BOEK XXVI

  1. Valentinianus, tribuun van de tweede schola der Scutarii, wordt in Nicea in zijn afwezigheid door de civiele magistraten en de militaire bevelhebbers met algemene stemmen tot keizer gekozen. Over de noodzaak van de schrikkeldag

  1.Na zo zorgvuldig mogelijk de loop der gebeurtenissen te hebben beschreven voorzover men ze tot voorbije geschiedenis kan rekenen, moest ik mij eigenlijk niet op meer eigentijds gebied wagen, èn om de gevaren te vermijden die het spreken van de waarheid vaak met zich brengt, èn om niet te maken te krijgen met onredelijke critici van mijn verdere werk, die zich tekort gedaan voelen en luidkeels protesteren als verzuimd wordt te vermelden wat een keizer aan tafel gezegd heeft, of de reden niet genoemd wordt waarom gewone soldaten onder de vaandels gestraft zijn, of wanneer in een  uitvoerige beschrijving van een gebied over bepaalde onbetekenende forten gezwegen wordt, of niet precies alle namen genoemd worden van degenen die een nieuwe stadsprefect bij diens aantreden hun respect hebben betuigd, en zo nog het een en ander wat niet tot geschiedschrijving behoort, die namelijk bedoelt gebeurtenissen in grote lijnen weer te geven, niet de futiele bijzonderheden na te speuren van onbelangrijke zaken - want als iemand die allemaal zou willen weten, kon hij evengoed hopen de ondeelbare deeltjes die in de ijle ruimte zweven (de atómoi, zoals wij die noemen) te kunnen tellen. 2.Om zulke kritiek te ontgaan, hebben sommige  schrijvers van vroeger knap geschreven studies over allerlei gebeurtenissen dan ook niet tijdens hun leven gepubliceerd, zoals zelfs Cicero, een alom gerespecteerde getuige, verklaart in een bepaalde brief aan Cornelius Nepos.1 Maar ik zal me niet storen aan de domheid van zulk volk en mijn relaas hervatten. 3.Met de betreurenswaardige dood [van Jovianus], waardoor we in korte tijd de derde keizer verloren, eindigde een ellendige periode vol onzekerheid. Het lichaam van de overledene werd gebalsemd en naar Constantinopel overgebracht, waar het tussen de andere keizerlijke graven werd bijgezet. Het leger, intussen, marcheerde op naar Nicea, de metropool van Bithynië, terwijl de hogere civiele functionarissen en militaire bevelhebbers, verantwoordelijk voor het algemeen belang - sommigen met ijdele hoop wat henzelf betrof - hun gedachten lieten gaan over een beproefde en waardige opvolger. 4.Fluisterend, in vage toespelingen, werd door enkelen geduid op Aequitius, toentertijd tribuun van de eerste schola der Scutarii, maar deze vond in de ogen van de hoogste autoriteiten geen genade als zijnde te onbeschaafd en onbehouwen, waarna een lichte voorkeur uitging naar een familielid van Jovianus, Januarius, de hoogste verantwoordelijke voor de bevoorrading van het leger in Illyricum. 5.Maar ook van hem zag men af omdat hij zich te ver weg bevond, tot onder inspiratie van de hemelse godheid met algemene instemming als geschikt en volledig berekend voor de taak Valentinianus2 werd gekozen, de commandant van de tweede schola der Scutarii, die in Ancyra [Ankara] was achtergelaten met de bedoeling dat hij later na zou komen. Aangezien dus niemand tegenstemde en dit in het belang van het rijk werd geacht, werden afgevaardigden naar hem gezonden met het verzoek zo snel mogelijk over te komen - maar met dat al hield tien dagen lang niemand het roer van de staat, overeenkomstig wat de waarzegger Marcus bij schouwing van ingewanden te Rome daarover toen zag. 6.In die tussentijd nam Aequitius het op zich, te voorkomen dat het genomen besluit werd doorbroken en door de ongedurigheid van het altijd onvoorspelbare soldatendom plotseling de keus zou vallen op iemand ter plaatse. Dat deed hij samen met Leo, die  betaalmeester was voor de magister equitum Dagalaifus (en later als magister officiorum een omineuze rol zou spelen). Ze waren namelijk beiden Pannoniërs3 en aanhangers van de nieuwgekozen keizer en deden wat ze konden om de beslissing van het leger te doen handhaven. 7.Toen Valentinianus arriveerde, wilde hij zich de eerste dag niet vertonen, althans niet in het openbaar - misschien al, naar gezegd werd, door voorspellingen of herhaalde dromen wetend van de taak die hem wachtte - om de schrikkeldag van de maand februari voorbij te laten gaan, die toen juist aankwam, en waarvan hij wist dat die soms voor de Romeinse staat ongunstig was.Dat zal ik uitleggen. 8.Volgens de definities van de oude kenners van de bewegingen van de wereld en van de sterren, onder wie in de eerste plaats Meto, Euctemon, Hipparchus en Archimedes, is de tijdspanne van een jaar verlopen wanneer de zon volgens de eeuwige wetten van de hemellichamen de tekens van de hemel, die in het Grieks de zodiakós heten, heeft doorlopen en na 365 dagen en nachten op zijn uitgangspunt terug is; bijvoorbeeld van de tweede graad van de Ram uitgaande daar na zijn loop voleind te hebben weer terugkeert. 9.Maar in feite bedraagt de  preciese tijdspanne van een jaar het genoemde aantal dagen plus zes uren en eindigt dus op het middaguur, zodat de eerste dag van het volgende jaar duurt van het eind van het zesde uur tot de avond, waarna het derde jaar begint met de eerste nachtwake om te eindigen met het zesde uur van de nacht [om middernacht], en het vierde van middernacht tot het aanbreken van de dag.4 10.Om dus niet door deze berekening met telkens een ander begin van het jaar - de ene keer bijvoorbeeld na het zesde uur van de dag, de andere keer na het zesde uur van de nacht - vanwege die aanzienlijke onregelmatigheid grote verwarring te krijgen, en een herfstmaand een voorjaarsmaand kan worden,5 is besloten die perioden van zes uur, die in vier jaar vierentwintig uur uitmaken, in één periode van een dag en een nacht samen te voegen. 11.Van ampele studie, met het akkoord van vele geleerden, is dus nu het resultaat, dat de ommekomst van een jaar op één duidelijk tijdstip valt dat niet veranderlijk of onzeker is, de regelmaat in het heelal sindsdien niet meer door een onjuiste berekening verduisterd schijnt en de maanden in de juiste seizoenen vallen. 12.Toen het rijk van de Romeinen nog maar beperkt van omvang was, had men hier lange tijd geen wetenschap over en dus met onbegrepen moeilijkheden te kampen, rondtastend in een diepe duisternis van onwetendheid, die alleen maar verergerde toen het bepalen van schrikkeldagen overgelaten werd aan priesters, die bereidwillig de belangen van de belastinggaarders of partijen in civiele processen dienden door naar willekeur dagen af te trekken of toe te voegen. 13.Dat was ook de oorzaak van veel andere misstanden, waarover ik niet zal uitweiden. Die werden uit de weg geruimd door keizer Octavianus,6 die in navolging van de Grieken een eind maakte aan de verwarring en orde schiep in de chaos door de weloverwogen aanname van een periode van twaalf maanden en zes uren, waarin de zon in een eeuwigdurende omloop door de twaalf tekens van de zodiak telkens een jaar volmaakt. 14.Zo heeft Rome, dat de eeuwen zal doorstaan, met de hulp van de hemelse godheid de noodzaak van een schrikkeldag berekend en vastgesteld voor altijd.En nu wil ik verder met mijn geschiedenis.   

2. Valentinianus, opgeroepen uit Ancyra, komt snel naar Nicea en wordt definitief unaniem tot keizer gekozen. In het purper en gekroond met een diadeem wordt hij als Augustus begroet en houdt hij een toespraak tot de troepen   

1.Toen de dag die (zoals sommigen menen) ongeschikt is voor het aanvatten van belangrijke zaken voorbij was en de avond viel, werd op instigatie van de praefectus praetorio Salutius direct unaniem besloten dat op straffe des doods geen enkele hoge gezagdrager en niemand verdacht van hogere aspiraties zich de volgende morgen in het publiek mocht vertonen. 2.En toen na die nacht, waarin verschillenden hun teleurstelling om vervlogen illusies hadden liggen verbijten, de ochtend gloorde, verzamelde zich het leger en verscheen Valentinianus op de appelplaats, werd op een tribune genodigd die daarvoor gebouwd was en als in een volksvergadering met algemene stemmen als een man van karakter tot heerser over het rijk uitgeroepen. 3.Meteen werd hij met een keizerlijk gewaad omhangen en gekroond, begroet als Augustus en gelukgewenst zoals de vreugde om de nieuwe situatie dat ingaf, waarna hij zich opmaakte om een toespraak te houden die hij had voorbereid. Maar... toen hij zijn armbedekking terugsloeg om vrijer te kunnen gebaren, ontstond een veelbetekenend geroezemoes, gepaard met geroffel op schilden, terwijl van de centuriën en manipels tot de cohorten toe de eis klonk meteen een tweede keizer te doen kiezen. 4.Er werd wel gedacht dat sommigen daartoe waren omgekocht ten gunste van gepasseerde kandidaten, maar dit leek daarom toch een ongegrond vermoeden, dat niet zomaar een paar gekochte stemmen werden gehoord, maar massaal geroep opklonk van de hele menigte, die sinds de recente geschiedenis genoeg wist van de broosheid van het geluk van hun hooggeplaatsten. Dit gerommel onder de troepen, die steeds driftiger werden, leek te gaan uitlopen op gewelddadigheden, zodat het gevaar bestond dat hun onverantwoordelijkheid, zoals vaker, rampzalige gevolgen zou hebben. 5.Niemand was daar meer beducht voor dan Valentinianus zelf. Hij hief direct zijn hand op, liet zijn keizerlijke autoriteit gelden, was niet te bang een paar figuren - ‘oproerkraaiers!’ ‘dwarskoppen!’ - op hun plaats te zetten, en hield vervolgens zonder verdere interrupties zijn toespraak. 6.‘Dappere verdedigers van onze provincies! Met vreugde en trots constateer ik, en zal ik mij blijven herinneren, hoe door uw toedoen aan mij, die daaraan niet gedacht, daarnaar niet gestreefd had, boven allen uitverkoren, de regering van de Romeinse wereld is opgedragen. 7.Van de taak die in uw handen lag toen het aankwam op de keuze van de bestuurder van het rijk hebt u zich op een gepaste en prijzenswaardige manier gekweten door iemand tot de hoogste eer te verheffen van wie u uit ervaring weet dat hij van zijn jongste jaren tot zijn rijpe leeftijd een integer en onbesproken mens is geweest. Daarom vraag ik u met een welwillend oor te luisteren naar wat ik in een paar woorden wil zeggen over hetgeen ik het beste vind voor het algemeen belang. 8.Dat het, om aan alle eventualiteiten het hoofd te kunnen bieden, nodig is de macht te delen met een mederegent, is, alles welbeschouwd, ook voor mij buiten elke twijfel, want ik ben ook een mens, beducht voor een overmaat van zorgen en de wisselvalligheden van onze tijd. Maar we moeten wel, hoe dan ook, de eendracht zien te bewaren - waardoor zelfs de allerzwakste dingen sterk plegen te worden - hetgeen we gemakkelijk kunnen bereiken als u rustig, naar behoren, bereid bent aan mij over te laten wat mij in mijn positie toekomt te doen. 9.Want Fortuna, die een goede raadgeefster is, zal mij hopelijk, als ik naar mijn beste vermogen daarnaar streef en zorgvuldig om mij heen zie, zeker attenderen op een man van een beproefd karakter. Want zoals wijze mannen ons leren, is het niet alleen in de sfeer van de regering zo, waar de risico’s en de bedreigingen het grootst en het talrijkst zijn, maar ook in de sfeer van de dagelijkse, persoonlijke verhoudingen, dat een verstandig man een onbekende pas als zijn vriend kan beschouwen als hij hem beoordeeld heeft en hem niet moet beoordelen nadat hij hem al als zijn vriend aanvaard heeft. 10.Dat mag u van mij verwachten, met uitzicht op een goede toekomst, als u standvastig en trouw blijft. En zolang de winterrust het toelaat, wil ik dat u geestelijk en lichamelijk op krachten komt; ook zal ik u zonder uitstel datgene schenken7 waarop u wegens mijn benoeming tot keizer recht hebt.’ 11.Met deze woorden, die hun gewicht dankten aan zijn onverwacht verkregen autoriteit, won de keizer allen voor zijn voorstel; en degenen die kort tevoren nog iets anders eisten, gingen daarin met hem mee en zo werd hij omgeven door adelaars en standaards en een dichte menigte uit de verschillende geledingen naar zijn keizerlijke verblijf begeleid - al een voorwerp van eerbied en ontzag.  

3. Over de stadsprefectuur van Apronianus

1.Terwijl deze gebeurtenissen zich door de wisselvalligheid van het Lot voordeden in de Oriënt, gaf Apronianus, de prefect van de Eeuwige Stad en een integer en gestreng man, naast alle dringende zaken die zijn functie vaak zwaar belastten, een hoge prioriteit aan de bestrijding van gifmengers en tovenaars, (waarvan er toentertijd al niet veel meer waren) die hij liet arresteren en zo ze, aan een gerechtelijk onderzoek onderworpen, bekenden iemand te hebben geschaad, na hun medeplichtigen genoemd te hebben om hals brengen, zodat door de veroordeling van enkelen de overigen die eventueel niet ontdekt waren uit vrees voor eenzelfde lot zouden worden afgeschrikt. 2.Er werd gezegd dat hij daarin zo fanatiek was, omdat hij na zijn benoeming door Julianus, die toen in Syrië verbleef, tijdens een reis een oog had verloren, dacht slachtoffer te zijn van zwarte kunst, en zijn terechte maar onmatige kwaadheid daarover nu botvierde in het opsporen van zulke misdaden. Vandaar dat hij door sommigen als een wreedaard werd beschouwd, vooral ook omdat hij meer dan eens de zwaarste vergrijpen midden in het amfitheater onderzocht, ten aanschouwen van het toegestroomde volk. 3.Eens werd, na verschillende andere zulke zaken, een wagenmenner, Hilarinus genaamd, ter dood veroordeeld op grond van het bewezen en door hem ook erkende feit dat hij zijn zoon, een puber nog, bij een gifmenger in de leer had gedaan om hemzelf met zijn kennis van zekere bij de wet verboden geheime praktijken thuis te kunnen helpen zonder iemand anders daarbij.8 Aangezien de beul hem niet goed vasthield, zag hij eerst nog kans te ontsnappen en asiel te zoeken in een christelijke kerk, maar werd daar meteen vandaan gesleurd en onthoofd. 4.Met allerlei maatregelen werd gepoogd zulke praktijken aan banden te leggen, waardoor zo goed als niemand die geverseerd was in zulke schandelijkheden het nog waagde met de wetshandhaving te spotten, tot later door langdurige laksheid op dit punt de gruwel weer voet kreeg en de brutaliteit zo ver ging dat een zekere senator naar het voorbeeld van Hilarinus een van zijn slaven (het ontbrak er nog maar aan bij schriftelijk contract) aan een leermeester in kwalijke kunsten toevertrouwde om in de zondige leer te worden ingewijd, en, daaraan schuldig bevonden, zich met een hoge losprijs van de doodstraf redde - althans, zo wilden het de geruchten. 5.Nu zou zo’n man zich, nadat hij zich op die veronderstelde manier had vrijgekocht, moeten schamen over zijn leven en zijn misdaad, maar integendeel deed hij niets om die smet af te wassen, gedroeg zich als de enige onder alle schurken die van de prins geen kwaad wist, besteeg een fraai opgetuigd paard en reed (rijdt vandaag de dag nog steeds) over de keien gevolgd door hele stoeten slaven om het volk zich daaraan te laten vergapen, alsof hij iets ongehoords, iets schitterends op zijn naam zou hebben gebracht - zoals het verhaal gaat over de oude Duillius, dat hij na de fameuze door hem gewonnen zeeslag9 het voorrecht verwierf zich, naar huis terugkerend van een maaltijd, te mogen laten voorafgaan door vrolijke muziek van een fluitspeler. 6.Onder deze Apronius echter was er altijd zo’n overvloed aan van alles, dat zelfs niet het minste gemor over tekorten aan levensmiddelen ooit gehoord werd - en dat betekende iets in Rome...      

  4. Valentinianus benoemt zijn broer Valens in Nicomedia tot tribunus stabuli, vervolgens kiest hij hem in de voorstad Hebdomum van Constantinopel met instemming van het leger tot medekeizer

1.In Bithynië, zoals gezegd, tot keizer gekozen, gaf Valentinianus marsorders voor de tweede volgende dag, riep de hoogste magistraten en officieren bijeen als om te tonen dat hij eerder geneigd was goede raad te volgen dan eigenmachtig te besluiten, en legde hun de vraag voor, wie hij tot mederegent zou kiezen. Maar allen zwegen, tot de toenmalige magister equitum Dagalaifus de moed vond te zeggen: ‘Als u aan uw familie denkt, goede keizer, u hebt een broer; als u aan het belang van de staat hecht, zoekt u dan een ander voor het purper’. 2.De keizer was over die opmerking geprikkeld, maar gaf geen antwoord en hield vóór zich wat hij dacht, marcheerde vervolgens in snel tempo op en bereikte op de eerste maart [364] Nicomedia, waar hij zijn broer Valens benoemde tot tribunus stabuli in de rang van tribuun. 3.Later, in Constantinopel aangekomen, ging hij lang bij zichzelf te rade, voelend dat hij al niet tegen de enorme hoeveelheid spoedeisende zaken was opgewassen terwijl de tijd drong, nodigde Valens naar een voorstad, waar hij hem op 28 maart onder algemene bijval - want niemand waagde het een tegenstem te laten horen - tot Augustus uitriep, hem tooide met een keizerlijk gewaad en zijn slapen omkranste met een diadeem, waarna hij hem terugreed in zijn eigen rijtuig. Daarmee had hij een wettige deelgenoot in het keizerschap, zijns gelijke, maar zoals uit het vervolg van mijn verhaal zal blijken, wel één die zo volgzaam was als een ondergeschikte. 4.Nauwelijks was dit zo zonder problemen geregeld, of beide keizers kregen lange tijd met hoge koortsen te kampen. En toen ze daarvan begonnen te herstellen, gaven ze - sterker in het onderzoeken van zaken dan in het oplossen daarvan - de magister officiorum Ursatius, een ruwe Dalmatiër, en de toenmalige quaestor Viventius van Siscia opdracht een diepgaand onderzoek in te stellen naar wat ze ervan verdachten de oorzaak van die ziekte te zijn. Volgens een hardnekkig gerucht was de bedoeling hiervan, de herinnering aan keizer Julianus en zijn vrienden in een kwaad daglicht te stellen, alsof ze uit die hoek met heimelijke toverij bewerkt zouden zijn. Maar dat liep op niets uit, aangezien geen bewijs, nog geen bewering zelfs boven tafel kwam. 5.In hun dagen leek het wel of in de hele Romeinse wereld voortdurend de krijgstrompetten schalden; de meest woeste volken kwamen in beweging en schonden hun naaste grensgebieden: Alamannen verwoestten tegelijk Gallië en Raetië, de Sarmaten en Quaden Pannonië; de Picten, Saksen, Scotten en Attacotten teisterden keer op keer de Britanniërs; Austorianen en andere Moorse stammen vielen telkens en woester dan ooit Africa binnen en rovende benden Goten plunderden Thracië en Pannonië. 6.De Perzische koning sloeg de hand aan Armenië, dat hij kost wat  kost opnieuw in bezit wilde krijgen met het argument dat sinds de dood van Jovianus met wie hij een vredesverdrag had gesloten niets de annexatie van wat volgens hem ooit aan zijn voorvaderen behoord had in de weg kon staan.  

5. De keizers verdelen onderling de legers en de comites. Kort daarna aanvaarden ze, de een in Milaan, de ander in Constantinopel hun eerste consulaat. De Alamannen verwoesten Gallië. Procopius ontketent een opstand

  1.De keizers brachten in de grootst mogelijke eensgezindheid de winter door, de een door verkiezing tot het hoogste ambt verheven, de ander daarbij quasi op dat niveau betrokken. Daarna reisden ze via Thracië naar Naessus, waar ze in een voorstad, Mediana, drie mijl van de stad zelf gelegen, met het oog op hun komende scheiding onderling de comites verdeelden. 2.Valentinianus, die de zaak naar zijn goeddunken regelde, koos voor zich Jovinus, die eerder door Julianus tot opperbevelhebber in Gallië was bevorderd, en Dagalaifus, die door Jovianus tot dezelfde rang was verheven, terwijl Victor, die ook bij besluit van de genoemde keizer bevorderd was, met Valens mee naar het oosten van het rijk zou gaan en met hem Arintheus. Want Lupicinus, die door Jovianus tot magister equitum was benoemd, fungeerde als zodanig al in de oostelijke provincies. 3.Tegelijkertijd werd Aequitius, nog niet als magister maar als comes, belast met het commando over het leger in Illyricum, en werd Serenianus, die al enige tijd uit de dienst was, opnieuw opgeroepen, aangezien ook hij een Pannoniër was,10 en toegevoegd aan Valens als hoofd van de lijfwacht. Tenslotte verdeelden de keizers onderling ook de legers. 4.Daarna hielden de keizerlijke broers getweeën hun intocht in Sirmium, besloten daar over hun respectieve standplaatsen (overeenkomstig de wens van de oudste) en vertrokken, Valentinianus naar Milaan, Valens naar Constantinopel. 5.De Oriënt werd bestuurd door Salutius in de rang van prefect, Italië met Africa en Illyricum door Mamertinus, en Gallië door Germanicus. 6.Eenmaal gevestigd in de genoemde steden, namen de keizers voor de eerste maal het consulaire staatsiekleed aan, namelijk voor dit jaar [365] waarin de Romeinse staat zware verliezen zou lijden. 7.Want de Alamannen doorbraken de grenzen van Germanië, woest over het feit dat hun gezanten naar het hof om bepaalde traditionele geschenken in ontvangst te nemen, afgescheept waren met minder. Die hadden  wat ze kregen als beneden hun waardigheid weggesmeten, en waren, ook nog grof behandeld door de toenmalige magister officiorum Ursatius, die een driftig en ongemakkelijk man was, kwaad naar huis teruggekeerd, waar ze met overdreven verslagen over wat hun was overkomen, die verschrikkelijke volken hadden wijsgemaakt dat ze geminacht werden en opgehitst. 8.In diezelfde tijd of niet veel later was Procopius in het oosten in opstand gekomen, wat samen met het bericht over de Alamannen op een en dezelfde dag kort voor november aan Valentinianus werd gerapporteerd terwijl hij onderweg was naar Parijs. 9.Valentinianus beval dus Dagalaifus direct actie te nemen tegen de Alamannen, die zich overigens na hun verwoestende plundertocht door de grensgebieden al zonder eigen verliezen ver hadden teruggetrokken. Maar de vraag hoe hij de beweging van Procopius het hoofd moest bieden vóór een en ander verder uit de hand liep, baarde hem meer twijfels en zorgen, temeer waar hij niet wist of Valens nog leefde en zijn dood misschien de aanleiding tot Procopius’ usurpatie was. 10.Hij had namelijk niet méér dan een voorlopig bericht van Aequitius, die er het fijne niet van wist, maar over die zaak iets gehoord had van de tribuun Antonius, de militaire commandant in centraal Dacië, die in vage bewoordingen had doorgegeven wat hij zelf vernomen had. 11.In elk geval bevorderde hij Aequitius tot opperbevelhebber in de rang van magister en besloot zelf terug te keren naar Illyricum om te voorkomen dat de opstandeling eerst Thracië aan zijn kant zou krijgen en dan Pannonië met zijn rebellenleger zou overlopen. Want met schrik dacht hij terug aan het eerdere voorbeeld van Julianus, die nog niet zo lang daarvóór, niet beducht zelfs voor een keizer [Constantius] die uit alle burgeroorlogen nog als overwinnaar te voorschijn was gekomen, onvoorzien en onverwacht in één ongelooflijke run van stad naar stad geijld was. 12.Maar zijn impuls op stel en sprong terug te keren werd afgeremd door zijn vertrouwelingen die hem sterk adviseerden Gallië geen prooi te laten voor de barbaren die met moord en brand dreigden, en niet om deze reden de provincies te verlaten nu ze juist alle steun behoefden. In diezelfde zin spraken vertegenwoordigers van de meer belangrijke steden, die smeekten deze in de gegeven moeilijke en onzekere omstandigheden niet in de steek te laten maar de dreiging door zijn tegenwoordigheid af te wenden; immers, de Germanen hadden groot ontzag voor zijn verheven naam. 13.Ampel overwegend wat het meest dienstig was, gaf hij zich aan de meerderheid gewonnen, dikwijls herhalend dat Procopius alleen zijn en zijn broers vijand was, maar de Alamannen de vijanden waren van de hele Romeinse wereld, en besloot dus nergens heen het grondgebied van Gallië te verlaten. 14.In Reims aangekomen, maakte hij zich intussen ernstig bezorgd over Africa, dat onverhoeds zou kunnen worden overvallen, en gaf Neoterius, de latere consul, toen nog een notarius, en Masaucio, een officier van de Protectores, bevel de verdediging daarvan op zich te nemen, wat de laatste betrof overwegend dat hij daar als zoon van de comes Cretio was opgevoed en er alle verraderlijke kanten van kende. Aan hen beiden voegde hij de scutarius Gaudentius toe, een man die hij sinds lang kende en vertrouwde. 15.Omdat dus in een en dezelfde tijd aan twee kanten tegelijk onheilspellende stormen opstaken, zal ik de verschillende gebeurtenissen in hun eigen samenhang belichten, dus eerst verslag doen van een deel van de geschiedenis in de Oriënt, en daarna van de oorlogen met de barbaren, aangezien het meeste daarvan in het westen en het oosten in dezelfde maanden plaatsvond; want ik vrees dat ik, heen en weer springend van het ene toneel naar het andere, alleen maar verwarring zou stichten en de volgorde van de gebeurtenissen volkomen duister zou worden.  

6. Land van herkomst, afstamming, karakter en functies van Procopius. Zijn schuilplaatsen in de periode Jovianus. Hoe hij in Constantinopel tot keizer wordt uitgeroepen

  1.Procopius stamde van een voorname familie in Cilicië, waar hij ook zijn opvoeding genoot, maakte, aangezien hij nauw verwant was met de latere keizer Julianus,11 een schitterende entree in het openbare leven, vervulde  onberispelijk van gedrag en karakter, zelfs bescheiden en zwijgzaam, lange tijd eervol functies als notarius en tribuun en leek voorbestemd voor de hoogste ambten. Toen hij dan ook door de politieke ommekeer na de dood van Constantius familie van de keizer werd, kreeg hij hogere aspiraties, werd hij in de rangen van de comites opgenomen, en leed het geen twijfel of hij kon - als de gelegenheid zich voordeed - staatsvijand nummer één worden. 2.Toen Julianus Perzië binnenviel, liet hij Procopius samen met Sebastianus, beiden in dezelfde rang, met een sterk legercorps in Mesopotamië achter,12 met de opdracht (zoals een vaag gerucht wilde, want geen oorspronkelijke zegsman heeft zich ooit gemeld) naar bevind van zaken te handelen, en zou hij vernemen dat het met de Romeinse expeditie slecht was afgelopen, direct actie te nemen en zich tot keizer uit te roepen. 3.Procopius volgde de gegeven aanwijzingen zonder mankeren correct op, maar toen hij vernam dat Julianus, dodelijk gewond, gestorven was en Jovianus tot keizer van het rijk was uitgeroepen, terwijl het valse gerucht de ronde begon te doen dat Julianus met zijn laatste adem nog de wens zou hebben geuit dat aan hem, Procopius, het roer van de staat zou worden toevertrouwd, vreesde hij om die reden zonder vorm van proces te zullen worden gedood en trok hij zich uit de openbaarheid terug. En nog angstiger werd het hem te moede toen hij hoorde dat Jovianus, nog wel de eerste onder de notarii, na de dood van Julianus door sommige soldaten een geschikte troonopvolger was genoemd, sindsdien verdacht werd van opstandige bedoelingen en op een afschuwelijke manier aan zijn einde was gekomen.13 4.En toen hij erachter kwam dat hij inderdaad gezocht werd, vermeed hij het zich nog verder in opspraak te brengen en trok hij zich op een afgelegen, geheime plek terug. Maar hij kreeg het gevoel dat Jovianus systematisch naar zijn schuilplaatsen liet speuren, werd het beu als een opgejaagd dier te moeten leven, van een hoge positie in diepe ellende geraakt, in onherbergzame streken honger te moeten lijden, niemand te hebben met wie hij kon praten, en zwierf door uiterste nood gedreven langs allerlei omwegen naar Chalcedon. 5.Daar vond hij eindelijk een veilig onderdak bij zijn trouwste vriend, een zekere Strategius, een voormalige gardist die het tot senator had gebracht, en begaf zich zelfs zo vaak hij kon heimelijk naar Constantinopel - wat later zou blijken uit een bekentenis van Strategius toen medeplichtigen aan zijn usurpatie uitgebreid werden verhoord. 6.Listig spionerend, vermomd als een slordige, onderkomen kerel, luisterde hij naar al het gemopper om hem heen van het volk, dat - ontevreden als mensen altijd zijn met hun omstandigheden - veel kritiek had op Valens, die ze bezeten vonden van hebzucht. 7.’s Keizers wreedheid werd ongelukkigerwijs nog gevoed door zijn schoonvader Petronius, die als commandant van de Martensii onverwachts in één ruk tot de rang van patricius14 bevorderd was, een man met een slecht karakter en een lelijke tronie, die er ongelooflijk fel op was iedereen, het kon hem niet schelen wie, schuldig of niet, uit te kleden door onder verfijnde martelingen hun schulden op te sporen tot wel uit de tijd van keizer Aurelianus en ze vast te nagelen op een verviervoudigde aflossing (tenzij hij ze tot zijn grote ergernis weleens vrijuit moest laten gaan). 8.Bij deze onverdraaglijke activiteiten, hierop neerkomend dat hij zich verrijkte aan de ellende van anderen, kwam nog de pest dat hij onverbiddelijk was en wreed, hardvochtig, koud als een steen en nooit in staat was rekenschap af te leggen of van anderen rekenschap te accepteren. Hij was meer gehaat dan Cleander, die, zoals ik gelezen heb, als prefect onder keizer Commodus in zijn waanzinnige zelfoverschatting veel mensen volkomen ruïneerde; ergerlijker dan Plautianus, ook een prefect, onder Severus, die met zijn arrogantie buiten alle proporties een enorme chaos zou hebben veroorzaakt als hij niet onder het wrekende zwaard zijn einde had gevonden. 9.Deze treurige ontwikkelingen, waardoor onder Valens, opgestookt door Petronius, talloze huizen van arm tot rijk werden dichtgetimmerd, met het uitzicht op nog vreselijkere dingen, waren een nachtmerrie voor burgers en soldaten, die kreunden onder hetzelfde lot en heimelijk en in stilte wensten en baden dat door ingrijpen van de hoogste god in die situatie verandering mocht komen.10.Dit alles zoog Procopius onopgemerkt in zich op, en in de overtuiging dat hij, mocht zich een keer ten goede voordoen, zonder veel moeite de hoogste macht aan zich zou kunnen trekken, bleef hij op de loer als een roofdier, klaar om toe te slaan bij het zien van een prooi. 11.Terwijl hij zijn brandende ongeduld verbeet, bood het lot hem zomaar een geweldige kans. Want aan het eind van die winter onderweg naar Syrië, en de grens met Bithynië al over, hoorde Valens van zijn generaals, dat Gotische stammen, die op dat moment op volle sterkte en dus buitengewoon gevaarlijk waren, samenzwoeren en op het punt stonden de Thracische provincies binnen te vallen. Op het horen daarvan beval hij extra cavalerie en infanterie te sturen naar die punten waar invallen van deze barbaren te duchten waren, zodat hij zelf zonder oponthoud zijn weg kon vervolgen. 12.Met de keizer dus ver uit de buurt en hijzelf, uitgeput van alle spanningen, zover gekomen dat hij zelfs een gruwelijke dood zou verkiezen boven het ellendige bestaan waartoe hij gedoemd was, zette Procopius in één keer alles op alles, bande elke gedachte aan een finale mislukking uit, volgde een roekeloze ingeving en sloeg zijn slag. Juist lagen in Constantinopel (wat niets bijzonders was) voor twee dagen de Divitenses en de Juniores van de Tungricani met nog andere troepen, die gemobiliseerd werden voor de actie in Thracië, waarin hij bepaalde kennissen had die deze onderdelen misschien voor hem zouden willen opruien. Uiteraard nam hij er maar enkelen van in vertrouwen, want met allen te spreken zou bezwaarlijk gegaan zijn en te gevaarlijk zijn geweest. 13.Verlokt door het vooruitzicht op geweldige beloningen, beloofden die onder heilige eden alles te zullen doen wat hij wilde en garandeerden hem dat ook hun kameraden van de partij zouden zijn, onder wie ze vanwege dienstjaren en verdiensten een belangrijke stem hadden. 14.Zoals afgesproken, begaf Procopius zich bij het aanbreken van de ochtend, aan tegenstrijdige gevoelens ten prooi, naar de Thermen van Anastasia - genoemd naar een zus van Constantijn - waar de troepen gelegerd waren. Hier vernam hij van de ingezworenen in zijn geheime plannen dat allen tijdens een nachtelijke bijeenkomst hun steun hadden toegezegd, waarna hij onder royale waarborgen voor zijn veiligheid in contact werd gebracht met het hele op geld beluste soldatenvolk, dat hem wel met achting behandelde, maar ook min of meer als gijzelaar, want zoals al eens eerder na de dood van Pertinax de praetoriaanse garde voor [Didius] Julianus koos, die de hoogste bieder was bij de openbare verkoping van het keizerschap,15 zo verdedigde dit nu met het oog op grote winst Procopius in het uur van zijn heilloze machtsgreep.15.En daar stond hij dan opeens, wat bleekjes, alsof hij net uit de onderwereld was opgedoken. Omdat nergens een purperen mantel te vinden was, had hij zich in een met gouddraad geborduurde tuniek gestoken als een leerling paleisbediende. Wel droeg hij purperen laarzen en had hij een lans in zijn ene en een klein purperen vaantje in zijn andere hand. Dat deed denken aan zo’n potsierlijke figuur die in het theater voor een klucht of een mime bij het opgaan van het doek ineens te kijk staat. 16.Zo, belachelijk, tot de hoogste eer verlaagd, sprak hij de schenkers van deze onderscheiding kruiperig vleiend toe en beloofde ze als introductiegeschenk grote beloningen en hoge functies. Daarna vertoonde hij zich in het publiek, omringd door nogal een lijfwacht en schreed hij met geheven hoofd voort tussen opgestoken standaards, onder begeleiding van een angstwekkend geraas van schilden die omineus tegen elkaar kletterden terwijl ze door de soldaten dicht tegen elkaar boven hun helmpluimen werden gehouden ter bescherming tegen stenen of stukken dakpan die ze misschien vanaf de daken op hun kop konden krijgen. 17.Allengs kreeg hij iets meer zelfvertrouwen, aangezien het volk noch vóór, noch tegen hem bleek, aangetrokken door de interessante nieuwigheid - zoals dat bij de meeste gewone lieden spontaan gaat - en dit des te meer vanwege de algemene haat voor Petronius (zoals ik al zei), die zich ten koste van alles verrijkte, zaken die allang dood en begraven waren weer opgroef en schulden uit de mist van het verleden te voorschijn haalde tot schade van arm en rijk. 18.Maar toen dan die Procopius het tribunaal besteeg en het volk hem met open mond bleef aanstaren, overviel hem een plotselinge angst voor dat stomme zwijgen en bleef hij, werkelijk denkend dat hij onherroepelijk zijn dood tegemoet ging, bevend over al zijn leden en niet wetend wat hij nu moest zeggen, lange tijd staan zonder een woord. Tenslotte begon hij haperend en met gesmoorde stem over zijn verwantschap met de keizerlijke familie ter rechtvaardiging van zijn actie, waarop hij eerst met gemompel van een paar lui die daarvoor betaald werden, vervolgens met verwarde kreten uit het publiek tot keizer werd uitgeroepen en haastig in het senaatsgebouw verdween. Van de voornaamste senatoren vond hij daar niemand, alleen wat lagere figuren, zodat hij zich snel maar meteen met lood in de schoenen in het paleis terugtrok.19.Sommigen, die zich misschien afvragen hoe een ridicule regering na zo’n lichtzinnig en wankel begin kan leiden tot zoveel rampspoed voor de staat, zijn misschien niet bekend met eerdere voorbeelden daarvan en denken daarom dat dit nu voor het eerst gebeurde. 20.Maar zo kwam Andriscus van Adramyttium omhoog, een man van het laagste soort, die zich de naam Pseudophilippus aanmat en aan de Macedonische oorlogen nog een jammerlijke derde toevoegde. Zo stond tegen keizer Macrinus in Antiochia plotseling Heliogabalus Antonius op uit Emesa. Evenzo vonden tijdens een machtsgreep door Maximinus Alexander en zijn moeder Mamaea de dood. En zo werd in Africa Gordianus (de vader) tegen zijn zin tot keizer uitgeroepen, die echter uit benauwdheid over dreigende gevaren met een strop een einde aan zijn leven maakte.16 

7. Procopius maakt zich zonder bloedvergieten meester van Thracië. Eenheden cavalerie en infanterie, in Thracië op mars, krijgt hij met beloften aan zijn kant. De Jovii en de Victores, door Valens op hem af gestuurd, weet hij in een toespraak voor zich te winnen 

1.Zo raakten armoedige zoetelaars, bedienden ten Hove of voormalige derzulken en alles wat onder helm en schild uitgediend was, willens of nillens verwikkeld in een riskante en merkwaardige geschiedenis. Maar sommigen dachten dat alles veiliger was dan deze nieuwe situatie, verlieten heimelijk de stad en haastten zich naar het kamp van de keizer. 2.En niemand zo vlug als de notarius Sophronias, de latere prefect van Constantinopel, die Valens bereikte in Caesarea in Cappadocië toen deze juist op het punt stond af te reizen naar zijn residentie in Antiochia, aangezien de ergste zomerhitte in Cilicië voorbij was, hem vertelde  wat er gebeurd was en  de man in zijn alleszins begrijpelijke radeloosheid en verbijstering in zo’n crisis aanried, naar Galatië te gaan om greep te krijgen op de situatie zolang die nog onbestendig was. 3.Terwijl Valens op weg ging, zo snel hij kon, was Procopius dag en nacht druk doende, en produceerde fake-informanten, die brutaalweg logen dat ze, de één uit het oosten, de ander uit Gallië, kwamen, dat Valentinianus dood was en hun nieuwe, geliefde keizer nu volledig de handen vrij had. 4.En omdat machtsgrepen na een onzeker begin vaak door snel te handelen een voldongen feit worden, en ook om niet door nalatigheid redenen tot bezorgdheid te laten bestaan, liet hij Nebridius, die nog maar kort tevoren door de partij van Petronius tot praefectus praetorio was bevorderd in de plaats van Salutius, en Caesarius, de prefect van Constantinopel, in de boeien slaan; Phronimius werd met de gewone volmachten met het bestuur van de stad belast, terwijl Euphrasius benoemd werd tot magister officiorum; beide laatsten waren gestudeerde Galliërs die in hoog aanzien stonden. Gomoarius en Agilo werden teruggeroepen in dienst en belast met militaire zaken - wat een slechte keuze was, zoals zou blijken uit hun uiteindelijke verraad17 5.Aangezien van de comes Julius, die bevel voerde over de in Thracië gelegerde troepen, te vrezen viel dat hij horend van de staatsgreep de opstandelingen vanuit de naaste garnizoenen zou overvallen en vernietigen, werd wat hem betrof een list bedacht. Per een brief die men Nebridius in zijn gevangenis onder pressie had laten schrijven, werd hij quasi op verzoek van Valens naar Constantinopel genodigd voor een bespreking van ernstige maatregelen in verband met bewegingen onder de barbaren, en zo in verzekerde bewaring genomen. Door deze handige zet kwamen de krijgshaftige Thraciërs zonder slag of stoot aan de kant van Procopius en betekenden een enorme steun voor het rebelse avontuur. 6.Nadat dit alles zo met succes geregeld was, meldde ook Araxius zich aan het hof en kreeg, zegt men, op voorspraak van zijn schoonzoon Agilo de functie van praefectus praetorio, zoals ook anderen in verschillende functies aan het hof en op posten in de provincies werden benoemd, sommigen tegen wil en dank, anderen op sollicitatie en tegen betaling. 7.En zoals dat vaak gaat tijdens binnenlandse troebelen, kwamen sommigen uit wanhoop, anderen met duistere bedoelingen  uit de lagen van het ordinaire volk omhoog, terwijl anderzijds nobele figuren hun hoge status verloren en zelfs de dood vonden of verbannen werden. 8.Nu zijn factie door deze en andere maatregelen vaste voet leek te hebben gevonden, bleef Procopius nog over, een adequate krijgsmacht op de been te brengen. En wat in revolutionaire situaties vaak gedurfde ondernemingen, hoe gerechtvaardigd ook hun aanleidingen, belemmert, gaf hier geen enkel probleem. 9.Want enkele passerende afdelingen ruiterij en infanterie, bestemd voor dienst in Thracië, liepen over en werden hartelijk, royaal zelfs, ontvangen, en bij elkaar genomen leek dat al op een leger. Happig op de rijke beloningen die in het vooruitzicht werden gesteld, zwoeren ze onder gruwelijke zelfvervloekingen trouw aan Procopius en verplichtten ze zich tot toewijding tot in de dood. 10.Een vondst was het ook van Procopius, om ze extra te paaien, het dochtertje van Constantius in zijn armen te nemen en rond te showen en daarmee nadruk te leggen op zijn verwantschap met de voormalige keizer, wiens nagedachtenis hun heilig was. Ook trof hij het, dat nog iets anders goed uitkwam: namelijk dat de moeder van het meisje er toevallig bij aanwezig was toen hij enkele tekens van keizerlijke waardigheid ontving. 11.Zijn volgende stap - op een snel en doeltreffend effect berekend - was, enkele domme heethoofden te selecteren en naar Illyricum te sturen om dat voor hem in bezit te nemen, waarbij ze het louter van bluf moesten hebben, zij het met daarbij ook wat goudstukken met de kop van de nieuwe keizer en andere lokmiddelen. Maar die werden gepakt door Aequitius, de militaire bevelhebber in die regio en op verschillende manieren ter dood gebracht. 12.Beducht voor verdere pogingen van dien aard liet Aequitius de drie nauwe bergpassen blokkeren waardoor de noordelijke provincies kwetsbaar waren: een pas door Ripensisch Dacië,18 de welbekende pas van Succi en de Acontisma geheten pas door Macedonië. Door deze maatregelen werd de kale usurpator gefrustreerd in zijn hoop Illyricum in handen te krijgen en miste daardoor een aanzienlijk oorlogspotentieel. 13.Terwijl dit alles plaatshad, bevond Valens zich, aan twijfels en verwarring ten prooi, geschokt door het nieuws over Constantinopel, op de terugweg door Galatië. Ineens, in zijn angstige onzekerheid, zag hij geen uitweg meer, zo moedeloos dat hij erover dacht zijn keizersmantel als een zware last van zich af te werpen. En hij zou dat inderdaad gedaan hebben als zijn vertrouwelingen hem niet van dat beschamende idee hadden afgebracht en hadden opgebeurd met meer optimistische zienswijzen. Dan zond hij twee legers, de Jovii en de Victores, vooruit met het bevel het kamp van de opstandelingen aan te vallen. 14.Met deze in aantocht trok Procopius zich terug uit Nicea, waar hij kort tevoren was aangekomen en haastte zich met de Divitenses en een ongeregelde troep deserteurs die hij in een paar dagen tijd had weten te verzamelen, naar Mygdus, gelegen aan de rivier de Sangarius. 15.Daar kwamen de legioenen tegenover elkaar te staan, klaar voor een krachtmeting. Maar toen salvo’s pijlen al over en weer vlogen, sprong Procopius plotseling alléén tussen de linies om de tegenstanders uit te dagen. En alsof hij bij puur toeval in de vijandelijke gelederen een zekere Vitalianus herkende - of hij hem inderdaad kende wordt betwijfeld - groette hij hem in het Latijn, riep hem vriendelijk bij zich en reikte hem tot stomme verbazing van vriend en vijand de hand en kuste hem. Toen riep hij luid: 16.‘Dit is dus die oude Romeinse wapentrouw! Dit zijn dus de bij god gezworen eden waard! Moet dat zo, mannen, moeten al die zwaarden geheven worden voor vreemden?! Moeten we straks jammeren over jullie en onze wonden om zo’n Pannoniër, die alles ruïneert en met voeten treedt, aan een troon te helpen waar hij vroeger nog niet van heeft durven dromen? Waarom u niet houden bij het keizerlijk huis, bij een man die met het volste recht de wapens laat spreken, niet om zich toe te eigenen wat van een ander is, maar om zich in het bezit te stellen van zijn erfrechtelijke waardigheid.’ 17.Door dit beroep op hun gevoel kalmeerden de troepen die klaar stonden voor een grimmig gevecht en gingen tot de laatste man spontaan naar hem over met hun adelaars en veldtekens geneigd in onderwerping, en in plaats van met het vreesaanjagende gebrul dat de barbaren een barritus 19 noemen, werd hij met gejuich omringd zoals een keizer bejegend verdient te worden en in complete eensgezindheid naar zijn hoofdkwartier geëscorteerd, onder geroep op de soldatenmanier dat bij Jupiter Procopius onoverwinnelijk was.  

8. Nicea en Chalcedon worden ontzet; daarna valt Procopius Bithynië in handen; vervolgens, na de inname van Cyzicus, ook Hellespontus 

1.Na dit succes hadden de opstandelingen nog meer geluk. Want een tribuun, Rumitalca, die naar hun partij  was overgelopen en met de beveiliging van het paleis was belast, stak volgens een weloverwogen plan met een troep de Propontis over naar Helenopolis, vroeger Drepanum geheten, en nam vervolgens in een bliksemactie Nicea in. 2.Daar stuurde Valens de voormalige generaal en koning van de Alamannen Vadomarius20 op af met enkele anderen, gespecialiseerd in dit soort acties, met de opdracht de stad te belegeren, en marcheerde zelf op naar Nicomedia. Vandaar weer vertrokken, sloeg hij met een grote legermacht het beleg om Chalcedon. Vanaf de muren van die stad werden hem allerlei beledigingen naar het hoofd geslingerd en werd hij spottend uitgemaakt voor een sabaiaius, een bierdrinker. (Sabaia is namelijk de armeluisdrank in Illyricum, gebrouwen van gerst of een ander soort graan.) 3.Na een tijd door zijn voorraden heen en uitgeput door de hardnekkige tegenstand van de verdedigers, wilde hij juist opgeven, toen de manschappen die in Nicea opgesloten zaten, plotseling de poorten opengooiden, onder aanvoering van de onverschrokken Rumitalca naar buiten stormden, eerst een groot aantal belegeraars neermaaiden en toen snel doorgingen in de richting van Valens, die zich nog in de buurt van Chalcedon bevond, met de bedoeling hem in de rug aan te vallen. En dat zou gelukt zijn, als de keizer niet bijtijds voor het gevaar gewaarschuwd was en zich haastig terugtrekkend langs het Sunonische meer en de sterk bochtige rivier de Gallus, zijn achtervolgers de loef had weten af te steken. Door deze tegenslag viel Procopius ook Bithynië in handen. 4.In stevige dagmarsen teruggekeerd naar Ancyra, vernam Valens dat Lupicinus met een geducht leger uit de Oriënt in aantocht was, vatte weer meer moed en zond nu zijn beste generaal, Arintheus, tegen de vijand in het veld. 5.Toen deze in de buurt van Dadastana kwam, het station waar, zoals ik vertelde,21 Jovianus was gestorven, stond hij plotseling oog in oog met Hyperechius en wat troepen. Nu was deze figuur vroeger belast geweest met de bevoorrading van de kampkeuken, als verzorger van ’s commandants buik en keel zogezegd, maar door Procopius uit vriendschap tot bevelhebber van hulptroepen gebombardeerd. Arintheus achtte het beneden zijn waardigheid dit verachtelijke type in een gevecht te verslaan en gaf dus, zich bewust van zijn imponerende gestalte en zijn autoriteit, de vijandelijke troepen bevel zelf hun aanvoerder in de boeien te slaan, en zo werd deze schertscommandant door zijn eigen manschappen gevangen genomen. 6.Terwijl dit zich daar afspeelde, was een zekere Venustus, een ambtenaar van financiën in dienst van Valens onderweg naar Nicomedia om geld dat geïncasseerd was voor de betaling van in de oostelijke provincies gelegerde troepen te distribueren. Toen hij hoorde van dit incident en concludeerde dat de situatie in verband met zijn taak niet veilig was, zocht hij haastig met zijn geld bescherming in Cyzicus. 7.Daar trof hij de toenmalige commandant van de garde, Serenianus, die erheen was gezonden ter bewaking van de stedelijke thesaurie en de stad, bekend om zijn oude monumenten en berucht om zijn onneembare muren, met een inderhaast gemobiliseerd garnizoen moest verdedigen. Nu had Procopius een sterk onderdeel belast met de bestorming van die stad, zodat hij, met Bithynië in zijn bezit, ook Hellespontus in handen zou krijgen. 8.Dat bleef aanvankelijk zonder succes: grote aantallen belegeraars vielen onder pijlen, slingerstenen en ander geschut, terwijl de haven door de bezetting zeer effectief was afgesloten met een aan weerszijden stevig verankerde zware ijzeren ketting, zodat vijandelijke schepen zelfs met een ram geen doorgang konden forceren. 9.Uiteindelijk werd die ketting na verscheidene vergeefse pogingen van moegestreden soldaten en officieren verbroken door de tribuun Aliso genaamd, een krijgsman in hart en nieren, die dat als volgt deed. Op drie tegen elkaar gesjorde boten liet hij op de volgende manier een schilddak vormen. Eerst zette hij soldaten op een rij naast elkaar op de roeibanken met hun schilden dicht aaneengesloten boven hun hoofden, dan daarachter een rij die wat gebukt stond en tenslotte een derde rij, nog weer lager, zodat het geheel er, met de achtersten op hun hurken, uitzag als een soort gewelf. Een dergelijke opstelling wordt wel gebruikt in aanvallen op stadsmuren, omdat pijlen, speren en stenen van die gladde schuinte afglijden en niet méér schade doen dan een bui regen. 10.Enige tijd op die manier beschermd tegen salvo’s pijlen, schoof Aliso, die enorm sterk was, een blok onder de ketting en bewerkte die met geweldige bijlslagen tot ze in twee stukken brak, waarmee de doorgang vrijkwam, met als resultaat dat de stad, nu deze versperring was weggevallen, open lag voor een aanval. Toen later de aanstichter tot de rebellie gedood was en zijn aanhangers een wrede behandeling te verduren kregen, werd Aliso vanwege deze schitterende actie gespaard en behield zelfs zijn functie in het leger. Veel later zou hij in Isaurië de dood vinden in een contact met een roverbende. 11.Toen dankzij deze eenmansactie de toegang tot Cyzicus geforceerd was, haastte Procopius zich daarheen en schonk allen die zich verzet hadden, vergeving, behalve Serenianus, die hij in de boeien liet slaan en naar Nicea liet overbrengen, waar hij onder strenge bewaking werd gesteld. 12.Direct daarna verleende hij Hormisdas, die een juist volwassen zoon was van de gelijknamige [Perzische] prins,22 de rang van proconsul met de daarmee traditioneel verbonden verantwoordelijkheid voor alle civiele en militaire zaken. Deze handelde - zoals hij van nature was - met bijzondere inschikkelijkheid. Eens werd hij bijna het slachtoffer van een onverwachtse overval door soldaten die Valens via allerlei sluipwegen door Phrygië op hem af had gestuurd, maar ontsnapte met grote koelbloedigheid aan boord van een schip dat hij voor alle zekerheid klaar had liggen, waarbij hij zijn vrouw, die ook bijna gevangen was maar met hem was meegekomen, tegen een hagel van pijlen beschermde; zij was een rijke dame van voorname afkomst en redde later met haar prestige en vastberadenheid haar man uit grote gevaren. 13.De overwinning steeg Procopius zo naar het hoofd als stervelingen niet past, en zonder te beseffen dat elk gelukkig mens door een draai van het rad van Fortuna nog vóór de avond valt een wrak kan zijn, liet hij de woning van Arbetio, die hij tot dan toe had ontzien alsof het zijn eigen was omdat hij meende dat de man aan zijn kant stond, een huis vol kostbare meubels, leeghalen. Dit uit woede, omdat hij Arbetio verschillende malen had ontboden en deze telkens ontwijkend gereageerd had, zich excuserend wegens ongemakken van zijn leeftijd en ongesteldheid. 14.En hoewel de usurpator daarvan de gevolgen wel moest vrezen, werd hij toen langzamerhand nonchalant en nalatig, verloor hij zijn scherpte, als een bot geworden zwaard, want hoewel hij de oostelijke provincies had kunnen bezetten zonder tegenstand te ontmoeten - zelfs door allen verwelkomd zou zijn, aangezien men daar maar al te graag, het heersende harde regiem beu, een verandering zag - verzuimde hij bepaalde steden van Asia in handen te krijgen en lieden aan te trekken die in staat waren fondsen te werven (dus die hem van pas zouden komen met het oog op de vele grote gevechten die hem wachtten). 15.Precies zo werd Pescennius Niger, die door het Romeinse volk dikwijls in benauwde omstandigheden te hulp was geroepen, toen hij te lang talmde in Syrië, door Severus verslagen bij Issus (in Cilicië, waar Alexander Darius op de vlucht joeg) en toen hij probeerde te ontkomen, in een voorstad van Antiochia door zo maar een soldaat gedood23  

9. Procopius verliest zijn aanhang in Bithynië, Lycië en Phrygië. Hij wordt uitgeleverd aan Valens en onthoofd 

1.Dit alles gebeurde midden in de winter van het jaar [365] waarin Valentinianus en Valens consuls waren. Maar toen dit hoogste ambt was overgegaan naar Gratianus (die nog geen functie bekleedde24 en Dagalaifus, mobiliseerde Valens vroeg in het voorjaar zijn leger, riep Lupicinus op met zijn hulptroepen en marcheerde snel op naar Pessinus, een stad ooit van Phrygië, nu van Galatië. 2.Die beveiligde hij met een garnizoen om er zeker van te zijn in die regio geen onaangename verrassingen te hoeven duchten, en trok verder onder langs de machtige Olympus [in Galatië] over ongebaande wegen in de richting van Lycië om Gomoarius aan te grijpen die nog half in winterslaap was. 3.Maar hij ontmoette overal gezworen vijandschap en hardnekkig verzet, wat niet het minst hieruit voortkwam dat als zijn tegenstander, zoals gezegd, op mars in slagorde halt liet houden, hij Faustina met het dochtertje van Constantius in een draagstoel bij zich hield om de strijdvaardigheid van zijn soldaten aan te wakkeren, zodat ze het uiterste zouden geven voor het keizerlijk huis, waar hij ook zichzelf toe rekende. Zo zetten ook eens de Macedoniërs vóór een gevecht met de Illyriërs hun baby-koning in zijn wieg achter hun linies en vochten ze des te fanatieker uit vrees dat hij de vijand in handen zou vallen. 4.Deze listige kunstgreep beantwoordde de keizer van zijn kant met ook een slim idee om zijn positie te verbeteren: hij deed namelijk een beroep op de voormalige consul Arbetio, die al lang in ruste was, en bewoog hem zich bij hem te voegen, erop speculerend dat de oproerigheid misschien uit respect voor een generaal van Constantijn tot bedaren zou komen. En zo gebeurde het ook. 5.Want Arbetio, die ouder was in jaren en hoger in rang dan wie ook, verscheen in zijn eerbiedwaardige grijsheid voor de massa’s die tot opstand neigden, noemde Procopius een publieke vijand maar de mannen die door hem misleid waren zijn zonen en voormalige deelgenoten in gevaren, en vroeg ze liever hem te gehoorzamen, een vader die ze kenden van hun succesvolle veldtochten, dan een minderwaardige schurk die straks in de steek gelaten ging worden en zijn einde tegemoet ging. 6.Toen dit tot Gomoarius doordrong, had hij zijn vijand uit de weg kunnen gaan en veilig kunnen terugkeren naar waar hij vandaan kwam, maar hij verkoos over te lopen naar het kamp van de keizer, wat gemakkelijk kon omdat het vlakbij lag, en deed alsof hij een ontsnapte gevangene was van een troep vijanden die plotseling was opgedoken en hem omsingeld had... 7.Dit gaf Valens nieuwe moed. Hij marcheerde verder op naar Phrygië, waar het in de buurt van Nacolia tot een treffen kwam tussen zijn troepen en die van Procopius. Toen, terwijl het gevecht nog onbeslist heen en weer golfde, verried Agilo plotseling zijn partij en liep over, waarop er meer zijn voorbeeld volgden en, net nog zwaaiend met hun speren en zwaarden, naar Valens’ kamp deserteerden met hun standaard en schilden omlaag gehouden, wat een onmiskenbaar teken was van hun overgave. 8.Toen Procopius dit, wat niemand had verwacht, zag gebeuren en besefte dat hij reddeloos was, nam hij de benen om dekking te zoeken in de omliggende bergwouden. Hem volgden Florentius en de tribuun Barchalba, die naam had gemaakt in de heetste oorlogen sinds de tijd van Constantius, en niet uit vrije wil, maar door omstandigheden gedwongen tot zijn verraad was gekomen. 9.Het grootste deel van de nacht ging voorbij. De maan scheen helder van haar opkomst in de avond tot de vroege ochtend en verergerde de angst van Procopius, die geen enkele uitweg meer zag en radeloos - zoals dat gaat in uiterste nood - zich beklaagde om zijn droevig en ellendig lot. En zo, aan wanhoop ten prooi, werd hij plotseling door zijn metgezellen geboeid en gekneveld, bij het aanbreken van de dag naar Valens’ kamp gebracht en aan de keizer overgegeven. Meteen werd hij onthoofd - hij had geen enkele reactie meer gegeven en niets meer gezegd - waarmee de aanzwellende storm van opstanden en oorlogen bedaarde. Het was hem vergaan zoals ooit Perperna, die tijdens een maaltijd Sertorius had vermoord, voor korte tijd de macht in handen kreeg, maar uit de struiken te voorschijn gesleurd waarin hij zich verborgen had, voor Pompeius was gebracht en op diens bevel was geëxecuteerd25 10.In dezelfde vlaag van woede werden meteen Florentius en Barchalba, die hem hadden overgeleverd, zonder weloverwogen reden ter dood gebracht. Want zo zij een wettige vorst hadden verraden, zou ook Justitia zelf oordelen dat ze terecht werden gedood, maar in het geval van iemand die  een opstandeling en een revolutionair heette, hadden ze voor hun gedenkwaardige daad eigenlijk goed moeten worden beloond. 11.Procopius liet het leven in de ouderdom van veertig jaar en tien maanden. Hij was tamelijk groot van gestalte en niet onknap, met een enigszins donkere teint. Bij het gaan keek hij altijd naar de grond en met zijn gesloten en sombere karakter leek hij op Crassus, die volgens Lucilius en Cicero maar één keer in zijn leven zou hebben gelachen (maar wat bijzonder is: zijn leven lang schone handen hield)26.  

10. De protector Marcellus, een familielid van Procopius, en een groot aantal aanhangers van de opstandige partij worden geëxecuteerd

  1.Toen ongeveer in deze dagen de protector Marcellus, een familielid van Procopius die commandant was van het garnizoen van Nicea, vernam dat de usurpator door zijn soldaten in de steek was gelaten en gedood, liet hij meteen in het gruwelijke middernachtelijke uur Serenianus, die nog steeds in het paleis gevangen zat27 en geen kwaad vermoedde, overvallen en vermoorden. Door diens dood werden veel levens gespaard. 2.Want als deze man, die een bruut was en er genoegen in schepte anderen leed te berokkenen, de overwinning had beleefd, zou hij de dood van legio onschuldigen hebben veroorzaakt als intimus van Valens vanwege de overeenkomst in hun karakters en hun gezamenlijke herkomst, en als kenner van de geheime wensen van de tot wreedheid geneigde keizer. 3.Na Serenianus uit de weg te hebben geruimd, nam Marcellus onder toejuichingen van een handjevol minderwaardige desperado’s die het van misdaad moesten hebben, een greep naar wat niet méér was dan een schijn of schaduw van opperheerschappij, wat fataal moest aflopen, want hij misrekende zich in tweeërlei opzicht: ten eerste dacht hij voor weinig geld het legertje van drieduizend man te kunnen kopen waarmee Gotische koningen (die overigens een goede verhouding hadden met de Romeinen) Procopius te hulp waren gekomen aangezien deze zich beriep op zijn verwantschap met Constantius; ten tweede wist hij nog niet wat in Illyricum was gebeurd. 4.De situatie was nu buitengewoon gecompliceerd; en Aequitius, die uit betrouwbare bronnen begrepen had dat het zwaartepunt van de oorlog zich naar Asia had verplaatst, trok via de pas van Succi naar Philippopolis (vroeger Eumolpias geheten), om die stad, die door een vijandelijk legioen werd dichtgehouden, hoe dan ook open te breken. Philippopolis was namelijk door haar ligging van groot strategisch belang en kon, wanneer hij haar links liet liggen, een probleem geven als hij genoodzaakt zou zijn verder te trekken naar Haemimontus om Valens te hulp te schieten - want hij had nog niet gehoord wat in Nacolia was gebeurd. 5.Kort daarop vernam hij echter van de loze pretentie van Marcellus en zond meteen soldaten op hem af die van wanten wisten, hem overmeesterden en als een schuldslaaf in een kerker smeten. Een paar dagen later daar uitgehaald, werd hij gruwelijk gegeseld, waaraan hij, nadat zijn medeplichtigen hetzelfde lot hadden ondergaan, bezweek. Hij had maar één ding goed gedaan: dat hij de mensheid had verlost van Serenianus, die zo wreed was als Phalaris28 en op grond van zijn vermeende, verdoemelijke occulte inzichten de kant van Procopius had gekozen. 6.Met de dood van de usurpator was het met de oorlog gedaan. Velen werden zwaarder gestraft dan ze om hun vergissingen of vergrijpen verdienden, vooral de verdedigers van Philippopolis, die de stad en zichzelf, en pas nadat ze het afgehouwen hoofd van Procopius hadden gezien dat naar Gallië werd gebracht, met grote tegenzin hadden overgegeven. 7.Sommigen werden echter ter wille van hun voorsprekers genadiger behandeld, zoals bijvoorbeeld Araxius, die terwijl de oorlogsbrand volop woedde, met succes naar het ambt van prefect had gedongen, en door tussenkomst van zijn schoonzoon Agilo slechts verbannen werd naar een eiland, waarvan hij al gauw weer ontsnapte. 8.Euphrasius en Phronimius daarentegen werden naar het westen gestuurd en aan het oordeel van Valentinianus overgelaten. Euphronius werd begenadigd, Phronimius naar de [Taurische] Chersonesus verbannen, waarmee hij voor dezelfde zaak zwaarder werd gestraft omdat hij een vertrouweling was geweest van de vergoddelijkte Julianus, wiens memorabele verdiensten door de keizerlijke gebroeders werden gekleineerd terwijl ze in de verste verten zijns gelijken niet waren. 9.Maar er gebeurden nog andere dingen, ergere dan op een slagveld. Want beul, martelhaak en wrede ondervragingen eisten nu hun tol onder alle klassen en standen zonder pardon voor leeftijd of rang, en onder een dekmantel van vrede werd geroofd zonder weerga, terwijl overal de ongelukkige overwinning werd vervloekt die rampzaliger was dan welke verwoestende oorlog ook. 10.Bij wapengekletter en geschal van krijgstrompetten is de situatie voor iedereen gelijk, wat het gevaar draaglijker maakt: in de strijd vindt de aangevallene de dood en de aanvaller de dood of roem, en als het ‘dood’ is, betekent dat geen schande en komt met het leven een einde aan het lijden. Maar als recht en wet voorwendsels worden voor goddeloos handelen, rechters zitting houden verkleed als Cato of Cassius,29 alles gaat zoals hoogmoedige machthebbers het willen, en naar hun luimen over leven en dood van beklaagden beslist wordt, dan is de uitkomst voorspelbaar: executie. 11.Wie zich in die dagen hoe dan ook een machtspositie had verworven, bijna soeverein zich alles kon veroorloven, en bezeten van begeerte naar andermans goed een duidelijk onschuldige in staat van beschuldiging stelde, was  welkom in de kring van een vertrouwd genootschap en kon zich verrijken aan de ellende van anderen. 12.Want de keizer, altijd bereid iemand in het ongeluk te storten, leende een willig oor aan beschuldigingen en nam ze over, vooral die met dodelijke implicaties, en schepte een onbetamelijk genoegen in allerlei soorten executies. (Hij kende zeker het gezegde van Cicero niet, dat wie meent dat hem alles geoorloofd is, een ongelukkig mens is.) 13.Met die onverbiddelijkheid in een op zich gerechtvaardigde zaak, maar die de overwinning te schande maakte, werden vele onschuldige slachtoffers aan de beulen overgeleverd, op de martelbok gezet tot ze kreupel waren of onder het zwaard van de grimmige scherprechter gebracht. Beter was het voor hen (als de natuur dat mogelijk maakte) tien maal hun leven te verliezen op het slagveld dan volstrekt schuldeloos met opengereten lendenen, door iedereen beklaagd, gestraft te worden zogenaamd voor majesteitsschennis, ook nog met een verminkt lichaam - bestaat er een triestere dood? 14.Toen dan eindelijk door het kwaad dat was aangericht het woeden wat bedaarde en een verzadiging intrad, hadden hooggeachte burgers nog uitstoting, verbanning en andere straffen te verduren, die, hoewel op zich erg genoeg, sommigen lichter toeschijnen, en kon iemand van edele afkomst en misschien nog meer geadeld door verdiensten, beroofd van zijn erfgoed hals over kop het land uit worden gejaagd. Verteerd van angst, aangewezen op aalmoezen, was er dan voor hem geen uitzicht op verlossing tot de keizer en zijn entourage van roof en moord verzadigd waren. 15.Toen de usurpator Procopius, van wiens daden en dood ik verteld heb, nog leefde, op de 21e juli van het eerste consulaat van Valentinianus en Valens [365], deden zich over de hele wereld plotseling gebeurtenissen voor, zo schrikwekkend als we uit onverdachte of zelfs ongeloofwaardige berichten uit het verleden niet kennen. 16.Kort na zonsopgang begon het fel flitsend te bliksemen, waarna de hele aardkloot begon te schokken en te beven en de zee zich met hoog opgezweepte golven van de kust terugtrok, waardoor afgrondelijke diepten bloot kwamen en men allerlei soorten zeedieren zag vastzitten in de modder; onmetelijke bergen en dalen, door de Natuur in den beginne met ontzaglijke watermassa’s toegedekt, zagen toen, zoals men denken kan, voor het eerst de stralen van de zon. 17.Terwijl talloze schepen onwrikbaar vastzaten op het droge en veel mensen onbewust van het gevaar door de laatste plassen en poelen waadden en er met hun handen vissen en andere zeedieren uitschepten, verhieven zich grommend de golven van de zee, woest over hun verbanning, en kwamen terugstormen over hun schuimende bedding, raasden over eilanden en grote stukken land en maakten ontelbare gebouwen in de steden en overal met de grond gelijk, zodat het woeden der elementen het aanzien van de wereld veranderde en vreemde dingen te zien gaf. 18.Verrast door de  onverwacht terugkerende watermassa’s vonden vele duizenden de dood door verdrinking. En toen de stormvloed bedaard was, zag men hoe schepen door de woeste baren te pletter waren geslagen, terwijl overal lijken van schipbreukelingen, voorover of achterover, ronddreven. 19.Zelfs waren ook heel grote schepen, meegesleurd door de wilde stormvlagen, bovenop huizen terecht gekomen (zoals in Alexandria gebeurde), sommige zelfs bijna twee mijl landinwaarts, zoals een intussen door verrotting half vergaan Laconisch schip, dat ik zelf gezien heb bij de stad Mothone toen ik daar eens voorbijkwam.

Noten

1.Een onbekende brief. retour

2.Voor Valentinianus, zie boek xvi,11,6. retour

3.Dus landgenoten van Valentinianus. retour

4.Het etmaal werd verdeeld in vier nachtwaken van elk drie ‘uren’ en een dag van twaalf ‘uren’ van zonsopgang tot zonsondergang. De lengte van een hora, een ‘uur’, hing dus af van het jaargetijde. retour

5.Om dit eenmalig te corrigeren werd het jaar 46 vC met twee maanden verlengd. retour

6.Feitelijk door Julius Caesar; Octavianus bracht op zijn regeling enkele correcties aan. retour

7.Een traditionele gift in geld. retour

8.Wagenmenners betoverden of vergiftigden wel de paarden van hun tegenstanders. Ze werden dus als deskundigen op dit gebied ook door klanten geraadpleegd. retour

9.Consul C. Duilius versloeg in de eerste Punische oorlog in 260 vC de Carthaagse vloot voor de kust van Sicilië. retour

10.Dus een landgenoot van Valentinianus en Valens. retour

11.Zijn moeder was een zus van Basilina, de moeder van Julianus. retour

12.Zie boek xxiii,3,2. retour

13.Zie boek xxv,8,18. retour

14.Een door Constantijn ingevoerde eretitel, die verleend kon worden aan de hoogste(voormalige) functionarissen en bevelhebbers. retour

15.Na de kortstondige regering van keizer Pertinax (3 maanden in 193) ‘verkocht’ de praetoriaanse garde het keizerschap bij opbod. Didius Julianus bood 30.000 sestertiën per man en won. Ook hij regeerde ongeveer 3 maanden. retour

16.Andriscus gaf zich uit voor de zoon van Perseus, de laatste koning van Macedonië, regeerde een jaar lang als tiran tot hij in 148 vC door de Romeinen werd verdreven. Heliogabalus (Elegabal) gaf zich uit voor de zoon van keizer Caracalla. Als keizer, regerend van 218 tot 222, omringde hij zich met lieden van het laagste soort.Keizer Severus Alexander, regerend van 222 tot 235, werd na zijn afzetting door het leger opgevolgd door Maximinus Thrax, een zoon van een Thracische boer.Op zijn beurt werd deze opgevolgd door Gordianus, die slechts 22 dagen regeerde. retour

17.Zie 9,6,7. retour

18.Dacië was verdeeld in zuidelijk (Ripensis) en noordelijk (Mediterranea) Dacië. retour

19.Oorspronkelijk de strijdkreet van de Galliërs en Germanen. Zie boek xvi,12,43. retour

20.Zie boek xxi,3,5. retour

21.Zie boek xxv,10,12. retour

22.Zie boek xvi,10,16. retour

23.Na de dood van keizer Pertinax (in 193) werd Pescennius Niger in het oosten (Septimius Severus in Pannonië) tot keizer uitgeroepen, maar na een aantal nederlagen bij Issus definitief verslagen. Hij was spreekwoordelijk besluiteloos en nalatig. retour

24.Zoon van Valentinianus, toen zes jaar oud. retour

25.M. Perperna Veiento sloot zich in 77 vC aan bij Q. Sertorius, die een tegenregering had gevormd in Spanje, maar viel hem vijf jaar later af. Hij werd door Pompeius terechtgesteld. retour

26.Kleinzoon van Crassus (de drieman met Pompeius en Caesar). Hij zou éénmaal hebben gelachen en daarbij zijn omgekomen. retour

27.Zie 8,11. retour

28.Tiran van de stad Acragas op Sicilië (6e eeuw vC), die zijn slachtoffers in een bronzen stier zou hebben geroosterd. retour

29.M.P. Cato, strenge censor (3e-2e eeuw vC) en L. Cassius  (2e-1e eeuw vC), ook geroemd om zijn strengheid. retour