BOEK  XXVIII            

1. Velen, zelfs senatoren en vrouwen uit senatorenfamilies worden in Rome beschuldigd van gifmengerij, ontucht en echtbreuk en met de dood gestraft 

1.Terwijl in Perzië,  zoals ik heb verteld,1 door toedoen van de onbetrouwbare Sapor onverwachts onrust ontstond en in het oosten van het rijk telkens opnieuw oorlogen uitbraken, richtte, meer dan zestien jaar na de dood van Nepotianus, Bellona in haar razernij onheil aan in de Eeuwige Stad, waar een onbetekenend feit uitgroeide tot een jammerlijke catastrofe, die eigenlijk voor altijd met stilzwijgen zou moeten worden toegedekt in de hoop dat iets dergelijks, schadelijker nog door de voorbeeldwerking dan door het feitelijke gebeuren, nooit  navolging zal vinden. Maar hoewel ik er dus, alles goed en wel overwegend, voor terugschrik - en terecht - uitvoerig over die hele reeks bloedige geschiedenissen te berichten, zal ik, met vertrouwen in de redelijkheid van onze dagen toch in het kort verhalen wat voor het nageslacht te weten belangrijk is. De reden van mijn terughoudendheid - een geschiedenis uit het verre verleden - wil ik niet verhelen. 3.Toen de Perzen in de eerste Medische oorlog verwoestingen aanrichtten in Asia, belegerden ze ook met een grote strijdmacht Milete, waarvan ze de verdedigers met een gruwelijke dood bedreigden en zo in het nauw brachten dat die geen uitweg meer zagen, massaal hun dierbaren doodden, hun have en goed in brand staken en zich zelf om het eerst in de vlammen wierpen om de vuurdood te zoeken op de gemeenschappelijke brandstapel die hun stad was. 4.Toen enige tijd daarna een door Phrynichus geschreven, nogal gezwollen stuk met deze gebeurtenis als onderwerp in een Atheens theater werd opgevoerd, werd dit aanvankelijk  met goedkeuring ontvangen, maar toen de droevige geschiedenis zich allengs dramatischer  ontwikkelde, werd het publiek boos en werd de auteur gestraft 2 omdat hij al die narigheid botweg in  scènes liet uitbeelden niet met de bedoeling de Atheners te troosten maar om ze verwijtend te herinneren aan hetgeen de bevriende stad had ondergaan zonder dat door haar stichters hulp was geboden. Want Milete was als Atheense kolonie gesticht door Nileus, de zoon van Codrus (van wie gezegd wordt dat hij zich in de Dorische oorlog voor het vaderland heeft opgeofferd) en andere Ioniërs. 5.Maar nu dus de bedoelde geschiedenis. De voormalige vice-prefect van Rome, Maximinus, was geboortig uit Sopianae, een stad in Valeria [Pannonië]3  en van eenvoudige ouders. (Zijn vader was een beambte in dienst van de gouverneur en een afstammeling van de Carpen, een volk dat door Diocletianus uit zijn oorspronkelijke woongebied [Dacië] verdreven was en opnieuw gesetteld in Pannonia.) 6.Na enige studie van de vrije kunsten en een onopvallende loopbaan als advocaat werd deze Maximinus achtereenvolgens gouverneur van Corsica, van Sardinië en tenslotte van Etrurië. Ook toen hij daarna benoemd werd tot praefectus annonae van Rome, bleef hij, omdat zijn opvolger te lang op zich liet wachten, nog enige tijd met het bestuur over Etrurië belast. Aanvankelijk trad hij gematigd op, uit drieërlei motief. 7.Ten eerste klonken in zijn oren de voorspellingen van zijn vader nog na - deze was bedreven in het duiden van tekenen uit de vlucht of de geluiden van voorspellende vogels - namelijk dat hij tot op de hoogste sport van de bestuurlijke ladder zou opklimmen, maar onder het beulszwaard zou sterven; ten tweede had hij uit Sardinië een man aangetrokken (die hij overigens later, volgens zeggen, op een listige manier uit de weg ruimde), die als geen ander de kunst verstond kwade geesten op te roepen en voorspellingen te ontlokken aan spokende doden, en vanwege wie hij zich, uit angst verraden te kunnen worden, zo lang de man leefde inschikkelijk en toegeeflijk gedroeg; en ten derde was hij een stiekeme slang die voorlopig onder laag struikgewas rondkroop en nog niet de kans had een dodelijke beet toe te brengen. 8.De eerste gelegenheid om verder om zich heen te slaan bood zich aan met de volgende affaire. Chilo, een voormalige vicarius, en zijn vrouw Maxima deden bij de toenmalige stadsprefect Olybrius [368-370] aangifte van een poging hen te vergiftigen, met als gevolg dat degenen die ze daarvan verdachten onmiddellijk gearresteerd werden en gevangen gezet. Dat waren de orgelbouwer Sericus, de worstelaar Asbolius en de offerdierschouwer Campensis. 9.Maar omdat de zaak wegens een ernstige, slepende ziekte van Olybrius bleef liggen, werden degenen die haar aanhangig hadden gemaakt, ongeduldig en dienden schriftelijk het verzoek in, het onderzoek in handen te geven van de praefectus annonae, wat ter bespoediging van de procedure werd ingewilligd. 10.Zo kreeg Maximinus dus de kans zich van zijn slechte kant te laten zien en dat deed hij met overgave met al de wreedheid die in zijn gevoelloze boezem zat en er nu uitkwam - zoals men dat vaak ziet bij wilde beesten in het amfitheater wanneer ze de hekken van hun kooien vernielen en losbreken. En terwijl de zaak - en dat was nog maar een voorspel - op alle mogelijke manieren was onderzocht en sommige verdachten met verscheurde lendenen de namen hadden genoemd van een paar hooggeplaatste personen die via hun  ‘cliënten’ en individuen van een laag soort, notoire schurken en aanbrengers, gebruik zouden hebben gemaakt van bepaalde lieden bedreven in toverij, ging deze duivel van een ‘rechter’ alle perken te buiten en deelde de keizer in een tendentieus ambtsbericht mee dat de misdrijven die verscheidene burgers van Rome hadden begaan, alleen met verscherpte middelen onderzocht en vergolden konden worden. 11.Deze mededeling had een woedende reactie van de keizer tot gevolg. Meer een wrede dan een strenge wreker van het kwaad, verordonneerde hij in één algemeen besluit met betrekking tot zulke zaken (waaraan hij in zijn arrogantie ook gevallen van majesteitsschennis koppelde) dat al degenen die naar oud recht en volgens bepalingen van vroegere keizers van ondervraging onder foltering waren vrijgesteld, nu aan tortuur mochten worden onderworpen als de ernst van de zaak dat eiste. 12.En om Maximinus nog beter en op een hoger niveau in staat te stellen ellende op ellende te stapelen, benoemde hij hem tot vice-prefect van Rome [371/372] en voegde hij aan hem met het oog op de onderzoeken in kwestie, die tot ongeluk van velen gingen worden ingesteld, de notarius Leo toe, de latere magister officiorum, een schurkachtige grafdelver uit Pannonië, die uit zijn muil dierlijke wreedheid asemde en niet minder dorstte naar mensenbloed dan Maximinus. 13.Zo werd Maximinus in zijn kwaadaardigheid gesterkt door de komst van een collega die niet voor hem onderdeed en een aansporing per brief met nog een hogere rang toe. Hij verzwikte zijn voeten bijkans, dansend van vreugde, want hij leek wel te huppelen in plaats van te lopen, alsof hij de Brahmanen wilde imiteren, die zich, zoals sommigen zeggen, los van de grond tussen hun altaren bewegen. 14.Daar klonk het trompetsignaal voor moord op het eigen volk, en sloeg de ontzetting toe over de verschrikkingen die plaatsvonden. Van de barbaarse wreedheden in onvoorstelbare vormen en aantallen schokte vooral de executie van de advocaat Marinus, die ervan beschuldigd werd met zwarte kunsten geprobeerd te hebben een zekere Hispanilla tot vrouw te krijgen, waarvoor Maximinus de zogenaamde bewijzen maar oppervlakkig onderzocht, maar hem wel ter dood veroordeelde. 15.En hoewel ik denk dat misschien sommigen van mijn meer opmerkzame lezers mij verontwaardigd zullen tegenwerpen dat dit, en niet dat, het eerst gebeurde, of dat ik iets weglaat waarvan zijzelf getuigen zijn geweest, moet ik mij toch beperken: want niet alles is waard vermeld te worden wat in de getroffen kringen is gepasseerd, en ware dat wel het geval, zou zelfs alle informatie uit de officiële archieven daarvoor niet toereikend zijn, zo’n nachtmerrie was het, in zo’n delirium zonder weerga werd alles van onder tot boven door elkaar geschud; want het was duidelijk dat men niet de rechtsgang te vrezen had maar de rechtsstilstand. 16.Daarna werd de senator Cethegus aangeklaagd wegens echtbreuk en onthoofd, werd Alypius, een jongeman van goede familie, om een kleine misstap verbannen en werden velen van lagere afkomst in het openbaar geëxecuteerd. In hun lot zag ieder, dromend van beulsknechten, ketens en donkere krochten, wat hemzelf boven het hoofd hing. 17.In diezelfde tijd stond ook Hymetius terecht, die een goed mens was. Wat hem betrof ging het, naar ik weet, om het volgende. Als proconsul belast met het bestuur over Africa verkocht hij aan de Carthagers, toen ze eens door voedselgebrek in grote nood verkeerden, graan uit de pakhuizen dat bestemd was voor het volk van Rome, en vulde dat kort daarop, toen er weer overvloedig geoogst was, onmiddellijk en volledig weer aan. 18.Omdat hij aan de hongerenden verkocht had voor de prijs van één solidus per tien maten en er nu zelf dertig had kunnen kopen voor die prijs, stortte hij de winst uit het verschil in de staatskas. Valentinianus verdacht hem er toen echter van, te weinig uit de opbrengst van deze handel te hebben overgemaakt en legde voor straf beslag op een deel van zijn bezit. 19.Tot overmaat van ramp gebeurde in diezelfde tijd nog iets met fatale afloop. Een zekere Amantius, destijds een notoire waarzegger, werd er door een anonieme aangever van beschuldigd voor deze Hymetius bepaalde verboden handelingen te hebben verricht waarbij hij ook een offer zou hebben gebracht. Bij zijn verhoor bleef hij dit echter hardnekkig ontkennen al kwam hij krom te liggen op de martelbok. Daarop werden zijn privé papieren uit zijn woning gehaald, waartussen een verzoek werd gevonden in het handschrift van Hymetius, de godheid in een plechtige offerceremonie te bidden de keizers [Valentinianus en Gratianus] jegens hem milder te stemmen. Dit schrijven eindigde met klachten over Valentinianus’ hebzucht en hardheid. Toen de keizer dit vernam uit een rapport van de rechters, die alles negatief interpreteerden, gelastte hij de zaak tot op de bodem uit te zoeken. En zo werd nu Frontinus, die een adviseur was van Hymetius, beschuldigd van het feit dat hij bij de formulering van de bezwering betrokken was geweest, met roeden geslagen tot hij bekende en naar Britannië verbannen, terwijl Amantius later ter dood werd veroordeeld en geëxecuteerd. 22.Na dit alles werd Hymetius overgebracht naar de stad Ocriculum [Otriculi] voor een verhoor door de stadsprefect, nu Ampelius, [371/372] en diens plaatsvervanger Maximinus, maar stelde zich direct toen het hem duidelijk werd dat hij een verloren man was en hem de gelegenheid daartoe geboden werd, met de moed der wanhoop onder bescherming van de keizer en redde met zijn toevlucht tot diens naam zijn huid. 23.De keizer namelijk, hiervan op de hoogte gesteld, verwees de kwestie naar de senaat, die de juiste mate van zijn schuld vaststelde en hem naar Boae verbande in Dalmatië - waar hij het zwaar te verduren kreeg van de verbolgen keizer, die zich hevig opwond toen hij vernam dat een man die hij praktisch al dood had verklaard, er met een lichtere straf vanaf was gekomen. 24.Door deze affaire en een aantal soortgelijke, waarvan enkele slachtoffers bekend werden, begon ieder voor zich te vrezen. Dus om te voorkomen dat de berg ellende - waarvan veel gevallen verheimelijkt werden maar het totaal gestaag toenam - buiten alle proporties ging raken, besloot de Romeinse adel een afvaardiging naar de keizer te zenden, te weten de voormalige stadsprefect Praetextatus, de ex-vicarius Venustus en de ex-consularis Minervius, met de opdracht ervoor te pleiten dat geen exorbitante straffen werden opgelegd en geen senator in strijd met het gewoonterecht en de wet aan tortuur werd onderworpen. 25.In audiëntie ontvangen, legden zij de keizer hun verzoek voor, waarop deze ontkende ooit zo’n decreet [met betrekking tot foltering van senatoren] te hebben uitgevaardigd, en riep dat hij slachtoffer was van vuige laster. Maar de quaestor Eupraxius sprak hem met respect tegen en het was aan diens vrijmoedigheid te danken dat de betreffende order, die in wreedheid geen precedent kende, werd tenietgedaan. 26.Ongeveer in die tijd ook werd de zoon van de voormalige stadsprefect Lampadius, Lollianus, een jongeman met nog pas het eerste dons op de konen, na een diepgaand onderzoek door Maximinus schuldig bevonden aan het kopiëren van een boek over magische kunsten, een onderwerp waarvoor hij gezien zijn leeftijd nog niet rijp was. En toen het ernaar uitzag dat hij verbannen zou worden, deed hij op aanraden van zijn vader een beroep op de keizer en werd opgebracht naar het hof. Maar hij kwam volgens het spreekwoord van de rook in het vuur, want hij werd overgedragen aan de consularis van Baetica, Sphalangius, en stierf onder de funeste hand van de scherprechter. 27.Bovendien werden Tarracius Bassus (een latere stadsprefect), zijn broer Camenius, een zekere Marcianus en Eusaphicius, alle vier mannen van de hoogste klasse, gerechtelijk vervolgd om nauwe banden die ze zouden hebben met de wagenmenner Auchenius en medeplichtigheid met diens toverijen, maar wegens gebrek aan overtuigend bewijs vrijgesproken, naar een wijdverbreid gerucht wilde, op voorspraak van Victorinus, die een goede vriend was van Maximinus. 28.Zelfs vrouwen waren niet veilig. Want ook van hen werden er verschillenden die tot de betere families behoorden, aangeklaagd wegens echtbreuk of hoererij en ter dood gebracht. De bekendsten daarvan waren Charitas en Flaviana, van welke laatste toen ze naar de executieplaats werd geleid, de kleren van het lijf werden gerukt, waarbij haar zelfs niets gelaten werd om haar schaamte te bedekken. Daarvoor werd overigens de beul die deze vreselijke schanddaad had begaan, veroordeeld en levend verbrand. 29.Ja zelfs twee senatoren, Paphius en Cornelius, die beiden moesten bekennen zich bezoedeld te hebben met de verboden praktijk van gifmengerij, werden op grond van een door Maximinus gewezen vonnis terechtgesteld. Maar de eerder genoemde Sericus en Asbolius,4 die door hem waren aangespoord voor de vuist weg het kon niet schelen welke medeplichtigen te noemen, met de belofte onder ede dat geen van beiden door vuur of staal zou worden gedood, liet hij met zware, met lood verzwaarde zwepen doodslaan. Daarna veroordeelde hij de waarzegger Campensis tot de vuurdood, in dit geval aan geen eed gebonden...30.Het lijkt me hier de plaats om te vertellen hoe Aginatius halsoverkop de dood werd ingejaagd, een man uit een van geslachten her hoogstaande familie, zoals daar altijd van gezegd is (zonder enig documentair bewijs overigens). 31.Snorkend van verwaandheid had Maximinus, nog in zijn functie van praefectus annonae en ruimschoots in de gelegenheid zich te doen gelden, de euvele moed gehad zich beledigend uit te laten over Probus,5 niet de eerste de beste onder de hoogste gezagsdragers, die immers als praefectus  praetorio het bestuur voerde over provincies. 32.Daarover verontwaardigd, en geïrriteerd over het feit dat Olybrius aan Maximinus de voorkeur had gegeven boven hemzelf als onderzoeksrechter, terwijl hij nota bene vice-prefect van Rome was, suggereerde Aginatius Probus in een vertrouwelijke brief dat de blaaskaak [Maximinus], die lak had aan aanzien en merites, gemakkelijk ten val kon worden gebracht als hij, Probus, daarin meeging. Maar Probus zond deze brief (volgens zeggen) zonder dat iemand anders dan de bezorger het wist aan Maximinus, voor wie hij een heilig ontzag had omdat hij doortrapt gemeen en een gunsteling van de keizer was. Na lezing was die gevaarlijke man zo kwaad dat hij vanaf dat moment - als een slang waar iemand op had getrapt - alles op alles zette om Aginatius te krijgen. 34.Daarbij kwam nog een andere, zwaarderwegende aanleiding om Aginatius een val te zetten, wat deze tenslotte inderdaad de kop kostte. Hij beschuldigde namelijk Victorinus na diens dood ervan ooit bepaalde aanbevelingsbrieven van Maximinus te hebben verkocht (terwijl hij zelf nota bene bij diens testament een niet onaanzienlijk legaat had ontvangen) en was bovendien zo brutaal Victorinus’ weduwe Anepsia met aanklachten en processen te dreigen. 35.In haar angst hiervoor en om zich te verzekeren van Maximinus’ bescherming, verzon deze dat haar man aan hem kort vóór zijn dood bij testament drieduizend pond zilver had vermaakt, waarop Maximinus met aangewakkerde hebzucht -want hij was ook niet vrij van deze ondeugd - ook de helft van haar erfdeel verlangde. En zelfs daarmee niet tevreden, want dat viel hem tegen, bedacht hij nog iets waar naar zijn mening niemand aanstoot aan kon nemen, en vroeg, om zich geen gelegenheid te laten ontgaan om van een rijk erfgoed te profiteren, voor zijn zoon om de hand van Victorinus’ stiefdochter, Anepsia’s dochter, wat met instemming van de vrouw snel geregeld was. 36.Zo, en op allerlei andere minderwaardige manieren, die de Eeuwige Stad te schande maakten, schoor deze schoft menige welgestelde zonder zich aan recht of wet te storen, zodat zijn naam velen gezucht ontlokte. Men zei zelfs dat er altijd een koord uit een achterafvenster van zijn praetorium hing, waar men onderaan [anonieme] beschuldigingen kon hechten die niet bewezen hoefden te worden en waardoor veel onschuldigen te schade dreigden te komen. Ook liet hij af en toe  zijn ondergeschikten Mucianus en Barbarus, twee doorgewinterde huichelaars, ieder afzonderlijk op straat gooien, (37.) die zich dan met veel misbaar beklaagden over wat hun zogenaamd overkomen was, de wreedheid van de rechter breed uitmetend en aan wie het maar horen wilde verzekerend dat wie ergens van verdacht werd, het best zijn huid kon redden door belangrijke personages van ernstige misdrijven te beschuldigen, want - zo beweerden ze - door zulke lieden bij hun eigen zaak te betrekken, konden ze zelf gemakkelijk aan een veroordeling ontkomen. 38.Zo, met grenzeloze hardvochtigheid, werden van talloze mensen de handen geboeid en zag men mannen van aanzienlijke geboorte in lompen en zorgen. En men kon het hun niet kwalijk nemen dat ze Maximinus begroetten met zulke diepe buigingen dat hun hoofd bijna de grond raakte, deze schoft met de natuur van een wild beest, die ze te pas en te onpas hoorden brullen dat niemand vrijuit ging als hij dat niet wou. 39.Zulke woorden - en het bleef niet lang bij woorden - zouden zelfs mannen als een Numa Pompilius en een Cato schrik hebben aangejaagd. Kortom, het ging zodanig toe dat menigeen zijn tranen zelfs niet kon bedwingen bij het zien van de ellende van vreemden, wat veelal wel het geval is bij alle ongeluk en tegenspoed die het leven soms te bieden heeft. 40.Desondanks was deze bikkelharde rechter, zo vaak hij recht en wet met voeten trad, op één speciaal punt verdraaglijk: soms kon hij iemand op zijn smekingen begenadigen,  hoewel - zo lezen we bij Cicero in de volgende passage6 - dit ook bijna een ondeugd is. Want ‘als men in zijn kwaadheid onverzoenlijk is’, aldus Cicero, ‘ is dat uiterste hardheid; is men te vermurwen door smeekbeden, is dat uiterste onstandvastigheid, maar van twee kwaden is dat laatste verkieslijk boven het eerste.’ 41.Daarna kreeg Maximinus een opvolger [Ursicinus] en werd hij, zoals Leo vóór hem, naar het keizerlijk hof geroepen, waar hij tot praefectus praetorio werd bevorderd, in welke hoedanigheid hij allerminst milder werd, integendeel, zelfs als een basilisk op een afstand levensgevaarlijk bleef. 42.In die tijd, of iets eerder, begonnen de takkenbossen van de bezems waarmee de vergaderzaal van de adel geveegd werd, uit te lopen - voor wie het zag was dat een teken dat lieden van de meest verachtelijke stand tot in de hoogste rangen van de staatsdienst gingen worden opgenomen. 43.En hoewel het tijd wordt dat ik de draad van mijn verhaal weer opneem, moet ik, om het tijdsverband tussen de gebeurtenissen niet te verstoren, nog even blijven bij de kwalijke praktijken van de ontaarde vice-prefecten van de stad, die Maximinus op zijn wenken en wensen bedienden alsof ze zijn ondergeschikten en slaven waren. 44.Hij werd dus in de eerste plaats opgevolgd door Ursicinus, die meer tot mildheid geneigd was. Omdat deze zorgvuldig en fatsoenlijk tewerk wilde gaan had hij een zaak tegen Esaias, die (met anderen die vastzaten wegens overspelige contacten met een zekere Rufina) een beschuldiging wegens majesteitsschennis probeerde in te brengen tegen haar man, de voormalige geheim agent Marcellus, naar het hof verwezen. Het gevolg was dat hij de naam kreeg van een angsthaas te zijn, ongeschikt voor een stevige aanpak van zulke zaken, en van zijn functie ontheven werd. 45.Hij werd opgevolgd door Simplicius uit Hemona, een voormalige leraar taalkunde die later Maximinus’ adviseur werd, een man die zich eerder, als gouverneur [van een provincie] niet autoritair of hooghartig gedroeg, maar de mensen met zijn schuinse blik schrik aanjoeg en achter een façade van welwillendheid voor velen kwaad beraamde. Hij liet eerst Rufina executeren samen met alle betrokkenen bij haar overspel en allen ook die daarvan op de hoogte waren - dat waren degenen waarover Urcisinus, zoals gezegd, gerapporteerd had - en vervolgens nog anderen, schuldig of niet. 46.Want in bloedige wedijver met Maximinus, als het ware zijn grote voorbeeld, probeerde hij deze nog te overtreffen in het ondermijnen van hoogstaande families, in navolging van Busiris van vroeger en Antaeus en Phalaris (alleen diens bronzen stier ontbrak er maar aan). 47.Omdat dit en nog meer zulke dingen zo gingen, vreesde een zeker Hesychia, een dame die wegens een poging tot misdrijf bij een gerechtsdienaar onder huisarrest verbleef, dat haar gruwelijke behandelingen wachtten, waarom ze haar gezicht in het veren bed drukte waarop ze lag zodat ze stikte en stierf. 48.Daarbij kwam nog iets niet minder kwalijks. Want Eumenius en Abienus, mannen van hoge stand die onder Maximinus in opspraak waren gekomen door ongeregelde betrekkingen met een bekende vrouw, Fausiana, maar geprotecteerd door Victorinus daarvan niets te duchten hadden gehad, kregen het na diens overlijden zo benauwd door het aantreden van Simplicius, van wiens kant evenveel gevaar dreigde als van Maximinus, dat zij een veilig heenkomen zochten. 49.Na een veroordeling van Fausiana werd ook tegen hen als verdachten een opsporingsbevel uitgevaardigd, waarop ze nog dieper onderdoken en Abienus met name zich lange tijd schuilhield in het huis van Anepsia. Maar toch al beroerde situaties worden vaak verergerd door onvoorziene toevalligheden: een slaaf van Anepsia, Sapaudulus geheten, sloop uit wrok over een afranseling die zijn vrouw had gekregen op een nacht het huis uit en verried de zaak aan Simplicius, die er gerechtsdienaren opaf stuurde om de aangewezenen uit hun schuilplaatsen te halen. 50.En Abienus, die een extra zware beschuldiging tegen zich kreeg, namelijk dat hij ontucht zou hebben gepleegd met Anepsia, werd met de dood gestraft. De vrouw echter van haar kant hoopte door uitstel van executie haar leven te kunnen redden en verklaarde dat zij met tovermiddelen bedwelmd in het huis van Aginatius overweldigd was. 51.Simplicius rapporteerde het voorgevallene tendentieus aan het hof, waar Maximinus zich bevond, die om de eerder aangehaalde reden Aginatius haatte,7 en met een wraaklust verhevigd in evenredigheid met zijn vergrote machtspositie, de keizer dringend om een machtiging verzocht de man ter dood te laten brengen, wat die krankzinnige en machtige hitser zonder veel moeite gedaan kreeg. 52.Niettemin was hij beducht voor nog meer haat tegen zijn persoon wanneer een telg uit een adelijk geslacht zou worden omgebracht op bevel van Simplicius, die zijn adviseur en vriend was, en hield de machtiging voorlopig in petto, aarzelend en weifelend over de keuze van een honderdprocent betrouwbare en efficiënte volvoerder van de gruwelijke daad. 53.En - soort zoekt immers soort - uiteindelijk vond hij een Galliër, Doryphorianus geheten, een waanzinnig brutale kerel, wie hij, tegen diens belofte de zaak in een handomdraai te zullen oplossen, de post van vicarius [van Rome] bezorgde en mèt de aanstellingsbrief van de keizer schriftelijk instructies gaf - want het was een heftige, maar onervaren man - over hoe snel en zonder enig probleem Aginatius uit de weg te ruimen, die bij uitstel misschien nog zou kunnen ontsnappen. 54.Met de opdracht zich te haasten reisde Doryphorianus dus in lange dagreizen naar Rome, waar hij meteen na zijn aantreden fanaat begon te bedenken, hoe hij de senator uit een aanzienlijk geslacht op eigen doft gewelddadig aan zijn eind kon helpen. En toen hij vernam dat Aginatius allang gevonden was en in zijn eigen villa gevangen werd gehouden, besloot hij hem en Anepsia als de twee hoofdschuldigen persoonlijk te verhoren en dat te doen in de ijselijke nachtelijke uren, wanneer de zinnen der mensen verdoofd zijn door angsten , waarvan met veel andere voorbeelden dat van Ajax is aan te halen, die zei liever overdag te sterven dan de extra verschrikkingen van de nacht te moeten ondergaan. 55.En omdat de rechter, of beter: de gewetenloze schurk, alleen op het inlossen van zijn belofte bedacht, in alles geweldig overdreef, liet hij voor de (door hem geopende) zaak tegen Aginatius een heel legertje beulen opdraven, die zijn slaven, al half apathisch van langdurige verwaarlozing, onder onheilspellend gekletter van ketenen bijna tot de dood toe martelden om hen fatale uitspraken te ontlokken tegen hun meester - iets wat onze clemente wetten in een zaak wegens ontucht verbieden. 56.En toen dan eindelijk met bijna dodelijke folteringen uit een slavin een paar twijfelachtige woorden waren geperst, deed hij zonder verder onderzoek naar de betrouwbaarheid van die bekentenis meteen uitspraak en beval Aginatius af te voeren en te executeren. En hoe deze zich ook luid schreeuwend beriep op de keizers, hij werd weggedragen en gedood, zoals ook Anepsia op grond van dezelfde veroordeling werd terechtgesteld. Zo deed Maximinus in Rome in eigen persoon toen hij daar was en via zijn handlangers toen hij daarvandaan was. En de Eeuwige Stad betreurde haar doden. 57.Maar de laatste vervloekingen van de slachtoffers bleven in de lucht hangen. Want Maximinus kwam onder Gratianus, zoals later, wanneer het te pas komt, nog zal worden verhaald 8, wegens zijn onverdraaglijk aanmatigend gedrag onder het zwaard van de scherprechter, en Simplicius werd in Illyricum onthoofd. Ook Doryphorianus werd ter dood veroordeeld en in de Tulliaanse kerker [in Rome] geworpen, waaruit Gratianus hem op instigatie van zijn moeder losliet, maar hem, eenmaal thuis, onder gruwelijke folteringen liet afmaken. Dit was, om zo te zeggen, de stand van zaken in Rome. Maar ik keer terug naar het onderwerp waarvan ik ben afgedwaald.  

2. Keizer Valentinianus versterkt de hele Rijnoever aan de Gallische kant met vestingen, forten en torens. De Alamannen doden Romeinen die aan de overzijde doende zijn een vesting te bouwen. Maratocuprenen die in Syrië aan het plunderen zijn geslagen, worden op bevel van keizer Valens met hun kinderen en hun dorp vernietigd 

1.In het kader van belangrijke, door hem noodzakelijk geachte voorzieningen, liet Valentinianus de hele Rijnlinie vanaf Raetië tot aan de engte van de oceaan [het Kanaal] versterken met zware wallen, hoogbemuurde vestingen en forten en reeksen torens op geschikte en gunstige plaatsen zover het Gallische gebied zich uitstrekte. Hier en daar werden ze trouwens ook gebouwd aan de overkant van de rivier die de grens vormt met het woongebied van de barbaren. 2.Toen hij in verband daarmee bedacht dat een hoge, vrijwel onneembare burcht, die hij van de eerste steen af zelf had gebouwd vlak aan de rivier de Nicer [de Neckar], op den duur door de enorme kracht van het golvende water zou kunnen worden ondermijnd, kwam hij zelfs op het idee de waterloop te verleggen, trok daarvoor specialisten in waterbouwkunde aan en liet een grote afdeling soldaten met het zware werk een aanvang maken. 3.Dagen achtereen werden eikenhouten bakken getimmerd en in de rivierbedding neergelaten, maar al werden die telkens weer met stevige staken vastgezet, wrikten de hoge golven ze uit elkaar tot ze door de sterke stroming werden meegesleurd en verloren gingen. 4.Tenslotte lukte het toch dankzij de krachtdadige leiding van de keizer en de inspanningen van de gedisciplineerde manschappen, die bij dat werk dikwijls tot aan hun kin in het water stonden, en zo werd de verdedigingslinie, niet zonder levensgevaar voor sommige soldaten verzekerd tegen ondermijning door de dreigend bulderende rivier en stond ze nu sterk. 5.Zeer tevreden met successen als dit en één en al optimisme, stelde Valentinianus zich nu ook - zoals het een keizer betaamt - zolang het seizoen het toeliet, verdere taken van belang voor de staat. Van mening daarmee het doel dat hem voor ogen stond het best te kunnen bereiken, besloot hij meteen aan de overkant van de Rijn op de Pirusberg [bij Heidelberg], dus in het land van de barbaren, een fort te bouwen. Om dat plan te doen slagen moest hij snel zijn, en zo liet hij de toenmalige notarius en latere prefect en consul Syagrius aan de generaal Arator de order overbrengen daarmee te beginnen, nu overal rust heerste. 6.De generaal stak met de notarius volgens bevel de rivier over, maar was met zijn mannen nauwelijks begonnen de fundering te leggen of hij werd vervangen door Hermogenus. Tegelijk dienden zich enkele hogere Alamannen aan, vaders van de gijzelaars die wij op basis van het met hen gesloten verdrag als een kostbaar onderpand ter zekerstelling van een duurzame vrede vasthielden. 7.Op hun knieën smeekten ze de Romeinen, ‘die hun geluk tot in de wolken danken aan hun eeuwige trouw’, hun veiligheid niet in de waagschaal te stellen door een fatale misrekening en met minachting voor de gesloten verdragen aan een schandelijke onderneming te beginnen. 8.Maar wat ze ook zeiden, het was vergeefs, en toen ze geen gehoor vonden en merkten dat geen geruststellende of betamelijke reactie kwam, trokken ze zich terug, bezorgd om het lot dat hun zonen nu wachtte. Want nauwelijks waren ze vertrokken, of barbaren die het antwoord aan hun leiders bleken te hebben afgewacht, schoten uit een niet opgemerkt dal tussen de heuvels te voorschijn, vielen met getrokken zwaarden op onze soldaten aan, die halfnaakt met grondwerk bezig waren, en hieuwen ze neer. Ook de twee aanvoerders vonden daarbij de dood. 9.En geen man kon het navertellen behalve Syagrius, die na de algemene slachting terugkeerde naar het hof, maar op een beslissing van de woedende keizer uit de dienst ontslagen werd en naar huis moest, slachtoffer van het krankzinnige oordeel dat hij zich schuldig had gemaakt aan het feit dat hij als enige was ontkomen. 10.Intussen werd in Gallië danig huisgehouden door roverbenden, die op de drukkere wegen loerden, weinig kieskeurig op alles aanvielen wat profijtelijk leek en veel slachtoffers maakten. Zo werd, na veel anderen die in hun handen waren gevallen, tenslotte ook de tribunus stabuli Constantianus, een broer van Cerealis en Justina en [door haar huwelijk met Valentinianus] familie van de keizer, bij verrassing overvallen en kort daarna gedood. 11.En alsof de Furiën bezig waren meer zulke toestanden op te roepen, waren ver daarvandaan de Maratocuprenen, rovers van het ergste soort, ook links en rechts aan het plunderen geslagen. Dat waren de bewoners van een kleine plaats van die naam in de buurt van Apamea in Syrië, die in groten getale rondzwervend schrik verspreidden. Sluw en listig als ze waren, vermomden ze zich om geen argwaan te wekken als onschuldige handelaren en soldaten en drongen dan zo villa’s, landgoederen en andere woningen binnen. 12.Niemand kon zich tegen hun onverwachts bezoek wapenen omdat ze niet systematisch maar volkomen willekeurig ver uiteenliggende doelen kozen en kwamen en gingen zoals de wind waaide - precies waarom men ook banger is voor de onvoorspelbare Saksen dan voor ander kwaad volk. Maar hoewel deze verzworen roverbenden de bezittingen van veel burgers plunderden en, even bloeddorstig als buitbelust, bezeten van razernij gruwelijke moordpartijen aanrichtten, wil ik, om niet door een gedetailleerde opsomming van hun doen en laten de lijn in mijn geschiedenis te veel te verstoren, volstaan met van deze ene moorddadige overval te vertellen. 13.Een aantal van deze godvergeten lieden had zich voorgedaan als een belastingambtenaar vergezeld van zijn medewerkers en was op een avond, voorafgegaan en aangekondigd door een heraut met zijn weinig goeds voorspellende roep, in een stad aangekomen, waar ze gewapenderhand beslag legden op het schitterende huis van een voorname burger alsof deze ter dood veroordeeld en vogelvrij was. Ze roofden heel zijn kostbare huisraad, doodden en passant verschillende dienaren, die hevig geschrokken en als verlamd hun meester niet te hulp kwamen, en gingen er vóór het licht werd snel weer vandoor. 14.Maar toen ze genoeg buit van veel mensen binnen hadden, staakten ze dit lustige bedrijf, waarvan ze overigens werden afgehouden door ingrijpen van keizerlijke troepen, werden tenslotte overweldigd en tot de laatste man gedood. Zelfs hun kleine kinderen ondergingen dat lot, zodat voorkomen werd dat ze opgegroeid het voorbeeld van hun vaders zouden volgen. Ook hun huizen, die ze ten koste van veel leed van anderen schitterend hadden ingericht, werden neergehaald. Deze dingen vonden dus plaats in de context van de geschiedenis [van het jaar 369].  

3. Theodosius herbouwt in Britannië de door barbaren verwoeste steden, herstelt de forten en herwint de provincie Valentia 

1.Vanuit Augusta, het oude Lundunium, rukte de befaamde, energieke generaal Theodosius uit met troepen die hij daarvoor speciaal had samengesteld om de ontwrichte samenleving van de Britten zoveel mogelijk hulp te bieden.9 Om te beginnen organiseerde hij overal hinderlagen van waaruit  uitvallen naar de barbaren konden worden ondernomen, waarbij hij niets van zijn mannen vergde zonder hen enthousiast voor te gaan. 2.Terwijl hij op die manier zwoegde als de eerste de beste soldaat èn de taken vervulde van een goede commandant, versloeg en verjoeg hij verscheidene stammen die de euvele moed hadden gehad, omdat ze zich straffeloos waanden, zich te vergrijpen aan Romeins bezit, en herstelde steden en forten die gesticht waren om langdurige rust te waarborgen maar zware schade hadden geleden. 3.Maar terwijl hij zo doende was, gebeurde er iets ongelukkigs, wat tot een gevaarlijke situatie had kunnen leiden als niet meteen bij het begin was ingegrepen. 4.Een zekere Valentinus, geboortig uit Valeria, een provincie van Pannonië, een brutale kerel, die verzwagerd was met die doodgevaarlijke stadsprefect en latere prefect Maximinus, was om een of ander zwaar vergrijp naar Britannië verbannen, waar hij als een wild dier het stilzitten niet verdroeg en rampzalige opstandige plannen begon uit te broeden met Theodosius als zijn gehate mikpunt; dat was namelijk de enige die hij in staat achtte hem in zijn misdadige bedoelingen te dwarsbomen. 5.Na lang heimelijk en openlijk hier en daar gepeild en gepolst te hebben, begon hij, gedreven door zijn ambities, bannelingen en soldaten te bewerken en voor deelname aan zijn waagstuk zulke aanlokkelijke beloningen te beloven als toen binnen zijn vermogen lagen. 6.Maar voordat hij toe was aan de uitvoering van zijn plannen liet Theodosius, die daarvan door een ingezette spion op de hoogte werd gehouden, besluitvaardig en doortastend als hij was, al degenen die daarbij betrokken waren ter bestraffing inrekenen. Dat wil zeggen: Valentinus droeg hij met zijn naaste medeplichtigen over aan generaal Dulcitius 10 ter uitvoering van de doodstraf. Maar met zijn superieure militaire ervaring voorzag hij wat gebeuren kon en hield hij tegen dat onderzoek naar verdere schuldigen werd gedaan, om te voorkomen dat door paniek in een grotere kring de pas bedwongen onrust in de provincies de kop weer  zou opsteken. 7.Nadat dit gevaar bezworen was - het geluk had hem duidelijk nog nooit in de steek gelaten - concentreerde hij zijn aandacht op het verbeteren van alle omstandigheden die daar dringend om vroegen, herbouwde, zoals gezegd, steden en forten, beveiligde de grenzen met wachten en buitenposten en bracht een provincie die eens in vijandelijke handen was zo volledig in haar oude staat terug, dat ze, zoals hij rapporteerde, nu een wettige gouverneur had en voortaan Valentia heette overeenkomstig de wens van Valentinianus, die op het horen van dit geweldige nieuws welhaast een triomf vierde. 8.Ook ontsloeg hij de zogenaamde arcani, 11 die behoorden tot een instantie die al langere tijd bestond en waarover ik het een en ander verteld heb in de geschiedenis van Constans, maar langzamerhand corrupt waren geworden en zo goed als zeker verschillende keren met veel geld en grote beloften door de barbaren waren omgekocht om te verraden wat bij ons gebeurde. Het was namelijk hun taak grote gebieden te doorkruisen om onze generaals te kunnen informeren over onrust en beroering onder de buurvolken. 9.Na de beschreven en meer dergelijke kwesties op schitterende wijze te hebben opgelost, werd Theodosius naar het hof genodigd en liet hij de provincies in juichstemming achter, met zoveel trotse overwinningen op zijn naam als ooit een Furius Camillus of Papirius Cursor.12 Een geestdriftige menigte begeleidde hem naar de zeestraat, die hij bij een zachte wind overstak. Aan het keizerlijke hof met open armen en eerbewijzen ontvangen, werd hij tot opvolger benoemd van Jovinus, de bevelhebber van de cavalerie [in Gallië], die als zodanig niet voldeed.13  

4.Over de stadsprefectuur van Olybrius en Ampelius en over de verdorvenheid van de senaat en het volk van Rome

  1.Afgeleid door een veelheid aan gebeurtenissen buiten Rome, heb ik mij lang niet met de ontwikkelingen in de stad kunnen bezighouden. Dus zal ik nu in het kort de geschiedenis daarvan hervatten, te beginnen met de prefectuur van Olybrius. Die periode was bijzonder rustig en vrij van commotie. De man hield zich consequent aan een humane gedragslijn, was nauwgezet en maakte het een punt van eer dat geen van zijn woorden of daden grof of hard zou kunnen overkomen. Valse aanklachten bestrafte hij onverbiddelijk. Hij beperkte de inhaligheid van de fiscus waar hij kon. Met een goed gevoel voor recht en onrecht, op-en-top een rechter, was hij mild jegens zijn onderdanen. 2.Maar dit alles werd overschaduwd door een ondeugd die de publieke zaak weliswaar niet schaadde maar aan zijn hoge positie wel afbreuk deed: in privé was hij geneigd tot loszinnigheid, was hij vaak te vinden in theaters en in gezelschap van vrouwen, al deed hij wat dit betrof niets wat verboden of onoorbaar was. 3.Na hem werd de stad bestuurd door Ampelius, ook al een man die van het goede leven hield. Hij was geboortig uit Antiochia, was magister officiorum geweest, tweemaal proconsul en later, veel later, tot prefect benoemd. Een voortreffelijke man in andere opzichten en van aanleg iemand die gemakkelijk de volksgunst won, had hij toch vaak iets onverzettelijks, maar ik wilde wel dat hij consequenter was geweest in zijn politiek. Want hij had - al was het maar voor een stuk - de overmatige eetzucht en de verleidingen van kroegen en taveernes kunnen terugdringen als hij daarin niet laks was geworden en zijn naam in dat opzicht verspeeld had. 4.Want hij had bepaald dat taveernes niet vóór negen uur open mochten zijn, dat het volk in het algemeen geen water warm mocht maken [om er wijn mee aan te lengen] en geen winkelier gekookt vlees mocht verkopen vóór een bepaald uur van de dag, en het onfatsoenlijk was op straat te eten. 5.Zulke onbetamelijkheden en nog ergere, waren door voortdurend gedogen zo enorm voortgewoekerd, dat zelfs de bekende Kretenser Epimenides, als hij door de een of andere magische bezwering uit de onderwereld op aarde zou kunnen worden teruggeroepen, in zijn eentje niet in staat zou zijn Rome ervan te zuiveren, zo schandalig was het onuitroeibare onfatsoen van haar meeste bewoners. 6.En eerst wil ik, zoals ik vaker heb gedaan naargelang daarvoor ruimte was, het een en ander zeggen over de misstanden in de hogere kringen, daarna over die onder het lagere volk, zonder daarbij al te ver af te dwalen. 7.Sommigen verbeelden zich iets te zijn vanwege hun opvallende voornamen en gloeien van trots als men hen de Reburri, Flavionii, Pagonii, Gereones en Dalii noemt, of de Tarracii en de Pherrasii, en zo nog een paar goedklinkende verwijzingen naar een beroemde afstamming. 8.Anderen gaan in glanzende zijde gekleed alsof ze hun laatste gang gaan, of (om het wat minder omineus te zeggen) alsof ze achter het leger een tros aanvoeren van troepen opgewonden kakelende slaven. 9.Zodra zulke lieden, ieder begeleid door zo’n vijftig bedienden, in de hal van een badpaleis verschijnen, roepen ze al dwingend: ‘Waar blijven onze meisjes?!’ En als ze gehoord hebben dat plotseling een nieuw vrouwtje beschikbaar is, al is het maar een vulgaire hoer of een ouwe temeie, vliegen ze daaropaf, keuren de nieuw aangekomene met hun handen en prijzen en vleien haar zo schaamteloos overdreven als de Perzen hun Semiramis, de Egyptenaren hun Cleopatra, de Cariërs hun Artemisia en die van Palmyra hun Zenobia. En dat veroorloven zich mensen waarvan de voorouders het meemaakten dat een senator een publieke berisping van de censor opliep toen hij het waagde (toen dat nog als indecent beschouwd werd) zijn eigen vrouw te kussen in het bijzijn van hun dochter! 10.Er zijn er ook die, als iemand hen ter begroeting wil omhelzen, als wilde stieren hun hoofd wegdraaien om een kus te ontwijken, en vinden dat hun vleiers zich al ruimschoots gelukkig mogen prijzen als ze hun knieën of handen mogen kussen, van mening ook dat ze een vreemde (aan wie ze misschien wel dank schuldig zijn) meer dan genoeg hoffelijkheid bewijzen met te vragen welke thermen of baden hij bezoekt of waar hij logeert. 11.En ze mogen nog zo deftig zijn en welgemanierd (in hun eigen ogen dan), maar wanneer ze horen dat iemand de aankomst van paarden en wagenmenners ergens vandaan gemeld heeft, vallen ze over hem heen en moeten alles daarover van hem weten, zoals hun voorouders opkeken naar de zonen van Tyndareus toen die ooit groot enthousiasme wekten met hun bericht over de bekende overwinning. 12.Hun huizen worden gefrequenteerd door leeghoofdige nietsnutten, die niet weten hoe ze alles daar genoeg moeten prijzen, elk woord van hun meer welgestelde gastheer bijval betuigen en vleiende geestigheden debiteren als klaplopers in bepaalde komediestukken. Zoals die namelijk opscheppers van soldaten nog trotser doen rondstappen door hen belegeringen en gevechten tegen duizenden vijanden toe te schrijven alsof ze te vergelijken waren met helden van vroeger,14 zo bewonderen zij ostentatief  zuilenpartijen voor hoge façades en wanden die schitteren van bontgekleurde edelstenen, en maken van hun edele gastheren halve goden. 13.Soms wordt bij hun gelagen en festijnen om weegschalen geroepen om de geserveerde vissen, vogels en hazelmuizen te wegen, waarvan ze de zeldzame grootte eindeloos en tot vervelens toe roemen, vooral als dertig secretarissen gewapend met griffeldoos en schrijftablet achter hen staan om dat allemaal te noteren. En het lijkt alsof het maar ontbreekt aan een schoolmeester om het geheel te completeren. 14.Sommigen hebben zo’n grondige hekel aan geleerdheid, dat ze wel Juvenalis en Marius Maximus verslinden, maar heel hun luie leven lang beslist geen ander boek aanraken. Waarom dat is, zou ik werkelijk niet weten. 15.Want gezien hun naam en faam zouden ze zich juist in veel en velerlei boeken moeten verdiepen, gehoord hebbend dat Socrates, ter dood veroordeeld en gevangen gezet, aan een zanger die voor hem gevoelvol een lied van de lyrische dichter Stesichorus had gezongen, vroeg ook hem dat te leren zolang het nog kon, en toen de musicus daarop vroeg wat voor nut dat had, aangezien hij de volgende dag moest sterven, antwoordde: ‘Om nog iets meer te weten vóór ik dit leven verlaat’. 16.Enkelen van hen hebben de gewoonte, fouten uitzonderlijk streng te straffen, en bijvoorbeeld een slaaf die te laat het warme water brengt, op wel driehonderd zweepslagen laten trakteren; maar aan de andere kant, als een slaaf opzettelijk een ander heeft gedood en er van alle kanten op wordt aangedrongen hem ter dood te veroordelen, alleen maar roepen: ‘Wat kun je van zo’n waardeloze vent verwachten? Als hij het nog eens waagt, zal ik hem krijgen!’ 17.Als het summum van beschaving in die kringen geldt nu dat een vreemde beter iemands broer kan doden dan zijn uitnodiging voor een maaltijd af te slaan; en als een senator na ampele overwegingen eindelijk besloten heeft iemand te inviteren en deze niet verschijnt, blijft de man zitten met een gevoel alsof hij iets kostbaars kwijt is. 18.Sommigen die - tjonge nog aan toe - een reis gemaakt hebben om hun landerijen te inspecteren of ergens te jagen (hun slaven te laten jagen), verbeelden zich de tochten van Alexander de Grote of Julius Caesar te hebben nagedaan, of die in hun bontgeschilderde plezierjachten helemaal (!) van het Meer van Avernus naar Puteoli gezeild zijn, de Argonautentocht, vooral wanneer ze zich daaraan gewaagd hebben in hartje zomer. En als ondanks gewuif met waaiers vliegen op de zijden zomen van hun kleren neerstrijken of een straaltje zon door een spleet in de luifel valt waaronder ze de schaduw hebben gezocht, zuchten ze liever in het land van de Cimmeriërs te zijn geboren. 19.Uit het bad van Silvanus komend of uit de geneeskrachtige baden van Mamaea die ze frequenteren, en afgedroogd met de fijnste linnen doeken, openen ze hun garderobekoffers en maken zorgvuldig hun keus uit de chique, in de lichtval glanzende kleding, waarvan ze zoveel hebben meegebracht dat er genoeg zou zijn voor elf man. Eindelijk gehuld in hun keuze, laten ze zich de ringen aanreiken die ze aan een dienaar in bewaring hadden gegeven om ze tegen vocht te beschermen en keren huiswaarts. 20.Wanneer iemand na jaren in ’s keizers dienst is afgezwaaid, heeft hij in de kring van zijn bewonderaars het hoogste woord, (...) en terwijl iedereen ademloos luistert naar wat hij te vertellen heeft, dist hij als een vader voor zijn kinderen verzonnen verhalen op waarmee hij iedereen beduvelt. 21.Sommige (vooruit, enkele) van deze lieden wensen niet te spreken van een ‘dobbelsteen’ en zeggen liever ‘teerling’, maar die ermee spelen verschillen evenveel van elkaar als ‘dieven’ van ‘rovers’. Echter, dat moet gezegd worden: terwijl vriendschappen in Rome niet veel voorstellen, zijn aan de dobbeltafel geboren kameraadschappen, alsof ze het resultaat zijn van een gezamenlijke zwaarbevochte glorie, wèl duurzaam, gevoed door een onverbrekelijke genegenheid. Zo broederlijk is de band tussen sommige leden van zulke gezelschappen dat men ze voor de gebroeders Quintilius15 zou kunnen houden. En zo kan men een man uit het gewone volk die alle aspecten van het teerlingspel beheerst, soms met een gezicht als een oorworm zien rondlopen - als Porcius Cato [Uticensis] na zijn onverwachte, teleurstellende nederlaag in de strijd om het praetorschap - omdat de een of andere ex-consul aan een banket of een ander soort samenkomst een eervollere plaats kreeg dan hij. 22.Er zijn er ook die werk maken van rijke medeburgers, oud of jong, kinderloos of ongehuwd, of desnoods gehuwd en met kinderen - want in dat opzicht kijken ze niet zo nauw - in de hoop hen er met allerlei fantastische voorspiegelingen toe te kunnen verleiden een testament op te maken. En als die dan hun laatste wil op orde hebben en degenen ter wille van wie ze dat gedaan hebben iets nalaten, overlijden ze subito, zodat men haast niet kan geloven dat dit gebeurt door een beslissing van het Lot, terwijl ook geen ziekte als oorzaak kan worden aangetoond en niemand hun lijkstoet begeleidt. 23.En iemand die het niet eens zo ver gebracht heeft, loopt met een gezwollen nek zijn vroegere bekenden voorbij op wie hij met een schuinse blik neerkijkt, zodat men zou denken dat daar een Marcellus gaat na zijn verovering van Syracuse. 24.Velen van dat soort geloven niet in hogere, hemelse machten, maar zullen zich niet in het publiek vertonen of aan de maaltijd gaan of denken veilig een bad te kunnen nemen vóór ze zorgvuldig de [astronomische] kalender hebben geraadpleegd en hebben vastgesteld in welk teken bijvoorbeeld Mercurius staat of in de hoeveelste graad van het sterrenbeeld de Kreeft de maan in haar loop langs de hemel is aangekomen.25.En wanneer iemand vindt dat een schuldeiser zijn recht al te opdringerig opeist, wendt hij zich soms tot een wagenmenner, zo één die geen scrupules kent, en laat hem die persoon in het nauw drijven door te dreigen met een beschuldiging van gifmengerij; en die schuldeiser komt er niet vanaf vóór hij de schuldbekentenis heeft teruggegeven en nog hoge kosten heeft betaald op de koop toe. Waarbij nog komt dat als zo’n man in verband daarmee geld heeft beloofd,16 hij kan worden gegijzeld en niet eerder vrijkomt dan nadat hij zijn belofte heeft ingelost. 26.Ergens anders hamert een vrouw (zoals een oud gezegde luidt) dag en nacht op hetzelfde aambeeld, van haar man eisend dat hij een testament maakt. Als deze er dan bij de vrouw op aandringt hetzelfde te doen, worden van beide kanten juristen ingehuurd om, de een in de slaapkamer, de ander, zijn tegenspeler, in de eetkamer, de conflicterende punten te bespreken. Tenslotte worden daar dan uitleggers van geboorte-horoscopen bijgehaald, waarvan de een voor de man prefecturen bij de vleet voorziet en begrafenissen van rijke vrouwen, de ander de vrouw maant voorbereidingen te treffen voor de begrafenis van haar man, die aanstaande is. (...) Het is daarmee zoals Cicero zegt: ‘Ze vinden niets ter wereld van belang of het moet voordeel opleveren. En van hun vrienden, net als van hun schapen en geiten, prefereren ze die, waarvan ze het meeste profijt verwachten!’17 27.Als zulk volk om een lening komt, ziet men ze onderdanig op halvezolen aankomen, als een Micon of een Laches, 18 maar als het op terugbetaling aankomt, dragen ze hooggehakte laarzen met zo’n arrogantie, dat men ze voor de Heracliden Cresphontes en Temenus 19 zou houden. Tot zover over de senaat. 28.Komen we nu bij het luie, lanterfanterende lagere volk. Sommigen van dat soort hebben zelfs geen schoenen aan hun voeten, maar geven zich een air alsof ze de gewichtigste namen dragen: jawel: Messor, Statarius, Semicupa, Serapinus, Cicymbricus, en gluturinus en Trulla en niet te vergeten Lucanicus en Porclaca en Salsula, enzovoort. 20 29.Ze verdoen hun leven met drinken en dobbelen, in hoerenkasten, theaters en circussen. Hun tempel, hun tweede huis, hun vergaderplaats, heel hun hoop en hunkering is het Circus Maximus. Ze hangen met elkaar rond op de markten, bij wegkruisingen, in de straten en waar ze elkaar maar tegenkomen, in heftige discussies gewikkeld, want de een weet alles nog beter dan de ander. 30.Daar zijn er bij die, der dagen zat, als autoriteiten, vanwege hun grotere ervaring, bij hun rimpels en grijze haren zweren dat het met de staat gedaan is als bij de komende races de wagenmenner van hun voorkeur niet de eerste is die van de startstreep gaat en niet kort genoeg de meta rondt omdat zijn paarden met toverij bewerkt zijn. 31.En hoe groot hun luiheid en onverschilligheid verder ook is, zodra de langverwachte dag van de races aanbreekt, rennen ze nog vóór de zon goed en wel boven de horizon staat met hun allen de benen uit het lijf [naar het circus] alsof ze het van de renwagens die in de wedstrijd gaan uitkomen willen winnen, nadat de meesten met hun verschillende belangen bij de uitslagen van de zenuwen ’s nachts geen oog hebben dichtgedaan. 32.Als ze vandaar in de goedkope theaters terechtkomen, fluiten ze elke speler uit die de gunst van dat gepeupel niet met klinkende munt gekocht heeft. En als ze dat lawaai niet maken, schreeuwen ze om het hardst, als de Tauriërs, 21 dat alle vreemdelingen (van wier ondersteuning ze voor hun bestaan afhankelijk zijn geweest!) de stad moeten worden uitgejaagd; en hun grove, onbetamelijke taal maakt dan wel een heel verschil met de manier waarop de plebs oudtijds zijn belangen en wensen kenbaar maakte, getuige menig geestig en gevat gezegde dat nog steeds wordt aangehaald. 33.De situatie is nu onderhand zo, dat bij het uitblijven van spontaan applaus betaalde vóórklappers moeten worden ingezet en het mode is geworden bij elke opvoering en elk spektakel, de acteurs, dierenvechters, wagenmenners, alle soorten spelers, trouwens ook hogere en lagere functionarissen en zelfs matrones te vergasten op de kreet: ‘Ze moeten les bij je nemen!’ Maar wie wat voor les, weet niemand. 34.Aangelokt door de heerlijke geuren en het gekwetter van de vrouwen, staan hele horden van hun soort, wild op een vette hap, als een troep van honger krijsende pauwen vanaf het eerste hanengekraai reikhalzend bij de kookpotten en eten hun vingers op zolang ze moeten wachten tot de pannen zijn afgekoeld. Anderen hangen met hun neus boven een walgelijk stuk halfrauw vlees in de pot en volgen het kookproces zo aandachtig dat ze doen denken aan Democritus, zoals die met andere anatomen de ingewanden van opengesneden dieren onderzocht en hun leerde hoe voortaan inwendige kwalen konden worden behandeld. 35.Dit is voorlopig wel genoeg over de toestand in de stad. Ik keer dus terug naar de situatie in de provincies en de verschillende gebeurtenissen die deze hebben veroorzaakt.  

5. In Gallië worden de Saksen, nadat een wapenstilstand is gesloten, door de Romeinen vanuit een hinderlaag aangevallen. Valentinianus belooft de Burgundiërs troepenhulp als ze Alamannië willen binnenvallen, maar, misleid en in de steek gelaten, doden dezen al hun gevangenen en keren naar huis terug

  1.Tijdens het derde consulaat van de beide keizers [in 370] kwam een horde Saksisch volk in beweging, trotseerde de gevaren van de oceaan en stevende recht op de Romeinse grens [de kust van Gallië] af, waar het zich al vaker ten koste van ons volk verrijkt had. De man die de eerste schok van hun aanval opving, was de comes Nannienus, die in die gebieden het militaire commando voerde en een grote krijgservaring bezat. 2.Maar het volk waarmee hij nu te maken kreeg, was bereid zich zo nodig dood te vechten. En toen hij zich na verschillende manschappen te hebben verloren  en zelf gewond te zijn geraakt, realiseerde dat hij een herhaling van gevechten op den duur niet aan zou kunnen, meldde hij de keizer wat naar zijn mening te doen stond en kreeg gedaan dat de magister peditum Severus over kwam om in zijn hachelijke situatie uitkomst te brengen. 3.Deze arriveerde ter plaatse met een sterk genoeg leger, en toen dat zich in afdelingen opstelde, joeg het de barbaren met heel hun arrogantie zo’n schrik aan dat ze vóór het tot vechten kwam al in grote verwarring elke gedachte aan tegenstand lieten varen en, verblind door de schittering van onze veldtekens en adelaars, om vergeving en vrede vroegen. 4.Daarover werd lang en breed overlegd. En toen dit tenslotte in het belang van de staat leek, werd een wapenstilstand geboden, onder voorwaarde onder meer dat zij ons een groot aantal jonge mannen, geschikt voor de krijgsdienst, als gijzelaars gaven. Daarna mochten ze ongehinderd vertrekken om terug te keren naar waar ze vandaan kwamen. 5.Maar toen ze zich onbekommerd klaarmaakten voor de terugtocht, werden heimelijk infanteristen uitgestuurd om in een afgelegen dal een hinderlaag te leggen van waaruit ze de Saksen in het voorbijkomen gemakkelijk konden overvallen. Wel, dat kwam heel anders uit. 6.Want in hun opwinding over het geluid van de naderende Saksen, schoten sommigen te vroeg uit hun schuilplaats tevoorschijn, en vóór de onzen, voortijdig ontdekt, goed en wel konden reageren, werden ze door de barbaren onder angstaanjagend gehuil op de vlucht gejaagd. Snel kwamen ze toch tot staan, vormden ze een blok en hervonden ze in hun hachelijke situatie enigszins hun moed. Maar in het gevecht dat nu niet was te vermijden leden ze zware verliezen, werden verslagen en zouden tot de laatste man zijn gedood als niet een eenheid gepantserde ruiterij, die op dezelfde manier verderop langs een zijweg stond opgesteld om de barbaren op te vangen als ze aan die kant voorbij zouden komen, hun wanhopig gescheeuw had opgemerkt en te hulp was geschoten. 7.Daarmee verhevigde de strijd; de Romeinen vielen de Saksen met nieuwe moed van alle kanten aan, dreven ze op een hoop en hieuwen ze neer met hun zwaarden. Niet één daarvan kon hopen zijn land terug te zien, geen één werd het gegund zijn gevallen kameraden te overleven. En hoewel een onbevooroordeelde beoordelaar deze actie misschien walgelijk en laf zal vinden, zal hij bij nadere beschouwing tot de conclusie moeten komen dat het geen slechte zaak is als een dood en verderf zaaiende roverbende wordt vernietigd wanneer de gelegenheid daartoe zich eindelijk voordoet. 8.Zo liep deze geschiedenis toch nog goed af. Valentinianus, intussen, had grote zorgen. Almaar zinnend op middelen om een eind te maken aan de overmoed van de Alamannen en de trots te breken van hun koning Macrianus,22 die de Romeinse staat bleef terroriseren, bedacht en verwierp hij het ene plan na het andere. 9.Want al was dit woeste volk vanaf het begin van zijn bestaan dikwijls door tegenslagen verzwakt, het had zich evenzovaak hersteld, zodat men haast kon denken dat het eeuwenlang niets te lijden had gehad. Uiteindelijk besloot hij na ampele overwegingen, het vernietigende werk te laten doen door de Burgundiërs, een krijgshaftig volk met aan jonge, sterke vechters geen gebrek, zodat het de schrik was van al hun buren. 10.Dus begon hij via vertrouwde, discrete boodschappers een correspondentie met hun koningen om ze over te halen de Alamannen op een goed moment aan te vallen, met de belofte zelf met een leger de Rijn te zullen oversteken om hen, wanneer ze die onverwachte grote aanval zouden proberen te ontwijken, in hun ontreddering op te vangen. 11.’s Keizers brieven vielen om twee redenen in goede aarde: ten eerste weten de Burgundiërs namelijk van tijden her afstammelingen van de Romeinen te zijn 23 en ten tweede hebben zij met de Alamannen geregeld conflicten over zoutmijnen en grenzen. Dus zonden ze ons hun beste troepen, die nog voordat die van ons ter plaatse waren en terwijl de keizer nog in beslag werd genomen door de aanleg van vestingwerken, aan de oevers van de Rijn arriveerden, waar ze onder onze bevolking grote paniek veroorzaakten. 12.Daar wachtten ze enige tijd, maar toen Valentinianus op de beloofde dag niet verscheen en ze merkten dat hij ook zijn andere beloften niet nakwam, stuurden ze gezanten naar zijn kamp met een verzoek om dekking voor hun terugtocht om niet onderweg door vijanden in de rug te worden aangevallen. 13.En toen het hun duidelijk werd dat dit onder allerlei voorwendsels zo lang werd uitgesteld dat het feitelijk neerkwam op een weigering, vertrokken ze, gefrustreerd en diep verontwaardigd. En nadat de koningen uit woede over deze vernedering al hun gevangenen hadden laten doden, keerden ze naar hun land terug. 14.Bij de Burgundiërs is de gewone naam voor koning ‘Hendinos’. Volgens oud gebruik doet hij afstand en moet hij aftreden als het onder zijn regering aan krijgsgeluk hapert of het land onvoldoende oogst oplevert, precies zoals ook de Egyptenaren hun heersers voor zulke tegenslagen verantwoordelijk stellen. De opperpriester heet bij hen de ‘Sinistus’ en wordt voor het leven gekozen, loopt dus niet zulke risico’s als hun koningen. 15.Gebruik makend van een goede gelegenheid, ondernam de toenmalige magister equitum Theodosius via Raetië een aanval op de Alamanen, die namelijk uit angst voor het genoemde volk [de Burgundiërs] alle kanten uit waren gevlucht; hij doodde er een groot aantal van en zond in opdracht van de keizer al zijn gevangenen naar Italië, waar hun vruchtbare gronden werden toegewezen en ze nu als belastingplichtige boeren in de Povlakte wonen.

 6. Rampen die de provincie Tripolis en de bewoners van Lepcis en Oea  treffen, veroorzaakt door de Austorianen, worden door de comes Romanus bedrieglijk voor Valentinianus geheimgehouden en blijven ongewroken 

1.Hiervandaan komen we nu als het ware in een andere wereld, waar we zo’n bedroevende situatie aantreffen in de provincie Tripolis van Afrika, dat, denk ik, Justitia zelf erom moet hebben gehuild. En hoe die ontstaan is, als het begin van een enorme brand, zal uit mijn verhaal blijken. 2.De Austorianen, buren van die regio,24 zijn wilden die elke gelegenheid aangrijpen om overvallen te plegen en gewoon zijn te leven van roof en moord. Een korte tijd hadden ze zich rustig gehouden, maar waren weldra weer in hun woeste gewoonten vervallen, waarvoor ze de volgende, volgens hen ernstige reden opgaven: 3.Een van hun stamgenoten, Stachao geheten, had zich vrij op ons gebied kunnen bewegen aangezien nergens iets aan de hand was, en had bepaalde wetten overtreden. Het kwalijkst van al was, dat hij op allerlei slinkse manieren had geprobeerd aan te stoken tot opstand, waarvoor hij, toen dat voldoende bewezen was, tot de brandstapel was veroordeeld. 4.Om de dood van die man te wreken, immers hun stamgenoot, die volgens hen onterecht was veroordeeld, braken de Austorianen als dolgeworden beesten los uit hun woongebied - dat was nog tijdens de regering van Jovianus - en waagden zich wel niet al te dicht in de buurt van Lepcis, een zwaarbemuurde, dichtbevolkte stad, maar bezetten drie dagen lang het vruchtbare omliggende land, waar ze de boeren afslachtten die zich, van schrik verlamd, niet verzetten, of niet hun toevlucht hadden gezocht in bergholen, staken al het huisraad in brand dat ze niet konden wegslepen en keerden bijna bezwijkend onder het gewicht van hun buit naar huis terug. Ook namen ze een zekere Silva als gevangene mee, de voornaamste magistraat van de stad, die ze toevallig met zijn gezin in zijn buitenverblijf aantroffen. 5.De inwoners van Lepcis smeekten in hun radeloosheid over deze onverwachte ramp de nieuwbenoemde comes van Africa, Romanus, om bescherming, vóór de dreiging van de kant van die opgefokte barbaren nog zou verergeren. Maar toen deze aan het hoofd van een troepenmacht was gearriveerd, verklaarde hij niet van plan te zijn uit te rukken voordat voldoende proviand was geleverd en hem vierduizend kamelen ter beschikking waren gesteld. 6.Ontsteld over deze reactie, maakten de arme burgers hem duidelijk, na alle verwoestingen en branden niet in staat te zijn zo’n hoge prijs te betalen voor bescherming tegen verdere verliezen, waarop de comes voor de vorm nog veertig dagen ter plaatse bleef en vervolgens vertrok zonder ook maar iets werkelijk te hebben ondernomen. 7.In hun verwachting teleurgesteld en het ergste vrezend, kozen de Tripolitanen toen op de dag waarop officieel hun eerstvolgende jaarlijkse landdag gehouden werd, Severus en Flaccianus tot afgezanten naar Valentinianus, om hem ter gelegenheid van zijn aantreden als keizer gouden beeldjes van de godin Victoria aan te bieden en hem onomwonden te berichten over de rampzalige situatie in de provincie. 8.Toen Romanus daarvan hoorde, stuurde hij direct een ijlbode te paard naar de magister officiorum Remigius, die familie van hem was en een even grote dief als hijzelf, om hem te vragen het zo te regelen, dat een onderzoek naar de betreffende aangelegenheid op grond van een keizerlijke beslissing aan de vicarius Vincentius en hemzelf zou worden opgedragen. 9.De gezanten arriveerden dus aan het hof, werden in audiëntie ontvangen en deden mondeling verslag van wat ze hadden doorstaan. Bovendien overhandigden ze officiële rapporten met een volledige beschrijving van het gebeurde. Bestudering daarvan had als resultaat, dat de keizer noch aan de magister officiorum, die de schanddaden van Romanus toedekte, noch aan de gezanten met hun beweringen van het tegendeel geloof hechtte en een diepgaand onderzoek in uitzicht stelde. Dat werd echter handig vooruitgeschoven, zoals wel vaker hooggeplaatste personen die druk bezet zijn opzettelijk afgeleid worden met meer dringende zaken. 10.Terwijl de Tripolitanen in gespannen verwachting uitzagen naar enige militaire hulp van ’s keizers kant, kregen ze nogmaals de barbaarse benden over zich heen, die met grote brutaliteit, gezien hun eerste ervaring, moordend en plunderend het gebied rond Lepcis en Oea doorkruisten en met enorme ladingen buit weer vertrokken. Onder hun slachtoffers werden verschillende plaatselijke bestuurders geteld, met als bekendsten de voormalige priester Rusticanus en de aedile Nicasius. 11.Dat deze overval niet voorkomen kon worden, was daaraan te wijten, dat het militaire gezag, naar aanleiding van het verzoek van de gezanten opgedragen aan de praeses Ruricius,25 vrij snel daarna weer naar Romanus was overgegaan. 12.Toen het nieuws over deze nieuwe ramp Gallië bereikte, gaf de keizer, buitengewoon geërgerd, aan de tribuun en notarius Palladius opdracht erheen te gaan voor de betaling van de in Africa verspreid gelegerde troepen en een grondig onderzoek naar wat in Tripolis eigenlijk gaande was. 13.Maar intussen ging met al het overleg en het wachten op antwoord veel tijd heen, met als gevolg dat de Austorianen, overmoedig geworden door het succes van hun twee vorige expedities, als roofvogels wild van de geur van bloed nogmaals op hun prooi neerdoken, ieder vermoordden die niet vluchtte, zelfs de olijf- en wijngaarden verwoestten en er met de buit vandoor gingen die ze eerder hadden achtergelaten.14.Bij die gelegenheid werd een voorname en invloedrijke burger van de stad, Mychon, in zijn buitenverblijf gevangen genomen, maar wist te ontkomen vóór hij geboeid werd. Omdat hij slecht ter been was en niet ver kon komen, wierp hij zich in een lege waterput, waarbij hij een rib brak. De barbaren haalden hem naar boven en brachten hem naar de stadspoort, waar ze hem op de smeekbeden van zijn vrouw tegen een losgeld vrijlieten. Aan een touw werd hij toen op de muur gehesen maar stierf twee dagen later. 15.Toen vielen de woestelingen, niet meer te houden, zelfs op de muren van Lepcis aan. En terwijl overal in de stad gehuil klonk van de vrouwen, die nooit eerder een belegering hadden meegemaakt en het bestierven van angst, gingen ze daar acht dagen lang mee door ondanks enige verliezen maar zonder resultaat, en keerden wat dit betrof gefrustreerd naar hun land terug. 16.In hun wanhoop deden de burgers toen het enige wat ze konden en zonden, nog steeds wachtend op de terugkeer van de eerdere delegatie, Jovinus en Pancratius naar het hof om de keizer te melden wat ze gezien en zelf beleefd hadden. Onderweg troffen ze de bedoelde gezanten Severus en Flaccianus in Carthago en vernamen op de vraag naar hun wedervaren dat ze de zaak aan de vicarius en de comes moesten rapporteren! Severus werd toen overigens acuut ziek en stierf, terwijl Jovinus en Pancratius zo snel ze konden verder reisden naar het hof. 17.Toen Palladius vervolgens in Africa arriveerde, liet Romanus, die vooraf over het doel van zijn komst was geïnformeerd, met het oog op zijn eigen veiligheid via bepaalde vertrouwelingen de officieren van de legereenheden opdracht geven, hem het grootste deel van het geld dat hij meebracht zelf te laten houden, aangezien hij een machtig man was en nauwe relaties had met de hoogste hofdignitarissen; en zo gebeurde het. 18.Op slag dus een rijk man, begaf Palladius zich naar Lepcis en nam, om zich goed op de hoogte te doen stellen, twee welbespraakte, hoogstaande burgers, Erechthius en Aristomenes, mee naar de verwoeste gebieden en hoorde van hen in detail wat hunzelf, hun medeburgers en hun naburen aan ellende was overkomen. 19.Toen ze hem werkelijk alles hadden laten zien en hij een goed beeld had van de jammerlijke puinhoop die de provincie was, keerde hij terug naar Romanus, verweet hem zijn laksheid en dreigde over zijn waarnemingen waarheidsgetrouw aan de keizer te zullen berichten, waarop Romanus woedend repliceerde dat hij van zijn kant meteen ook een rapport zou insturen: over Palladius, de onkreukbare notarius die met een missie belast was, maar al het geld voor de troepen bestemd in eigen zak had gestoken. 20.Zo sprak ook Palladius’ kwade geweten. Hij kwam daarom met Romanus tot een akkoord en beloog, terug aan het hof, Valentinianus met de verklaring dat de klachten van de Tripolitanen ongegrond waren. Dus werd hij met de enige overgebleven gezant Jovinus (want Pancratius was in Trier gestorven) naar Africa teruggestuurd om samen met de vicarius het optreden van het tweede gezantschap op schuldige misleiding te onderzoeken, met tegelijk de boodschap dat van Erechthius en Aristomenes de tong moest worden afgesneden aangezien ze volgens Palladius bepaalde dingen in een kwaad daglicht hadden gesteld... 21.Zo arriveerden de vicarius Vincentius  en de notarius Palladius kort na elkaar volgens opdracht opnieuw in Tripolis. Zodra Romanus dit vernam, zond hij hem ijlings zijn adjudant tegemoet, samen met zijn adviseur Caecilius, die uit de provincie geboortig was, die beiden - door omkoping of door bedrog, dat is niet bekend - de burgerij opstookten Jovinus af te vallen en te verklaren dat zij hem absoluut geen opdracht hadden gegeven de keizer te rapporteren zoals hij had gedaan. Die streek ontmoedigde Jovinus zo, dat hij met gevaar voor eigen leven tenslotte zelf bekende de keizer te hebben belogen. 22.Toen Palladius dit bij zijn terugkeer aan de keizer rapporteerde, beval deze - immers altijd extreem reagerend - Jovinus, de valse boodschapper, en zijn medeplichtigen Caelestinus, Concordius en Lucius 26 met de dood te straffen en ook Ruricius, de praeses, wegens zijn leugens ter dood te brengen, ook omdat, naar het schijnt, in zijn rapport bepaalde uidrukkingen voorkwamen die niet door de beugel konden. 23.Ruricius werd geëxecuteerd in Sitifis, de anderen, na een veroordeling door de vicarius, in Utica. Flaccianus echter bleef zich tijdens zijn verhoor door de vicarius en de comes voordat aan de andere gezanten de straf was voltrokken zo hardnekkig verdedigen dat het weinig scheelde of hij was ter plaatse door woedende soldaten gedood, die brullend op hem aanvielen en schreeuwden dat de Tripolitanen het aan zichzelf te wijten hadden dat ze niet geholpen konden worden, omdat ze geweigerd hadden het leger de middelen daarvoor te verschaffen. 24.Daarom werd hij gevangen gehouden tot de keizer, daarover geraadpleegd, over zijn lot zou beslissen. Maar hij zag kans zijn bewakers om te kopen - zo werd althans gedacht - en ontsnapte naar Rome, waar hij in het verborgene woonde tot hij een natuurlijke dood stierf. 25.Zo eindigde deze merkwaardige geschiedenis, waarna het door ongeluk van binnen en buitenaf bezochte Tripolis niet meer van zich deed spreken. Maar het bleef dankzij de altijd waakzame godin Justitia en de laatste vervloekingen van de gezanten en de praeses niet ongewroken. Want lang daarna gebeurde het volgende: Palladius werd van zijn functie ontheven en, zijn trots gebroken, tot ledigheid veroordeeld. 26.En toen de fameuze generaal Theodosius naar Africa kwam om de opstandige beweging van Firmus te onderdrukken, en volgens bekomen opdracht de eigendommen liet onderzoeken van Romanus, die verbannen was, werd tussen diens papieren een brief gevonden van een zekere Meterius, beginnend met de woorden: ‘Meterius aan Romanus, zijn heer en beschermer’, en, na het een en ander dat hier niet ter zake doet, eindigend als volgt: ‘De ontslagen Palladius laat u groeten en zegt dat hij in ongenade is gevallen om geen andere reden dan dat hij in de zaak van het volk van Tripolis de geëerbiedigde oren van de keizer heeft belogen.’ 27.Toen die brief aan het hof gelezen was, werd Meterius op bevel van Valentinianus opgehaald en erkende dat hij hem had geschreven. Daarop werd de arrestatie van Palladius bevolen, maar, zich bewust van de berg misdaden die hij had begaan, deed deze onderweg in een poststation bij het vallen van de avond, bij afwezigheid van zijn bewakers, die vanwege een christelijk feest de hele nacht in de kerk doorbrachten, een strop om zijn nek en verhing zich. 28.Nauwelijks was het nieuws over deze keer ten goede, de dood van de aanstichter van al het onheil, bekend geworden, of Erechthius en Aristomenes, die uit angst voor de amputatie van hun te losse tong ver weg gevlucht waren, kwamen uit hun schuilplaats tevoorschijn. En toen keizer Gratianus - want Valentinianus was toen overleden - het juiste verhaal over het monsterlijke bedrog had vernomen, werden ze voor verhoor door de proconsul [van Africa] Hesperius en de vicarius Flavianus ontboden, rechtvaardige, gezaghebbende magistraten, die Caecilius onder tortuur deden bekennen dat hij het was die de burgerij had aangeraden de gezant [Jovinus] af te vallen en voor leugenaar te zetten. Na dit onderzoek werd een rapport opgesteld waarin de hele gang van zaken naar waarheid werd beschreven, maar daarop werd niets meer vernomen. 29.Om de spanning van deze afschuwelijke tragedie er nog in te houden nadat het doek al gevallen was, gebeurde toen ook dit nog: Caecilius wendde zich, gesteund door Romanus, tot het hof met de bedoeling zijn rechters aan te klagen wegens partijdigheid ten gunste van de provincie. Door Merobaudes vriendelijk ontvangen, verzocht hij deze ook enkele getuigen op te roepen die hij in verband hiermee nodig had. 30.Maar toen die in Milaan aankwamen en overtuigend wisten aan te tonen dat ze misbruikt werden om een wrok, werden ze heengezonden en keerden ze naar huis terug. Nog in de dagen van Valentinianus trok Remigius zich na alles wat ik hiervóór verteld heb uit het openbare leven terug en maakte met een strop een eind aan zijn leven, zoals later nog aan de orde zal komen.

Noten

1.Zie boek xxvii,12,11,vv. retour

 

2.Zie Herodotus, VI,21. Phrynichus kreeg een boete van 1000 drachmen. Zo zou Ammianus’ Romeinse lezerspubliek ook op zijn volgend relaas kunnen reageren, vandaar zijn (gespeelde) terughoudendheid. retour

 

3.Zie boek xix,11,4. retour

 

4.Zie boven, 1,8. retour

 

5.Zie boek xxvii,11,1. retour

 

6.Cicero, Brief aan zijn broer Quintus, I,1,xiii,39. retour

 

7.Zie boven, 1,30, vv. retour

 

8.Deze belofte wordt niet ingelost. Maximinus stierf in 376. retour

 

9.Vervolg op boek xxvii,8. retour

 

10.Zie boek xxvii,8,10. retour

 

11.De arcani zijn overigens onbekend. Kennelijk betreft het geheime agenten die  mogelijk verbonden waren met de agentes in rebus. retour

 

12.Veldheren resp. in de 4e en 3e eeuw vC. retour

 

13.Zie boek xxvii,2,1,4. retour

 

14.Een verwijzing naar Plautus’ komedie ‘De triomfante soldaat’. retour

 

15.Broers die onder keizer Commodus samen ambten vervulden en samen de dood vonden. retour

 

16.Bedoeld: een belofte van de voormalige schuldeiser aan de voormalige schuldenaar, om niet ook nog in een proces verwikkeld te raken retour

 

17.Cicero, De Amicitia, 21,79. retour

 

18.Komische figuren uit de ‘Hecyra’ en de ‘Adelphoe’ van Terentius. retour

 

19.Legendarische afstammelingen van Hercules, veronderstelde heersers over resp. Messene en Argos, als tragische figuren opgevoerd door Euripides.  retour

 

20.Verzonnen namen, die met eten en drinken te maken hebben. retour

 

21.Oorspronkelijke bewoners van de Taurische Chersonesus; ze zouden vreemdelingen aan Diana geofferd hebben. Zie boek xxii,8,33. retour

 

22.Zie boek xviii,2,15. retour

 

23.Een fabel. retour

 

24.Mauretaniërs. Zie boek xxvi,4,5. retour

 

25.Zie boek xvii,9,3. retour

 

26.Mogelijk waren zij in Jovinus’ gezelschap als gezanten naar het hof. retour