het volk zich
daaraan te laten vergapen, alsof hij iets ongehoords, iets schitterends op
zijn naam zou hebben gebracht - zoals het verhaal gaat over de oude Duillius,
dat hij na de fameuze door hem gewonnen zeeslag9 het voorrecht
verwierf zich, naar huis terugkerend van een maaltijd, te mogen laten
voorafgaan door vrolijke muziek van een fluitspeler. 6.Onder deze Apronius
echter was er altijd zo’n overvloed aan van alles, dat zelfs niet het minste
gemor over tekorten aan levensmiddelen ooit gehoord werd - en dat betekende
iets in Rome...
1.In
Bithynië, zoals gezegd, tot keizer gekozen, gaf Valentinianus marsorders voor
de tweede volgende dag, riep de hoogste magistraten en officieren bijeen als
om te tonen dat hij eerder geneigd was goede raad te volgen dan eigenmachtig
te besluiten, en legde hun de vraag voor, wie hij tot mederegent zou kiezen.
Maar allen zwegen, tot de toenmalige magister
equitum Dagalaifus de moed vond te zeggen: ‘Als u aan uw familie
denkt, goede keizer, u hebt een broer; als u aan het belang van de staat
hecht, zoekt u dan een ander voor het purper’. 2.De keizer was over die
opmerking geprikkeld, maar gaf geen antwoord en hield vóór zich wat hij
dacht, marcheerde vervolgens in snel tempo op en bereikte op de eerste maart
[364] Nicomedia, waar hij zijn broer Valens benoemde tot tribunus
stabuli in de rang van tribuun.
3.Later, in Constantinopel aangekomen, ging hij lang bij zichzelf te rade,
voelend dat hij al niet tegen de enorme hoeveelheid spoedeisende zaken was
opgewassen terwijl de tijd drong, nodigde Valens naar een voorstad, waar hij
hem op 28 maart onder algemene bijval - want niemand waagde het een tegenstem
te laten horen - tot Augustus uitriep, hem tooide met een keizerlijk gewaad en
zijn slapen omkranste met een diadeem, waarna hij hem terugreed in zijn eigen
rijtuig. Daarmee had hij een wettige deelgenoot in het keizerschap, zijns
gelijke, maar zoals uit het vervolg van mijn verhaal zal blijken, wel één
die zo volgzaam was als een ondergeschikte. 4.Nauwelijks was dit zo zonder
problemen geregeld, of beide keizers kregen lange tijd met hoge koortsen te
kampen. En toen ze daarvan begonnen te herstellen, gaven ze - sterker in het
onderzoeken van zaken dan in het oplossen daarvan - de magister officiorum Ursatius,
een ruwe Dalmatiër, en de toenmalige quaestor
Viventius van Siscia opdracht een diepgaand onderzoek in te stellen naar wat
ze ervan verdachten de oorzaak van die ziekte te zijn. Volgens een hardnekkig
gerucht was de bedoeling hiervan, de herinnering aan keizer Julianus en zijn
vrienden in een kwaad daglicht te stellen, alsof ze uit die hoek met
heimelijke toverij bewerkt zouden zijn. Maar dat liep op niets uit, aangezien
geen bewijs, nog geen bewering zelfs boven tafel kwam. 5.In hun dagen leek het
wel of in de hele Romeinse wereld voortdurend de krijgstrompetten schalden; de
meest woeste volken kwamen in beweging en schonden hun naaste grensgebieden:
Alamannen verwoestten tegelijk Gallië en Raetië, de Sarmaten en Quaden
Pannonië; de Picten, Saksen, Scotten en Attacotten teisterden keer op keer de
Britanniërs; Austorianen en andere Moorse stammen vielen telkens en woester
dan ooit Africa binnen en rovende benden Goten plunderden Thracië en Pannonië.
6.De Perzische koning sloeg de hand aan Armenië, dat hij kost wat kost opnieuw in bezit wilde krijgen met het argument dat
sinds de dood van Jovianus met wie hij een vredesverdrag had gesloten niets de
annexatie van wat volgens hem ooit aan zijn voorvaderen behoord had in de weg
kon staan.
5. De keizers verdelen onderling de legers en de comites. Kort daarna aanvaarden ze, de een in Milaan, de ander in Constantinopel hun eerste consulaat. De Alamannen verwoesten Gallië. Procopius ontketent een opstand
6. Land van herkomst, afstamming, karakter en functies van Procopius. Zijn schuilplaatsen in de periode Jovianus. Hoe hij in Constantinopel tot keizer wordt uitgeroepen
7.
Procopius maakt zich zonder bloedvergieten meester van Thracië. Eenheden
cavalerie en infanterie, in Thracië op mars, krijgt hij met beloften aan zijn
kant. De Jovii en de Victores, door Valens op hem af gestuurd, weet hij in een
toespraak voor zich te winnen
1.Zo
raakten armoedige zoetelaars, bedienden ten Hove of voormalige derzulken en
alles wat onder helm en schild uitgediend was, willens of nillens verwikkeld
in een riskante en merkwaardige geschiedenis. Maar
sommigen dachten dat alles veiliger was dan deze nieuwe situatie, verlieten
heimelijk de stad en haastten zich naar het kamp van de keizer. 2.En niemand
zo vlug als de notarius Sophronias,
de latere prefect van Constantinopel, die Valens bereikte in Caesarea in
Cappadocië toen deze juist op het punt stond af te reizen naar zijn
residentie in Antiochia, aangezien de ergste zomerhitte in Cilicië voorbij
was, hem vertelde wat er gebeurd
was en de man in zijn alleszins
begrijpelijke radeloosheid en verbijstering in zo’n crisis aanried, naar
Galatië te gaan om greep te krijgen op de situatie zolang die nog onbestendig
was. 3.Terwijl Valens op weg ging, zo snel hij kon, was Procopius dag en nacht
druk doende, en produceerde fake-informanten, die brutaalweg logen dat ze, de
één uit het oosten, de ander uit Gallië, kwamen, dat Valentinianus dood was
en hun nieuwe, geliefde keizer nu volledig de handen vrij had. 4.En omdat
machtsgrepen na een onzeker begin vaak door snel te handelen een voldongen
feit worden, en ook om niet door nalatigheid redenen tot bezorgdheid te laten
bestaan, liet hij Nebridius, die nog maar kort tevoren door de partij van
Petronius tot praefectus praetorio was bevorderd in de plaats van Salutius, en Caesarius, de
prefect van Constantinopel, in de boeien slaan; Phronimius werd met de gewone
volmachten met het bestuur van de stad belast, terwijl Euphrasius benoemd werd
tot magister officiorum; beide
laatsten waren gestudeerde Galliërs die in hoog aanzien stonden. Gomoarius en
Agilo werden teruggeroepen in dienst en belast met militaire zaken - wat een
slechte keuze was, zoals zou blijken uit hun uiteindelijke verraad17
5.Aangezien van de comes Julius, die
bevel voerde over de in Thracië gelegerde troepen, te vrezen viel dat hij
horend van de staatsgreep de opstandelingen vanuit de naaste garnizoenen zou
overvallen en vernietigen, werd wat hem betrof een list bedacht. Per een brief
die men Nebridius in zijn gevangenis onder pressie had laten schrijven, werd
hij quasi op verzoek van Valens naar Constantinopel genodigd voor een
bespreking van ernstige maatregelen in verband met bewegingen onder de
barbaren, en zo in verzekerde bewaring genomen. Door deze handige zet kwamen
de krijgshaftige Thraciërs zonder slag of stoot aan de kant van Procopius en
betekenden een enorme steun voor het rebelse avontuur. 6.Nadat dit alles zo
met succes geregeld was, meldde ook Araxius zich aan het hof en kreeg, zegt
men, op voorspraak van zijn schoonzoon Agilo de functie van praefectus praetorio,
zoals ook anderen in verschillende functies aan het hof en op posten in de
provincies werden benoemd, sommigen tegen wil en dank, anderen op sollicitatie
en tegen betaling. 7.En zoals dat vaak gaat tijdens binnenlandse troebelen,
kwamen sommigen uit wanhoop, anderen met duistere bedoelingen
uit de lagen van het ordinaire volk omhoog, terwijl anderzijds nobele
figuren hun hoge status verloren en zelfs de dood vonden of verbannen werden.
8.Nu zijn factie door deze en andere maatregelen vaste voet leek te hebben
gevonden, bleef Procopius nog over, een adequate krijgsmacht op de been te
brengen. En wat in revolutionaire situaties vaak gedurfde ondernemingen, hoe
gerechtvaardigd ook hun aanleidingen, belemmert, gaf hier geen enkel probleem.
9.Want enkele passerende afdelingen ruiterij en infanterie, bestemd voor
dienst in Thracië, liepen over en werden hartelijk, royaal zelfs, ontvangen,
en bij elkaar genomen leek dat al op een leger. Happig op de rijke beloningen
die in het vooruitzicht werden gesteld, zwoeren ze onder gruwelijke
zelfvervloekingen trouw aan Procopius en verplichtten ze zich tot toewijding
tot in de dood. 10.Een vondst was het ook van Procopius, om ze extra te
paaien, het dochtertje van Constantius in zijn armen te nemen en rond te
showen en daarmee nadruk te leggen op zijn verwantschap met de voormalige
keizer, wiens nagedachtenis hun heilig was. Ook trof hij het, dat nog iets
anders goed uitkwam: namelijk dat de moeder van het meisje er toevallig bij
aanwezig was toen hij enkele tekens van keizerlijke waardigheid ontving.
11.Zijn volgende stap - op een snel en doeltreffend effect berekend - was,
enkele domme heethoofden te selecteren en naar Illyricum te sturen om dat voor
hem in bezit te nemen, waarbij ze het louter van bluf moesten hebben, zij het
met daarbij ook wat goudstukken met de kop van de nieuwe keizer en andere
lokmiddelen. Maar die werden gepakt door Aequitius, de militaire bevelhebber
in die regio en op verschillende manieren ter dood gebracht. 12.Beducht voor
verdere pogingen van dien aard liet Aequitius de drie nauwe bergpassen
blokkeren waardoor de noordelijke provincies kwetsbaar waren: een pas door
Ripensisch Dacië,18 de welbekende pas van Succi en de Acontisma
geheten pas door Macedonië. Door deze maatregelen werd de kale usurpator
gefrustreerd in zijn hoop Illyricum in handen te krijgen en miste daardoor een
aanzienlijk oorlogspotentieel. 13.Terwijl dit alles plaatshad, bevond Valens
zich, aan twijfels en verwarring ten prooi, geschokt door het nieuws over
Constantinopel, op de terugweg door Galatië. Ineens, in zijn angstige
onzekerheid, zag hij geen uitweg meer, zo moedeloos dat hij erover dacht zijn
keizersmantel als een zware last van zich af te werpen. En hij zou dat
inderdaad gedaan hebben als zijn vertrouwelingen hem niet van dat beschamende
idee hadden afgebracht en hadden opgebeurd met meer optimistische zienswijzen.
Dan zond hij twee legers, de Jovii en de Victores, vooruit met het bevel het
kamp van de opstandelingen aan te vallen. 14.Met deze in aantocht trok
Procopius zich terug uit Nicea, waar hij kort tevoren was aangekomen en
haastte zich met de Divitenses en een ongeregelde troep deserteurs die hij in
een paar dagen tijd had weten te verzamelen, naar Mygdus, gelegen aan de
rivier de Sangarius. 15.Daar kwamen de legioenen tegenover elkaar te staan,
klaar voor een krachtmeting. Maar toen salvo’s pijlen al over en weer
vlogen, sprong Procopius plotseling alléén tussen de linies om de
tegenstanders uit te dagen. En alsof hij bij puur toeval in de vijandelijke
gelederen een zekere Vitalianus herkende - of hij hem inderdaad kende wordt
betwijfeld - groette hij hem in het Latijn, riep hem vriendelijk bij zich en
reikte hem tot stomme verbazing van vriend en vijand de hand en kuste hem.
Toen riep hij luid: 16.‘Dit is dus die oude Romeinse wapentrouw! Dit zijn
dus de bij god gezworen eden waard! Moet dat zo, mannen, moeten al die
zwaarden geheven worden voor vreemden?! Moeten we straks jammeren over jullie
en onze wonden om zo’n Pannoniër, die alles ruïneert en met voeten treedt,
aan een troon te helpen waar hij vroeger nog niet van heeft durven dromen?
Waarom u niet houden bij het keizerlijk huis, bij een man die met het volste
recht de wapens laat spreken, niet om zich toe te eigenen wat van een ander
is, maar om zich in het bezit te stellen van zijn erfrechtelijke
waardigheid.’ 17.Door dit beroep op hun gevoel kalmeerden de troepen die
klaar stonden voor een grimmig gevecht en gingen tot de laatste man spontaan
naar hem over met hun adelaars en veldtekens geneigd in onderwerping, en in
plaats van met het vreesaanjagende gebrul dat de barbaren een barritus
19 noemen, werd hij met gejuich omringd zoals een keizer
bejegend verdient te worden en in complete eensgezindheid naar zijn
hoofdkwartier geëscorteerd, onder geroep op de soldatenmanier dat bij Jupiter
Procopius onoverwinnelijk was.
8.
Nicea en Chalcedon worden ontzet; daarna valt Procopius Bithynië in handen;
vervolgens, na de inname van Cyzicus, ook Hellespontus
1.Na
dit succes hadden de opstandelingen nog meer geluk. Want een tribuun,
Rumitalca, die naar hun partij was overgelopen en met de
beveiliging van het paleis was belast, stak volgens een weloverwogen plan met
een troep de Propontis over naar Helenopolis, vroeger Drepanum geheten, en nam
vervolgens in een bliksemactie Nicea in. 2.Daar stuurde Valens de voormalige
generaal en koning van de Alamannen Vadomarius20 op af met enkele
anderen, gespecialiseerd in dit soort acties, met de opdracht de stad te
belegeren, en marcheerde zelf op naar Nicomedia. Vandaar weer vertrokken,
sloeg hij met een grote legermacht het beleg om Chalcedon. Vanaf de muren van
die stad werden hem allerlei beledigingen naar het hoofd geslingerd en werd
hij spottend uitgemaakt voor een sabaiaius, een bierdrinker. (Sabaia is
namelijk de armeluisdrank in Illyricum, gebrouwen van gerst of een ander soort
graan.) 3.Na een tijd door zijn voorraden heen en uitgeput door de hardnekkige
tegenstand van de verdedigers, wilde hij juist opgeven, toen de manschappen
die in Nicea opgesloten zaten, plotseling de poorten opengooiden, onder
aanvoering van de onverschrokken Rumitalca naar buiten stormden, eerst een
groot aantal belegeraars neermaaiden en toen snel doorgingen in de richting
van Valens, die zich nog in de buurt van Chalcedon bevond, met de bedoeling
hem in de rug aan te vallen. En dat zou gelukt zijn, als de keizer niet
bijtijds voor het gevaar gewaarschuwd was en zich haastig terugtrekkend langs
het Sunonische meer en de sterk bochtige rivier de Gallus, zijn achtervolgers
de loef had weten af te steken. Door deze tegenslag viel Procopius ook Bithynië
in handen. 4.In stevige dagmarsen teruggekeerd naar Ancyra, vernam Valens dat
Lupicinus met een geducht leger uit de Oriënt in aantocht was, vatte weer
meer moed en zond nu zijn beste generaal, Arintheus, tegen de vijand in het
veld. 5.Toen deze in de buurt van Dadastana kwam, het station waar, zoals ik
vertelde,21 Jovianus was gestorven, stond hij plotseling oog in oog
met Hyperechius en wat troepen. Nu was deze figuur vroeger belast geweest met
de bevoorrading van de kampkeuken, als verzorger van ’s commandants buik en
keel zogezegd, maar door Procopius uit vriendschap tot bevelhebber van
hulptroepen gebombardeerd. Arintheus achtte het beneden zijn waardigheid dit
verachtelijke type in een gevecht te verslaan en gaf dus, zich bewust van zijn
imponerende gestalte en zijn autoriteit, de vijandelijke troepen bevel zelf
hun aanvoerder in de boeien te slaan, en zo werd deze schertscommandant door
zijn eigen manschappen gevangen genomen. 6.Terwijl
dit zich daar afspeelde, was een zekere Venustus, een ambtenaar van financiën
in dienst van Valens onderweg naar Nicomedia om geld dat geïncasseerd was
voor de betaling van in de oostelijke provincies gelegerde troepen te
distribueren. Toen hij hoorde van dit incident en concludeerde dat de situatie
in verband met zijn taak niet veilig was, zocht hij haastig met zijn geld
bescherming in Cyzicus. 7.Daar trof hij de toenmalige commandant van de garde,
Serenianus, die erheen was gezonden ter bewaking van de stedelijke thesaurie
en de stad, bekend om zijn oude monumenten en berucht om zijn onneembare
muren, met een inderhaast gemobiliseerd garnizoen moest verdedigen. Nu had
Procopius een sterk onderdeel belast met de bestorming van die stad, zodat
hij, met Bithynië in zijn bezit, ook Hellespontus in handen zou krijgen.
8.Dat bleef aanvankelijk zonder succes: grote aantallen belegeraars vielen
onder pijlen, slingerstenen en ander geschut, terwijl de haven door de
bezetting zeer effectief was afgesloten met een aan weerszijden stevig
verankerde zware ijzeren ketting, zodat vijandelijke schepen zelfs met een ram
geen doorgang konden forceren. 9.Uiteindelijk werd die ketting na verscheidene
vergeefse pogingen van moegestreden soldaten en officieren verbroken door de
tribuun Aliso genaamd, een krijgsman in hart en nieren, die dat als volgt
deed. Op drie tegen elkaar gesjorde boten liet hij op de volgende manier een
schilddak vormen. Eerst zette hij soldaten op een rij naast elkaar op de
roeibanken met hun schilden dicht aaneengesloten boven hun hoofden, dan
daarachter een rij die wat gebukt stond en tenslotte een derde rij, nog weer
lager, zodat het geheel er, met de achtersten op hun hurken, uitzag als een
soort gewelf. Een dergelijke opstelling wordt wel gebruikt in aanvallen op
stadsmuren, omdat pijlen, speren en stenen van die gladde schuinte afglijden
en niet méér schade doen dan een bui regen. 10.Enige tijd op die manier
beschermd tegen salvo’s pijlen, schoof Aliso, die enorm sterk was, een blok
onder de ketting en bewerkte die met geweldige bijlslagen tot ze in twee
stukken brak, waarmee de doorgang vrijkwam, met als resultaat dat de stad, nu
deze versperring was weggevallen, open lag voor een aanval. Toen later de
aanstichter tot de rebellie gedood was en zijn aanhangers een wrede
behandeling te verduren kregen, werd Aliso vanwege deze schitterende actie
gespaard en behield zelfs zijn functie in het leger. Veel later zou hij in
Isaurië de dood vinden in een contact met een roverbende. 11.Toen dankzij
deze eenmansactie de toegang tot Cyzicus geforceerd was, haastte Procopius
zich daarheen en schonk allen die zich verzet hadden, vergeving, behalve
Serenianus, die hij in de boeien liet slaan en naar Nicea liet overbrengen,
waar hij onder strenge bewaking werd gesteld. 12.Direct daarna verleende hij
Hormisdas, die een juist volwassen zoon was van de gelijknamige [Perzische]
prins,22 de rang van proconsul met de daarmee traditioneel
verbonden verantwoordelijkheid voor alle civiele en militaire zaken. Deze
handelde - zoals hij van nature was - met bijzondere inschikkelijkheid. Eens
werd hij bijna het slachtoffer van een onverwachtse overval door soldaten die
Valens via allerlei sluipwegen door Phrygië op hem af had gestuurd, maar
ontsnapte met grote koelbloedigheid aan boord van een schip dat hij voor alle
zekerheid klaar had liggen, waarbij hij zijn vrouw, die ook bijna gevangen was
maar met hem was meegekomen, tegen een hagel van pijlen beschermde; zij was
een rijke dame van voorname afkomst en redde later met haar prestige en
vastberadenheid haar man uit grote gevaren. 13.De overwinning steeg Procopius
zo naar het hoofd als stervelingen niet past, en zonder te beseffen dat elk
gelukkig mens door een draai van het rad van Fortuna nog vóór de avond valt
een wrak kan zijn, liet hij de woning van Arbetio, die hij tot dan toe had
ontzien alsof het zijn eigen was omdat hij meende dat de man aan zijn kant
stond, een huis vol kostbare meubels, leeghalen. Dit uit woede, omdat hij Arbetio verschillende malen had ontboden en deze telkens ontwijkend gereageerd
had, zich excuserend wegens ongemakken van zijn leeftijd en ongesteldheid.
14.En hoewel de usurpator daarvan de gevolgen wel moest vrezen, werd hij toen
langzamerhand nonchalant en nalatig, verloor hij zijn scherpte, als een bot
geworden zwaard, want hoewel hij de oostelijke provincies had kunnen bezetten
zonder tegenstand te ontmoeten - zelfs door allen verwelkomd zou zijn,
aangezien men daar maar al te graag, het heersende harde regiem beu, een
verandering zag - verzuimde hij bepaalde steden van Asia in handen te krijgen
en lieden aan te trekken die in staat waren fondsen te werven (dus die hem van
pas zouden komen met het oog op de vele grote gevechten die hem wachtten).
15.Precies zo werd Pescennius Niger, die door het Romeinse volk dikwijls in
benauwde omstandigheden te hulp was geroepen, toen hij te lang talmde in Syrië,
door Severus verslagen bij Issus (in Cilicië, waar Alexander Darius op de
vlucht joeg) en toen hij probeerde te ontkomen, in een voorstad van Antiochia
door zo maar een soldaat gedood23
9.
Procopius verliest zijn aanhang in Bithynië, Lycië en Phrygië. Hij wordt
uitgeleverd aan Valens en onthoofd
1.Dit
alles gebeurde midden in de winter van het jaar [365] waarin Valentinianus en
Valens consuls waren. Maar toen dit hoogste ambt was overgegaan naar Gratianus
(die nog geen functie bekleedde24 en Dagalaifus, mobiliseerde
Valens vroeg in het voorjaar zijn leger, riep Lupicinus op met zijn
hulptroepen en marcheerde snel op naar Pessinus, een stad ooit van Phrygië,
nu van Galatië. 2.Die beveiligde hij met een garnizoen om er zeker van te
zijn in die regio geen onaangename verrassingen te hoeven duchten, en trok
verder onder langs de machtige Olympus [in Galatië] over ongebaande wegen in
de richting van Lycië om Gomoarius aan te grijpen die nog half in winterslaap
was. 3.Maar hij ontmoette overal gezworen vijandschap en hardnekkig verzet,
wat niet het minst hieruit voortkwam dat als zijn tegenstander, zoals gezegd,
op mars in slagorde halt liet houden, hij Faustina met het dochtertje van
Constantius in een draagstoel bij zich hield om de strijdvaardigheid van zijn
soldaten aan te wakkeren, zodat ze het uiterste zouden geven voor het
keizerlijk huis, waar hij ook zichzelf toe rekende. Zo zetten ook eens de
Macedoniërs vóór een gevecht met de Illyriërs hun baby-koning in zijn wieg
achter hun linies en vochten ze des te fanatieker uit vrees dat hij de vijand
in handen zou vallen. 4.Deze listige kunstgreep beantwoordde de keizer van
zijn kant met ook een slim idee om zijn positie te verbeteren: hij deed
namelijk een beroep op de voormalige consul Arbetio, die al lang in ruste was,
en bewoog hem zich bij hem te voegen, erop speculerend dat de oproerigheid
misschien uit respect voor een generaal van Constantijn tot bedaren zou komen.
En zo gebeurde het ook. 5.Want Arbetio, die ouder was in jaren en hoger in
rang dan wie ook, verscheen in zijn eerbiedwaardige grijsheid voor de
massa’s die tot opstand neigden, noemde Procopius een publieke vijand maar
de mannen die door hem misleid waren zijn zonen en voormalige deelgenoten in
gevaren, en vroeg ze liever hem te gehoorzamen, een vader die ze kenden van
hun succesvolle veldtochten, dan een minderwaardige schurk die straks in de
steek gelaten ging worden en zijn einde tegemoet ging. 6.Toen dit tot
Gomoarius doordrong, had hij zijn vijand uit de weg kunnen gaan en veilig
kunnen terugkeren naar waar hij vandaan kwam, maar hij verkoos over te lopen
naar het kamp van de keizer, wat gemakkelijk kon omdat het vlakbij lag, en
deed alsof hij een ontsnapte gevangene was van een troep vijanden die
plotseling was opgedoken en hem omsingeld had... 7.Dit gaf Valens nieuwe moed.
Hij marcheerde verder op naar Phrygië, waar het in de buurt van Nacolia tot
een treffen kwam tussen zijn troepen en die van Procopius. Toen, terwijl het
gevecht nog onbeslist heen en weer golfde, verried Agilo plotseling zijn
partij en liep over, waarop er meer zijn voorbeeld volgden en, net nog
zwaaiend met hun speren en zwaarden, naar Valens’ kamp deserteerden met hun
standaard en schilden omlaag gehouden, wat een onmiskenbaar teken was van hun
overgave. 8.Toen Procopius dit, wat niemand had verwacht, zag gebeuren en
besefte dat hij reddeloos was, nam hij de benen om dekking te zoeken in de
omliggende bergwouden. Hem volgden Florentius en de tribuun Barchalba, die
naam had gemaakt in de heetste oorlogen sinds de tijd van Constantius, en niet
uit vrije wil, maar door omstandigheden gedwongen tot zijn verraad was
gekomen. 9.Het grootste deel van de nacht ging voorbij. De maan scheen helder
van haar opkomst in de avond tot de vroege ochtend en verergerde de angst van
Procopius, die geen enkele uitweg meer zag en radeloos - zoals dat gaat in
uiterste nood - zich beklaagde om zijn droevig en ellendig lot. En zo, aan
wanhoop ten prooi, werd hij plotseling door zijn metgezellen geboeid en
gekneveld, bij het aanbreken van de dag naar Valens’ kamp gebracht en aan de
keizer overgegeven. Meteen werd hij onthoofd - hij had geen enkele reactie
meer gegeven en niets meer gezegd - waarmee de aanzwellende storm van
opstanden en oorlogen bedaarde. Het was hem vergaan zoals ooit Perperna, die
tijdens een maaltijd Sertorius had vermoord, voor korte tijd de macht in
handen kreeg, maar uit de struiken te voorschijn gesleurd waarin hij zich
verborgen had, voor Pompeius was gebracht en op diens bevel was geëxecuteerd25
10.In dezelfde vlaag van woede werden meteen Florentius en Barchalba,
die hem hadden overgeleverd, zonder weloverwogen reden ter dood gebracht. Want
zo zij een wettige vorst hadden verraden, zou ook Justitia zelf oordelen dat
ze terecht werden gedood, maar in het geval van iemand die
een opstandeling en een revolutionair heette, hadden ze voor hun
gedenkwaardige daad eigenlijk goed moeten worden beloond. 11.Procopius liet
het leven in de ouderdom van veertig jaar en tien maanden. Hij was tamelijk
groot van gestalte en niet onknap, met een enigszins donkere teint. Bij het
gaan keek hij altijd naar de grond en met zijn gesloten en sombere karakter
leek hij op Crassus, die volgens Lucilius en Cicero maar één keer in zijn
leven zou hebben gelachen (maar wat bijzonder is: zijn leven lang schone
handen hield)26.
10. De protector Marcellus, een familielid van Procopius, en een groot aantal aanhangers van de opstandige partij worden geëxecuteerd
Noten
3.Dus landgenoten van Valentinianus. retour
8.Wagenmenners betoverden of vergiftigden wel de paarden van hun tegenstanders. Ze werden dus als deskundigen op dit gebied ook door klanten geraadpleegd. retour
16.Andriscus gaf zich uit voor de zoon van Perseus, de laatste koning van Macedonië, regeerde een jaar lang als tiran tot hij in 148 vC door de Romeinen werd verdreven. Heliogabalus (Elegabal) gaf zich uit voor de zoon van keizer Caracalla. Als keizer, regerend van 218 tot 222, omringde hij zich met lieden van het laagste soort.Keizer Severus Alexander, regerend van 222 tot 235, werd na zijn afzetting door het leger opgevolgd door Maximinus Thrax, een zoon van een Thracische boer.Op zijn beurt werd deze opgevolgd door Gordianus, die slechts 22 dagen regeerde. retour
24.Zoon van Valentinianus, toen zes jaar oud. retour