BOEK
XXVII
1. De Alamannen
verslaan de Romeinen. De comites
Charietto en Severianus sneuvelen
1.Terwijl de wisselval der gebeurtenissen in de Oriënt daar tot de situaties leidden die ik beschreven heb, herstelden aan de andere kant de Alamannen zich van de zware verliezen en schaden die ze geleden hadden in de verschillende confrontaties met caesar Julianus - al werden ze niet meer zo sterk als destijds - en schonden alweer, gevreesd om wat ik vertelde [in verband met de behandeling van hun gezanten], de grenzen van Gallië.1 Direct na het begin van het nieuwe jaar [365], toen boven dat ijzige land nog de kille wintersterren schitterden, braken ze door en zwierven in grote troepen ongehinderd plunderend rond. 2.De bevelhebber in Opper en Neder Germanië, Charietto, marcheerde de eerste troep tegemoet met een strijdbelust leger, samen met de oude en versleten generaal Severianus, die met Cabyllona [Châlon-sur Saône] als standplaats het bevel voerde over de Divitenses en Tungricani. 3.Met de verschillende legers verenigd werd via een brug een smalle rivier overgestoken, waarna op een afstand de barbaren in zicht kwamen, die met pijlen en andere lichte spiesen onder schot werden genomen en met gelijke munt terugbetaalden. 4.Maar toen het tot een gevecht kwam van man tegen man met blanke wapens, werd onze slagorde door de vijand in een felle actie opengebroken en zag geen kans meer zich goed te verdedigen of een behoorlijke tegenaanval uit te voeren. En toen gezien werd dat Severianus een speer in zijn lijf kreeg en van zijn paard werd geworpen, sloeg iedereen in paniek op de vlucht. 5.Charietto wierp zich daar met mannenmoed tegenin, schreeuwde verwijten, hield de vluchtenden tegen, wilde nog door pal te blijven staan de smaad, de schande uitdelgen, maar werd dodelijk getroffen door een speer en viel. 6.Na zijn dood maakten de barbaren de standaard van de Herulen en Bataven buit, die ze in een woeste wapendans onder spottende kreten omhoog staken om hem te laten zien, tot hij na hevige gevechten werd terugveroverd.
2. De generaal van de cavalerie in Gallië, Jovinus, overvalt onverwachts twee troepen Alamannen. In een slag bij Catalauni verslaat hij een derde troep barbaren. Van de vijanden sneuvelen er zesduizend en worden er vierduizend gewond
3. Over de drie stadsprefecten Symmachus, Lampadius en Viventius, en over de strijd, tijdens de prefectuur van de laatste, tussen Damasus en Ursinus om de bisschopszetel van Rome
4. Een beschrijving
van de zes provincies van Thracië met hun volken en hun fameuze steden
1.Terwijl
de hiervóór beschreven gebeurtenissen plaatsvonden in Gallië en Italië,
werd in Thracië een nieuwe veldtocht voorbereid. Want Valens nam nu met
instemming van Valentinianus, die hij hierover raadpleegde en door wiens woord
hij zich liet leiden, de wapens op tegen de Goten, en met recht, omdat die
Procopius in het begin van zijn opstand hulptroepen hadden gestuurd. Het lijkt
mij dus dienstig over de voorgeschiedenis en de ligging van die regionen in
een korte uitweiding iets te zeggen. 2.Het zou gemakkelijker zijn een
beschrijving van Thracië te geven als oude schrijvers het meer met elkaar
eens waren; dus, aangezien zij met hun onduidelijkheid en tegenstrijdigheden
van weinig nut zijn voor een werk dat op waarheid gericht is, wil ik mij
beperken tot wat ik mij herinner zelf te hebben gezien. 3.Dat deze gebieden
vroeger hebben bestaan uit immense, vlakke uitgestrektheden met hoge bergen,
lezen we in het onsterfelijke getuigenis van Homerus, die meent dat daar de
noorden- en westenwinden vandaan komen.5 Dat is natuurlijk een
verzinsel of anders heeft men vroeger alle uitgestrekte woongebieden van
barbaren hier onder de naam Thracië samengevat. 4.Een deel daarvan werd ooit
bewoond door de Scordiscers (die nu ver van die provincies af wonen), een
woest en wreed volk, waarbij het volgens de overlevering gebruik was door hun
gevangenen aan Bellona en Mars te offeren deze goden gunstig te stemmen, en
uit hun holle schedels met grote gretigheid mensenbloed te drinken. De
Romeinse staat had vaak ernstig van hun woestheid te lijden, moest ettelijke
keren nederlagen incasseren en verloor tegen hen tenslotte zelfs een heel
leger met aanvoerder en al. 5.Zoals we ze nu zien, bieden deze regionen,
namelijk halvemaanvormig, het beeld van een majestueus theater. In het westen,
waar dit het hoogst is, vormt de nauwe pas van Succi een doorgang door de
steile bergen, Thracië scheidend van Dacië. 6.Links, onder de noordelijke
sterrenhemel, wordt het omsloten door het hoge Haemusgebergte en de Hister [de
Donau], waaraan op Romeins gebied een groot aantal steden, vestingen en forten
gelegen zijn. 7.Rechts, dus naar het zuiden, strekken zich de rotsen van
Rhodope uit; en waar de morgenster opkomt, wordt het begrensd door de
zeestraat 6 die een smalle scheiding vormt tussen de werelddelen en
waardoor water van de Pontus rijkelijk (met ook tegenstromingen) overloopt
naar de Egeïsche Zee. 8.In de oosthoek raakt Thracië aan de randgebieden van
Macedonië via een enge, steile pas die de Acontisma wordt genoemd. Vlak
daarbij liggen het poststation Arethusa, waar het graf van Euripides, de
beroemde dichter van grootse tragedies, bezichtigd kan worden, en Stagira, de
geboorteplaats zoals we weten van de man, die in de woorden van Cicero ‘een
gouden stroom leringen liet vloeien’, Aristoteles.7 9.In vroeger
tijden werden ook deze gebieden door barbaren bewoond, waarvan de talen en
zeden onderling sterk verschilden. Daarvan stonden de Odrysen bekend als
vreselijk wild, wilder dan de rest, zo verslingerd aan bloedvergieten, dat als
ze zich bij hun gelagen bezat hadden aan eten en drinken en daarvoor geen
vijanden bij de hand hadden, ze elkaar overhoop staken alsof ze vreemden
waren. 10.Maar toen onze staat machtiger werd onder het voorspoedige bewind
van de consuls, kreeg Marcus Didius deze tot dan toe ontembare, onbeschaafde,
wetteloze zwerfvolken er stevig onder, dwong Drusus hen binnen eigen grenzen
en werden ze door Minucius verpletterend verslagen in een gevecht aan de
rivier de Hebrus, die van de hoogten van het Odrysengebergte komt, waarna de
rest door de proconsul Appius
Claudius in een hevig gevecht vernietigd werd.8 De Romeinse vloten
bezetten toen de steden aan de Bosporus en de Propontis. 11.Na deze consuls
kwam generaal Lucullus, die als eerste het woeste volk van de Bessen bestreed
en in dezelfde campagne de Haemimontanen onderwierp, ondanks hun fel verzet.
Onder zijn regiem kwamen alle regio’s van Thracië onder het gezag van onze
vaderen, waardoor na risicovolle oorlogen zes provincies voor de republiek
gewonnen werden. 12.De eerste daarvan, aan de kant van Illyricum gelegen, is
het eigenlijke Thracië, gesierd met zulke schitterende steden als
Philippopolis, voorheen Eumolpias geheten, en Beroea. Daarna komt Haemimontus
met Hadrianopolis, vroeger Uscudama, en Anchialos, twee grote en welvarende
steden. Vervolgens Mysië [Neder Moesië] met Marcianopolis (genoemd naar de
zus van Trajanus), Dorostorus, Nicopolis en Odessus. Vlak daarop komt Scythië,
met als de belangrijkste plaatsen Dionysopolis, Tomi en Callatia. Het verste
weg ligt Europa, waar naast enkele kleinere plaatsen vooral de twee steden
Apri en Perinthus (later Heraclea genoemd) bekendheid genieten. 13.Daarnaast
ligt Rhodope met Maximianopolis, Maronea en Aenus, een stichting van Aeneas,
die hij weer verliet om na lange omzwervingen, altijd onder gunstige auspiciën,
Italië in bezit te nemen. 14.Het is een feit, door tal van getuigenissen
bevestigd, dat bijna alle landlieden die in de zojuist beschreven gebieden de
bergen bewonen, op ons vóór hebben dat ze geweldig gezond zijn en het
voorrecht hebben (als men het zo zeggen mag) van een lang leven. Men denkt dat
dit daardoor komt dat ze niet van alles door elkaar eten en zeker geen heet
voedsel en eindeloos hun jeugdige kracht behouden doordat ze verkeren in de
frisse morgendauw, die hen fit maakt, en in een aangename, zuivere lucht, en
bovendien de eerste stralen van de zon op zich voelen vóór die verontreinigd
zijn door aanraking met menselijke dingen. Na deze uiteenzetting keer ik terug
naar waar ik aan begonnen was.
5. Keizer Valens bindt de strijd aan met de Goten die Procopius tegen hem geholpen hebben en sluit daarmee na drie jaar vrede
6. Met instemming van
het leger verheft Valentinianus zijn zoon Gratianus tot Augustus. Hij maant de
in het purper geklede jongeman tot dapperheid en stelt hem onder bescherming
van het leger
1.Intussen
werd Valentinianus door zo’n ernstige ziekte getroffen dat zijn einde nabij
leek. De Galliërs in zijn entourage kozen dus alvast in een geheime
bespreking de toenmalige magister memoriae Rusticus
Julianus als hun kandidaat voor de troonopvolging, een man die, alsof hij
bezeten was van een soort waanzinnigheid, als een wild beest dorstte naar
mensenbloed, zoals naar buiten kwam toen hij als proconsul belast was
met het
bestuur over Africa. 2.Hij zou
later sterven als prefect van Rome, in welke functie hij wel - gezien de
hachelijke situatie waarin de usurpator [Maximus] zich bevond, die hem, alsof
er niet genoeg waardige kandidaten waren, op deze hoge post benoemd had -
voorzichtigheidshalve en noodgedwongen de schijn ophield van een mild
en toegeeflijk man te zijn. 3.Daarentegen waren er ook die met groot
enthousiasme de kandidatuur steunden van de toenmalige magister
peditum Severus, die volgens hen daarvoor geschikt was en, al was
hij een streng en gevreesd man, toch beter te verdragen en in alle opzichten
verkieslijker was dan de eerstgenoemde. 4.Maar al dit geheime overleg liep
dood toen de keizer door behandeling met allerlei medicijnen herstelde.
Beseffend dat hij ternauwernood aan de dood was ontsnapt, overwoog deze toen
zijn zoon Gratianus, die al de volwassen leeftijd naderde, met de insignes van
de keizerlijke waardigheid te begiftigen.10 5.En toen alle
voorbereidingen daarvoor waren getroffen en de soldaten van harte voor dat
plan gewonnen waren, verscheen Valentinianus op een dag op het marsveld met
Gratianus, en besteeg een platform waarop hij, omgeven door de glans van zijn
hofhouding, de jongen bij de hand nam en naar voren haalde en hem aan het
leger als toekomstige keizer aanbeval met de volgende publieke toespraak.
6.‘Het is een waarachtig teken van uw
toewijding aan mij, dat ik met dit gewaad der keizerlijke waardigheid ben
omhangen, waardoor ik uitverkoren ben boven veel andere voortreffelijke
mannen. Met u als betrokkenen bij mijn plannen en beoordelaars van mijn wensen
wil ik een familiale daad stellen die aan de orde is nu de god door wiens
toedoen Rome onwrikbaar staat daar zijn zegen aan geeft. 7.Hoort dus, vraag ik
u, mijn dapperen, met welwillendheid mijn wens die in de sfeer van de
ouderliefde ligt, en die ik u niet alleen kenbaar wil maken maar ook bevestigd
wil zien door uw goedkeuring, omdat het u past en van voordeel zal zijn.
8.Mijn haast volwassen zoon hier, Gratianus, die jarenlang met uw kinderen
heeft verkeerd en voor u een dierbare schakel is tussen u en mij, wens ik om
de rijksvrede in alle opzichten veilig te stellen, deelgenoot van mijn
keizerlijke macht te maken, zo de genadige wil van de hemelse godheid en ook
uw almachtige wil dit voornemen, ingegeven door mijn vaderliefde, steunen. Hij
is wel niet zoals wij van jongs af in een harde leerschool gevormd, niet
gehard door moeilijkheden het hoofd te moeten bieden - u ziet dat hij nog niet
toe is aan het krijgsbedrijf - maar in de lijn van zijn roemrijke familie en
de grote daden van zijn voorvaderen zal hij het (ik zeg het met bescheidenheid
met het oog op de godin van de Afgunst) tot grote hoogte brengen. 9.Want ik
ben geneigd te denken, als ik zijn karakter en zijn aanleg beschouw, die
weliswaar nog niet tot rijpheid zijn gekomen, dat nu hij jongeman wordt,
gevormd door studie en getraind in praktische vaardigheden, hij met een gezond
oordeel juist en onjuist handelen zal weten te wegen en zich zo zal opstellen
dat rechtschapen en verdienstelijke mannen zullen weten dat hij hen verstaat.
Hij zal voorwaarts stormen en moedige daden verrichten, de adelaars en
legervaandels trouw blijven, zon en sneeuw, vorst en dorst en slapeloze
nachten verdragen; als dat soms nodig is, onder de voorsten zijn die het kamp
verdedigen, zijn leven wagen voor zijn kameraden in gevaar en, wat de eerste
en zwaarste eis is van plichtsgetrouwheid: zijn land even lief weten te hebben
als het Huis van zijn vader en grootvader.’10.De keizer had zijn toespraak,
die met vreugde en instemming werd aanhoord, nog niet beëindigd, of zijn
soldaten, ieder op zijn plaats en zoals hij het voelde, riepen alsof ze
deelden in zijn belang en geluk om het hardst Gratianus tot Augustus uit,
terwijl ze hun oorverdovende acclamaties onderstreepten met wapengekletter als
teken van bijval. 11.Valentinianus bezag dit met genoegen en grote
tevredenheid. Toen zette hij zijn zoon de kroon op, sloeg hem de keizersmantel
om, kuste hem en sprak de stralende jongeman, die zijn woorden gespannen in
zich opnam, als volgt toe: 12.‘Zie,
mijn dierbare Gratianus,, je draagt nu, zoals we allen gehoopt hebben, het
keizerlijk gewaad, dat je volgens mijn wens en die van onze medestrijders
onder gunstige voortekenen geschonken is. Bereid je er nu op voor en gewen je,
gezien de zwaarte van onze taken, om als collega van je vader en je oom
onverschrokken met de infanterie het ijs op de Donau en de Rijn over te
steken, met je soldaten te blijven, je leven en je bloed over te hebben voor
de manschappen onder je commando, en niets beneden je waardigheid te achten
wat in het belang is voor de Romeinse staat te doen. 13.Voor het moment wil ik
het bij dit vermaan laten. In de toekomst zal ik je nog genoeg raad geven.En
tenslotte, geweldige verdedigers van ons land, heb ik aan u het dringende
verzoek, over uw aankomende keizer, die ik onder uw bescherming stel, met
toewijding en zorg te waken.’ 14.Na deze plechtige en feestelijke toespraken
riep Eupraxius uit Mauretanië, die toentertijd magister
memorae was, als eerste: ‘Het Huis van Gratianus verdient dit!’
en werd prompt bevorderd tot praetor.
Hij was een man uit één stuk, waarvan hij de bewijzen zou nalaten als
voorbeelden van een goede rechtspleging,
want hij was onwankelbaar principieel, altijd zichzelf, en leek op de
wetten die we voor iedereen in welk rechtsgeding ook met één en dezelfde
stem horen spreken; zelfs bleef hij des te koppiger bij zijn eenmaal ingenomen
standpunt als het om recht en wet ging, wanneer de keizer hem in plaats van
zijn goede adviezen op te volgen kritiseerde en bedreigde. 15.Daarna prezen
allen om strijd de oudere en de jongere keizer, en vooral de jongeman met zijn
fonkelende ogen, zijn charmante trekken, zijn goed postuur en zijn nobele
inborst, zijn aanbevelenswaardige eigenschappen, die de belofte inhielden van
een perfecte keizer, die de vergelijking met de beste vroegere keizers had
kunnen doorstaan als het Lot en de verantwoordelijken in zijn omgeving dat
mogelijk hadden gemaakt, die over zijn nog niet gerijpte karakter met hun
slechte invloed een donkere sluier legden. 16.Trouwens, wat dit betrof ging
Valentinianus buiten de vanouds geldende orde door in zijn overgrote
genegenheid zijn broer en zijn zoon tot Augustus te benoemen in plaats van tot
Caesar. Want daarvóór had niemand een collega aangenomen op zijn eigen
niveau - behalve keizer Marcus [Aurelius], die zijn keizerlijke macht zonder
enige beperking deelde met zijn adoptiefbroer Verus.
7. Over de
opvliegendheid, woeste neigingen en wreedheid van keizer Valentinianus
1.Nauwelijks
waren enkele dagen verlopen sinds deze aangelegenheid overeenkomstig de wens
van de keizer en het leger geregeld was, toen de praefectus
praetorio [van Italië] Mamertinus
bij zijn terugkeer uit Rome, waar hij heen was om enkele zaken recht te
zetten, door de ex-vicarius [van
Africa] Avitianus beschuldigd
werd van
verduistering van
staatsgelden. 2.Daarom werd hij
vervangen door Vulcatius Rufinus, een in alle opzichten respectabel man, die
de waardigheid van zijn grijze haar met ere droeg (al liet hij zich nooit de
kans op een voordeel ontgaan als dat onopgemerkt kon blijven). 3.Eenmaal in de
gunst van de keizer, kreeg hij het klaar dat Orfitus, de voormalige prefect
van Rome, uit zijn ballingschap werd verlost en met herstel van zijn vermogen
naar huis mocht terugkeren.11 4.Valentinianus was berucht om zijn
wreedheid. En hoewel hij in het begin van zijn regeerperiode om zijn reputatie
te verbeteren bewust zijn best deed zijn woeste neigingen in toom te houden,
stak dit sluipende en tijdelijk verdrongen kwaad langzamerhand toch de kop op,
tot het, niet langer geremd en nog verergerd door hevige woedeaanvallen, voor
velen de ondergang werd. Volgens filosofen namelijk is de neiging tot woede
een langdurige en soms ongeneeslijke kanker van de geest, meestal veroorzaakt
door zwakheid van verstand, waarvoor ze het plausibele argument aanvoeren dat
ziekelijke mensen vaker opvliegend zijn dan gezonde, vrouwen meer dan mannen,
ouderen meer dan jongeren, ongelukkigen meer dan gelukkigen. 5.Opzien baarde
in die tijd de terechtstelling (onder meer executies, maar van lagere
personen) van Diocles, een voormalige comes
largitionum van Illyricum, die de
keizer wegens enkele lichte vergrijpen levend liet verbranden, en ook die van
Diodorus, een voormalige geheim agent, en van drie ondergeschikten van de vicarius
van Italië, die op een gruwelijke manier werden gedood omdat de comes
van Italië zich bij de keizer had beklaagd over het feit dat Diodorus tegen
hem bij het gerecht in een civiele zaak hulp had gezocht en de bedoelde
ondergeschikten het gewaagd hadden hem, toen hij op het punt stond af te
reizen, in opdracht van de rechter aan te zeggen dat hij zich beschikbaar
moest houden. De christenen in Milaan houden de herinnering aan hen tot op de
dag van vandaag in ere en noemen de plaats waar ze begraven zijn ‘Bij de
Onschuldigen’. 6.Toen later een rechter in de zaak tegen een Pannoniër (!),
een zekere Maxentius, terecht de onmiddellijke executie bevolen had, eiste de
keizer de dood van de decurio’s van drie steden, waarop Eupraxius, die toen quaestor
was, tussenbeide kwam en zei: ‘Handelt u voorzichtiger, genadigste keizer,
want deze burgers, die u als criminelen ter dood wilt laten brengen, zullen
door de christenen als martelaren (dat wil zeggen: godwelgevalligen) vereerd
gaan worden. 7.Deze effectieve, moedige interventie van Eupraxius vond
navolging bij de prefect [van Gallië] Florentius, toen deze hoorde dat de
keizer, om de een of andere vergeeflijke fout in razernij ontstoken, de
executie had bevolen van drie decurio’s elk van een aantal steden. Hij zei
toen namelijk: ‘Maar wat te doen als een stad zoveel decurio’s niet heeft?
Dus moet het vonnis worden gecompleteerd met de woorden “voorzover
aanwezig”’. 8.Om nog een voorbeeld te geven van deze hardvochtigheid, te
vreselijk als feit en voor woorden: als iemand zich tot hem wendde om te
voorkomen dat hij met een machtige vijand als rechter te maken zou krijgen,
dus met het verzoek in zijn geval een andere rechter aan te wijzen, werd hem
dat geweigerd en werd hij, welke goede redenen hij daartegen ook aanvoerde,
toch verwezen naar de man die hij vreesde. Zo werd ook wel dit afschuwelijks
rondverteld dat als de keizer hoorde van iemand met [belasting]schuld die in
een noodsituatie niet in staat was te betalen, hij hem naar de scherprechter
verwees. 9.Zo gaan sommige keizers in hun hoogmoedswaan naar willekeur hun
gang omdat zij hun vrienden de gelegenheid ontzeggen hun denken en doen te
corrigeren en hun vijanden ervan afschrikken ook maar iets te zeggen. Tegen de
slechtheid van hen die menen dat zij de wijsheid in pacht hebben, is geen
kruid gewassen.
1.Onderweg van Ambiani [Amiens] naar Treveri [Trier] 12 werd Valentinianus onaangenaam verrast door het bericht dat Britannië vanwege een samenspanning van barbaren in grote nood verkeerde, dat de comes van het kustgebied Nectaridus gedood was en de dux Fullofaudes in een hinderlaag was gelopen en gevangen genomen. 2.Dit nieuws bracht grote opschudding teweeg en de keizer zond er eerst de toenmalige comes domesticorum Severus heen, om, als de omstandigheden gunstig zouden blijken, de schade te herstellen, en na hem - want hij werd kort daarop teruggeroepen - Jovinus (...), die echter de opmars afbrak en zijn troepen liet omkeren om hulp af te wachten van een sterker leger, wat, zoals hij verklaarde, gezien de netelige omstandigheden absoluut noodzakelijk was. 3.Omdat alarmerende berichten over het eiland bleven binnenkomen, werd uiteindelijk Theodosius aangezocht om de zaak te klaren; een fameus man was dat, die in de krijgsdienst zijn sporen had verdiend. Hij wierf moedige, jonge knapen uit legioenen en cohorten en vertrok daarmee met spoed. Grote verwachtingen ijlden vooruit. 4.En omdat ik in mijn relaas van het optreden van keizer Constans het verschijnsel van eb en vloed en de ligging van Britannië al naar mijn beste vermogen heb behandeld, meen ik dat het overbodig is dit nog eens te herhalen. (Ook Odysseus zag volgens Homerus bij de Phaeaken op tegen de grote moeite zijn geschiedenis opnieuw te vertellen...13 5.Wel moet ik duidelijk maken dat in deze tijd de Picten, verdeeld in twee stammen, de Dicalydonen en de Verturionen genaamd, evenals het krijgshaftige volk van de Attacotten, en de Scotten, op hun uitgebreide zwerftochten grote verwoestingen aanrichtten, terwijl de gouwen van Gallië overal waar ze over land of zee toegankelijk waren, door de Franken en hun buren, de Saksen, bezocht werden met roof, brandstichting en vermoording van wie hun maar in handen viel. 6.Met de opdracht, zo dat met het nodige geluk mogelijk zou blijken, verder onheil te voorkomen, vertrok de onvervaarde Theodosius naar het einde van het vasteland, de kust bij Bononia [Boulogne], van het grote tegenoverliggende land slechts gescheiden door een engte van de zee die telkens machtig en onstuimig rijst en dan weer daalt en glad wordt als een spiegel en dan veilig te bevaren is. Zonder problemen stak hij hier deze zeestraat over en landde bij Rutupiae [Richborough], een rustige ankerplaats aan de overkant. 7.Toen de troepen Batavi, Heruli, Jovii en Victores, manskerels van je welste, die hem nakwamen, verzameld waren, brak hij op en nam de weg naar de oude stad Lundinium, die later Augusta was komen te heten. Vandaar in verschillende richtingen gezonden overvielen zijn troepen de vijandelijke benden, die met zware buit beladen rondzwierven, verjoegen achter elkaar de barbaren die onderweg waren met gevangenen en vee en ontnamen hun de buit die van ongelukkige tribuutplichtigen afkomstig was. 8.Die werd hun zonder mankeren teruggegeven, op een klein deel na, dat aan de afgezwoegde soldaten ten goede moest komen, waarna de generaal uiterst voldaan en bijna in triomf in de stad Lundinium terugkeerde, die in de grootste ellende gedompeld was geweest maar sneller dan men had durven hopen gered was. 9.Zo optimistisch gestemd na het welslagen van deze onderneming dat hij een stevigere aanpak aandurfde, waarvoor hij mogelijkheden bedacht die het minste risico inhielden, bleef hij weifelen over de te volgen koers, aangezien hij uit verhoren van krijgsgevangenen en informatie van overlopers moest begrijpen dat de verschillende wijd en zijd verspreide horden ongelooflijk woeste vijanden er alleen met list, misleiding en verrassingsaanvallen onder te krijgen waren.10.Tenslotte liet hij bekendmaken dat deserteurs met garantie van straffeloosheid naar hun onderdelen konden terugkeren en riep hij ook veel anderen terug die met verlof verspreid elders verbleven. Daardoor aangespoord en gelokt door het aanbod kwamen de meesten inderdaad terug, zodat hij van zijn grootste zorgen bevrijd was. Bovendien verzocht hij Civilis, een rechtvaardig maar rechtlijnig man met een scherp verstand, te laten overkomen om als vice-prefect in het bestuur over Britannië te delen, alsmede Dulcitius, een generaal met een grote kennis op het gebied van de krijgskunst.
9. Moorse stammen richten verwoestingen aan in Africa. Valens maakt een eind aan de rooftochten van de Isauriërs. Over de prefectuur van Praetextatus
10. Keizer
Valentinianus steekt de Rijn over. In een gevecht met voor beide
partijen bloedige verliezen verslaat hij de Alamannen die hoog in de
bergen hun toevlucht hebben gezocht en jaagt ze op de vlucht
1.Ongeveer
tezelfdertijd [in 368] was Valentinianus, naar zijn eigen mening goed
voorbereid, aan zijn expeditie tegen de Alamannen begonnen, toen een prins van
dat volk, Rando, een lang gekoesterd plan uitvoerde en heimelijk met een
lichtgewapende troep plunderaars de stad Mogontiacum [Mainz] binnensloop, die
door geen garnizoen beschermd werd. 2.Het toeval wilde, dat hij daar in een
jaarlijks godsdienstig feest van de christenen terechtkwam, zodat hij
ongehinderd weerloze mannen en vrouwen van elke rang en stand en veel kostbaar
huisraad als buit kon wegslepen. 3.Maar korte tijd later daagde onverwacht een
hopelijk betere tijd voor de Romeinse staat. Koning Vithicabius namelijk, een
zoon van Vadomarius, die een slap en ziekelijk type leek, maar in feite een
moedig en krachtig man was, deed ons geregeld geweld aan, waarom we er alles
voor over hadden om hem op de een of andere manier uit de weg te ruimen. 4.Na
verschillende vergeefse pogingen om hem te laten vermoorden of hem ons in
handen te laten spelen, kwam hij eindelijk inderdaad door een list van een
persoonlijke oppasser, die door onze mensen intensief bewerkt was, aan zijn
eind, waarna de razzia’s van
die kant enigszins afnamen. De moordenaar zocht uiteraard, beducht voor wraak
als de zaak aan het licht zou komen, haastig bescherming op Romeinse grond.
5.Hierna werd met extra grote zorg en met troepen van een gevarieerde
samenstelling tegen de Alamannen een uitzonderlijk zware expeditie voorbereid,
wat voor de veiligheid van het rijk absoluut noodzakelijk was, aangezien van
een volk dat zich telkens zo gemakkelijk herstelde, verraderlijke aanvallen te
vrezen bleven. Ook onze troepen waren daar fel op, omdat een vijand die zo
onberekenbaar en onbetrouwbaar was, eerst verachtelijk om genade smeekte en
kort daarop weer een geduchte bedreiging vormde, hun geen rust gunde.. 6.Dus
werd van alle kanten een enorme troepenmacht op de been gebracht, die goed met
wapens en proviand werd uitgerust. De comes
Sebastianus werd opgecommandeerd met de Illyrische en Italische legioenen
onder zijn bevel en bij het aanbreken van het warme seizoen staken
Valentinianus en Gratianus de Moenus [de Main] over. Omdat geen vijand te zien
was, stelde de keizer de troepen in marsorde op, met hemzelf in het centrum,
terwijl de generaals Jovinus en Severus aan weerszijden de flanken dekten
tegen onverwachtse aanvallen. 7.Meteen, maar langzaam, en voorafgegaan door
gidsen die de weg wisten en het voorland verkenden, trokken ze verder door
uitgestrekte gebieden, terwijl de soldaten, één en al vechtlust,
knarsetandden van woede alsof ze de vijand al vóór zich hadden. Maar toen na
enkele dagen nog steeds geen tegenstander opdaagde, werden alle velden en
behuizingen die men tegenkwam door de cohorten in brand gestoken en verwoest,
behalve dat uiteraard vanwege onzekerheid over het verloop van de expeditie
wel levensmiddelen verzameld en bewaard werden. 8.Daarna verlangzaamde de
keizer de opmars tot hij in de buurt van een plaats kwam, Solicinium geheten
[bij Heidelberg] en tot staan kwam als voor een hindernis toen hem uit de
voorhoede werd gemeld dat in de verte barbaren werden gezien. 9.Aangezien die
namelijk geen mogelijkheid zagen hun leven te redden dan door met een snelle
aanval in het voordeel te komen, hadden ze zich, vertrouwend op hun kennis van
het terrein eensgezind en vastberaden op een berg geposteerd die tussen
grillige, steile rotsen aan alle kanten ontoegankelijk was, behalve aan de
noordkant, waar hij langzaam glooiend afliep. Ter plaatse werden, zoals
gebruikelijk, onze standaards in de grond geplant, terwijl langs de rijen het
commando klonk de wapens gereed te houden, maar de troepen op bevel van de
keizer en de generaals gedisciplineerd in het gelid bleven tot met een vaan
het teken zou worden gegeven om de aanval in te zetten. 10.Er was weinig of
geen tijd voor beraad, want aan de ene kant waren onze mannen nauwelijks te
houden, wat een zorg was, terwijl aan de andere kant de Alamannen een ijselijk
krijgsgehuil aanhieven. Inderhaast werd tot deze tactiek besloten: Sebastianus
met zijn mannen de noordkant van het gebergte te laten bezetten, die, zoals
gezegd glooiend afliep, zodat ze daar, als het zo mocht gaan, met vluchtende
Germanen korte metten konden maken. Dit besluit werd snel uitgevoerd, en
terwijl Gratianus, die nog te jong was voor het slagveld en alle ellende van
dien, achter de linies bij de veldtekens van de Joviani in veiligheid werd
gebracht, monsterde Valentinianus als een beheerste aanvoerder die geen
risico’s nam, met ontbloot hoofd de centuriën en manipels, waarna hij
zonder de hogere officieren te laten weten wat hij van plan was, zijn hele
entourage liet voor wat ze was en er vandoor galoppeerde met een paar mannen,
van wier toewijding en trouw hij zeker was, om de uitlopers van de berg te
verkennen, bewerend (en overtuigd van zijn gelijk) dat er nog een andere weg
de berg op moest zijn dan die door de verkenners ontdekt was. 11.Maar toen hij
zo zijn weg zocht over ongebaand en drassig terrein dat hem onbekend was, zou
hij onder de handen van een troep vijanden die in een hinderlaag gelegen was
en plotseling opdook, de dood hebben gevonden als hij zich niet ternauwernood
had kunnen redden door zijn paard de sporen te geven, over het glibberige,
modderige terrein was ontkomen en zich tussen de legioenen in veiligheid had
kunnen brengen. En hoe na hij de dood was geweest, bleek toen zijn cubicularius,
die de keizerlijke, met goud en edelstenen versierde helm had gedragen, met
helm en al spoorloos verdwenen was en ook later dood noch levend werd
teruggevonden. 12.Toen kregen de manschappen even rust en gelegenheid opnieuw
hun krachten te verzamelen, waarna de vaan werd opgestoken ten aanval. En
terwijl de hele linie onder dreigend en ophitsend trompetgeschal vastberaden
oprukte, schoten twee voortreffelijke jonge mannen, Salvius en Lupicinus, de
één een scutarius, de ander een gentilis, om er het eerste bij te zijn
meteen vóór alle anderen uit, terwijl ze de strijdlust opjoegen met
verschrikkelijk krijgsgeschreeuw. Zwaaiend met hun speren kwamen ze tot onder
de rotsen, vochten zich tegen het verzet van de Alamannen in omhoog, met de
hele macht van het leger achter zich aan, dat zich met de kampioenen over de
ruw en ruig begroeide hellingen met grote moeite naar boven werkte. 13.Daar
volgde een verhit lijf aan lijf gevecht met blote wapens tussen enerzijds onze
soldaten, geoefend in de krijgskunde, en anderzijds woeste, roekeloze
barbaren. Tenslotte manoeuvreerde ons leger zich in de breedte, sloot de
vijand aan twee kanten in en hakte er onder vreselijk wapengekletter,
geschetter van trompetten en gebries van paarden op in. 14.Maar de wilden
vatten moed en weerden zich heftig, zodat de strijd enige tijd in alle
hevigheid voortduurde met rampzalige verliezen zonder dat een beslissing viel.
15 Tenslotte bezweken toch de Alamannen onder de onstuimige aanvallen van de
Romeinen; in paniek raakten hun voorste en achterste strijders door elkaar en
werden, toen ze omkeerden om er vandoor te gaan, door speren en werpspiesen
doorboord. Het liep zo af, dat ze buiten adem en uitgeput vluchtend hun
knieholten, kuiten en ruggen aan hun achtervolgers blootgaven, velen werden
neergemaaid en een deel van degenen die ontkwamen, door Sebastianus, die met
zijn reservetroep achter de berg lag, van een onverwachte kant omsingeld en
afgemaakt werd. Wat over was, verschool zich hier en daar in de bossen. 16.In
dit gevecht sneuvelden aan onze kant enkele mannen van grote klasse, onder wie
Valerianus, de hoogste officier van de gardetroepen, en de scutarius
Natuspardo, zo’n bijzondere krijgsman dat hij wel met Sicinius en Sergius
van vroeger vergeleken mocht worden. Na afloop van deze campagne, die zulke
wisselvalligheden had gekend, keerden de troepen terug naar hun
winterkwartieren en de keizers naar Trier.
11.
Over Probus, zijn hoge afkomst,
rijkdom, functies en karakter
1.In
de tijd dat deze gebeurtenissen plaatsvonden, overleed midden in zijn
ambtsperiode [als praefectus praetorio
van Illyricum] Vulcacius Rufus. Voor zijn opvolging werd een beroep gedaan op
Probus, uit Rome, een man uit een aanzienlijke familie, om zijn macht en zijn
enorme rijkdom bekend in de hele Romeinse wereld, waar hij her en der grote
goederen bezat - terecht of ten onrechte, dat is niet aan mij om te
beoordelen. 2.Hij leek wel - in de beeldende taal van de dichters - gedragen
op de snelle vleugels van een dubbelhartige lotsgodin, die hem nu eens
bezielde als weldoener die zijn vrienden aan hoge posities hielp, dan weer als
niets ontziende intrigant, die wraakzuchtig en bloeddorstig zijn tol eiste.
Hoewel hij zijn leven lang een invloedrijk man bleef, deels door de
schenkingen die hij deed, deels door de hoge functies die hij bijna
voortdurend bekleedde, en hij hooghartig kon zijn tegenover mensen die ontzag
voor hem hadden, kroop hij toch soms in zijn schulp voor wie hem brutaal de
baas was, zodat hij in zijn sterkste momenten leek te razen als de hoofdrol in
een drama, maar als hij timide was, laffer leek dan de pantoffelheld in een
komedie. 3.En zoals een vis buiten zijn element niet lang meer naar adem hapt,
zo kwijnde hij weg als hij zonder prefecturen zat, waarnaar hij overigens wel
genoodzaakt was te solliciteren vanwege de misdadigheid van bepaalde families,
die door een grenzeloze hebzucht voortdurend met het gerecht te maken hadden
en om ongestraft hun kwalijke praktijken te kunnen uitoefenen hun beschermer
ondergedompeld hielden in de staatsdienst. 4.Nu moet gezegd worden dat hij van
nature zo’n fatsoenlijk mens was, dat hij nooit een cliënt of een dienaar
iets liet doen wat niet door de beugel kon, en als hij hoorde dat een van hen
een misstap had begaan - alsof Justitia zelf de andere kant op keek - zonder
de zaak te onderzoeken en zonder zich te bekommeren om zijn goede naam de
betrokkene verdedigde. Cicero bekritiseerde zo’n foute houding eens met de
woorden: ‘Wat is het verschil tussen iemand die aanspoort tot een daad en
iemand die haar goedkeurt, of wat voor verschil maakt het of ik wil dat iets
gebeurt dan wel blij ben dat het gebeurd is?’16 5.Aan de andere
kant was hij wantrouwend en angstvallig nauwgezet. Ook kon hij met een
zuurzoet lachje en soms een voorgewende vriendelijkheid iemand lelijk een hak
zettenbenadelen. 6.Hij had iets wat bij zulke typen meer voorkomt en in het
oog springt, al denken ze het goed te kunnen verbergen: een genadeloosheid en
hardheid, de absolute onwil zich te laten verbidden of vergrijpen te vergeven
als hij zich eenmaal had voorgenomen iemand te laten hangen. Dan leek het wel
of zijn oren niet met was maar met lood waren dichtgestopt. Met al zijn
rijkdom en zijn hoge functies was hij een man geplaagd door scrupules, en
daarom eigenlijk altijd een beetje ziek. Dit wat betreft de gebeurtenissen in
de westelijke gebieden.
12. De Romeinen en de
Perzen betwisten elkaar Armenië en Hiberië
1.Sapor, de intussen bejaarde koning der Perzen, die vanaf het begin van zijn regering niets had gedaan dan roven en plunderen met hartstocht, was ons na de dood van keizer Julianus en het beschamende vredesverdrag dat toen gesloten was, enige tijd met zijn volk voor de schijn vriendschappelijk gezind geweest, maar trad nu het pact met Jovianus met voeten in een poging de hand te leggen op Armenië en het in zijn rijk in te lijven - alsof overeenkomsten niet meer heilig waren. 2.Eerst deed hij dat via allerlei list en bedrog, kocht een paar edelen en satrapen om en verraste andere met onverwachte uitvallen, waarmee hij dit sterke volk echter maar lichte schade toebracht. 3.Vervolgens werd koning Arsaces zelf met berekende vleierijen en leugens bewerkt; en toen deze gehoor gaf aan een uitnodiging voor een feestmaal, werd hij op bevel door een achterdeur weggesleept, werden hem de ogen uitgestoken en werd hij geboeid met zilveren ketens - wat bij dat volk als een (schrale) troost wordt gezien voor gestrafte notabelen - waarna men hem verbande naar een vesting, Agabana geheten, waar hij nog meer gekweld werd en tenslotte geëxecuteerd. 4.Om niets na te laten waarmee hij het verdrag door de modder kon halen, verjoeg Sapor Sauromaces, die door Rome met het bestuur over Hiberië was belast, en benoemde in zijn plaats een zekere Aspacures, die hij nog een diadeem opzette ook, alleen om te tonen hoe weinig hij maalde om ons gezag. 5.Nadat hij dit in zijn boosaardigheid zo geregeld had, gaf hij het bestuur over Armenië aan de eunuch Cylaces en Arrabannes, beiden overlopers die hij eerder met open armen had ontvangen. (Cylaces zou vroeger gouverneur over dat volk zijn geweest, Arrabannes militaire commandant) met de speciale opdracht Artogerassa onverbiddelijk met de grond gelijk te maken, een met machtige muren en een sterk garnizoen beveiligde stad, waar Arsaces’ vrouw en zoon zich bevonden met heel zijn bezit. 6.Overeenkomstig dit bevel begonnen de aanvoerders inderdaad met het beleg, maar aangezien de sterkte op een ruige berg gelegen was en het jaargetij bar van sneeuw en ijs en zo dus geen toegang kon worden geforceerd, vroeg en kreeg de eunuch Cylaces met zijn vrouwenmanieren verlof om met Arrabannes onder de muur te komen, met garantie voor hun veiligheid. Op zijn verzoek werd hij met zijn compagnon vervolgens ook de stad binnengelaten, waar hij de verdedigers en de koningin in hun eigen belang dringend aanried de wraakzucht van Sapor, de meest genadeloze man die men zich denken kon, tevreden te stellen door zich snel over te geven. 7.Lang werd daarover gedelibereerd, tot de twee die zo overtuigend tot overgave hadden geadviseerd, medelijden kregen met de koningin, die huilde en jammerde om het wrede lot van haar man, en van plan veranderden. In de hoop daar beter van te worden, spraken ze in het geheim af dat op een bepaald tijdstip ’s nachts de poort voor een troep soldaten zou worden geopend voor een moorddadige overval op het vijandelijke kamp - met de belofte ervoor te zorgen dat dit plan niet zou uitlekken. 8.Na een en ander onder ede bevestigd te hebben, verlieten ze de stad en lieten de belegeraars alle acties opschorten onder de mededeling dat de belegerden twee dagen respijt hadden bedongen om te beraadslagen over een te nemen besluit. Dan, in het holst van de nacht, toen iedereen onbekommerd lag te snurken, werd de toegangspoort tot de stad opengezet om snel een troep jonge vechters uit te laten, die geluidloos, met getrokken zwaarden het kamp binnenslopen, waar niemand op gevaar bedacht was, en een groot aantal slapers afslachtten. 9.Dit onvoorziene verraad en deze slachting onder weerloze Perzen deed de spanning tussen ons en Sapor huizenhoog oplopen, waarbij nog kwam dat Papa, de zoon van Arsaces, die op aanraden van zijn moeder met een klein gevolg de stad had verlaten, een warm onthaal vond bij keizer Valens, die hem een verblijf toewees in Neocaesarea, een bekende stad in de provincie Pontus Polemoniacus, waar hij royaal werd onderhouden. Deze hartelijke bejegening bracht Cylaces en Arrabannes op het idee, vertegenwoordigers naar Valens te zenden met het verzoek hen te steunen en hun deze Papa als koning te geven. 10.Gezien de hele situatie werd het verzoek om steun afgewezen, maar werd wel Papa onder de hoede van de dux Terentius teruggezonden naar Armenië om de regering over zijn volk op zich te nemen, echter voorlopig zonder uiterlijke tekenen van koninklijke waardigheid, welke voorwaarde terecht werd gesteld om te voorkomen dat wij van verdragsschending en vijandig handelen konden worden beschuldigd. 11.Toen hij van al deze ontwikkelingen vernam, werd Sapor razend, mobiliseerde grote troepeneenheden en begon daarmee Armenië demonstratief te plunderen en te verwoesten. Van zijn komst schrokken Papa, Cylaces en Arrabannes zo dat ze, verstoken van elke hulp, hun toevlucht zochten in de bergen die de grens vormen tussen ons gebied en Lazica, waar ze zich vijf maanden lang diep in de bossen en rotsspleten verscholen en aan alle pogingen van de Perzische koning om ze te vangen wisten te ontsnappen. 12.Deze zag tenslotte in dat al zijn moeite vergeefs was, terwijl de winterse sterrenbeelden al aan de nachtelijke hemel schitterden, en liet toen alle boomgaarden en alle burchten en vestingen die hem met geweld of door verraad in handen waren gevallen, in brand steken, waarna hij met heel zijn legermacht het beleg om Artogerassa sloeg. Na veel strijd met wisselende kansen dwong hij de verdediging de stad over te geven, waarop hij haar platbrandde en de vrouw van Arsaces en diens bezittingen opspoorde en wegvoerde. 13.Vanwege dit alles werd de comes Arintheus met een leger naar dat gebied gezonden om de Armeniërs hulp te bieden, mocht zo’n actie van de Perzen zich herhalen. 14.Sapor, intussen, die ongelooflijk sluwe vos, die naargelang het hem uitkwam zich klein kon maken of opblazen, verweet Papa in een geheime correspondentie dat hij geen oog had voor zijn eigen belang, want onder de schijn van een koninklijke status niet méér was dan de slaaf van Cylaces en Arrabannus, en spiegelde hem voor de toekomst samenwerking voor. Voor die verleiding bezweek Papa, liet de twee mannen ombrengen en zond hun afgehouwen hoofden naar Sapor als teken van zijn onderdanigheid. 15.Het nieuws van deze tegenslag verspreidde zich snel, en heel Armenië zou onverdedigd verloren zijn gegaan als de Perzen niet door de komst van Arintheus waren afgeschrikt en voorlopig van een tweede inval hadden afgezien. Nu beperkten ze zich ertoe gezanten naar onze keizer te sturen met het verzoek dit volk overeenkomstig het akkoord dat met Jovianus was gesloten, militair te negeren. 16.Dit werd afgewezen. En Sauromaces, aan wie, zoals hiervóór gezegd, het koningschap over Hiberië was ontnomen, werd erheen gezonden met Terentius en twaalf legereenheden. Toen hij al haast de rivier de Cyrus had bereikt, kwam Aspacures bij hem met het voorstel het land, aangezien ze neven waren, gezamenlijk te besturen, met als argument van zijn kant dat zijn handen gebonden waren en hij niet naar de Romeinse partij kon overgaan zolang zijn zoon Ultra nog als gijzelaar in de macht van de Perzen was. 17.Daarover ingelicht, stemde de keizer toe in een tweedeling van Hiberië met de rivier de Cyrus als scheidslijn, om problemen die wat dit betrof dreigden te ontstaan op een eenvoudige manier te voorkomen. Sauromaces zou dan het deel krijgen dat aan Armenië en Lazica grensde; Aspacures het deel grenzend aan Albanië en Perzië. 18.Hierover hevig gebelgd, riep Sapor dat hij schandelijk behandeld werd: ten eerste werd in strijd met de bepalingen van de verdragen hulp geboden aan de Armeniërs en was de delegatie die hij naar ons had gezonden om dit recht te zetten, met lege handen teruggekeerd; ten tweede was zonder zijn toestemming en buiten hem om besloten tot een tweedeling van het koninkrijk Hiberië. Daarmee was als het ware de deur naar goede betrekkingen dichtgesmeten en zocht hij nu steun bij zijn buurvolken om met zijn legers in staat van paraatheid aan het begin van het milde seizoen alles ongedaan te maken wat de Romeinen in hun eigen belang hadden geregeld.
Noten
2.Tuscia (Etrurië) was verdeeld in Tuscia Annonaria en Tuscia
Urbicaria. retour
3.Waarschijnlijk reders of kapiteins van graanschepen. De graantransporten
naar Rome en Constantinopel waren heilig en werden beschermd met de strengste
sancties. retour
4.Thans de Santa Maria Maggiore. retour
5.Homerus, Ilias, IX,5. retour
6.De Thracische Bosporus. retour
7.Cicero, Priora Academica II, 38,119. retour
8.Consuls in de 2e en 1e eeuw vC. Lucullus was consul in 73 vC.
retour
9.Zie boek xxxi,3,4,6,8. retour
10.Zodat bij zijn eventueel voortijdig overlijden de opvolging geen problemen
zou geven. Gratianus was overigens pas negen jaar oud. retour
12.In verband met zijn expeditie tegen de Alamannen. Zie onder, 10.
retour
13.Homerus, Odyssee, XII, 452. retour