BOEK
XXVIII
1.
Velen, zelfs senatoren en vrouwen uit senatorenfamilies worden in Rome
beschuldigd van gifmengerij, ontucht en echtbreuk en met de dood
gestraft
1.Terwijl
in Perzië, zoals ik heb verteld,1
door toedoen van de onbetrouwbare Sapor onverwachts onrust ontstond en in het
oosten van het rijk telkens opnieuw oorlogen uitbraken, richtte, meer dan
zestien jaar na de dood van Nepotianus, Bellona in haar razernij onheil aan in
de Eeuwige Stad, waar een onbetekenend feit uitgroeide tot een jammerlijke
catastrofe, die eigenlijk voor altijd met stilzwijgen zou moeten worden
toegedekt in de hoop dat iets dergelijks, schadelijker nog door de
voorbeeldwerking dan door het feitelijke gebeuren, nooit
navolging zal vinden. Maar hoewel ik er dus, alles goed en wel
overwegend, voor terugschrik - en terecht - uitvoerig over die hele reeks
bloedige geschiedenissen te berichten, zal ik, met vertrouwen in de
redelijkheid van onze dagen toch in het kort verhalen wat voor het nageslacht
te weten belangrijk is. De reden van mijn terughoudendheid - een geschiedenis
uit het verre verleden - wil ik niet verhelen. 3.Toen de Perzen in de eerste
Medische oorlog verwoestingen aanrichtten in Asia, belegerden ze ook met een
grote strijdmacht Milete, waarvan ze de verdedigers met een gruwelijke dood
bedreigden en zo in het nauw brachten dat die geen uitweg meer zagen, massaal
hun dierbaren doodden, hun have en goed in brand staken en zich zelf om het
eerst in de vlammen wierpen om de vuurdood te zoeken op de gemeenschappelijke
brandstapel die hun stad was. 4.Toen enige tijd daarna een door Phrynichus
geschreven, nogal gezwollen stuk met deze gebeurtenis als onderwerp in een
Atheens theater werd opgevoerd, werd dit aanvankelijk met goedkeuring ontvangen, maar toen de droevige geschiedenis
zich allengs dramatischer ontwikkelde,
werd het publiek boos en werd de auteur gestraft 2 omdat hij al die
narigheid botweg in scènes liet
uitbeelden niet met de bedoeling de Atheners te troosten maar om ze verwijtend
te herinneren aan hetgeen de bevriende stad had ondergaan zonder dat door haar
stichters hulp was geboden. Want Milete was als Atheense kolonie gesticht door
Nileus, de zoon van Codrus (van wie gezegd wordt dat hij zich in de Dorische
oorlog voor het vaderland heeft opgeofferd) en andere Ioniërs. 5.Maar nu dus
de bedoelde geschiedenis. De voormalige vice-prefect van Rome, Maximinus, was
geboortig uit Sopianae, een stad in Valeria [Pannonië]3 en
van eenvoudige ouders. (Zijn vader was een beambte in dienst van de gouverneur
en een afstammeling van de Carpen, een volk dat door Diocletianus uit zijn
oorspronkelijke woongebied [Dacië] verdreven was en opnieuw gesetteld in
Pannonia.) 6.Na enige studie van de vrije kunsten en een onopvallende loopbaan
als advocaat werd deze Maximinus achtereenvolgens gouverneur van Corsica, van
Sardinië en tenslotte van Etrurië. Ook toen hij daarna benoemd werd tot praefectus
annonae van Rome, bleef hij, omdat
zijn opvolger te lang op zich liet wachten, nog enige tijd met het bestuur
over Etrurië belast. Aanvankelijk trad hij gematigd op, uit drieërlei
motief. 7.Ten eerste klonken in zijn oren de voorspellingen van zijn vader nog
na - deze was bedreven in het duiden van tekenen uit de vlucht of de geluiden
van voorspellende vogels - namelijk dat hij tot op de hoogste sport van de
bestuurlijke ladder zou opklimmen, maar onder het beulszwaard zou sterven; ten
tweede had hij uit Sardinië een man aangetrokken (die hij overigens later,
volgens zeggen, op een listige manier uit de weg ruimde), die als geen ander
de kunst verstond kwade geesten op te roepen en voorspellingen te ontlokken
aan spokende doden, en vanwege wie hij zich, uit angst verraden te kunnen
worden, zo lang de man leefde inschikkelijk en toegeeflijk gedroeg; en ten
derde was hij een stiekeme slang die voorlopig onder laag struikgewas
rondkroop en nog niet de kans had een dodelijke beet toe te brengen. 8.De
eerste gelegenheid om verder om zich heen te slaan bood zich aan met de
volgende affaire. Chilo, een voormalige vicarius,
en zijn vrouw Maxima deden bij de toenmalige stadsprefect Olybrius [368-370]
aangifte van een poging hen te vergiftigen, met als gevolg dat degenen die ze
daarvan verdachten onmiddellijk gearresteerd werden en gevangen gezet. Dat
waren de orgelbouwer Sericus, de worstelaar Asbolius en de offerdierschouwer
Campensis. 9.Maar omdat de zaak wegens een ernstige, slepende ziekte van
Olybrius bleef liggen, werden degenen die haar aanhangig hadden gemaakt,
ongeduldig en dienden schriftelijk het verzoek in, het onderzoek in handen te
geven van de praefectus annonae, wat
ter bespoediging van de procedure werd ingewilligd. 10.Zo kreeg Maximinus dus
de kans zich van zijn slechte kant te laten zien en dat deed hij met overgave
met al de wreedheid die in zijn gevoelloze boezem zat en er nu uitkwam - zoals
men dat vaak ziet bij wilde beesten in het amfitheater wanneer ze de hekken
van hun kooien vernielen en losbreken.
En terwijl de zaak - en dat was nog maar
een voorspel - op alle mogelijke manieren was onderzocht en sommige verdachten
met verscheurde lendenen de namen hadden genoemd van een paar hooggeplaatste
personen die via hun ‘cliënten’
en individuen van een laag soort, notoire schurken en aanbrengers, gebruik
zouden hebben gemaakt van bepaalde lieden bedreven in toverij, ging deze
duivel van een ‘rechter’ alle perken te buiten en deelde de keizer in een
tendentieus ambtsbericht mee dat de misdrijven die verscheidene burgers van
Rome hadden begaan, alleen met verscherpte middelen onderzocht en vergolden
konden worden. 11.Deze mededeling had een woedende reactie van de keizer tot
gevolg. Meer een wrede dan een strenge wreker van het kwaad, verordonneerde
hij in één algemeen besluit met betrekking tot zulke zaken (waaraan hij in
zijn arrogantie ook gevallen van majesteitsschennis koppelde) dat al degenen
die naar oud recht en volgens bepalingen van vroegere keizers van ondervraging
onder foltering waren vrijgesteld, nu aan tortuur mochten worden onderworpen
als de ernst van de zaak dat eiste. 12.En om Maximinus nog beter en op een
hoger niveau in staat te stellen ellende op ellende te stapelen, benoemde hij
hem tot vice-prefect van Rome [371/372] en voegde hij aan hem met het oog op
de onderzoeken in kwestie, die tot ongeluk van velen gingen worden ingesteld,
de notarius Leo toe, de latere magister
officiorum, een schurkachtige
grafdelver uit Pannonië, die uit zijn muil dierlijke wreedheid asemde en niet
minder dorstte naar mensenbloed dan Maximinus. 13.Zo werd Maximinus in zijn
kwaadaardigheid gesterkt door de komst van een collega die niet voor hem
onderdeed en een aansporing per brief met nog een hogere rang toe. Hij
verzwikte zijn voeten bijkans, dansend van vreugde, want hij leek wel te
huppelen in plaats van te lopen, alsof hij de Brahmanen wilde imiteren, die
zich, zoals sommigen zeggen, los van de grond tussen hun altaren bewegen.
14.Daar klonk het trompetsignaal voor moord op het eigen volk, en sloeg de
ontzetting toe over de verschrikkingen die plaatsvonden. Van de barbaarse
wreedheden in onvoorstelbare vormen en aantallen schokte vooral de executie
van de advocaat Marinus, die ervan beschuldigd werd met zwarte kunsten
geprobeerd te hebben een zekere Hispanilla tot vrouw te krijgen, waarvoor
Maximinus de zogenaamde bewijzen maar oppervlakkig onderzocht, maar hem wel
ter dood veroordeelde. 15.En hoewel ik denk dat misschien sommigen van mijn
meer opmerkzame lezers mij verontwaardigd zullen tegenwerpen dat dit, en niet
dat, het eerst gebeurde, of dat ik iets weglaat waarvan zijzelf getuigen zijn
geweest, moet ik mij toch beperken: want niet alles is waard vermeld te worden
wat in de getroffen kringen is gepasseerd, en ware dat wel het geval, zou
zelfs alle informatie uit de officiële archieven daarvoor niet toereikend
zijn, zo’n nachtmerrie was het, in zo’n delirium zonder weerga werd alles
van onder tot boven door elkaar geschud; want het was duidelijk dat men niet
de rechtsgang te vrezen had maar de rechtsstilstand. 16.Daarna werd de senator
Cethegus aangeklaagd wegens echtbreuk en onthoofd, werd Alypius, een jongeman
van goede familie, om een kleine misstap verbannen en werden velen van lagere
afkomst in het openbaar geëxecuteerd. In hun lot zag ieder, dromend van
beulsknechten, ketens en donkere krochten, wat hemzelf boven het hoofd hing.
17.In diezelfde tijd stond ook Hymetius terecht, die een goed mens was. Wat
hem betrof ging het, naar ik weet, om het volgende. Als proconsul
belast met het bestuur over Africa verkocht hij aan de Carthagers, toen ze
eens door voedselgebrek in grote nood verkeerden, graan uit de pakhuizen dat
bestemd was voor het volk van Rome, en vulde dat kort daarop, toen er weer
overvloedig geoogst was, onmiddellijk en volledig weer aan. 18.Omdat hij aan
de hongerenden verkocht had voor de prijs van één solidus per tien maten en
er nu zelf dertig had kunnen kopen voor die prijs, stortte hij de winst uit
het verschil in de staatskas. Valentinianus verdacht hem er toen echter van,
te weinig uit de opbrengst van deze handel te hebben overgemaakt en legde voor
straf beslag op een deel van zijn bezit. 19.Tot overmaat van ramp gebeurde in
diezelfde tijd nog iets met fatale afloop. Een zekere Amantius, destijds een
notoire waarzegger, werd er door een anonieme aangever van beschuldigd voor
deze Hymetius bepaalde verboden handelingen te hebben verricht waarbij hij ook
een offer zou hebben gebracht. Bij zijn verhoor bleef hij dit echter
hardnekkig ontkennen al kwam hij krom te liggen op de martelbok. Daarop werden
zijn privé papieren uit zijn woning gehaald, waartussen een verzoek werd
gevonden in het handschrift van Hymetius, de godheid in een plechtige
offerceremonie te bidden de keizers [Valentinianus en Gratianus] jegens hem
milder te stemmen. Dit schrijven eindigde met klachten over Valentinianus’
hebzucht en hardheid. Toen de keizer dit vernam uit een rapport van de
rechters, die alles negatief interpreteerden, gelastte hij de zaak tot op de
bodem uit te zoeken. En zo werd nu Frontinus, die een adviseur was van
Hymetius, beschuldigd van het feit dat hij bij de formulering van de bezwering
betrokken was geweest, met roeden geslagen tot hij bekende en naar Britannië
verbannen, terwijl Amantius later ter dood werd veroordeeld en geëxecuteerd.
22.Na dit alles werd Hymetius overgebracht naar de stad Ocriculum [Otriculi]
voor een verhoor door de stadsprefect, nu Ampelius, [371/372] en diens
plaatsvervanger Maximinus, maar stelde zich direct toen het hem duidelijk werd
dat hij een verloren man was en hem de gelegenheid daartoe geboden werd, met
de moed der wanhoop onder bescherming van de keizer en redde met zijn
toevlucht tot diens naam zijn huid. 23.De keizer namelijk, hiervan op de
hoogte gesteld, verwees de kwestie naar de senaat, die de juiste mate van zijn
schuld vaststelde en hem naar Boae verbande in Dalmatië - waar hij het zwaar
te verduren kreeg van de verbolgen keizer, die zich hevig opwond toen hij
vernam dat een man die hij praktisch al dood had verklaard, er met een
lichtere straf vanaf was gekomen. 24.Door deze affaire en een aantal
soortgelijke, waarvan enkele slachtoffers bekend werden, begon ieder voor zich
te vrezen. Dus om te voorkomen dat de berg ellende - waarvan veel gevallen
verheimelijkt werden maar het totaal gestaag toenam - buiten alle proporties
ging raken, besloot de Romeinse adel een afvaardiging naar de keizer te
zenden, te weten de voormalige stadsprefect Praetextatus, de ex-vicarius
Venustus en de ex-consularis
Minervius, met de opdracht ervoor te pleiten dat geen exorbitante straffen
werden opgelegd en geen senator in strijd met het gewoonterecht en de wet aan
tortuur werd onderworpen. 25.In audiëntie ontvangen, legden zij de keizer hun
verzoek voor, waarop deze ontkende ooit zo’n decreet [met betrekking tot
foltering van senatoren] te hebben uitgevaardigd, en riep dat hij slachtoffer
was van vuige laster. Maar de quaestor
Eupraxius sprak hem met respect tegen en het was aan diens vrijmoedigheid te
danken dat de betreffende order, die in wreedheid geen precedent kende, werd
tenietgedaan. 26.Ongeveer in die tijd ook werd de zoon van de voormalige
stadsprefect Lampadius, Lollianus, een jongeman met nog pas het eerste dons op
de konen, na een diepgaand onderzoek door Maximinus schuldig bevonden aan het
kopiëren van een boek over magische kunsten, een onderwerp waarvoor hij
gezien zijn leeftijd nog niet rijp was. En toen het ernaar uitzag dat hij
verbannen zou worden, deed hij op aanraden van zijn vader een beroep op de
keizer en werd opgebracht naar het hof. Maar hij kwam volgens het spreekwoord
van de rook in het vuur, want hij werd overgedragen aan de consularis
van Baetica, Sphalangius, en stierf onder de funeste hand van de
scherprechter. 27.Bovendien werden Tarracius Bassus (een latere stadsprefect),
zijn broer Camenius, een zekere Marcianus en Eusaphicius, alle vier mannen van
de hoogste klasse, gerechtelijk vervolgd om nauwe banden die ze zouden hebben
met de wagenmenner Auchenius en medeplichtigheid met diens toverijen, maar
wegens gebrek aan overtuigend bewijs vrijgesproken, naar een wijdverbreid
gerucht wilde, op voorspraak van Victorinus, die een goede vriend was van
Maximinus. 28.Zelfs vrouwen waren niet veilig. Want ook van hen werden er
verschillenden die tot de betere families behoorden, aangeklaagd wegens
echtbreuk of hoererij en ter dood gebracht. De bekendsten daarvan waren
Charitas en Flaviana, van welke laatste toen ze naar de executieplaats werd
geleid, de kleren van het lijf werden gerukt, waarbij haar zelfs niets gelaten
werd om haar schaamte te bedekken. Daarvoor werd overigens de beul die deze
vreselijke schanddaad had begaan, veroordeeld en levend verbrand. 29.Ja zelfs
twee senatoren, Paphius en Cornelius, die beiden moesten bekennen zich
bezoedeld te hebben met de verboden praktijk van gifmengerij, werden op grond
van een door Maximinus gewezen vonnis terechtgesteld. Maar de eerder genoemde
Sericus en Asbolius,4 die door hem waren aangespoord voor de vuist
weg het kon niet schelen welke medeplichtigen te noemen, met de belofte onder
ede dat geen van beiden door vuur of staal zou worden gedood, liet hij met
zware, met lood verzwaarde zwepen doodslaan. Daarna veroordeelde hij de
waarzegger Campensis tot de vuurdood, in dit geval aan geen eed
gebonden...30.Het lijkt me hier de plaats om te vertellen hoe Aginatius
halsoverkop de dood werd ingejaagd, een man uit een van geslachten her
hoogstaande familie, zoals daar altijd van gezegd is (zonder enig documentair
bewijs overigens). 31.Snorkend van verwaandheid had Maximinus, nog in zijn
functie van praefectus annonae
en ruimschoots in
de gelegenheid zich te doen
gelden, de euvele moed gehad zich beledigend uit te laten over Probus,5
niet de eerste de beste onder de hoogste gezagsdragers, die immers als praefectus praetorio het
bestuur voerde over provincies. 32.Daarover verontwaardigd, en geïrriteerd
over het feit dat Olybrius aan Maximinus de voorkeur had gegeven boven hemzelf
als onderzoeksrechter, terwijl hij nota bene vice-prefect van Rome was,
suggereerde Aginatius Probus in een vertrouwelijke brief dat de blaaskaak [Maximinus],
die lak had aan aanzien en merites, gemakkelijk ten val kon worden gebracht
als hij, Probus, daarin meeging. Maar Probus zond deze brief (volgens zeggen)
zonder dat iemand anders dan de bezorger het wist aan Maximinus, voor wie hij
een heilig ontzag had omdat hij doortrapt gemeen en een gunsteling van de
keizer was. Na lezing was die gevaarlijke man zo kwaad dat hij vanaf dat
moment - als een slang waar iemand op had getrapt - alles op alles zette om
Aginatius te krijgen. 34.Daarbij kwam nog een andere, zwaarderwegende
aanleiding om Aginatius een val te zetten, wat deze tenslotte inderdaad de kop
kostte. Hij beschuldigde namelijk Victorinus na diens dood ervan ooit bepaalde
aanbevelingsbrieven van Maximinus te hebben verkocht (terwijl hij zelf nota
bene bij diens testament een niet onaanzienlijk legaat had ontvangen) en was
bovendien zo brutaal Victorinus’ weduwe Anepsia met aanklachten en processen
te dreigen. 35.In haar angst hiervoor en om zich te verzekeren van Maximinus’
bescherming, verzon deze dat haar man aan hem kort vóór zijn dood bij
testament drieduizend pond zilver had vermaakt, waarop Maximinus met
aangewakkerde hebzucht -want hij was ook niet vrij van deze ondeugd - ook de
helft van haar erfdeel verlangde. En zelfs daarmee niet tevreden, want dat
viel hem tegen, bedacht hij nog iets waar naar zijn mening niemand aanstoot
aan kon nemen, en vroeg, om zich geen gelegenheid te laten ontgaan om van een
rijk erfgoed te profiteren, voor zijn zoon om de hand van Victorinus’
stiefdochter, Anepsia’s dochter, wat met instemming van de vrouw snel
geregeld was. 36.Zo, en op allerlei andere minderwaardige manieren, die de
Eeuwige Stad te schande maakten, schoor deze schoft menige welgestelde zonder
zich aan recht of wet te storen, zodat zijn naam velen gezucht ontlokte. Men
zei zelfs dat er altijd een koord uit een achterafvenster van zijn praetorium
hing, waar men onderaan [anonieme] beschuldigingen kon hechten die niet
bewezen hoefden te worden en waardoor veel onschuldigen te schade dreigden te
komen. Ook liet hij af en toe zijn
ondergeschikten Mucianus en Barbarus, twee doorgewinterde huichelaars, ieder
afzonderlijk op straat gooien, (37.) die zich dan met veel misbaar beklaagden
over wat hun zogenaamd overkomen was, de wreedheid van de rechter breed
uitmetend en aan wie het maar horen wilde verzekerend dat wie ergens van
verdacht werd, het best zijn huid kon redden door belangrijke personages van
ernstige misdrijven te beschuldigen, want - zo beweerden ze - door zulke
lieden bij hun eigen zaak te betrekken, konden ze zelf gemakkelijk aan een
veroordeling ontkomen. 38.Zo, met grenzeloze hardvochtigheid, werden van
talloze mensen de handen geboeid en zag men mannen van aanzienlijke geboorte
in lompen en zorgen. En men kon het hun niet kwalijk nemen dat ze Maximinus
begroetten met zulke diepe buigingen dat hun hoofd bijna de grond raakte, deze
schoft met de natuur van een wild beest, die ze te pas en te onpas hoorden
brullen dat niemand vrijuit ging als hij dat niet wou. 39.Zulke woorden - en
het bleef niet lang bij woorden - zouden zelfs mannen als een Numa Pompilius
en een Cato schrik hebben aangejaagd. Kortom, het ging zodanig toe dat
menigeen zijn tranen zelfs niet kon bedwingen bij het zien van de ellende van
vreemden, wat veelal wel het geval is bij alle ongeluk en tegenspoed die het
leven soms te bieden heeft. 40.Desondanks was deze bikkelharde rechter, zo
vaak hij recht en wet met voeten trad, op één speciaal punt verdraaglijk:
soms kon hij iemand op zijn smekingen begenadigen,
hoewel - zo lezen we bij Cicero in de volgende passage6 -
dit ook bijna een ondeugd is. Want ‘als men in zijn kwaadheid onverzoenlijk
is’, aldus Cicero, ‘ is dat uiterste hardheid; is men te vermurwen door
smeekbeden, is dat uiterste onstandvastigheid, maar van twee kwaden is dat
laatste verkieslijk boven het eerste.’ 41.Daarna kreeg Maximinus een
opvolger [Ursicinus] en werd hij, zoals Leo vóór hem, naar het keizerlijk
hof geroepen, waar hij tot praefectus
praetorio werd bevorderd, in welke
hoedanigheid hij allerminst milder werd, integendeel, zelfs als een basilisk
op een afstand levensgevaarlijk bleef. 42.In die tijd, of iets eerder,
begonnen de takkenbossen van de bezems waarmee de vergaderzaal van de adel
geveegd werd, uit te lopen - voor wie het zag was dat een teken dat lieden van
de meest verachtelijke stand tot in de hoogste rangen van de staatsdienst
gingen worden opgenomen. 43.En
hoewel het tijd wordt dat ik de draad van mijn verhaal weer opneem, moet ik,
om het tijdsverband tussen de gebeurtenissen niet te verstoren, nog even
blijven bij de kwalijke praktijken van de ontaarde vice-prefecten van de stad,
die Maximinus op zijn wenken en wensen bedienden alsof ze zijn ondergeschikten
en slaven waren. 44.Hij werd dus in de eerste plaats opgevolgd door Ursicinus,
die meer tot mildheid geneigd was. Omdat deze zorgvuldig en fatsoenlijk tewerk
wilde gaan had hij een zaak tegen Esaias, die (met anderen die vastzaten
wegens overspelige contacten met een zekere Rufina) een beschuldiging wegens
majesteitsschennis probeerde in te brengen tegen haar man, de voormalige
geheim agent Marcellus, naar het hof verwezen. Het gevolg was dat hij de naam
kreeg van een angsthaas te zijn, ongeschikt voor een stevige aanpak van zulke
zaken, en van zijn functie ontheven werd. 45.Hij werd opgevolgd door
Simplicius uit Hemona, een voormalige leraar taalkunde die later Maximinus’
adviseur werd, een man die zich eerder, als gouverneur [van een provincie]
niet autoritair of hooghartig gedroeg, maar de mensen met zijn schuinse blik
schrik aanjoeg en achter een façade van welwillendheid voor velen kwaad
beraamde. Hij liet eerst Rufina executeren samen met alle betrokkenen bij haar
overspel en allen ook die daarvan op de hoogte waren - dat waren degenen
waarover Urcisinus, zoals gezegd, gerapporteerd had - en vervolgens nog
anderen, schuldig of niet. 46.Want in bloedige wedijver met Maximinus, als het
ware zijn grote voorbeeld, probeerde hij deze nog te overtreffen in het
ondermijnen van hoogstaande families, in navolging van Busiris van vroeger en
Antaeus en Phalaris (alleen diens bronzen stier ontbrak er maar aan). 47.Omdat
dit en nog meer zulke dingen zo gingen, vreesde een zeker Hesychia, een dame
die wegens een poging tot misdrijf bij een gerechtsdienaar onder huisarrest
verbleef, dat haar gruwelijke behandelingen wachtten, waarom ze haar gezicht
in het veren bed drukte waarop ze lag zodat ze stikte en stierf. 48.Daarbij
kwam nog iets niet minder kwalijks. Want Eumenius en Abienus, mannen van hoge
stand die onder Maximinus in opspraak waren gekomen door ongeregelde
betrekkingen met een bekende vrouw, Fausiana, maar geprotecteerd door
Victorinus daarvan niets te duchten hadden gehad, kregen het na diens
overlijden zo benauwd door het aantreden van Simplicius, van wiens kant
evenveel gevaar dreigde als van Maximinus, dat zij een veilig heenkomen
zochten. 49.Na een veroordeling van Fausiana werd ook tegen hen als verdachten
een opsporingsbevel uitgevaardigd, waarop ze nog dieper onderdoken en Abienus
met name zich lange tijd schuilhield in het huis van Anepsia. Maar toch al
beroerde situaties worden vaak verergerd door onvoorziene toevalligheden: een
slaaf van Anepsia, Sapaudulus geheten, sloop uit wrok over een afranseling die
zijn vrouw had gekregen op een nacht het huis uit en verried de zaak aan
Simplicius, die er gerechtsdienaren opaf stuurde om de aangewezenen uit hun
schuilplaatsen te halen. 50.En Abienus, die een extra zware beschuldiging
tegen zich kreeg, namelijk dat hij ontucht zou hebben gepleegd met Anepsia,
werd met de dood gestraft. De vrouw echter van haar kant hoopte door uitstel
van executie haar leven te kunnen redden en verklaarde dat zij met
tovermiddelen bedwelmd in het huis van Aginatius overweldigd was. 51.Simplicius
rapporteerde het voorgevallene tendentieus aan het hof, waar Maximinus zich
bevond, die om de eerder aangehaalde reden Aginatius haatte,7 en
met een wraaklust verhevigd in evenredigheid met zijn vergrote machtspositie,
de keizer dringend om een machtiging verzocht de man ter dood te laten
brengen, wat die krankzinnige en machtige hitser zonder veel moeite gedaan
kreeg. 52.Niettemin was hij beducht voor nog meer haat tegen zijn persoon
wanneer een telg uit een adelijk geslacht zou worden omgebracht op bevel van
Simplicius, die zijn adviseur en vriend was, en hield de machtiging voorlopig
in petto, aarzelend en weifelend over de keuze van een honderdprocent
betrouwbare en efficiënte volvoerder van de gruwelijke daad. 53.En - soort
zoekt immers soort - uiteindelijk vond hij een Galliër, Doryphorianus
geheten, een waanzinnig brutale kerel, wie hij, tegen diens belofte de zaak in
een handomdraai te zullen oplossen, de post van vicarius
[van Rome] bezorgde en mèt de aanstellingsbrief van de keizer schriftelijk
instructies gaf - want het was een heftige, maar onervaren man - over hoe snel
en zonder enig probleem Aginatius uit de weg te ruimen, die bij uitstel
misschien nog zou kunnen ontsnappen. 54.Met de opdracht zich te haasten reisde
Doryphorianus dus in lange dagreizen naar Rome, waar hij meteen na zijn
aantreden fanaat begon te bedenken, hoe hij de senator uit een aanzienlijk
geslacht op eigen doft gewelddadig aan zijn eind kon helpen. En toen hij
vernam dat Aginatius allang gevonden was en in zijn eigen villa gevangen werd
gehouden, besloot hij hem en Anepsia als de twee hoofdschuldigen persoonlijk
te verhoren en dat te doen in de ijselijke nachtelijke uren, wanneer de zinnen
der mensen verdoofd zijn door angsten , waarvan met veel andere voorbeelden
dat van Ajax is aan te halen, die zei liever overdag te sterven dan de extra
verschrikkingen van de nacht te moeten ondergaan. 55.En omdat de rechter, of
beter: de gewetenloze schurk, alleen op het inlossen van zijn belofte bedacht,
in alles geweldig overdreef, liet hij voor de (door hem geopende) zaak tegen
Aginatius een heel legertje beulen opdraven, die zijn slaven, al half
apathisch van langdurige verwaarlozing, onder onheilspellend gekletter van
ketenen bijna tot de dood toe martelden om hen fatale uitspraken te ontlokken
tegen hun meester - iets wat onze clemente wetten in een zaak wegens ontucht
verbieden. 56.En toen dan eindelijk met bijna dodelijke folteringen uit een
slavin een paar twijfelachtige woorden waren geperst, deed hij zonder verder
onderzoek naar de betrouwbaarheid van die bekentenis meteen uitspraak en beval
Aginatius af te voeren en te executeren. En hoe deze zich ook luid schreeuwend
beriep op de keizers, hij werd weggedragen en gedood, zoals ook Anepsia op
grond van dezelfde veroordeling werd terechtgesteld. Zo deed Maximinus in Rome
in eigen persoon toen hij daar was en via zijn handlangers toen hij
daarvandaan was. En de Eeuwige Stad betreurde haar doden. 57.Maar de laatste
vervloekingen van de slachtoffers bleven in de lucht hangen. Want Maximinus
kwam onder Gratianus, zoals later, wanneer het te pas komt, nog zal worden
verhaald 8, wegens zijn onverdraaglijk aanmatigend gedrag onder het
zwaard van de scherprechter, en Simplicius werd in Illyricum onthoofd. Ook
Doryphorianus werd ter dood veroordeeld en in de Tulliaanse kerker [in Rome]
geworpen, waaruit Gratianus hem op instigatie van zijn moeder losliet, maar
hem, eenmaal thuis, onder gruwelijke folteringen liet afmaken. Dit was, om zo
te zeggen, de stand van zaken in Rome. Maar ik keer terug naar het onderwerp
waarvan ik ben afgedwaald.
2.
Keizer Valentinianus versterkt de hele Rijnoever aan de Gallische kant
met vestingen, forten en torens. De Alamannen doden Romeinen die aan de overzijde doende zijn een vesting te bouwen. Maratocuprenen
die in Syrië aan het plunderen zijn
geslagen, worden op bevel van keizer Valens met hun kinderen en hun dorp
vernietigd
1.In
het kader van belangrijke, door hem noodzakelijk geachte voorzieningen, liet
Valentinianus de hele Rijnlinie vanaf Raetië tot aan de engte van de oceaan
[het Kanaal] versterken met zware wallen, hoogbemuurde vestingen en forten en
reeksen torens op geschikte en gunstige plaatsen zover het Gallische gebied
zich uitstrekte. Hier en daar werden ze trouwens ook gebouwd aan de overkant
van de rivier die de grens vormt met het woongebied van de barbaren. 2.Toen
hij in verband daarmee bedacht dat een hoge, vrijwel onneembare burcht, die
hij van de eerste steen af zelf had gebouwd vlak aan de rivier de Nicer [de
Neckar], op den duur door de enorme kracht van het golvende water zou kunnen
worden ondermijnd, kwam hij zelfs op het idee de waterloop te verleggen, trok
daarvoor specialisten in waterbouwkunde aan en liet een grote afdeling
soldaten met het zware werk een aanvang maken. 3.Dagen achtereen werden
eikenhouten bakken getimmerd en in de rivierbedding neergelaten, maar al
werden die telkens weer met stevige staken vastgezet, wrikten de hoge golven
ze uit elkaar tot ze door de sterke stroming werden meegesleurd en verloren
gingen. 4.Tenslotte lukte het toch dankzij de krachtdadige leiding van de
keizer en de inspanningen van de gedisciplineerde manschappen, die bij dat
werk dikwijls tot aan hun kin in het water stonden, en zo werd de
verdedigingslinie, niet zonder levensgevaar voor sommige soldaten verzekerd
tegen ondermijning door de dreigend bulderende rivier en stond ze nu sterk.
5.Zeer tevreden met successen als dit en één en al optimisme, stelde
Valentinianus zich nu ook - zoals het een keizer betaamt - zolang het seizoen
het toeliet, verdere taken van belang voor de staat. Van mening daarmee het
doel dat hem voor ogen stond het best te kunnen bereiken, besloot hij meteen
aan de overkant van de Rijn op de Pirusberg [bij Heidelberg], dus in het land
van de barbaren, een fort te bouwen. Om dat plan te doen slagen moest hij snel
zijn, en zo liet hij de toenmalige notarius
en latere prefect en consul Syagrius aan de generaal Arator de order
overbrengen daarmee te beginnen, nu overal rust heerste. 6.De generaal stak
met de notarius volgens bevel de
rivier over, maar was met zijn mannen nauwelijks begonnen de fundering te
leggen of hij werd vervangen door Hermogenus. Tegelijk dienden zich enkele
hogere Alamannen aan, vaders van de gijzelaars die wij op basis van het met
hen gesloten verdrag als een kostbaar onderpand ter zekerstelling van een
duurzame vrede vasthielden. 7.Op hun knieën smeekten ze de Romeinen, ‘die
hun geluk tot in de wolken danken aan hun eeuwige trouw’, hun veiligheid
niet in de waagschaal te stellen door een fatale misrekening en met minachting
voor de gesloten verdragen aan een schandelijke onderneming te beginnen.
8.Maar wat ze ook zeiden, het was vergeefs, en toen ze geen gehoor vonden en
merkten dat geen geruststellende of betamelijke reactie kwam, trokken ze zich
terug, bezorgd om het lot dat hun zonen nu wachtte. Want nauwelijks waren ze
vertrokken, of barbaren die het antwoord aan hun leiders bleken te hebben
afgewacht, schoten uit een niet opgemerkt dal tussen de heuvels te voorschijn,
vielen met getrokken zwaarden op onze soldaten aan, die halfnaakt met
grondwerk bezig waren, en hieuwen ze neer. Ook de twee aanvoerders vonden
daarbij de dood. 9.En geen man kon het navertellen behalve Syagrius, die na de
algemene slachting terugkeerde naar het hof, maar op een beslissing van de
woedende keizer uit de dienst ontslagen werd en naar huis moest, slachtoffer
van het krankzinnige oordeel dat hij zich schuldig had gemaakt aan het feit
dat hij als enige was ontkomen. 10.Intussen werd in Gallië danig huisgehouden
door roverbenden, die op de drukkere wegen loerden, weinig kieskeurig op alles
aanvielen wat profijtelijk leek en veel slachtoffers maakten. Zo werd, na veel
anderen die in hun handen waren gevallen, tenslotte ook de tribunus
stabuli Constantianus, een broer van
Cerealis en Justina en [door haar huwelijk met Valentinianus] familie van de
keizer, bij verrassing overvallen en kort daarna gedood.
11.En alsof de Furiën bezig waren meer
zulke toestanden op te roepen, waren ver daarvandaan de Maratocuprenen, rovers
van het ergste soort, ook links en rechts aan het plunderen geslagen. Dat
waren de bewoners van een kleine plaats van die naam in de buurt van Apamea in
Syrië, die in groten getale rondzwervend schrik verspreidden. Sluw en listig
als ze waren, vermomden ze zich om geen argwaan te wekken als onschuldige
handelaren en soldaten en drongen dan zo villa’s, landgoederen en andere
woningen binnen. 12.Niemand kon zich tegen hun onverwachts bezoek wapenen
omdat ze niet systematisch maar volkomen willekeurig ver uiteenliggende doelen
kozen en kwamen en gingen zoals de wind waaide - precies waarom men ook banger
is voor de onvoorspelbare Saksen dan voor ander kwaad volk. Maar hoewel deze
verzworen roverbenden de bezittingen van veel burgers plunderden en, even
bloeddorstig als buitbelust, bezeten van razernij gruwelijke moordpartijen
aanrichtten, wil ik, om niet door een gedetailleerde opsomming van hun doen en
laten de lijn in mijn geschiedenis te veel te verstoren, volstaan met van deze
ene moorddadige overval te vertellen. 13.Een aantal van deze godvergeten
lieden had zich voorgedaan als een belastingambtenaar vergezeld van zijn
medewerkers en was op een avond, voorafgegaan en aangekondigd door een heraut
met zijn weinig goeds voorspellende roep, in een stad aangekomen, waar ze
gewapenderhand beslag legden op het schitterende huis van een voorname burger
alsof deze ter dood veroordeeld en vogelvrij was. Ze roofden heel zijn
kostbare huisraad, doodden en passant verschillende dienaren, die hevig
geschrokken en als verlamd hun meester niet te hulp kwamen, en gingen er vóór
het licht werd snel weer vandoor. 14.Maar toen ze genoeg buit van veel mensen
binnen hadden, staakten ze dit lustige bedrijf, waarvan ze overigens werden
afgehouden door ingrijpen van keizerlijke troepen, werden tenslotte
overweldigd en tot de laatste man gedood. Zelfs hun kleine kinderen
ondergingen dat lot, zodat voorkomen werd dat ze opgegroeid het voorbeeld van
hun vaders zouden volgen. Ook hun huizen, die ze ten koste van veel leed van
anderen schitterend hadden ingericht, werden neergehaald. Deze dingen vonden
dus plaats in de context van de geschiedenis [van het jaar 369].
3.
Theodosius herbouwt in Britannië de door barbaren verwoeste steden, herstelt
de forten en herwint de provincie Valentia
1.Vanuit
Augusta, het oude Lundunium, rukte de befaamde, energieke generaal Theodosius
uit met troepen die hij daarvoor speciaal had samengesteld om de ontwrichte
samenleving van de Britten zoveel mogelijk hulp te bieden.9 Om te
beginnen organiseerde hij overal hinderlagen van waaruit
uitvallen naar de barbaren konden worden ondernomen, waarbij hij niets
van zijn mannen vergde zonder hen enthousiast voor te gaan. 2.Terwijl hij op
die manier zwoegde als de eerste de beste soldaat èn de taken vervulde van
een goede commandant, versloeg en verjoeg hij verscheidene stammen die de
euvele moed hadden gehad, omdat ze zich straffeloos waanden, zich te
vergrijpen aan Romeins bezit, en herstelde steden en forten die gesticht waren
om langdurige rust te waarborgen maar zware schade hadden geleden. 3.Maar
terwijl hij zo doende was, gebeurde er iets ongelukkigs, wat tot een
gevaarlijke situatie had kunnen leiden als niet meteen bij het begin was
ingegrepen. 4.Een zekere Valentinus, geboortig uit Valeria, een provincie van
Pannonië, een brutale kerel, die verzwagerd was met die doodgevaarlijke
stadsprefect en latere prefect Maximinus, was om een of ander zwaar vergrijp
naar Britannië verbannen, waar hij als een wild dier het stilzitten niet
verdroeg en rampzalige opstandige plannen begon uit te broeden met Theodosius
als zijn gehate mikpunt; dat was namelijk de enige die hij in staat achtte hem
in zijn misdadige bedoelingen te dwarsbomen. 5.Na lang heimelijk en openlijk
hier en daar gepeild en gepolst te hebben, begon hij, gedreven door zijn
ambities, bannelingen en soldaten te bewerken en voor deelname aan zijn
waagstuk zulke aanlokkelijke beloningen te beloven als toen binnen zijn
vermogen lagen. 6.Maar voordat hij toe was aan de uitvoering van zijn plannen
liet Theodosius, die daarvan door een ingezette spion op de hoogte werd
gehouden, besluitvaardig en doortastend als hij was, al degenen die daarbij
betrokken waren ter bestraffing inrekenen. Dat wil zeggen: Valentinus droeg
hij met zijn naaste medeplichtigen over aan generaal Dulcitius 10
ter uitvoering van de doodstraf. Maar met zijn superieure militaire ervaring
voorzag hij wat gebeuren kon en hield hij tegen dat onderzoek naar verdere
schuldigen werd gedaan, om te voorkomen dat door paniek in een grotere kring
de pas bedwongen onrust in de provincies de kop weer zou opsteken. 7.Nadat dit gevaar bezworen was - het geluk had
hem duidelijk nog nooit in de steek gelaten - concentreerde hij zijn aandacht
op het verbeteren van alle omstandigheden die daar dringend om vroegen,
herbouwde, zoals gezegd, steden en forten, beveiligde de grenzen met wachten
en buitenposten en bracht een provincie die eens in vijandelijke handen was zo
volledig in haar oude staat terug, dat ze, zoals hij rapporteerde, nu een
wettige gouverneur had en voortaan Valentia heette overeenkomstig de wens van
Valentinianus, die op het horen van dit geweldige nieuws welhaast een triomf
vierde. 8.Ook ontsloeg hij de zogenaamde arcani,
11 die
behoorden tot een
instantie die al langere tijd bestond en waarover ik het een en ander
verteld heb in de geschiedenis van Constans, maar langzamerhand corrupt waren
geworden en zo goed als zeker verschillende keren met veel geld en grote
beloften door de barbaren waren omgekocht om te verraden wat bij ons gebeurde.
Het was namelijk hun taak grote gebieden te doorkruisen om onze generaals te
kunnen informeren over onrust en beroering onder de buurvolken. 9.Na de
beschreven en meer dergelijke kwesties op schitterende wijze te hebben
opgelost, werd Theodosius naar het hof genodigd en liet hij de provincies in
juichstemming achter, met zoveel trotse overwinningen op zijn naam als ooit
een Furius Camillus of Papirius Cursor.12 Een geestdriftige menigte
begeleidde hem naar de zeestraat, die hij bij een zachte wind overstak. Aan
het keizerlijke hof met open armen en eerbewijzen ontvangen, werd hij tot
opvolger benoemd van Jovinus, de bevelhebber van de cavalerie [in Gallië],
die als zodanig niet voldeed.13
4.Over de stadsprefectuur van Olybrius en Ampelius en over de verdorvenheid van de senaat en het volk van Rome
5. In Gallië worden de Saksen, nadat een wapenstilstand is gesloten, door de Romeinen vanuit een hinderlaag aangevallen. Valentinianus belooft de Burgundiërs troepenhulp als ze Alamannië willen binnenvallen, maar, misleid en in de steek gelaten, doden dezen al hun gevangenen en keren naar huis terug
6.
Rampen die de provincie Tripolis en de bewoners van Lepcis en Oea
treffen, veroorzaakt door de Austorianen, worden door de comes Romanus
bedrieglijk voor Valentinianus geheimgehouden en blijven ongewroken
1.Hiervandaan komen we nu als het ware in een andere wereld, waar we zo’n bedroevende situatie aantreffen in de provincie Tripolis van Afrika, dat, denk ik, Justitia zelf erom moet hebben gehuild. En hoe die ontstaan is, als het begin van een enorme brand, zal uit mijn verhaal blijken. 2.De Austorianen, buren van die regio,24 zijn wilden die elke gelegenheid aangrijpen om overvallen te plegen en gewoon zijn te leven van roof en moord. Een korte tijd hadden ze zich rustig gehouden, maar waren weldra weer in hun woeste gewoonten vervallen, waarvoor ze de volgende, volgens hen ernstige reden opgaven: 3.Een van hun stamgenoten, Stachao geheten, had zich vrij op ons gebied kunnen bewegen aangezien nergens iets aan de hand was, en had bepaalde wetten overtreden. Het kwalijkst van al was, dat hij op allerlei slinkse manieren had geprobeerd aan te stoken tot opstand, waarvoor hij, toen dat voldoende bewezen was, tot de brandstapel was veroordeeld. 4.Om de dood van die man te wreken, immers hun stamgenoot, die volgens hen onterecht was veroordeeld, braken de Austorianen als dolgeworden beesten los uit hun woongebied - dat was nog tijdens de regering van Jovianus - en waagden zich wel niet al te dicht in de buurt van Lepcis, een zwaarbemuurde, dichtbevolkte stad, maar bezetten drie dagen lang het vruchtbare omliggende land, waar ze de boeren afslachtten die zich, van schrik verlamd, niet verzetten, of niet hun toevlucht hadden gezocht in bergholen, staken al het huisraad in brand dat ze niet konden wegslepen en keerden bijna bezwijkend onder het gewicht van hun buit naar huis terug. Ook namen ze een zekere Silva als gevangene mee, de voornaamste magistraat van de stad, die ze toevallig met zijn gezin in zijn buitenverblijf aantroffen. 5.De inwoners van Lepcis smeekten in hun radeloosheid over deze onverwachte ramp de nieuwbenoemde comes van Africa, Romanus, om bescherming, vóór de dreiging van de kant van die opgefokte barbaren nog zou verergeren. Maar toen deze aan het hoofd van een troepenmacht was gearriveerd, verklaarde hij niet van plan te zijn uit te rukken voordat voldoende proviand was geleverd en hem vierduizend kamelen ter beschikking waren gesteld. 6.Ontsteld over deze reactie, maakten de arme burgers hem duidelijk, na alle verwoestingen en branden niet in staat te zijn zo’n hoge prijs te betalen voor bescherming tegen verdere verliezen, waarop de comes voor de vorm nog veertig dagen ter plaatse bleef en vervolgens vertrok zonder ook maar iets werkelijk te hebben ondernomen. 7.In hun verwachting teleurgesteld en het ergste vrezend, kozen de Tripolitanen toen op de dag waarop officieel hun eerstvolgende jaarlijkse landdag gehouden werd, Severus en Flaccianus tot afgezanten naar Valentinianus, om hem ter gelegenheid van zijn aantreden als keizer gouden beeldjes van de godin Victoria aan te bieden en hem onomwonden te berichten over de rampzalige situatie in de provincie. 8.Toen Romanus daarvan hoorde, stuurde hij direct een ijlbode te paard naar de magister officiorum Remigius, die familie van hem was en een even grote dief als hijzelf, om hem te vragen het zo te regelen, dat een onderzoek naar de betreffende aangelegenheid op grond van een keizerlijke beslissing aan de vicarius Vincentius en hemzelf zou worden opgedragen. 9.De gezanten arriveerden dus aan het hof, werden in audiëntie ontvangen en deden mondeling verslag van wat ze hadden doorstaan. Bovendien overhandigden ze officiële rapporten met een volledige beschrijving van het gebeurde. Bestudering daarvan had als resultaat, dat de keizer noch aan de magister officiorum, die de schanddaden van Romanus toedekte, noch aan de gezanten met hun beweringen van het tegendeel geloof hechtte en een diepgaand onderzoek in uitzicht stelde. Dat werd echter handig vooruitgeschoven, zoals wel vaker hooggeplaatste personen die druk bezet zijn opzettelijk afgeleid worden met meer dringende zaken. 10.Terwijl de Tripolitanen in gespannen verwachting uitzagen naar enige militaire hulp van ’s keizers kant, kregen ze nogmaals de barbaarse benden over zich heen, die met grote brutaliteit, gezien hun eerste ervaring, moordend en plunderend het gebied rond Lepcis en Oea doorkruisten en met enorme ladingen buit weer vertrokken. Onder hun slachtoffers werden verschillende plaatselijke bestuurders geteld, met als bekendsten de voormalige priester Rusticanus en de aedile Nicasius. 11.Dat deze overval niet voorkomen kon worden, was daaraan te wijten, dat het militaire gezag, naar aanleiding van het verzoek van de gezanten opgedragen aan de praeses Ruricius,25 vrij snel daarna weer naar Romanus was overgegaan. 12.Toen het nieuws over deze nieuwe ramp Gallië bereikte, gaf de keizer, buitengewoon geërgerd, aan de tribuun en notarius Palladius opdracht erheen te gaan voor de betaling van de in Africa verspreid gelegerde troepen en een grondig onderzoek naar wat in Tripolis eigenlijk gaande was. 13.Maar intussen ging met al het overleg en het wachten op antwoord veel tijd heen, met als gevolg dat de Austorianen, overmoedig geworden door het succes van hun twee vorige expedities, als roofvogels wild van de geur van bloed nogmaals op hun prooi neerdoken, ieder vermoordden die niet vluchtte, zelfs de olijf- en wijngaarden verwoestten en er met de buit vandoor gingen die ze eerder hadden achtergelaten.14.Bij die gelegenheid werd een voorname en invloedrijke burger van de stad, Mychon, in zijn buitenverblijf gevangen genomen, maar wist te ontkomen vóór hij geboeid werd. Omdat hij slecht ter been was en niet ver kon komen, wierp hij zich in een lege waterput, waarbij hij een rib brak. De barbaren haalden hem naar boven en brachten hem naar de stadspoort, waar ze hem op de smeekbeden van zijn vrouw tegen een losgeld vrijlieten. Aan een touw werd hij toen op de muur gehesen maar stierf twee dagen later. 15.Toen vielen de woestelingen, niet meer te houden, zelfs op de muren van Lepcis aan. En terwijl overal in de stad gehuil klonk van de vrouwen, die nooit eerder een belegering hadden meegemaakt en het bestierven van angst, gingen ze daar acht dagen lang mee door ondanks enige verliezen maar zonder resultaat, en keerden wat dit betrof gefrustreerd naar hun land terug. 16.In hun wanhoop deden de burgers toen het enige wat ze konden en zonden, nog steeds wachtend op de terugkeer van de eerdere delegatie, Jovinus en Pancratius naar het hof om de keizer te melden wat ze gezien en zelf beleefd hadden. Onderweg troffen ze de bedoelde gezanten Severus en Flaccianus in Carthago en vernamen op de vraag naar hun wedervaren dat ze de zaak aan de vicarius en de comes moesten rapporteren! Severus werd toen overigens acuut ziek en stierf, terwijl Jovinus en Pancratius zo snel ze konden verder reisden naar het hof. 17.Toen Palladius vervolgens in Africa arriveerde, liet Romanus, die vooraf over het doel van zijn komst was geïnformeerd, met het oog op zijn eigen veiligheid via bepaalde vertrouwelingen de officieren van de legereenheden opdracht geven, hem het grootste deel van het geld dat hij meebracht zelf te laten houden, aangezien hij een machtig man was en nauwe relaties had met de hoogste hofdignitarissen; en zo gebeurde het. 18.Op slag dus een rijk man, begaf Palladius zich naar Lepcis en nam, om zich goed op de hoogte te doen stellen, twee welbespraakte, hoogstaande burgers, Erechthius en Aristomenes, mee naar de verwoeste gebieden en hoorde van hen in detail wat hunzelf, hun medeburgers en hun naburen aan ellende was overkomen. 19.Toen ze hem werkelijk alles hadden laten zien en hij een goed beeld had van de jammerlijke puinhoop die de provincie was, keerde hij terug naar Romanus, verweet hem zijn laksheid en dreigde over zijn waarnemingen waarheidsgetrouw aan de keizer te zullen berichten, waarop Romanus woedend repliceerde dat hij van zijn kant meteen ook een rapport zou insturen: over Palladius, de onkreukbare notarius die met een missie belast was, maar al het geld voor de troepen bestemd in eigen zak had gestoken. 20.Zo sprak ook Palladius’ kwade geweten. Hij kwam daarom met Romanus tot een akkoord en beloog, terug aan het hof, Valentinianus met de verklaring dat de klachten van de Tripolitanen ongegrond waren. Dus werd hij met de enige overgebleven gezant Jovinus (want Pancratius was in Trier gestorven) naar Africa teruggestuurd om samen met de vicarius het optreden van het tweede gezantschap op schuldige misleiding te onderzoeken, met tegelijk de boodschap dat van Erechthius en Aristomenes de tong moest worden afgesneden aangezien ze volgens Palladius bepaalde dingen in een kwaad daglicht hadden gesteld... 21.Zo arriveerden de vicarius Vincentius en de notarius Palladius kort na elkaar volgens opdracht opnieuw in Tripolis. Zodra Romanus dit vernam, zond hij hem ijlings zijn adjudant tegemoet, samen met zijn adviseur Caecilius, die uit de provincie geboortig was, die beiden - door omkoping of door bedrog, dat is niet bekend - de burgerij opstookten Jovinus af te vallen en te verklaren dat zij hem absoluut geen opdracht hadden gegeven de keizer te rapporteren zoals hij had gedaan. Die streek ontmoedigde Jovinus zo, dat hij met gevaar voor eigen leven tenslotte zelf bekende de keizer te hebben belogen. 22.Toen Palladius dit bij zijn terugkeer aan de keizer rapporteerde, beval deze - immers altijd extreem reagerend - Jovinus, de valse boodschapper, en zijn medeplichtigen Caelestinus, Concordius en Lucius 26 met de dood te straffen en ook Ruricius, de praeses, wegens zijn leugens ter dood te brengen, ook omdat, naar het schijnt, in zijn rapport bepaalde uidrukkingen voorkwamen die niet door de beugel konden. 23.Ruricius werd geëxecuteerd in Sitifis, de anderen, na een veroordeling door de vicarius, in Utica. Flaccianus echter bleef zich tijdens zijn verhoor door de vicarius en de comes voordat aan de andere gezanten de straf was voltrokken zo hardnekkig verdedigen dat het weinig scheelde of hij was ter plaatse door woedende soldaten gedood, die brullend op hem aanvielen en schreeuwden dat de Tripolitanen het aan zichzelf te wijten hadden dat ze niet geholpen konden worden, omdat ze geweigerd hadden het leger de middelen daarvoor te verschaffen. 24.Daarom werd hij gevangen gehouden tot de keizer, daarover geraadpleegd, over zijn lot zou beslissen. Maar hij zag kans zijn bewakers om te kopen - zo werd althans gedacht - en ontsnapte naar Rome, waar hij in het verborgene woonde tot hij een natuurlijke dood stierf. 25.Zo eindigde deze merkwaardige geschiedenis, waarna het door ongeluk van binnen en buitenaf bezochte Tripolis niet meer van zich deed spreken. Maar het bleef dankzij de altijd waakzame godin Justitia en de laatste vervloekingen van de gezanten en de praeses niet ongewroken. Want lang daarna gebeurde het volgende: Palladius werd van zijn functie ontheven en, zijn trots gebroken, tot ledigheid veroordeeld. 26.En toen de fameuze generaal Theodosius naar Africa kwam om de opstandige beweging van Firmus te onderdrukken, en volgens bekomen opdracht de eigendommen liet onderzoeken van Romanus, die verbannen was, werd tussen diens papieren een brief gevonden van een zekere Meterius, beginnend met de woorden: ‘Meterius aan Romanus, zijn heer en beschermer’, en, na het een en ander dat hier niet ter zake doet, eindigend als volgt: ‘De ontslagen Palladius laat u groeten en zegt dat hij in ongenade is gevallen om geen andere reden dan dat hij in de zaak van het volk van Tripolis de geëerbiedigde oren van de keizer heeft belogen.’ 27.Toen die brief aan het hof gelezen was, werd Meterius op bevel van Valentinianus opgehaald en erkende dat hij hem had geschreven. Daarop werd de arrestatie van Palladius bevolen, maar, zich bewust van de berg misdaden die hij had begaan, deed deze onderweg in een poststation bij het vallen van de avond, bij afwezigheid van zijn bewakers, die vanwege een christelijk feest de hele nacht in de kerk doorbrachten, een strop om zijn nek en verhing zich. 28.Nauwelijks was het nieuws over deze keer ten goede, de dood van de aanstichter van al het onheil, bekend geworden, of Erechthius en Aristomenes, die uit angst voor de amputatie van hun te losse tong ver weg gevlucht waren, kwamen uit hun schuilplaats tevoorschijn. En toen keizer Gratianus - want Valentinianus was toen overleden - het juiste verhaal over het monsterlijke bedrog had vernomen, werden ze voor verhoor door de proconsul [van Africa] Hesperius en de vicarius Flavianus ontboden, rechtvaardige, gezaghebbende magistraten, die Caecilius onder tortuur deden bekennen dat hij het was die de burgerij had aangeraden de gezant [Jovinus] af te vallen en voor leugenaar te zetten. Na dit onderzoek werd een rapport opgesteld waarin de hele gang van zaken naar waarheid werd beschreven, maar daarop werd niets meer vernomen. 29.Om de spanning van deze afschuwelijke tragedie er nog in te houden nadat het doek al gevallen was, gebeurde toen ook dit nog: Caecilius wendde zich, gesteund door Romanus, tot het hof met de bedoeling zijn rechters aan te klagen wegens partijdigheid ten gunste van de provincie. Door Merobaudes vriendelijk ontvangen, verzocht hij deze ook enkele getuigen op te roepen die hij in verband hiermee nodig had. 30.Maar toen die in Milaan aankwamen en overtuigend wisten aan te tonen dat ze misbruikt werden om een wrok, werden ze heengezonden en keerden ze naar huis terug. Nog in de dagen van Valentinianus trok Remigius zich na alles wat ik hiervóór verteld heb uit het openbare leven terug en maakte met een strop een eind aan zijn leven, zoals later nog aan de orde zal komen.
Noten
1.Zie
boek xxvii,12,11,vv.
2.Zie
Herodotus, VI,21. Phrynichus kreeg een boete van 1000 drachmen. Zo zou
Ammianus’ Romeinse lezerspubliek ook op zijn volgend relaas kunnen reageren,
vandaar zijn (gespeelde) terughoudendheid.
6.Cicero,
Brief aan zijn broer Quintus, I,1,xiii,39.
8.Deze
belofte wordt niet ingelost. Maximinus stierf in 376.
9.Vervolg
op boek xxvii,8.
10.Zie
boek xxvii,8,10.
11.De
arcani zijn overigens onbekend.
Kennelijk betreft het geheime agenten die mogelijk verbonden waren met de agentes in rebus.
12.Veldheren
resp. in de 4e en 3e eeuw vC.
13.Zie
boek xxvii,2,1,4.
14.Een
verwijzing naar Plautus’ komedie ‘De triomfante soldaat’.
15.Broers
die onder keizer Commodus samen ambten vervulden en samen de dood vonden.
16.Bedoeld:
een belofte van de voormalige schuldeiser aan de voormalige schuldenaar, om
niet ook nog in een proces verwikkeld te raken
17.Cicero,
De Amicitia, 21,79.
18.Komische
figuren uit de ‘Hecyra’ en de ‘Adelphoe’ van Terentius.
19.Legendarische
afstammelingen van Hercules, veronderstelde heersers over resp. Messene
en Argos, als tragische figuren opgevoerd door Euripides.
20.Verzonnen
namen, die met eten en drinken te maken hebben.
21.Oorspronkelijke
bewoners van de Taurische Chersonesus; ze zouden vreemdelingen aan Diana
geofferd hebben. Zie boek xxii,8,33.
22.Zie
boek xviii,2,15.
24.Mauretaniërs.
Zie boek xxvi,4,5.
26.Mogelijk
waren zij in Jovinus’ gezelschap als gezanten naar het hof.
retour