BOEK XXVII  

1. De Alamannen verslaan de Romeinen. De comites Charietto en Severianus sneuvelen  

1.Terwijl de wisselval der gebeurtenissen in de Oriënt daar tot de situaties leidden die ik beschreven heb, herstelden aan de andere kant de Alamannen zich van de zware verliezen en schaden die ze geleden hadden in de verschillende confrontaties met caesar Julianus - al werden ze niet meer zo sterk als destijds - en schonden alweer, gevreesd om wat ik vertelde [in verband met de behandeling van hun gezanten], de grenzen van Gallië.1 Direct na het begin van het nieuwe jaar [365], toen boven dat ijzige land nog de kille wintersterren schitterden, braken ze door en zwierven in grote troepen ongehinderd plunderend rond. 2.De bevelhebber in Opper en Neder Germanië, Charietto, marcheerde de eerste troep tegemoet met een strijdbelust leger, samen met de oude en versleten generaal Severianus, die met Cabyllona [Châlon-sur Saône] als standplaats het bevel voerde over de Divitenses en Tungricani. 3.Met de verschillende legers verenigd werd via een brug een smalle rivier overgestoken, waarna op een afstand de barbaren in zicht kwamen, die met pijlen en andere lichte spiesen onder schot werden genomen en met gelijke munt terugbetaalden. 4.Maar toen het tot een gevecht kwam van man tegen man met blanke wapens, werd onze slagorde door de vijand in een felle actie opengebroken en zag geen kans meer zich goed te verdedigen of een behoorlijke tegenaanval uit te voeren. En toen gezien werd dat Severianus een speer in zijn lijf kreeg en van zijn paard werd geworpen, sloeg iedereen in paniek op de vlucht. 5.Charietto wierp zich daar met mannenmoed tegenin, schreeuwde verwijten, hield de vluchtenden tegen, wilde nog door pal te blijven staan de smaad, de schande uitdelgen, maar werd dodelijk getroffen door een speer en viel. 6.Na zijn dood maakten de barbaren de standaard van de Herulen en Bataven buit, die ze in een woeste wapendans onder spottende kreten omhoog staken om hem te laten zien, tot hij na hevige gevechten werd terugveroverd.

2. De generaal van de cavalerie in Gallië, Jovinus, overvalt onverwachts twee troepen Alamannen. In een slag bij Catalauni verslaat hij een derde troep barbaren. Van de vijanden sneuvelen er zesduizend en worden er vierduizend gewond

  1.Het bericht over deze ramp wekte groot afgrijzen en uit Parijs werd Dagalaifus eropaf gestuurd om weer orde op zaken te stellen. Maar omdat hij lang treuzelde, met als excuus dat hij onmogelijk barbaren kon aanvallen die zich overal verspreid ophielden, werd hij kort daarna teruggeroepen en ontving samen met Gratianus, die nog steeds geen andere functie bekleedde, de eretekenen van het consulschap. Nu kreeg de cavaleriegeneraal Jovinus de opdracht. Goed toegerust en slagvaardig, de flanken van zijn leger gedekt, arriveerde hij in de buurt van Scarpona [Charpeigne], waar hij onverwachts op een grote troep barbaren stuitte, die hij, vóór ze maar naar hun wapens konden grijpen, in minder dan geen tijd in de pan hakte. 2.Daarna ging hij met zijn manschappen, gnuivend over dit succes dat hun geen bloed gekost had, op weg om een tweede troep vijanden te vernietigen. Terwijl hij behoedzaam optrok, geroutineerde aanvoerder die hij was, werd hem door betrouwbare verspieders gemeld dat een groep plunderaars, die enkele landgoederen in de buurt hadden leeggeroofd, aan de rivier [de Moezel] hun gemak ervan namen. Dichterbij gekomen, kon hij vanuit een schuilplaats in een dichtbebost dal waarnemen dat sommigen aan het baden waren, anderen volgens hun gewoonte bezig waren hun haar rood te verven en sommigen zo maar zaten te drinken. 3.Beter had hij het niet kunnen treffen! Meteen liet hij trompetters het signaal ten aanval geven en overrompelde hij het roverskamp. De Germanen van hun kant brulden alleen maar loze kreten en bedreigingen, zó door de overwinnaar in het nauw gedreven, dat ze hun overal rondslingerende wapens niet eens konden grijpen, laat staan een slagorde konden vormen of zelfs maar tot enig verzet in staat waren. Wie geen kans zagen te ontsnappen en zich via kronkelpaadjes in veiligheid te brengen, werden dan ook met speren en zwaarden bij bossen afgemaakt. Dat waren er heel veel. 4.Zelfverzekerd na dit succes bewerkt door Moed en Fortuna, marcheerde Jovinus, met omzichtige verkenners vooruit, snel verder, op zoek naar de derde troep die nog over was. Na een geforceerde mars vond hij die bij Catalauni [Châlons-sur-Marne], volledig op een treffen voorbereid. 5.Hier paalde hij op een geschikte plaats zijn kamp af, liet zijn mannen, zover de tijd het toeliet, bekomen met voedsel en slaap, en stelde bij het eerste ochtendgloren op een open vlakte zijn slagorde op, die hij listig en kundig zover uitrekte dat het leek alsof de Romeinen, die geringer in aantal waren dan de vijand (maar even sterk) door een groter terrein te bezetten getalsmatig daarvoor niet onderdeden. 6.Toen gaven de trompetters het signaal en begon een gevecht van man tegen man. Eerst hielden de Germanen zich terug, geïmponeerd door de schrikwekkende aanblik van de schitterende standaards, maar na een kort moment van zwakte herstelden ze zich en bleven ze doorvechten tot het eind van de dag. En de onzen hadden - zo fel gaven ze partij - zonder enig verlies de vruchten van hun inspanningen kunnen plukken, was niet de tribuun van de zwaargewapende garde, Balchobaudes, een snoever maar eigenlijk een lafaard, tegen de avond in wanorde teruggeweken. Als de andere cohorten zijn voorbeeld hadden gevolgd en de strijd hadden opgegeven, zou die geschiedenis zo slecht zijn afgelopen dat er niemand was overgebleven om te kunnen vertellen wat er was gebeurd. 7.Maar ze weerden zich zo krachtig en bleken zoveel sterker dat ze van de vijand vierduizend man verwondden en zesduizend man doodden en zelf niet meer dan twaalfhonderd gesneuvelden en tweehonderd gewonden telden. 8.Bij het invallen van de nacht werd de strijd gestaakt, zodat de uitgeputte manschappen op krachten konden komen, waarna de generaal zijn leger ’s morgens weer in slagorde te velde voerde. Ziende dat de barbaren onder dekking van de duisternis waren verdwenen, zette hij de achtervolging in over open en vlak terrein zodat hij geen hinderlagen hoefde te vrezen, over de stervenden en de verkrampte lichamen van gevallenen heen die de hevige pijnen van hun door de felle kou samengetrokken wonden niet hadden overleefd. 9.Maar een eindweegs verder keerde hij om, aangezien geen vijand meer te bekennen viel en hoorde toen dat de Ascariërs die hij er via een andere weg op uit had gestuurd om de tenten van de Alamannen te verwoesten, de koning van de vijandelijke troepen en enkele van zijn volgelingen hadden gevangen... maar gekruisigd! Daarover buitengewoon ontstemd, wilde hij de tribuun die zich dit had veroorloofd zonder een hoger echelon te raadplegen, zwaar straffen. En hij zou hem ter dood hebben veroordeeld als niet klip en klaar bewezen was kunnen worden dat de wandaad door soldaten gepleegd was in een roes van woede. 10.Toen Jovinus na deze schitterende prestaties naar Parijs terugkeerde, reisde Valentinianus hem opgetogen tegemoet (kort daarna benoemde hij hem tot consul) en tot overmaat van ’s keizers vreugde ontving hij precies toen het hoofd van Procopius, dat hem toegezonden werd door Valens. 11.Behalve de beschrevene vonden hier en daar in Gallië nog verschillende andere gevechten plaats, waarvan een uitvoerige behandeling hier minder interessant zou zijn omdat de resultaten daarvan niet bijzonder waren en het niet dienstig zou zijn deze geschiedenis te belasten met onbelangrijke details. 

3. Over de drie stadsprefecten Symmachus, Lampadius en Viventius, en over de strijd, tijdens de prefectuur van de laatste, tussen Damasus en Ursinus om de bisschopszetel van Rome

  1.In deze tijd, of wat eerder, deed zich een nieuw soort voorteken voor in Tuscia Annonaria 2 en wat dáárvan te verwachten was, wisten zelfs degenen die bedreven waren in het interpreteren van tekenen absoluut niet te duiden. In de stad Pistoria namelijk beklom omstreeks het derde uur van de dag ten aanschouwen van iedereen een ezel het publieke spreekgestoelte en begon luid en aanhoudend te balken, tot verbazing van degenen die er getuigen van waren of er van anderen later over hoorden en geen van allen konden raden wat er te gebeuren stond tot het aangekondigde feit zich tenslotte voordeed. 2.Want een zekere Terentius uit die stad, een man van gewone afkomst, een bakker, werd, nadat hij de voormalige prefect Orfitus voor het gerecht had gedaagd wegens verduistering van staatsgelden, als beloning benoemd tot gouverneur van die provincie. Zo over het paard getild, veroorzaakte hij nogal wat onrust tot hij volgens zeggen wegens een oplichtingsaffaire waarbij scheepskapiteins betrokken waren,3 ter dood veroordeeld en geëxecuteerd werd. Dit laatste toen Claudius prefect was van Rome [374?]. 3.Lang voordien [in 364] werd Apronianus als stadsprefect opgevolgd door Symmachus, een man die met recht een bijzonder voorbeeld van geleerdheid kan worden genoemd en dank zij wiens inspanningen de heilige stad een periode van meer dan gewone rust en voorspoed genoot en de prachtige brug [de Pons Valentinianus] in keizerlijke opdracht werd herbouwd en ingewijd voor het genoegen en gemak van de burgers, die zich daarna wel ondankbaar toonden. 4.Want enkele jaren later staken ze het luxe huis van Symmachus in het district aan de overzijde van de Tiber in brand, uit balorigheid daarover dat de prefect volgens de bewering van een of ander laag sujet die geen zegsman of getuige wist te noemen gezegd zou hebben met zijn wijn nog liever gebrande kalk te zullen blussen dan ze te verkopen voor de prijs die het volk wenste te betalen. 5.Na hem [in 365] kwam als stadsprefect de voormalige praefectus praetorio Lampadius, een man die het niet kon hebben als hij niet bewonderd werd, al was het maar om de manier waarop hij spuwde, omdat hij ook dat kunstiger deed dan wie ook. Aan de andere kant kon hij ook streng en eerlijk zijn. 6.In zijn functie van praetor organiseerde hij schitterende spelen en deed hij enorme schenkingen, maar het gedram van het gepeupel, dat er vaak bij hem op aandrong ook bepaalde verachtelijke figuren goed te bedenken, kon hij niet verdragen. Om zijn vrijgevigheid en tegelijk zijn afkeer van dit plebs te demonstreren, nodigde hij expres bedelaars uit die op de Vaticaanse heuvel rondhingen, en gaf daar veel geld aan. 7.Over zijn ijdelheid gesproken moge het voldoende zijn - om niet te ver af te dwalen - één voorbeeld aan te halen, niet van iets heel kwalijks, maar toch van iets wat hoge functionarissen zouden moeten vermijden. In alle districten van de stad die verschillende keizers op hun kosten hadden verfraaid, liet hij zijn eigen naam aanbrengen, niet alsof hij oude gebouwen had laten restaureren maar alsof hij er zelf de stichter van was. Keizer Trajanus zou ook aan dat euvel hebben geleden en daarom wel gekscherend ‘muurbloem’ zijn bijgenaamd. 8.Als prefect kreeg Lampadius herhaaldelijk met ordeverstoringen te maken. Tijdens de ergste daarvan gooide een bende van het laagste tuig fakkels en brandpijlen naar zijn huis in de buurt van de Thermen van Constantijn en zou het in vlammen hebben doen opgaan als vrienden en buren niet waren toegeschoten en de aanvallers vanaf de daken met stenen en dakpannen hadden bekogeld en verjaagd. 9.Zelf was hij eens, geschrokken van het geweld, direct bij het uitbreken van een oproer naar de Mulvische brug gevlucht - die door de oudere Scaurus gebouwd heet te zijn - om daar te wachten tot de storm zou luwen. Die commotie had toen wel een ernstige oorzaak. 10.Want als hij nieuwe gebouwen zette of oude restaureerde, bestreed hij de kosten daarvan niet uit de gewone middelen, maar stuurde hij voor de aanschaf van de nodige materialen, ijzer, lood, brons, enzovoort, medewerkers eropuit om te doen alsof ze die zaken wilden kopen, maar in feite om ze zonder betaling mee te nemen, waarvan dus het gevolg was dat hij aan de woede van het arme volk, dat daardoor geregeld verliezen had te incasseren, maar met moeite wist te ontkomen. 11.Zijn opvolger was Viventius, een voormalige quaestor van het keizerlijk hof, een eerlijk en prudent man uit Pannonië, die een rustig bestuur voerde, terwijl de stad meer dan behoorlijk bevoorraad was. Maar ook hij werd opgeschrikt door bloedige botsingen tussen partijen onder het volk, veroorzaakt door de volgende omstandigheid. 12.Damasus en Ursinus, beiden op het krankzinnige af belust op de bisschopszetel, raakten met hun botsende belangen in een verbitterde strijd verwikkeld waarbij het tussen hun respectieve aanhangers tot gevechten kwam waarbij doden en gewonden vielen. Omdat Viventius niet in staat was daar een eind aan te maken of de gemoederen te kalmeren, zag hij zich genoodzaakt zich voor het geweld terug te trekken op zijn landgoed buiten de stad. 13.Geholpen door zijn partijgangers won Damasus de strijd. En het is bekend dat in de basilica van Sicininus,4 waar de christelijke sekte bijeen pleegt te komen, op één dag 137 lijken werden gevonden en het volk na die lange tijd van beroering maar met moeite tot bedaren kwam. 14.Gezien de luxe van het leven in een grote stad ben ik er niet blind voor dat degenen die daarnaar hunkeren, hun doel met alle mogelijke middelen proberen te bereiken. Want als ze daarin slagen, kunnen ze op kosten van rijke matrones een zorgeloos leven leiden, in koetsen rijden, zich duur kleden en gelagen aanrichten zo overvloedig dat ze de tafels van koningen overtreffen. 15.Maar ze zouden gelukkiger zijn als ze de grootheid van de stad waarin ze hun ondeugden uitleven, voor niets zouden houden en zouden leven als sommige bisschoppen in de provincies, wier matigheid in eten en drinken, wier eenvoud in kleding en neergeslagen blik hen bemind maken bij de eeuwige god en degenen die hem oprecht vereren.Maar genoeg hierover uitgeweid. Ik neem dus de draad van mijn verhaal weer op.  

4. Een beschrijving van de zes provincies van Thracië met hun volken en hun fameuze steden 

1.Terwijl de hiervóór beschreven gebeurtenissen plaatsvonden in Gallië en Italië, werd in Thracië een nieuwe veldtocht voorbereid. Want Valens nam nu met instemming van Valentinianus, die hij hierover raadpleegde en door wiens woord hij zich liet leiden, de wapens op tegen de Goten, en met recht, omdat die Procopius in het begin van zijn opstand hulptroepen hadden gestuurd. Het lijkt mij dus dienstig over de voorgeschiedenis en de ligging van die regionen in een korte uitweiding iets te zeggen. 2.Het zou gemakkelijker zijn een beschrijving van Thracië te geven als oude schrijvers het meer met elkaar eens waren; dus, aangezien zij met hun onduidelijkheid en tegenstrijdigheden van weinig nut zijn voor een werk dat op waarheid gericht is, wil ik mij beperken tot wat ik mij herinner zelf te hebben gezien. 3.Dat deze gebieden vroeger hebben bestaan uit immense, vlakke uitgestrektheden met hoge bergen, lezen we in het onsterfelijke getuigenis van Homerus, die meent dat daar de noorden- en westenwinden vandaan komen.5 Dat is natuurlijk een verzinsel of anders heeft men vroeger alle uitgestrekte woongebieden van barbaren hier onder de naam Thracië samengevat. 4.Een deel daarvan werd ooit bewoond door de Scordiscers (die nu ver van die provincies af wonen), een woest en wreed volk, waarbij het volgens de overlevering gebruik was door hun gevangenen aan Bellona en Mars te offeren deze goden gunstig te stemmen, en uit hun holle schedels met grote gretigheid mensenbloed te drinken. De Romeinse staat had vaak ernstig van hun woestheid te lijden, moest ettelijke keren nederlagen incasseren en verloor tegen hen tenslotte zelfs een heel leger met aanvoerder en al. 5.Zoals we ze nu zien, bieden deze regionen, namelijk halvemaanvormig, het beeld van een majestueus theater. In het westen, waar dit het hoogst is, vormt de nauwe pas van Succi een doorgang door de steile bergen, Thracië scheidend van Dacië. 6.Links, onder de noordelijke sterrenhemel, wordt het omsloten door het hoge Haemusgebergte en de Hister [de Donau], waaraan op Romeins gebied een groot aantal steden, vestingen en forten gelegen zijn. 7.Rechts, dus naar het zuiden, strekken zich de rotsen van Rhodope uit; en waar de morgenster opkomt, wordt het begrensd door de zeestraat 6 die een smalle scheiding vormt tussen de werelddelen en waardoor water van de Pontus rijkelijk (met ook tegenstromingen) overloopt naar de Egeïsche Zee. 8.In de oosthoek raakt Thracië aan de randgebieden van Macedonië via een enge, steile pas die de Acontisma wordt genoemd. Vlak daarbij liggen het poststation Arethusa, waar het graf van Euripides, de beroemde dichter van grootse tragedies, bezichtigd kan worden, en Stagira, de geboorteplaats zoals we weten van de man, die in de woorden van Cicero ‘een gouden stroom leringen liet vloeien’, Aristoteles.7 9.In vroeger tijden werden ook deze gebieden door barbaren bewoond, waarvan de talen en zeden onderling sterk verschilden. Daarvan stonden de Odrysen bekend als vreselijk wild, wilder dan de rest, zo verslingerd aan bloedvergieten, dat als ze zich bij hun gelagen bezat hadden aan eten en drinken en daarvoor geen vijanden bij de hand hadden, ze elkaar overhoop staken alsof ze vreemden waren. 10.Maar toen onze staat machtiger werd onder het voorspoedige bewind van de consuls, kreeg Marcus Didius deze tot dan toe ontembare, onbeschaafde, wetteloze zwerfvolken er stevig onder, dwong Drusus hen binnen eigen grenzen en werden ze door Minucius verpletterend verslagen in een gevecht aan de rivier de Hebrus, die van de hoogten van het Odrysengebergte komt, waarna de rest door de proconsul Appius Claudius in een hevig gevecht vernietigd werd.8 De Romeinse vloten bezetten toen de steden aan de Bosporus en de Propontis. 11.Na deze consuls kwam generaal Lucullus, die als eerste het woeste volk van de Bessen bestreed en in dezelfde campagne de Haemimontanen onderwierp, ondanks hun fel verzet. Onder zijn regiem kwamen alle regio’s van Thracië onder het gezag van onze vaderen, waardoor na risicovolle oorlogen zes provincies voor de republiek gewonnen werden. 12.De eerste daarvan, aan de kant van Illyricum gelegen, is het eigenlijke Thracië, gesierd met zulke schitterende steden als Philippopolis, voorheen Eumolpias geheten, en Beroea. Daarna komt Haemimontus met Hadrianopolis, vroeger Uscudama, en Anchialos, twee grote en welvarende steden. Vervolgens Mysië [Neder Moesië] met Marcianopolis (genoemd naar de zus van Trajanus), Dorostorus, Nicopolis en Odessus. Vlak daarop komt Scythië, met als de belangrijkste plaatsen Dionysopolis, Tomi en Callatia. Het verste weg ligt Europa, waar naast enkele kleinere plaatsen vooral de twee steden Apri en Perinthus (later Heraclea genoemd) bekendheid genieten. 13.Daarnaast ligt Rhodope met Maximianopolis, Maronea en Aenus, een stichting van Aeneas, die hij weer verliet om na lange omzwervingen, altijd onder gunstige auspiciën, Italië in bezit te nemen. 14.Het is een feit, door tal van getuigenissen bevestigd, dat bijna alle landlieden die in de zojuist beschreven gebieden de bergen bewonen, op ons vóór hebben dat ze geweldig gezond zijn en het voorrecht hebben (als men het zo zeggen mag) van een lang leven. Men denkt dat dit daardoor komt dat ze niet van alles door elkaar eten en zeker geen heet voedsel en eindeloos hun jeugdige kracht behouden doordat ze verkeren in de frisse morgendauw, die hen fit maakt, en in een aangename, zuivere lucht, en bovendien de eerste stralen van de zon op zich voelen vóór die verontreinigd zijn door aanraking met menselijke dingen. Na deze uiteenzetting keer ik terug naar waar ik aan begonnen was.  

5. Keizer Valens bindt de strijd aan met de Goten die Procopius tegen hem geholpen hebben en sluit daarmee na drie jaar vrede

  1.Nadat Procopius in Phrygië verslagen was en de binnenlandse onrust bedwongen, zond Valens de magister equitum Victor naar de Goten om uit te zoeken hoe het kwam dat een met de Romeinen bevriend en door een bestendig vredesverdrag verbonden volk steun had verleend aan een usurpator die aan de rechtmatige keizers de oorlog had verklaard. Tot hun verweer en ter rechtvaardiging van hun handelen produceerden zij een brief van Procopius, waarin deze uitlegde dat hij de macht had overgenomen omdat hij op grond van zijn naaste verwantschap met de familie van Constantijn daarop recht had, en vonden dat hun fout dus vergeeflijk was. 2.Toen Victor bij hem terugkwam met deze boodschap en het lamme excuus, dat weinig indruk op hem maakte, besloot Valens tot oorlog met deze Goten, die trouwens al vermoedden wat hun te wachten stond. Vroeg in het voorjaar trok hij daarvoor zijn troepen samen, sloeg een kamp op in de buurt van het fort Daphne, liet een beplankte brug over scheepsdekken bouwen en stak daarop de Donau over zonder tegenstand te ontmoeten. 3.Zijn zelfvertrouwen groeide toen hij, het land doorkruisend, geen vijand trof die hij kon bevechten of intimideren, omdat de hele bevolking bij de nadering van zijn troepen in hun imponerende uitrusting van angst de berghoogten van de Serren hadden opgezocht, die ontoegankelijk zijn voor wie er niet mee bekend zijn. 4.Maar om zo niet een hele zomer te verdoen en zonder enig resultaat terug te moeten, zond hij de magister peditum Arintheus met wat troepen weg om het land te plunderen en kreeg zo tenminste een paar families in handen die konden worden gegrepen vóór ze het steile en woeste berggebied hadden bereikt en nog in de vlakke velden zwierven. Met het weinige dat het toeval hem dus zo in handen speelde, aanvaardde hij met zijn leger intact de terugtocht zonder zware verliezen te hebben geleden of toegebracht. 5.Het jaar daarop deed hij even energiek een nieuwe poging het vijandelijke gebied in te trekken, maar deze keer had hij de tegenslag dat de Donau buiten haar oevers was getreden en hij werkeloos tot het einde van de herfst vastzat in een kamp in de buurt van een dorp van de Carpen. En omdat hij door de hoge waterstand niets kon uitrichten, keerde hij daarvandaan naar Marcianopolis terug voor de winter. 6.Maar hij gaf niet op: in het derde jaar [369] liet hij bij Novidunum nogmaals een schipbrug over de rivier bouwen, trok het barbarenland in en bond na lange marsen de strijd aan met het verre, krijgshaftige volk der Tervingen. Na enkele onbetekenende botsingen dwong hij Athanarich, toen hun machtigste vorst, die het waagde tegenstand te bieden met een troep die hijzelf meer dan toereikend achtte, uit vrees voor een totale nederlaag tot de aftocht9. 9 Daarna keerde hij met heel zijn manschap terug naar Marcianopolis, dat voor die regio een geschikt plaats was voor de overwintering. 7.Na alle wisselvalligheden van die drie jaren leek het om verschillende redenen toen opportuun de vijandelijkheden te beëindigen: in de eerste plaats boezemde de langdurige aanwezigheid van de keizer de vijand steeds meer angst in; in de tweede plaats leden de barbaren vanwege handelsbelemmeringen zo’n gebrek aan noodzakelijke levensbehoeften dat ze de ene na de andere delegatie zonden om onderdanig vrede en vergeving te vragen. 8.De keizer mocht dan onervaren zijn, hij was heel wel in staat situaties nuchter te beoordelen - zolang hij zich niet door slechte raad van hofvleiers liet leiden en blindelings ellende afriep over de staat met alle verdrietige gevolgen van dien - en besloot dus in het algemeen belang een vredesverdrag aan te bieden. 9.Van zijn kant zond hij Victor en Arintheus, respectievelijk commandanten van de cavalerie en de infanterie naar de Goten als onderhandelaars; en toen die terugkwamen met de mededeling dat zij positief bereid waren de gestelde voorwaarden te accepteren, werd een geschikte plaats bepaald voor het sluiten van het akkoord. Nu verklaarde Athanarich dat hij door een eed onder vreselijke vervloekingen gebonden was en het hem daarom overeenkomstig zijn vaders woord verboden was ooit een voet op Romeinse grond te zetten, en was daartoe dan ook niet te bewegen.. Anderzijds zou het ongepast en vernederend zijn voor de keizer om naar hem over te steken. Daarop kregen sommigen de goede inval, schepen naar het midden van de rivier te roeien, van de ene kant één met de keizer en zijn lijfwacht, van de andere kant één met de koning van de Goten met zijn mannen, en daar het vredesverdrag te laten sluiten dat was overeengekomen. 10.Toen dat gebeurd was en gijzelaars in ontvangst waren genomen, keerde Valens terug naar Constantinopel, waar Athanarich later, door zijn eigen partij van zijn geboortegrond verdreven, door het noodlot achterhaald, stierf en in een grootse plechtigheid volgens onze gebruiken werd begraven.  

6. Met instemming van het leger verheft Valentinianus zijn zoon Gratianus tot Augustus. Hij maant de in het purper geklede jongeman tot dapperheid en stelt hem onder bescherming van het leger 

1.Intussen werd Valentinianus door zo’n ernstige ziekte getroffen dat zijn einde nabij leek. De Galliërs in zijn entourage kozen dus alvast in een geheime bespreking de toenmalige magister memoriae Rusticus Julianus als hun kandidaat voor de troonopvolging, een man die, alsof hij bezeten was van een soort waanzinnigheid, als een wild beest dorstte naar mensenbloed, zoals naar buiten kwam toen hij als proconsul belast was met het bestuur over Africa. 2.Hij zou later sterven als prefect van Rome, in welke functie hij wel - gezien de hachelijke situatie waarin de usurpator [Maximus] zich bevond, die hem, alsof er niet genoeg waardige kandidaten waren, op deze hoge post benoemd had -  voorzichtigheidshalve en noodgedwongen de schijn ophield van een mild en toegeeflijk man te zijn. 3.Daarentegen waren er ook die met groot enthousiasme de kandidatuur steunden van de toenmalige magister peditum Severus, die volgens hen daarvoor geschikt was en, al was hij een streng en gevreesd man, toch beter te verdragen en in alle opzichten verkieslijker was dan de eerstgenoemde. 4.Maar al dit geheime overleg liep dood toen de keizer door behandeling met allerlei medicijnen herstelde. Beseffend dat hij ternauwernood aan de dood was ontsnapt, overwoog deze toen zijn zoon Gratianus, die al de volwassen leeftijd naderde, met de insignes van de keizerlijke waardigheid te begiftigen.10 5.En toen alle voorbereidingen daarvoor waren getroffen en de soldaten van harte voor dat plan gewonnen waren, verscheen Valentinianus op een dag op het marsveld met Gratianus, en besteeg een platform waarop hij, omgeven door de glans van zijn hofhouding, de jongen bij de hand nam en naar voren haalde en hem aan het leger als toekomstige keizer aanbeval met de volgende publieke toespraak. 6.‘Het is een waarachtig teken van uw toewijding aan mij, dat ik met dit gewaad der keizerlijke waardigheid ben omhangen, waardoor ik uitverkoren ben boven veel andere voortreffelijke mannen. Met u als betrokkenen bij mijn plannen en beoordelaars van mijn wensen wil ik een familiale daad stellen die aan de orde is nu de god door wiens toedoen Rome onwrikbaar staat daar zijn zegen aan geeft. 7.Hoort dus, vraag ik u, mijn dapperen, met welwillendheid mijn wens die in de sfeer van de ouderliefde ligt, en die ik u niet alleen kenbaar wil maken maar ook bevestigd wil zien door uw goedkeuring, omdat het u past en van voordeel zal zijn. 8.Mijn haast volwassen zoon hier, Gratianus, die jarenlang met uw kinderen heeft verkeerd en voor u een dierbare schakel is tussen u en mij, wens ik om de rijksvrede in alle opzichten veilig te stellen, deelgenoot van mijn keizerlijke macht te maken, zo de genadige wil van de hemelse godheid en ook uw almachtige wil dit voornemen, ingegeven door mijn vaderliefde, steunen. Hij is wel niet zoals wij van jongs af in een harde leerschool gevormd, niet gehard door moeilijkheden het hoofd te moeten bieden - u ziet dat hij nog niet toe is aan het krijgsbedrijf - maar in de lijn van zijn roemrijke familie en de grote daden van zijn voorvaderen zal hij het (ik zeg het met bescheidenheid met het oog op de godin van de Afgunst) tot grote hoogte brengen. 9.Want ik ben geneigd te denken, als ik zijn karakter en zijn aanleg beschouw, die weliswaar nog niet tot rijpheid zijn gekomen, dat nu hij jongeman wordt, gevormd door studie en getraind in praktische vaardigheden, hij met een gezond oordeel juist en onjuist handelen zal weten te wegen en zich zo zal opstellen dat rechtschapen en verdienstelijke mannen zullen weten dat hij hen verstaat. Hij zal voorwaarts stormen en moedige daden verrichten, de adelaars en legervaandels trouw blijven, zon en sneeuw, vorst en dorst en slapeloze nachten verdragen; als dat soms nodig is, onder de voorsten zijn die het kamp verdedigen, zijn leven wagen voor zijn kameraden in gevaar en, wat de eerste en zwaarste eis is van plichtsgetrouwheid: zijn land even lief weten te hebben als het Huis van zijn vader en grootvader.’10.De keizer had zijn toespraak, die met vreugde en instemming werd aanhoord, nog niet beëindigd, of zijn soldaten, ieder op zijn plaats en zoals hij het voelde, riepen alsof ze deelden in zijn belang en geluk om het hardst Gratianus tot Augustus uit, terwijl ze hun oorverdovende acclamaties onderstreepten met wapengekletter als teken van bijval. 11.Valentinianus bezag dit met genoegen en grote tevredenheid. Toen zette hij zijn zoon de kroon op, sloeg hem de keizersmantel om, kuste hem en sprak de stralende jongeman, die zijn woorden gespannen in zich opnam, als volgt toe: 12.‘Zie, mijn dierbare Gratianus,, je draagt nu, zoals we allen gehoopt hebben, het keizerlijk gewaad, dat je volgens mijn wens en die van onze medestrijders onder gunstige voortekenen geschonken is. Bereid je er nu op voor en gewen je, gezien de zwaarte van onze taken, om als collega van je vader en je oom onverschrokken met de infanterie het ijs op de Donau en de Rijn over te steken, met je soldaten te blijven, je leven en je bloed over te hebben voor de manschappen onder je commando, en niets beneden je waardigheid te achten wat in het belang is voor de Romeinse staat te doen. 13.Voor het moment wil ik het bij dit vermaan laten. In de toekomst zal ik je nog genoeg raad geven.En tenslotte, geweldige verdedigers van ons land, heb ik aan u het dringende verzoek, over uw aankomende keizer, die ik onder uw bescherming stel, met toewijding en zorg te waken.’ 14.Na deze plechtige en feestelijke toespraken riep Eupraxius uit Mauretanië, die toentertijd magister memorae was, als eerste: ‘Het Huis van Gratianus verdient dit!’ en werd prompt bevorderd tot praetor. Hij was een man uit één stuk, waarvan hij de bewijzen zou nalaten als voorbeelden van een goede rechtspleging,  want hij was onwankelbaar principieel, altijd zichzelf, en leek op de wetten die we voor iedereen in welk rechtsgeding ook met één en dezelfde stem horen spreken; zelfs bleef hij des te koppiger bij zijn eenmaal ingenomen standpunt als het om recht en wet ging, wanneer de keizer hem in plaats van zijn goede adviezen op te volgen kritiseerde en bedreigde. 15.Daarna prezen allen om strijd de oudere en de jongere keizer, en vooral de jongeman met zijn fonkelende ogen, zijn charmante trekken, zijn goed postuur en zijn nobele inborst, zijn aanbevelenswaardige eigenschappen, die de belofte inhielden van een perfecte keizer, die de vergelijking met de beste vroegere keizers had kunnen doorstaan als het Lot en de verantwoordelijken in zijn omgeving dat mogelijk hadden gemaakt, die over zijn nog niet gerijpte karakter met hun slechte invloed een donkere sluier legden. 16.Trouwens, wat dit betrof ging Valentinianus buiten de vanouds geldende orde door in zijn overgrote genegenheid zijn broer en zijn zoon tot Augustus te benoemen in plaats van tot Caesar. Want daarvóór had niemand een collega aangenomen op zijn eigen niveau - behalve keizer Marcus [Aurelius], die zijn keizerlijke macht zonder enige beperking deelde met zijn adoptiefbroer Verus.  

7. Over de opvliegendheid, woeste neigingen en wreedheid van keizer Valentinianus   

1.Nauwelijks waren enkele dagen verlopen sinds deze aangelegenheid overeenkomstig de wens van de keizer en het leger geregeld was, toen de praefectus praetorio [van Italië] Mamertinus bij zijn terugkeer uit Rome, waar hij heen was om enkele zaken recht te zetten, door de ex-vicarius [van Africa] Avitianus beschuldigd werd van verduistering van staatsgelden. 2.Daarom werd hij vervangen door Vulcatius Rufinus, een in alle opzichten respectabel man, die de waardigheid van zijn grijze haar met ere droeg (al liet hij zich nooit de kans op een voordeel ontgaan als dat onopgemerkt kon blijven). 3.Eenmaal in de gunst van de keizer, kreeg hij het klaar dat Orfitus, de voormalige prefect van Rome, uit zijn ballingschap werd verlost en met herstel van zijn vermogen naar huis mocht terugkeren.11 4.Valentinianus was berucht om zijn wreedheid. En hoewel hij in het begin van zijn regeerperiode om zijn reputatie te verbeteren bewust zijn best deed zijn woeste neigingen in toom te houden, stak dit sluipende en tijdelijk verdrongen kwaad langzamerhand toch de kop op, tot het, niet langer geremd en nog verergerd door hevige woedeaanvallen, voor velen de ondergang werd. Volgens filosofen namelijk is de neiging tot woede een langdurige en soms ongeneeslijke kanker van de geest, meestal veroorzaakt door zwakheid van verstand, waarvoor ze het plausibele argument aanvoeren dat ziekelijke mensen vaker opvliegend zijn dan gezonde, vrouwen meer dan mannen, ouderen meer dan jongeren, ongelukkigen meer dan gelukkigen. 5.Opzien baarde in die tijd de terechtstelling (onder meer executies, maar van lagere personen) van Diocles, een voormalige comes largitionum van Illyricum, die de keizer wegens enkele lichte vergrijpen levend liet verbranden, en ook die van Diodorus, een voormalige geheim agent, en van drie ondergeschikten van de vicarius van Italië, die op een gruwelijke manier werden gedood omdat de comes van Italië zich bij de keizer had beklaagd over het feit dat Diodorus tegen hem bij het gerecht in een civiele zaak hulp had gezocht en de bedoelde ondergeschikten het gewaagd hadden hem, toen hij op het punt stond af te reizen, in opdracht van de rechter aan te zeggen dat hij zich beschikbaar moest houden. De christenen in Milaan houden de herinnering aan hen tot op de dag van vandaag in ere en noemen de plaats waar ze begraven zijn ‘Bij de Onschuldigen’. 6.Toen later een rechter in de zaak tegen een Pannoniër (!), een zekere Maxentius, terecht de onmiddellijke executie bevolen had, eiste de keizer de dood van de decurio’s van drie steden, waarop Eupraxius, die toen quaestor was, tussenbeide kwam en zei: ‘Handelt u voorzichtiger, genadigste keizer, want deze burgers, die u als criminelen ter dood wilt laten brengen, zullen door de christenen als martelaren (dat wil zeggen: godwelgevalligen) vereerd gaan worden. 7.Deze effectieve, moedige interventie van Eupraxius vond navolging bij de prefect [van Gallië] Florentius, toen deze hoorde dat de keizer, om de een of andere vergeeflijke fout in razernij ontstoken, de executie had bevolen van drie decurio’s elk van een aantal steden. Hij zei toen namelijk: ‘Maar wat te doen als een stad zoveel decurio’s niet heeft? Dus moet het vonnis worden gecompleteerd met de woorden “voorzover aanwezig”’. 8.Om nog een voorbeeld te geven van deze hardvochtigheid, te vreselijk als feit en voor woorden: als iemand zich tot hem wendde om te voorkomen dat hij met een machtige vijand als rechter te maken zou krijgen, dus met het verzoek in zijn geval een andere rechter aan te wijzen, werd hem dat geweigerd en werd hij, welke goede redenen hij daartegen ook aanvoerde, toch verwezen naar de man die hij vreesde. Zo werd ook wel dit afschuwelijks rondverteld dat als de keizer hoorde van iemand met [belasting]schuld die in een noodsituatie niet in staat was te betalen, hij hem naar de scherprechter verwees. 9.Zo gaan sommige keizers in hun hoogmoedswaan naar willekeur hun gang omdat zij hun vrienden de gelegenheid ontzeggen hun denken en doen te corrigeren en hun vijanden ervan afschrikken ook maar iets te zeggen. Tegen de slechtheid van hen die menen dat zij de wijsheid in pacht hebben, is geen kruid gewassen.

  8. De Picten, Attacotten en Scotten doden een generaal en een comes en plunderen er in Britannië op los tot de comes Theodosius hen verjaagt en hun de buit ontneemt

1.Onderweg van Ambiani [Amiens] naar Treveri [Trier] 12 werd Valentinianus onaangenaam verrast door het bericht dat Britannië vanwege een samenspanning van barbaren in grote nood verkeerde, dat de comes van het kustgebied Nectaridus gedood was en de dux Fullofaudes in een hinderlaag was gelopen en gevangen genomen. 2.Dit nieuws bracht grote opschudding teweeg en de keizer zond er eerst de toenmalige comes domesticorum Severus heen, om, als de omstandigheden gunstig zouden blijken, de schade te herstellen, en na hem - want hij werd kort daarop teruggeroepen - Jovinus  (...), die echter de opmars afbrak en zijn troepen liet omkeren om hulp af te wachten van een sterker leger, wat, zoals hij verklaarde, gezien de netelige omstandigheden absoluut noodzakelijk was. 3.Omdat alarmerende berichten over het eiland bleven binnenkomen, werd uiteindelijk Theodosius aangezocht om de zaak te klaren; een fameus man was dat, die in de krijgsdienst zijn sporen had verdiend. Hij wierf moedige, jonge knapen uit legioenen en cohorten en vertrok daarmee met spoed. Grote verwachtingen ijlden vooruit. 4.En omdat ik in mijn relaas van het optreden van keizer Constans het verschijnsel van eb en vloed en de ligging van Britannië al naar mijn beste vermogen heb behandeld, meen ik dat het overbodig is dit nog eens te herhalen. (Ook Odysseus zag volgens Homerus bij de Phaeaken op tegen de grote moeite zijn geschiedenis opnieuw te vertellen...13 5.Wel moet ik duidelijk maken dat in deze tijd de Picten, verdeeld in twee stammen, de Dicalydonen en de Verturionen genaamd, evenals het krijgshaftige volk van de Attacotten, en de Scotten, op hun uitgebreide zwerftochten grote verwoestingen aanrichtten, terwijl de gouwen van Gallië overal waar ze over land of zee toegankelijk waren, door de Franken en hun buren, de Saksen, bezocht werden met roof, brandstichting en vermoording van wie hun maar in handen viel. 6.Met de opdracht, zo dat met het nodige geluk mogelijk zou blijken, verder onheil te voorkomen, vertrok de onvervaarde Theodosius naar het einde van het vasteland, de kust bij Bononia [Boulogne], van het grote tegenoverliggende land slechts gescheiden door een engte van de zee die telkens machtig en onstuimig rijst en dan weer daalt en glad wordt als een spiegel en dan veilig te bevaren is. Zonder problemen stak hij hier deze zeestraat over en landde bij Rutupiae [Richborough], een rustige ankerplaats aan de overkant. 7.Toen de troepen Batavi, Heruli, Jovii en Victores, manskerels van je welste, die hem nakwamen, verzameld waren, brak hij op en nam de weg naar de oude stad Lundinium, die later Augusta was komen te heten. Vandaar in verschillende richtingen gezonden overvielen zijn troepen de vijandelijke benden, die met zware buit beladen rondzwierven, verjoegen achter elkaar de barbaren die onderweg waren met gevangenen en vee en ontnamen hun de buit die van ongelukkige tribuutplichtigen afkomstig was. 8.Die werd hun zonder mankeren teruggegeven, op een klein deel na, dat aan de afgezwoegde soldaten ten goede moest komen, waarna de generaal uiterst voldaan en bijna in triomf in de stad Lundinium terugkeerde, die in de grootste ellende gedompeld was geweest maar sneller dan men had durven hopen gered was. 9.Zo optimistisch gestemd na het welslagen van deze onderneming dat hij een stevigere aanpak aandurfde, waarvoor hij mogelijkheden bedacht die het minste risico inhielden, bleef hij weifelen over de te volgen koers, aangezien hij uit verhoren van krijgsgevangenen en informatie van overlopers moest begrijpen dat de verschillende wijd en zijd verspreide horden ongelooflijk woeste vijanden er alleen met list, misleiding en verrassingsaanvallen onder te krijgen waren.10.Tenslotte liet hij bekendmaken dat deserteurs met garantie van straffeloosheid naar hun onderdelen konden terugkeren en riep hij ook veel anderen terug die met verlof verspreid elders verbleven. Daardoor aangespoord en gelokt door het aanbod kwamen de meesten inderdaad terug, zodat hij van zijn grootste zorgen bevrijd was. Bovendien verzocht hij Civilis, een rechtvaardig maar rechtlijnig man met een scherp verstand, te laten overkomen om als vice-prefect in het bestuur over Britannië te delen, alsmede Dulcitius, een generaal met een grote kennis op het gebied van de krijgskunst.

9. Moorse stammen richten verwoestingen aan in Africa. Valens maakt een eind aan de rooftochten van de Isauriërs. Over de prefectuur van Praetextatus

  1.Dit gebeurde dus in Britannië. Africa, aan de andere kant, had vanaf het begin van Valentinianus’ regering zwaar te lijden van de bandeloosheid van wilden die brutale razzia’s hielden, gepaard gaande met moordpartijen en roof. Die situatie werd nog verergerd door de slappe houding van het leger, dat zelf niet van andermans goed kon afblijven, en vooral van de comes Romanus. 2.Deze man, die vooral het belang van zijn toekomst in het oog hield en er sterk in was schuld op anderen te schuiven, was bij velen gehaat om zijn hardheid en vooral de passie waarmee hij de vijand in het beschadigen van de provincies nog overtrof, waarbij hij zich gedekt wist door zijn verwantschap met de toenmalige magister officiorum Remigius, die valse en tegenstrijdige berichten produceerde, zodat de keizer (die zich erop beroemde zo attent te zijn) lange tijd onkundig bleef van de droevige verliezen van het volk van Africa. 3.Alles wat zich in deze regionen afspeelde, inclusief de executie van de gouverneur Ruricius en de gezanten en meer zulke betreurenswaardige gebeurtenissen, zal ik echter uitvoerig behandelen ter plaatse waar dat te pas komt. 4.Maar nu het mij mogelijk is vrijuit te spreken, zal ik dat ook doen: Deze Valentinianus is de eerste van alle keizers geweest die het arrogante officierendom tot schade van het rijk vrij spel heeft gegeven door hun status te verhogen en hun macht te vergroten, terwijl hij - wat in het algemeen en in afzonderlijke gevallen te betreuren valt - gewone soldaten voor hun fouten onverbiddelijk en wreed strafte, anders dan de hogere rangen, die hij ontzag, zodat deze zich, alsof ze een vrijbrief hadden om hun gang te gaan, met de smeur van de gruwelijkste misdaden bezoedelden. Het gevolg was, dat de blaaskaken begonnen te geloven dat ze met een knip van hun vingers ieders lot konden bepalen. 5.Het was juist daarom dat wetgevers van vroeger om hun opgeblazenheid en hun gewichtigdoenerij te beteugelen, soms besloten hebben hen, zelfs als ze onschuldig waren, de doodstraf te geven. Dat gebeurt ook vaak wanneer wegens vergrijpen van een grote groep, door de oneerlijkheid van het Lot sommigen die er niet aan hebben meegedaan, mede getroffen worden, zoals trouwens ook in processen tegen gewone burgers voorkomt. 6.In Isaurië stroopten benden plunderaars de omliggende landen af, roofden ongestraft steden en landgoederen leeg en brachten Pamphilië en Cilicië grote schade toe. Musonius, die eerder als retor had gewerkt in Attisch Athene en nu als vicarius van Asia constateerde dat ze ongehinderd en allesvernietigend tekeergingen terwijl de rampzalige situatie door de lafheid en slapheid van de garnizoenen niet hersteld werd, verzamelde eindelijk een legertje lichtgewapende manschappen - zogenaamde Diogmitae - voor een vertwijfelde poging één bende rovers uit te schakelen. Maar toen hij een onoverzichtelijke pas doortrok, raakte hij hopeloos in een hinderlaag en werd met de mannen die hij aanvoerde vernietigd. 7.Toen de rovers, overmoedig geworden door dit succes,  hun zwerftochten nog brutaler in verschillende richtingen voortzetten, werden tenslotte troepen ingezet, die er de nodigen van doodden en de overigen terugdreven naar de bergholen waar ze woonden. Maar omdat het hun ook daar onmogelijk gemaakt werd een rustig bestaan te leiden en er geen voedsel te vinden was, vroegen ze op advies van de Germanicopolitanen - raad die bij hen altijd zwaar woog omdat die superieur waren - om een wapenstilstand en vrede. Op bevel gaven ze gijzelaars, waarna ze een lange tijd rustig bleven, zonder nog iets vijandigs te ondernemen. 8.Onderwijl werd Rome [in 367] op een voorbeeldige wijze bestuurd door de stadsprefect Praetextatus, die met zijn optreden, gekenmerkt door onbaatzuchtigheid en rechtvaardigheid, waarom hij sinds zijn jonge jaren bekend stond, iets bereikte wat zelden een man ten deel valt: namelijk dat hij de burgers een heilig ontzag inboezemde en toch hun aanhankelijkheid niet verloor, die jegens gevreesde bestuurders gewoonlijk minder vanzelfsprekend is. 9.Met zijn autoriteit en zijn eerlijke en rechtvaardige beslissingen wist hij de rellen te bezweren die het gevolg waren van twisten onder de christenen,14 zodat na de verwijdering van Ursinus uit de stad de rust terugkeerde die de Romeinse burgerij hoogst welkom was. Zo groeide de faam van deze bijzondere magistraat door tal van gepaste maatregelen. 10.Want bijvoorbeeld liet hij alle erkers (de zogenaamde Maeniana) afbreken, die in Rome ook op grond van oude wetten niet mochten worden aangebouwd, en liet hij de muren van huizen scheiden van die van gewijde gebouwen, waar ze weinig respectvol tegenaan leunden. Hij voorzag elke wijk van de stad van standaardgewichten, de enige mogelijkheid om af te rekenen met de hebzucht van degenen die hun weegschalen in hun eigen voordeel afstelden. En in het beoordelen van geschillen verdiende hij boven alle anderen de lof die Cicero Brutus toezwaaide: dat hoewel hij nooit iets deed om in de gunst te komen, alles wat hij deed gunstig werd geacht.15 

10. Keizer Valentinianus steekt de Rijn over. In een gevecht met voor beide  partijen bloedige verliezen verslaat hij de Alamannen die hoog in de bergen hun toevlucht hebben gezocht en jaagt ze op de vlucht 

1.Ongeveer tezelfdertijd [in 368] was Valentinianus, naar zijn eigen mening goed voorbereid, aan zijn expeditie tegen de Alamannen begonnen, toen een prins van dat volk, Rando, een lang gekoesterd plan uitvoerde en heimelijk met een lichtgewapende troep plunderaars de stad Mogontiacum [Mainz] binnensloop, die door geen garnizoen beschermd werd. 2.Het toeval wilde, dat hij daar in een jaarlijks godsdienstig feest van de christenen terechtkwam, zodat hij ongehinderd weerloze mannen en vrouwen van elke rang en stand en veel kostbaar huisraad als buit kon wegslepen. 3.Maar korte tijd later daagde onverwacht een hopelijk betere tijd voor de Romeinse staat. Koning Vithicabius namelijk, een zoon van Vadomarius, die een slap en ziekelijk type leek, maar in feite een moedig en krachtig man was, deed ons geregeld geweld aan, waarom we er alles voor over hadden om hem op de een of andere manier uit de weg te ruimen. 4.Na verschillende vergeefse pogingen om hem te laten vermoorden of hem ons in handen te laten spelen, kwam hij eindelijk inderdaad door een list van een persoonlijke oppasser, die door onze mensen intensief bewerkt was, aan zijn eind, waarna de  razzia’s van die kant enigszins afnamen. De moordenaar zocht uiteraard, beducht voor wraak als de zaak aan het licht zou komen, haastig bescherming op Romeinse grond. 5.Hierna werd met extra grote zorg en met troepen van een gevarieerde samenstelling tegen de Alamannen een uitzonderlijk zware expeditie voorbereid, wat voor de veiligheid van het rijk absoluut noodzakelijk was, aangezien van een volk dat zich telkens zo gemakkelijk herstelde, verraderlijke aanvallen te vrezen bleven. Ook onze troepen waren daar fel op, omdat een vijand die zo onberekenbaar en onbetrouwbaar was, eerst verachtelijk om genade smeekte en kort daarop weer een geduchte bedreiging vormde, hun geen rust gunde.. 6.Dus werd van alle kanten een enorme troepenmacht op de been gebracht, die goed met wapens en proviand werd uitgerust. De comes Sebastianus werd opgecommandeerd met de Illyrische en Italische legioenen onder zijn bevel en bij het aanbreken van het warme seizoen staken Valentinianus en Gratianus de Moenus [de Main] over. Omdat geen vijand te zien was, stelde de keizer de troepen in marsorde op, met hemzelf in het centrum, terwijl de generaals Jovinus en Severus aan weerszijden de flanken dekten tegen onverwachtse aanvallen. 7.Meteen, maar langzaam, en voorafgegaan door gidsen die de weg wisten en het voorland verkenden, trokken ze verder door uitgestrekte gebieden, terwijl de soldaten, één en al vechtlust, knarsetandden van woede alsof ze de vijand al vóór zich hadden. Maar toen na enkele dagen nog steeds geen tegenstander opdaagde, werden alle velden en behuizingen die men tegenkwam door de cohorten in brand gestoken en verwoest, behalve dat uiteraard vanwege onzekerheid over het verloop van de expeditie wel levensmiddelen verzameld en bewaard werden. 8.Daarna verlangzaamde de keizer de opmars tot hij in de buurt van een plaats kwam, Solicinium geheten [bij Heidelberg] en tot staan kwam als voor een hindernis toen hem uit de voorhoede werd gemeld dat in de verte barbaren werden gezien. 9.Aangezien die namelijk geen mogelijkheid zagen hun leven te redden dan door met een snelle aanval in het voordeel te komen, hadden ze zich, vertrouwend op hun kennis van het terrein eensgezind en vastberaden op een berg geposteerd die tussen grillige, steile rotsen aan alle kanten ontoegankelijk was, behalve aan de noordkant, waar hij langzaam glooiend afliep. Ter plaatse werden, zoals gebruikelijk, onze standaards in de grond geplant, terwijl langs de rijen het commando klonk de wapens gereed te houden, maar de troepen op bevel van de keizer en de generaals gedisciplineerd in het gelid bleven tot met een vaan het teken zou worden gegeven om de aanval in te zetten. 10.Er was weinig of geen tijd voor beraad, want aan de ene kant waren onze mannen nauwelijks te houden, wat een zorg was, terwijl aan de andere kant de Alamannen een ijselijk krijgsgehuil aanhieven. Inderhaast werd tot deze tactiek besloten: Sebastianus met zijn mannen de noordkant van het gebergte te laten bezetten, die, zoals gezegd glooiend afliep, zodat ze daar, als het zo mocht gaan, met vluchtende Germanen korte metten konden maken. Dit besluit werd snel uitgevoerd, en terwijl Gratianus, die nog te jong was voor het slagveld en alle ellende van dien, achter de linies bij de veldtekens van de Joviani in veiligheid werd gebracht, monsterde Valentinianus als een beheerste aanvoerder die geen risico’s nam, met ontbloot hoofd de centuriën en manipels, waarna hij zonder de hogere officieren te laten weten wat hij van plan was, zijn hele entourage liet voor wat ze was en er vandoor galoppeerde met een paar mannen, van wier toewijding en trouw hij zeker was, om de uitlopers van de berg te verkennen, bewerend (en overtuigd van zijn gelijk) dat er nog een andere weg de berg op moest zijn dan die door de verkenners ontdekt was. 11.Maar toen hij zo zijn weg zocht over ongebaand en drassig terrein dat hem onbekend was, zou hij onder de handen van een troep vijanden die in een hinderlaag gelegen was en plotseling opdook, de dood hebben gevonden als hij zich niet ternauwernood had kunnen redden door zijn paard de sporen te geven, over het glibberige, modderige terrein was ontkomen en zich tussen de legioenen in veiligheid had kunnen brengen. En hoe na hij de dood was geweest, bleek toen zijn cubicularius, die de keizerlijke, met goud en edelstenen versierde helm had gedragen, met helm en al spoorloos verdwenen was en ook later dood noch levend werd teruggevonden. 12.Toen kregen de manschappen even rust en gelegenheid opnieuw hun krachten te verzamelen, waarna de vaan werd opgestoken ten aanval. En terwijl de hele linie onder dreigend en ophitsend trompetgeschal vastberaden oprukte, schoten twee voortreffelijke jonge mannen, Salvius en Lupicinus, de één een scutarius, de ander een gentilis, om er het eerste bij te zijn meteen vóór alle anderen uit, terwijl ze de strijdlust opjoegen met verschrikkelijk krijgsgeschreeuw. Zwaaiend met hun speren kwamen ze tot onder de rotsen, vochten zich tegen het verzet van de Alamannen in omhoog, met de hele macht van het leger achter zich aan, dat zich met de kampioenen over de ruw en ruig begroeide hellingen met grote moeite naar boven werkte. 13.Daar volgde een verhit lijf aan lijf gevecht met blote wapens tussen enerzijds onze soldaten, geoefend in de krijgskunde, en anderzijds woeste, roekeloze barbaren. Tenslotte manoeuvreerde ons leger zich in de breedte, sloot de vijand aan twee kanten in en hakte er onder vreselijk wapengekletter, geschetter van trompetten en gebries van paarden op in. 14.Maar de wilden vatten moed en weerden zich heftig, zodat de strijd enige tijd in alle hevigheid voortduurde met rampzalige verliezen zonder dat een beslissing viel. 15 Tenslotte bezweken toch de Alamannen onder de onstuimige aanvallen van de Romeinen; in paniek raakten hun voorste en achterste strijders door elkaar en werden, toen ze omkeerden om er vandoor te gaan, door speren en werpspiesen doorboord. Het liep zo af, dat ze buiten adem en uitgeput vluchtend hun knieholten, kuiten en ruggen aan hun achtervolgers blootgaven, velen werden neergemaaid en een deel van degenen die ontkwamen, door Sebastianus, die met zijn reservetroep achter de berg lag, van een onverwachte kant omsingeld en afgemaakt werd. Wat over was, verschool zich hier en daar in de bossen. 16.In dit gevecht sneuvelden aan onze kant enkele mannen van grote klasse, onder wie Valerianus, de hoogste officier van de gardetroepen, en de scutarius Natuspardo, zo’n bijzondere krijgsman dat hij wel met Sicinius en Sergius van vroeger vergeleken mocht worden. Na afloop van deze campagne, die zulke wisselvalligheden had gekend, keerden de troepen terug naar hun winterkwartieren en de keizers naar Trier.  

11. Over Probus, zijn hoge afkomst, rijkdom, functies en karakter   

1.In de tijd dat deze gebeurtenissen plaatsvonden, overleed midden in zijn ambtsperiode [als praefectus praetorio van Illyricum] Vulcacius Rufus. Voor zijn opvolging werd een beroep gedaan op Probus, uit Rome, een man uit een aanzienlijke familie, om zijn macht en zijn enorme rijkdom bekend in de hele Romeinse wereld, waar hij her en der grote goederen bezat - terecht of ten onrechte, dat is niet aan mij om te beoordelen. 2.Hij leek wel - in de beeldende taal van de dichters - gedragen op de snelle vleugels van een dubbelhartige lotsgodin, die hem nu eens bezielde als weldoener die zijn vrienden aan hoge posities hielp, dan weer als niets ontziende intrigant, die wraakzuchtig en bloeddorstig zijn tol eiste. Hoewel hij zijn leven lang een invloedrijk man bleef, deels door de schenkingen die hij deed, deels door de hoge functies die hij bijna voortdurend bekleedde, en hij hooghartig kon zijn tegenover mensen die ontzag voor hem hadden, kroop hij toch soms in zijn schulp voor wie hem brutaal de baas was, zodat hij in zijn sterkste momenten leek te razen als de hoofdrol in een drama, maar als hij timide was, laffer leek dan de pantoffelheld in een komedie. 3.En zoals een vis buiten zijn element niet lang meer naar adem hapt, zo kwijnde hij weg als hij zonder prefecturen zat, waarnaar hij overigens wel genoodzaakt was te solliciteren vanwege de misdadigheid van bepaalde families, die door een grenzeloze hebzucht voortdurend met het gerecht te maken hadden en om ongestraft hun kwalijke praktijken te kunnen uitoefenen hun beschermer ondergedompeld hielden in de staatsdienst. 4.Nu moet gezegd worden dat hij van nature zo’n fatsoenlijk mens was, dat hij nooit een cliënt of een dienaar iets liet doen wat niet door de beugel kon, en als hij hoorde dat een van hen een misstap had begaan - alsof Justitia zelf de andere kant op keek - zonder de zaak te onderzoeken en zonder zich te bekommeren om zijn goede naam de betrokkene verdedigde. Cicero bekritiseerde zo’n foute houding eens met de woorden: ‘Wat is het verschil tussen iemand die aanspoort tot een daad en iemand die haar goedkeurt, of wat voor verschil maakt het of ik wil dat iets gebeurt dan wel blij ben dat het gebeurd is?’16 5.Aan de andere kant was hij wantrouwend en angstvallig nauwgezet. Ook kon hij met een zuurzoet lachje en soms een voorgewende vriendelijkheid iemand lelijk een hak zettenbenadelen. 6.Hij had iets wat bij zulke typen meer voorkomt en in het oog springt, al denken ze het goed te kunnen verbergen: een genadeloosheid en hardheid, de absolute onwil zich te laten verbidden of vergrijpen te vergeven als hij zich eenmaal had voorgenomen iemand te laten hangen. Dan leek het wel of zijn oren niet met was maar met lood waren dichtgestopt. Met al zijn rijkdom en zijn hoge functies was hij een man geplaagd door scrupules, en daarom eigenlijk altijd een beetje ziek. Dit wat betreft de gebeurtenissen in de westelijke gebieden.  

12. De Romeinen en de Perzen betwisten elkaar Armenië en Hiberië   

1.Sapor, de intussen bejaarde koning der Perzen, die vanaf het begin van zijn regering niets had gedaan dan roven en plunderen met hartstocht, was ons na de dood van keizer Julianus en het beschamende vredesverdrag dat toen gesloten was, enige tijd met zijn volk voor de schijn vriendschappelijk gezind geweest, maar trad nu het pact met Jovianus met voeten in een poging de hand te leggen op Armenië en het in zijn rijk in te lijven - alsof overeenkomsten niet meer heilig waren. 2.Eerst deed hij dat via allerlei list en bedrog, kocht een paar edelen en satrapen om en verraste andere met onverwachte uitvallen, waarmee hij dit sterke volk echter maar lichte schade toebracht. 3.Vervolgens werd koning Arsaces zelf met berekende vleierijen en leugens bewerkt; en toen deze gehoor gaf aan een uitnodiging voor een feestmaal, werd hij op bevel door een achterdeur weggesleept, werden hem de ogen uitgestoken en werd hij geboeid met zilveren ketens - wat bij dat volk als een (schrale) troost wordt gezien voor gestrafte notabelen - waarna men hem verbande naar een vesting, Agabana geheten, waar hij nog meer gekweld werd en tenslotte geëxecuteerd. 4.Om niets na te laten waarmee hij het verdrag door de modder kon halen, verjoeg Sapor Sauromaces, die door Rome met het bestuur over Hiberië was belast, en benoemde in zijn plaats een zekere Aspacures, die hij nog een diadeem opzette ook, alleen om te tonen hoe weinig hij maalde om ons gezag. 5.Nadat hij dit in zijn boosaardigheid zo geregeld had, gaf hij het bestuur over Armenië aan de eunuch Cylaces en Arrabannes, beiden overlopers die hij eerder met open armen had ontvangen. (Cylaces zou vroeger gouverneur over dat volk zijn geweest, Arrabannes militaire commandant) met de speciale opdracht Artogerassa onverbiddelijk met de grond gelijk te maken, een met machtige muren en een sterk garnizoen beveiligde stad, waar Arsaces’ vrouw en zoon zich bevonden met heel zijn bezit. 6.Overeenkomstig dit bevel begonnen de aanvoerders inderdaad met het beleg, maar aangezien de sterkte op een ruige berg gelegen was en het jaargetij bar van sneeuw en ijs en zo dus geen toegang kon worden geforceerd, vroeg en kreeg de eunuch Cylaces met zijn vrouwenmanieren verlof om met Arrabannes onder de muur te komen,  met garantie voor hun veiligheid. Op zijn verzoek werd hij met  zijn compagnon vervolgens ook de stad binnengelaten, waar hij de verdedigers en de koningin in hun eigen belang dringend aanried de wraakzucht van Sapor, de meest genadeloze man die men zich denken kon, tevreden te stellen door zich snel over te geven. 7.Lang werd daarover gedelibereerd, tot de twee die zo overtuigend tot overgave hadden geadviseerd, medelijden kregen met de koningin, die huilde en jammerde om het wrede lot van haar man, en van plan veranderden. In de hoop daar beter van te worden, spraken ze in het geheim af dat op een bepaald tijdstip ’s nachts de poort voor een troep soldaten zou worden geopend voor een moorddadige overval op het vijandelijke kamp - met de belofte ervoor te zorgen dat dit plan niet zou uitlekken. 8.Na een en ander onder ede bevestigd te hebben, verlieten ze de stad en lieten de belegeraars alle acties opschorten onder de mededeling dat de belegerden twee dagen respijt hadden bedongen om te beraadslagen over een te nemen besluit. Dan, in het holst van de nacht, toen iedereen onbekommerd lag te snurken, werd de toegangspoort tot de stad opengezet om snel een troep jonge vechters uit te laten, die geluidloos, met getrokken zwaarden het kamp binnenslopen, waar niemand op gevaar bedacht was, en een groot aantal slapers afslachtten. 9.Dit onvoorziene verraad en deze slachting onder weerloze Perzen deed de spanning tussen ons en Sapor huizenhoog oplopen, waarbij nog kwam dat Papa, de zoon van Arsaces, die op aanraden van zijn moeder met een klein gevolg de stad had verlaten, een warm onthaal vond bij keizer Valens, die hem een verblijf toewees in Neocaesarea, een bekende stad in de provincie Pontus Polemoniacus, waar hij royaal werd onderhouden. Deze hartelijke bejegening bracht Cylaces en Arrabannes op het idee, vertegenwoordigers naar Valens te zenden met het verzoek hen te steunen en hun deze Papa als koning te geven. 10.Gezien de hele situatie werd het verzoek om steun afgewezen, maar werd wel Papa onder de hoede van de dux Terentius teruggezonden naar Armenië om de regering over zijn volk op zich te nemen, echter voorlopig zonder uiterlijke tekenen van koninklijke waardigheid, welke voorwaarde terecht werd gesteld om te voorkomen dat wij van verdragsschending en vijandig handelen konden worden beschuldigd. 11.Toen hij van al deze ontwikkelingen vernam, werd Sapor razend, mobiliseerde grote troepeneenheden en begon daarmee Armenië demonstratief te plunderen en te verwoesten. Van zijn komst schrokken Papa, Cylaces en Arrabannes zo dat ze,  verstoken van elke hulp, hun toevlucht zochten in de bergen die de grens vormen tussen ons gebied en Lazica, waar ze zich vijf maanden lang diep in de bossen en rotsspleten verscholen en aan alle pogingen van de Perzische koning om ze te vangen wisten te ontsnappen. 12.Deze zag tenslotte in dat al zijn moeite vergeefs was, terwijl de winterse sterrenbeelden al aan de nachtelijke hemel schitterden, en liet toen alle boomgaarden en alle burchten en vestingen die hem met geweld of door verraad in handen waren gevallen, in brand steken, waarna hij met heel zijn legermacht het beleg om Artogerassa sloeg. Na veel strijd met wisselende kansen dwong hij de verdediging de stad over te geven, waarop hij haar platbrandde en de vrouw van Arsaces en diens bezittingen opspoorde en wegvoerde. 13.Vanwege dit alles werd de comes Arintheus met een leger naar dat gebied gezonden om de Armeniërs hulp te bieden, mocht zo’n actie van de Perzen zich  herhalen. 14.Sapor, intussen, die ongelooflijk sluwe vos, die naargelang het hem uitkwam zich klein kon maken of opblazen, verweet Papa in een geheime correspondentie dat hij geen oog had voor zijn eigen belang, want onder de schijn van een koninklijke status niet méér was dan de slaaf van Cylaces en Arrabannus, en spiegelde hem voor de toekomst samenwerking voor. Voor die verleiding bezweek Papa, liet de twee mannen ombrengen en zond hun afgehouwen hoofden naar Sapor als teken van zijn onderdanigheid. 15.Het nieuws van deze tegenslag verspreidde zich snel, en heel Armenië zou onverdedigd verloren zijn gegaan als de Perzen niet door de komst van Arintheus waren afgeschrikt en voorlopig van een tweede inval hadden afgezien. Nu beperkten ze zich ertoe gezanten naar onze keizer te sturen met het verzoek dit volk overeenkomstig het akkoord dat met Jovianus was gesloten, militair te negeren. 16.Dit werd afgewezen. En Sauromaces, aan wie, zoals hiervóór gezegd, het koningschap over Hiberië was ontnomen, werd erheen gezonden met Terentius en twaalf legereenheden. Toen hij al haast de rivier de Cyrus had bereikt, kwam Aspacures bij hem met het voorstel het land, aangezien ze neven waren, gezamenlijk te besturen, met als argument van zijn kant dat zijn handen gebonden waren en hij niet naar de Romeinse partij kon overgaan zolang zijn zoon Ultra nog als gijzelaar in de macht van de Perzen was. 17.Daarover ingelicht, stemde de keizer toe in een tweedeling van Hiberië met de rivier de Cyrus als scheidslijn, om problemen die wat dit betrof dreigden te ontstaan op een eenvoudige manier te voorkomen. Sauromaces zou dan het deel krijgen dat aan Armenië en Lazica grensde; Aspacures het deel grenzend aan Albanië en Perzië. 18.Hierover hevig gebelgd, riep Sapor dat hij schandelijk behandeld werd: ten eerste werd in strijd met de bepalingen van de verdragen hulp geboden aan de Armeniërs en was de delegatie die hij naar ons had gezonden om dit recht te zetten, met lege handen teruggekeerd; ten tweede was zonder zijn toestemming en buiten hem om besloten tot een tweedeling van het koninkrijk Hiberië. Daarmee was als het ware de deur naar goede betrekkingen dichtgesmeten en zocht hij nu steun bij zijn buurvolken om met zijn legers in staat van paraatheid aan het begin van het milde seizoen alles ongedaan te maken wat de Romeinen in hun eigen belang hadden geregeld.

Noten

1.Zie boek xxvi,5,7. retour


2.Tuscia (Etrurië) was verdeeld in Tuscia Annonaria en Tuscia Urbicaria. retour


3.Waarschijnlijk reders of kapiteins van graanschepen. De graantransporten naar Rome en Constantinopel waren heilig en werden beschermd met de strengste sancties. retour


4.Thans de Santa Maria Maggiore. retour


5.Homerus, Ilias, IX,5. retour


6.De Thracische Bosporus. retour


7.Cicero, Priora Academica II, 38,119. retour


8.Consuls in de 2e en 1e eeuw vC. Lucullus was consul in 73 vC. retour


9.Zie boek xxxi,3,4,6,8. retour


10.Zodat bij zijn eventueel voortijdig overlijden de opvolging geen problemen zou geven. Gratianus was overigens pas negen jaar oud. retour


11.Zie boven, 3,2. retour


12.In verband met zijn expeditie tegen de Alamannen. Zie onder, 10. retour


13.Homerus, Odyssee, XII, 452. retour


14.Zie boven, 3,11vv. retour


15.Cicero, Orator, 10,34. retour


16.Cicero, Tweede Philippica, 12,29. retour