BOEK
XXIX
1.
De notarius Theodorus streeft naar de heerschappij. Hij wordt in
Antiochia voor Valens van hoogverraad beschuldigd en met een aantal
medeplichtigen ter dood gebracht
1.Tegen het einde van de winter [in 371] had de koning der Perzen, Sapor, zijn leger weer voldoende op sterkte en gaf hij, overmoedig na de vorige veldslagen, zijn gemaliede ruiters, boogschutters en huurlingen bevel ons gebied binnen te vallen. 2.Tegen die troepenmacht rukten aan onze kant de comes Trajanus en de vroegere koning der Alamannen Vadomarius op met redelijk sterke legers, onder orders van de keizer de Perzen tot staan te brengen en niet zelf aan te vallen. 3.In de buurt van Vagabanta,1 een voor de legioenen gunstig gelegen plaats, kregen ze te maken met felle bliksemaanvallen van vijandelijke ruitereenheden, waartegen ze zich noodgedwongen verdedigden terwijl ze zich volgens plan terugtrokken om niet als eersten een tegenstander te verwonden en beschuldigd te kunnen worden van schending van het bestand. Tenslotte, tot het uiterste gedreven, gingen ze toch het gevecht aan, waarbij ze een groot aantal Perzen deden sneuvelen en als overwinnaars uit de strijd kwamen. 4.Vervolgens werden tot het einde van de zomer van beide kanten nog zonder veel overtuiging kleinere aanvallen ondernomen met verschillende afloop, waarna een wapenstilstand werd gesloten en de aanvoerders zich zonder iets bereikt te hebben op hun respectieve bases terugtrokken. Sapor keerde terug naar Ctesiphon om er te overwinteren, de Romeinse keizer naar Antiochia, waar hij zich weliswaar voor een tijd niet hoefde te bekommeren om gevaren van buitenaf maar bijna slachtoffer werd van binnenlands gewroet, zoals uit het volgende verslag van een hele reeks gebeurtenissen zal blijken. 5.Een zekere Procopius,2 een wispelturig type en een onverbeterlijke intrigant, had twee hovelingen, een zekere Anatolius en een zekere Spudasius, beschuldigd van samenzwering tegen het leven van de comes [sacrarum largitionum 3 Fortunatianus, een om zijn hardvochtigheid beruchte schuldeiser. (De twee werden namelijk door hem geprest bedragen waarvoor ze de staatskas hadden opgelicht terug te storten.) Fortunatianus, cholerisch als hij was, ontstak daarover in hevige woede en leverde ‘ambtshalve’ een zekere Palladius, een arme duvel die door hen als gifmenger zou zijn aangezocht, en een zekere Heliodorus, een astroloog, over aan het hof van de praefectus praetorio om onder foltering over de affaire te worden verhoord. 6.Maar toen Palladius over zijn aandeel in de poging tot misdrijf al te stevig aan de tand werd gevoeld, riep hij, denkend daarmee zijn huid te redden, dat de zaak waarover het nu ging onbenullig en niet de moeite waard was, maar dat hij, als men hem toestond, andere, veel ergere dingen wist te vertellen, van meer belang, die al in een vergevorderd stadium van voorbereiding waren en waardoor, als men niet oppaste, de hele staat in rep en roer kond raken. Aangemoedigd vrijuit te spreken, wist hij niet meer van ophouden. Zijn verklaringen kwamen hierop neer dat de voormalige gouverneur Fidustius samen met Pergamius en Irenaeus heimelijk door zwarte kunst de naam van de opvolger van keizer Valens te weten was gekomen. 7.Fidustius, die toevallig bij de hand was, werd meteen gearresteerd. In het diepste geheim voorgeleid voor de onderzoeksrechter en geconfronteerd met de man die hem had verraden, zag hij in dat het nutteloos was uitvluchten te zoeken in een zaak die kennelijk aan het licht was gekomen. Hij bekende dus en onthulde de heilloze geschiedenis tot in alle details: samen met Hilarius en Patricius, twee ervaren waarzeggers (de eerste een voormalige gardist), had hij onderzoek gedaan naar de naam van de toekomstige keizer. Het orakel dat zij met hun duistere kunsten hadden geactiveerd, had inderdaad de benoeming voorspeld van een voortreffelijke keizer, maar tegelijkertijd een treurig einde voor henzelf. 8.Bij de vraag, wie wel daarvoor op dat moment de sterkste karaktereigenschappen bezat, waren ze uitgekomen bij Theodorus, een notarius van de tweede klasse, die naar hun mening ieder overtrof. En daarin hadden ze gelijk. Want hij stamde uit een oud en aanzienlijk geslacht in Gallië, had van jongs af een gedegen opvoeding genoten en blonk uit in bescheidenheid, nuchterheid, beschaving, vriendelijkheid en geleerdheid. In elk ambt dat hij bekleedde en in elke functie was hij meer dan capabel gebleken. Bovendien mocht iedereen hem, van hoog tot laag. Misschien was hij wel de enige die niet bang was voor zijn mening uit te komen, want hij beheerste zijn tong en wist precies wat hij zeggen kon en wat niet. 9.Aan deze bekentenis voegde Fidustius, bijna bezwijkend onder de folteringen, nog toe, dat hij Theodorus van de voorspelling al op de hoogte had gebracht, en wel via Euserius, een hoog geacht en bijzonder geleerd man, die niet lang daarvóór vice-prefect van Asia was geweest. 10.Toen ook Euserius gevangen was gezet en men de keizer zoals gebruikelijk het dossier over de zaak had voorgelezen, brak diens monsterlijke woede onbeheerst uit als een loeiend vuur nog aangewakkerd door valse inblazingen van vele hovelingen, onder wie vooral Modestus, de toenmalige praefectus praetorio. 11.Dagelijks door het schrikbeeld van een opvolger achtervolgd, pakte die de wat onbehouwen Valens sluw in met allerlei bedekte vleierijen om maar in zijn gunst te blijven: ’s keizers rauw en onbeschaafd taalgebruik hemelde hij bijvoorbeeld op als was het bloemrijk Ciceroniaans en ’s mans ijdelheid streelde hij met opmerkingen als hoefde hij maar te bevelen en men zou de sterren voor hem van de hemel plukken. 12.Dus werd bevel gegeven ook Theodorus direct uit Constantinopel op te halen,4 waar hij voor een familie-aangelegenheid heen was, en werden in afwachting van zijn komst alvast bij voorlopige vonnissen die er dag en nacht werden doorgejaagd, van heinde en ver tal van hooggeplaatste en hoogstaande burgers opgebracht. 13.En aangezien voor zulke grote aantallen arrestanten noch in officiële gevangenissen - toch al overvol - noch in particuliere huizen plaats was, kwamen die tot stikken toe op elkaar geperst te zitten, de meesten nog in boeien ook, in folterende onzekerheid over het lot dat henzelf en hun verwanten wachtte. 14.Tenslotte was daar ook eindelijk Theodorus zelf, meer dood dan levend en in rouw. En terwijl hij op een afgelegen plaats verborgen werd gehouden, werden de nodige voorbereidingen getroffen voor de komende onderzoeken. Burgermoord hing in de lucht. 15.En omdat iemand die feiten bewust achterhoudt mij evengoed een bedrieger lijkt als iemand die dingen verzint die nooit zijn gebeurd, moet ik zeggen - er is trouwens geen twijfel aan - dat Valens’ leven toen inderdaad in gevaar was, zoals hij al vaker door samenzweerders was bedreigd. Eerder werd een zwaard, hem door een soldatenhand bijna op de keel gezet, alleen maar door het Lot afgeweerd omdat het hem een treuriger einde beschoren had in Thracië.5 16.Toen hij namelijk een keer op een lommerrijke plek ergens tussen Antiochia en Seleucia rustig een middagdutje deed, werd hij aangevallen door Sallustius, een scutarius, en wel vaker stonden andere fanatici hem naar het leven, aan wier kwaadaardige opzet hij telkens ontkwam, omdat nu eenmaal ieder mens van zijn geboorte af een bepaalde levenstijd is toegemeten. 17.Zo werden ook de keizers Commodus en Severus regelmatig met de dood bedreigd, de eerste verschillende malen door lieden uit zijn naaste omgeving, tot hij tenslotte in een gang van het amfitheater waar hij een spektakel zou bijwonen, door de mateloos eerzuchtige senator Quintilianus met een dolk levensgevaarlijk werd gewond; de tweede nog op hoge leeftijd door de centurio Saturninus, die hem onverwachts in zijn bed overviel (op aanstoken van de prefect Plautianus) en hem zou hebben doodgestoken als een jonge zoon zijn vader niet te hulp was geschoten. 18.Het was dus alleszins begrijpelijk dat Valens er voortdurend op bedacht was zich te beschermen tegen verdachte lieden die hem maar al te graag naar de andere wereld hielpen. Maar het was onvergeeflijk dat hij in zijn machtswellust schuldigen en onschuldigen volgens één soort recht, zonder rekening te houden met hun verdiensten wreed en overhaast naar de ondergang joeg en hun straf bepaalde terwijl hun schuld nog niet vaststond, zodat menigeen zijn doodvonnis vernam vóór hij wist dat hij verdacht werd. 19.Zijn meedogenloosheid in dit opzicht werd nog monsterlijker toen daar ook hebzucht nog als drijfveer bijkwam - zijn eigen hebzucht en die van zijn hovelingen, die almaar nieuwe valkuilen groeven en het slapheid noemden als iemand een enkele keer van menselijkheid repte. Met hun bloeddorstige vleierijen haalden ze het slechtste boven in de man die het woord ‘doodstraf’ toch al vóór op de tong had. Als een wervelstorm uit het niets raasden ze over alles heen en legden in minder dan geen tijd de rijkste huizen plat. 20.Want Valens was gemakkelijk benaderbaar voor zulke intriganten en ontvankelijk voor hun influisteringen, met zijn twee ziekelijke karakterfouten: namelijk liet hij zich ten eerste gauw gaan in onbeheerste woede-uitbarstingen waar het soms al beneden zijn waardigheid zou zijn zich überhaupt kwaad te maken, en wanneer hij ten tweede, zoals dat iedereen wel overkomt, soms een half woord opving, zocht hij niet uit of het waar was maar nam hij dat in zijn keizerlijke hoogheidswaan voetstoots aan. 21.Zodoende werden veel onschuldige burgers uit hun huis gezet en verbannen. (Die kwamen er zogenaamd nog genadig af.) Hun verbeurdverklaarde bezittingen eigende de keizer zichzelf toe, terwijl de veroordeelden aan de bedelstaf raakten - kale ratten in de val van zo’n verschrikkelijke armoede dat ze naar de raad van de wijze oude dichter Theognis beter zonder bedenken in het water hadden kunnen springen. 22.Zelfs als iemand zou vinden, dat daarmee op zich niet onjuist gehandeld werd, blijft staan, dat de excessen stuitend waren, waarmee het gezegde bewaarheid werd dat geen vonnis wreder is dan een hard vonnis met een vernis van barmhartigheid. 23.Dus, toen de hoge autoriteiten die voor het onderzoek waren aangezocht zich bij de praefectus praetorio hadden gemeld, werden de martelbokken opgesteld en de loden gewichten, folterkoorden en zwepen te voorschijn gehaald. Toen klonk boven het gerammel van kettingen het geschreeuw van de beulsknechten met hun rauwe stemmen: ‘Grijp hem! Zet hem vast! Steviger! Laat maar los!’ 24.En omdat ik al velen na gruwelijke martelingen heb zien wegdragen en de beelden daarvan bij mij door elkaar lopen, wat vanwege de verwarring in zulke situaties begrijpelijk is, zal ik maar in het kort vertellen wat ik me herinner, omdat ik niet alles precies meer weet.6 25.Als eerste werd na een voorafgaand oppervlakkig verhoor Pergamius binnengebracht, van wie, zoals gezegd, Palladius verraden had dat hij door verboden toverijen bepaald dingen over de toekomst te weten was gekomen. Maar hij had een radde en gevaarlijke tong, dus zelfs terwijl de onderzoeksrechters nog aarzelden over wat ze eerst en wat ze daarna zouden vragen, barstte hij al los en riep, niet meer te stuiten, niet te tellen zoveel namen van lieden die ook van de zaak zouden afweten en volgens hem, soms net niet van de uiteinden der aarde, moesten worden opgehaald om over de vreselijkste misdaden te worden verhoord. Maar met iemand die zo’n onoverzienbare berg werk opriep werd korte metten gemaakt. Na hem werden anderen in groepen terecht gesteld, waarna de zaak van Theodorus zelf aan de orde kwam. Dat was alsof de arena werd opengegooid voor een olympisch spektakel. 26.Overigens vond diezelfde dag, bij alles wat gebeurde, ook nog dit trieste voorval plaats, dat de comes Salia, kort daarvóór nog thesaurier in Thracië, toen hij uit de gevangenis werd gehaald om te worden verhoord, op het moment dat hij zijn voet in een schoen stak, alsof hij met een schok een doodschrik kreeg, plotseling de geest gaf en onder de handen die hem vasthielden stierf. 27.Toen het hof geïnstalleerd was en de rechters huichelachtig deden alsof ze zich aan de regels van de wet zouden houden, maar zich in werkelijkheid voegden naar de eisen van de keizer, werden allen door een hevige angst bevangen. Want Valens had nu totaal alle zin voor recht verloren en ging, steeds wreder en gemener, in dolle woede tekeer - als een wild beest dat in de arena iemand voor zich krijgt die behendig weet te ontkomen. 28.Toen werden Patricius en Hilarius voorgeleid en gedwongen zonder omhaal uit de doeken te doen wat gebeurd was. Aanvankelijk spraken ze elkaar tegen, maar toen de beulen hun lenden hadden opengereten en de driepoot was binnengebracht die ze hadden gebruikt, zagen ze geen uitweg meer en gaven noodgedwongen volledige opening van zaken. 29.Hilarius verklaarde als eerste: ‘Edelachtbare rechters, zó is het gegaan: van lauriertwijgen hadden we, onder duistere voortekenen, dit ongelukkige tafeltje gemaakt dat u hier ziet, in de vorm van de Delphische driepoot, en dat in langdurige ceremonies met geheime formules ingewijd tot het tenslotte in werking kwam. En telkens wanneer het over geheime zaken werd uitgevraagd, ging het als volgt. 30.We zetten de driepoot in een huis dat van onder tot boven met Arabische reukwerken was gezuiverd. We plaatsten er een ronde plaat op, gemaakt van verschillende metalen, aan de rand waarvan op precies gelijke afstanden de vierentwintig letters van het alfabet waren gegraveerd. 31.Een van ons, gekleed in een linnen gewaad, met linnen sandalen aan en een hoofdband om zijn haar, nam twijgen van een geluksboom, boog zich, na met de juiste formules de voorspellende geest gunstig te hebben gestemd, als een priester over de driepoot waarboven hij een op mystieke wijze gewijde ring aan een linnen draad in een zwevende beweging bracht. Die ring sprong over de afstanden tussen de letters heen en weer en raakte daarbij zodanig letters aan, dat als antwoord op onze vragen versregels ontstonden in zuivere hexameters, in versvoeten en een ritme volgens de regels van de kunst, dus zoals de orakels van de Pythia of de Branchiden.7 32.Toen we dan vroegen: ‘‘Wie zal de huidige keizer opvolgen?’’ (hij zou immers in alle opzichten de juiste man zijn) deed de ring een paar sprongen en wees de twee lettergrepen The-o aan met nog de volgende letter [d], waarop één van ons uitriep, dat het dus volgens een beslissing van het onafwendbare Lot Theodorus zou zijn. Daarmee eindigde ons onderzoek, want we waren het er over eens dat hij de gezochte man was.’ 33.Zo bekende Hilarius dus de hele toedracht van de zaak en voegde er uit zichzelf nog aan toe dat Theodorus van dit alles volstrekt niets afwist. Toen hem en Patricius vervolgens gevraagd werd of ze van het orakel waarmee ze zo vertrouwelijk waren, ook vernomen hadden wat hunzelf te wachten stond, citeerden ze welbekende versregels, die er geen twijfel over lieten dat degenen die zich bezig hielden met het uitvorsen van het bovennatuurlijke een vroegtijdige dood zouden sterven, maar dat de Furiën met hun dodelijke, hete adem ook de keizer zelf en zijn rechters bedreigden, volgens de laatste drie versregels:
Uw
bloed zal worden gewroken, want Tisiphone 8
zal
het Noodlot daarvoor tegen hen een wapen
verschaffen
als Ares raast over de vlakte van Mimas...9
Nadat
ze deze regels hadden opgezegd, werden ze door de beulen met scherpe haken
gruwelijk toegetakeld en levenloos weggedragen. 34.Nu moest en zou het hele
stramien van het complot worden blootgelegd; dus werd na hen een groep
notabelen binnengebracht onder wie ook andere hoofdpersonen in het drama. Maar
omdat ieder op eigen lijfsbehoud bedacht was en zijn part aan een ander
toeschoof, lieten de ondervragers Theodorus het woord doen. Die vroeg eerst
deemoedig om genade; toen, gemaand ter zake te komen, verklaarde hij
verschillende malen van plan te zijn geweest aan de keizer te melden wat hij
via Euserius had vernomen, maar daarvan door die man te zijn afgehouden met
het argument dat hier geen sprake was van ongeoorloofd streven naar de
heerschappij maar van een onafwendbare beschikking van het Lot waardoor wat
zij wensten vanzelf in vervulling zou gaan. 35.Eenzelfde bekentenis legde
onder bloedige folteringen ook Euserius af. Maar Theodorus werd de mond
gesnoerd met een door hem eigenhandig aan Hilarius geschreven brief, waarin
hij in bedekte termen te kennen gaf zekere verwachtingen te putten uit de
mededelingen van de waarzeggers, dus aan de zaak zelf niet te twijfelen, maar
iets naders zou willen weten over het tijdstip waarop zijn wens in vervulling
zou gaan. 36.Na deze bekentenissen
werden ze afgevoerd. Aan de andere kant werd Eutropius, de toenmalige
stadhouder van Asia met de status van proconsul,
ook een verdachte in het complot, geen haar gekrenkt, dankzij de filosoof
Pasiphilus, die zelfs onder wrede martelingen hardnekkig bleef weigeren hem in
het ongeluk te storten. 37.Zo was er trouwens nog een andere filosoof,
Simonides, nog een jonge man weliswaar, maar principieel als geen ander die ik
ken. Toen hem voorgeworpen werd via Fidustius van de affaire te hebben gehoord
en hij besefte dat zijn lot bepaald werd door de willekeur van één man en
niet door de waarheid, gaf hij toe de voorspelling vernomen te hebben maar die
vertrouwelijke mededeling uit principe vóór zich te hebben gehouden. 38.Aan
het eind gekomen van al deze diepgaande onderzoeken, wendden de
onderzoeksrechters zich om advies tot de keizer. Deze eiste per één decreet
voor allen de doodstraf. En onder het oog van een grote menigte toeschouwers,
die het gruwelijke schouwspel nauwelijks zonder huiveren konden aanzien en de
lucht vervulden met geweeklaag (want ze voelden het ongeluk van al die
enkelingen als iets wat het totaal van de samenleving trof) werd de hele
deerniswekkende groep weggevoerd om te worden onthoofd, met uitzondering
alleen van Simonides, die door de wrede opperrechter uit woede over zijn
stugge standvastigheid was veroordeeld om levend te worden verbrand. 39.Maar
die nam afscheid van het leven alsof het een bevrijding was van een
onberekenbare heerseres en stond, de kwade grillen van het Lot verachtend,
onbewogen in de vlammen, net als ooit de bekende filosoof Peregrinus (ook wel
Proteus genoemd), die besloten had uit het leven te stappen, tijdens
Olympische Spelen voor het oog van heel Griekenland op een eigenhandig
gebouwde brandstapel klom en zich in brand stak. 40.In de dagen na de executie
van Simonides kwam een hele rij ongelukkigen van bijna alle rangen en standen
- ik zou ze nauwelijks met name kunnen noemen - die, belasterd en vals
beschuldigd, eerst verminkt waren met marteltuig, lood en zweep, onder het
zwaard van de beulen, die hun armen van vermoeidheid niet meer konden
opheffen. Sommigen werden in die massamoord meegenomen terwijl het nog de
vraag was of dat wel moest. Het was overal alsof vee werd geslacht. 41.Meteen
werden ook massa’s geschriften en hele vrachten boekrollen uit bepaalde
huizen in beslag genomen en, alsof het om verboden geschriften ging, onder
toezicht van rechters verbrand. Dat gebeurde om de verontwaardiging over de
moorden de kop in te drukken, want in werkelijkheid waren het meestal gewone
rechtskundige en andere wetenschappelijke werken. 42.Niet lang daarna was de
beurt aan de bekende filosoof Maximus, een grote naam op wetenschappelijk
gebied, dankzij wiens inspirerende invloed Julianus als keizer uitblonk in
geleerdheid.10 Ook hij werd ervan beschuldigd de verzen van het
genoemde orakel te hebben gehoord. Hij gaf dat ook zonder meer toe, maar zei
er, gezien zijn beroepsgeheim als filosoof, geen verdere ruchtbaarheid aan te
hebben gegeven, trouwens, uit zichzelf te hebben voorspeld dat de ondervragers
van het orakel zelf met de dood zouden worden gestraft. Hij werd overgebracht
naar Ephese, waar hij oorspronkelijk vandaan kwam, en daar onthoofd. Zo leerde
hij uit zijn laatste, dodelijke ervaring dat geen beschuldiging zo fataal kon
zijn als de onrechtvaardigheid van een rechter. 43.Ook Diogenes raakte
verstrikt in het net van gewetenloze aantijgingen. Hij was een man van hoge
komaf, getalenteerd, welbespraakt, en innemend van aard. Een tijdlang was hij
stadhouder geweest van Bithynië. In feite werd hij ter dood gebracht om de
vette buit van zijn vermogen. 44.En ja, zelfs de vriendelijke en sympathieke
Alypius, een ex-vicarius van
Britannië, werd uit zijn rustig, ambteloos bestaan weggerukt en in diepe
ellende gedompeld - zover reikten de grijparmen van het onrecht - alsof hij
zich samen met zijn jonge, veelbelovende zoon zou hebben schuldig gemaakt aan
toverij.11 De enige die deze beschuldiging had geuit, was een
zekere Diogenes, een type van laag allooi, die onder slagershanden geprest
werd tenminste iets te zeggen wat de keizer, of liever zijn aanklager goed
uitkwam. Toen er niets aan zijn lichaam nog te folteren was, werd de man
levend verbrand. Alypius zelf werd gestraft met confiscatie van zijn goederen
en verbanning, maar hij kreeg wel zijn zoon terug, die, al onderweg naar de
executieplaats, wonderbaarlijk genoeg pardon kreeg.12
2.
In de oostelijke provincies worden tallozen wegens magische praktijken en
andere vergrijpen veroordeeld en ter dood gebracht, sommigen terecht,
anderen niet
1.Al
die tijd had die ellendeling van een Palladius, de oorzaak van alle beroering,
die, zoals ik aan het begin verteld heb, door Fortunatianus gevangen was
gezet, rouw en treurnis verspreid in het hele land. Aangezien zijn leven aan
een zijden draad hing, was hij letterlijk tot alles bereid en stapelde ongeluk
op ongeluk. 2.Vrij om namen te noemen zoveel hij wilde van wie ook maar met
zwarte kunst in aanraking zou zijn geweest, verstrikte hij, als een jager die
de flauwste sporen van gedierte weet op te merken, willekeurig de een na de
ander in zijn netten, waaruit het onmogelijk was te ontsnappen. Van sommigen
beweerde hij dat ze zich hadden bezoedeld met kennis van magische praktijken;
anderen zouden het een en ander weten in de sfeer van hoogverraad. 3.En om
zelfs de vrouwen geen tijd te gunnen om te huilen over de miserie van hun
mannen, kregen gerechtsdienaren opdracht meteen de woning van elke arrestant
te verzegelen, maar eerst te doorzoeken en daarbij zogenaamd hocus-pocus
spreuken en belachelijke liefdesformules te vinden die ze zelf hadden
gefabriceerd om onschuldigen in een hoek te drijven. En als die dingen voor de
rechtbank werden voorgelezen, waar wet noch eerlijkheid waarheid van leugen
onderscheidde, werden blindweg jong en oud, zonder zich aan enig vergrijp te
hebben schuldig gemaakt, zonder zich te hebben kunnen verdedigen, volkomen
lamgeslagen op draagbaren afgevoerd om te worden geëxecuteerd. 4.Het gevolg
was dat in de oostelijke provincies wie boeken bezat, uit angst voor een
soortgelijk lot zijn hele bibliotheek verbrandde; zo groot was de algemene
paniek. Om kort te gaan: we kropen in die tijd als het ware rond in een
Cimmerische duisternis,13 in de greep van zo’n angst als in de
disgenoten van de Siciliaanse [tiran] Dionysius gevaren moet zijn, die door
hem vorstelijk werden onthaald op een maaltijd akeliger dan de ergste honger,
toen ze huiverend vanaf de zoldering van de zaal waar zij aanlagen aan tafel,
ieder recht boven zijn hoofd een zwaard zagen hangen aan niet meer dan een
paardenhaar - wat hun de trek benam. 5.Ook Bassianus, iemand van goeden huize
en aan het hof werkzaam in de functie van notarius
eerste klasse, werd toen beschuldigd van een poging de toekomst geheimen te
ontfutselen - alleen maar om te weten of zijn vrouw een zoon of een dochter
zou krijgen, beweerde hij - maar dankzij een krachtige interventie van
familieleden die het voor hem opnamen, ontliep hij de zwaarste straf. Wel
verloor hij zijn grote vermogen. 6.Terwijl zo van velen de wereld krakend
instortte, was daar nog de duivel Heliodorus (populair gezegd een astroloog),
samen met Palladius oorzaak van alle ellende. Door heimelijke toezeggingen
vanuit het keizerlijk paleis zelf gevrijwaard en met allerlei slijmerij en
gevlei aangemoedigd om te spuien wat hij wist of kon verzinnen, sloeg ook hij
zijn dodelijke klauwen uit. 7.Hij werd vergast op de kostelijkste maaltijden,
kreeg groot geld toegeschoven om aan concubines te besteden en stapte rond met
een door iedereen gevreesde grijns op zijn gezicht, trots als een goudhaantje
op zijn functie van kamerheer, die hem veroorloofde onbeperkt en naar
hartenlust de keizerlijke bordelen te bezoeken - wat hij veelvuldig en
ongegeneerd deed, zwaaiend met de vrijbrief 14 van de vader des
vaderlands die velen noodlottig werd. 8.In die positie zegde hij ook die
duivelsadvocaat Palladius voor hoe hij zijn aantijgingen moest inkleden om des
te gemakkelijker zijn doel te bereiken en met welke stijlfiguren hij daarbij
moest proberen indruk te maken. 9.En
omdat het te ver zou voeren alles te vertellen wat die galgenbrok uithaalde,
zal ik alleen dit ene geval wat uitvoeriger behandelen, waaruit men kan zien
hoe grenzeloos brutaal hij zelfs op de steunpilaren van de adelstand inhakte.
Want door die geheime contacten met vertegenwoordigers van het hof, waarover
ik het eerder had, was hij, met zijn lage karakter voor elke gemeenheid veil,
zo ongelooflijk arrogant geworden dat hij dat bijzondere tweetal consuls, de
gebroeders Eusebius en Hypatius15 (nog verzwagerd met de vorige
keizer, Constantius16) ervan beschuldigde, in hun streven naar
hogere eer feitelijk samen te zweren om het staatsgezag. En in het web van
verzinsels weefde hij, om die leugen compleet te maken, ook nog deze draad,
dat voor Eusebius zelfs al keizerlijke gewaden klaarlagen. 10.Dat werd door
Valens grif geslikt, en deze gevaarlijke gek, die niets zou moeten mogen omdat
hij dacht alles te mogen, zelfs onrecht te plegen, beval dat uit de verste
uithoeken van het rijk iedereen zonder pardon moest worden opgehaald waarvan
de boven de wet gestelde aanklager met grote onverschilligheid de
voorgeleiding eiste, en in staat van beschuldiging moest worden gesteld.
11.Maar met welke kronkelbedenksels ook het recht, zo lang met voeten
getreden, geweld werd aangedaan, en hoe hardnekkig die doortrapte schurk,
Hilarius, zijn onontwarbare beweringen ook staande hield, onder de ergste
tortuur was geen bekentenis af te dwingen, ja bleek, dat deze eerzame mannen
in de verste verten van zulke zaken geen weet hadden. Dat deed niets af aan de
geloofwaardigheid van hun aanklager zodat ze toch veroordeeld werden tot
verbanning en betaling van geldboeten - maar de boeten werden later ongedaan
gemaakt en ze kregen volledig eerherstel. 12.Zelfs na deze betreurenswaardige
gebeurtenissen matigde en beheerste Valens zich nog niet: machtswaan is nu
eenmaal niet toegankelijk voor de gedachte dat het afkeurenswaardig is in een
heerser zich welbewust te verlagen - al is het om zijn vijanden te treffen -
en dat niets zo afstotelijk is om te zien als de frons van een keizer die een
gemeen karakter verraadt. 13.Maar Heliodorus stierf aan een of andere ziekte,
of misschien als gevolg van geweld (ik zou haast zeggen ‘te laat’ en wilde
wel dat de geschiedenis wat dit betrof niet voor zichzelf sprak), en toen zijn
lijk werd uitgedragen, werd een hele stoet hooggeplaatsten, onder wie de
consuls Hypatius en Eusebius (!), gedwongen in rouwkleding vóór de baar uit
te lopen. 14.Zo kwam de totale verdorvenheid van de keizer in een wel schel
licht te staan, want toen er waren die hem dringend vroegen van deze kwalijke
vertoning af te zien, bleef hij daarvoor doof, alsof hij zijn oren met was had
dichtgestopt - net Odysseus bij de rots der Sirenen. 15.Tenslotte zwichtte hij
in zoverre voor de aandrang, dat hij ze slechts blootshoofds en blootsvoets en
sommigen met gevouwen handen het onzalige begrafenisgedoe rond deze engel des
doods liet begeleiden. Nog huiver ik als ik mij herinner hoe tijdens die
rechtsstilstand zoveel hoogwaardigheidsbekleders, zelfs consulares, die erestaven en purper hadden gedragen en eervol
vermeld worden in de annalen, openlijk werden vernederd. 16.Een aparte
vermelding onder hen verdient onze Hypatius, een man wiens deugden hem van
jongs af aan tot aanbeveling strekten, die, rustig en vriendelijk van aard,
eerlijk in alle opzichten en rechtdoorzee als hij was, aan de roem van zijn
voorvaderen nog roem toevoegde en door de bewonderenswaardige manier waarop
hij tweemaal een prefectuur vervulde een sieraad werd voor het nageslacht.17
17.In diezelfde tijd werd ook dit nog bijgeschreven op Valens’ schitterende
conduitestaat, dat hij, in andere gevallen zo onnoemelijk wreed dat hij het
nauwelijks kon verkroppen als aan steeds ergere pijnigingen van zijn
slachtoffers door de dood een einde moest komen, zo’n schoft als de tribuun
Numerius met welwillendheid behandelde en tegen de zin van de hele senaat
ongestraft, zelfs met behoud van zijn benijdenswaardige rijkdommen en zijn
militaire rang, vrijuit liet gaan nadat de man had bekend - wat overigens
bewezen was - dat hij de schoot van een levende vrouw had opengesneden, haar
onvoldragen vrucht had uitgerukt en het gewaagd had de geesten van de
onderwereld op te roepen en te ondervragen over de troonopvolging. 18.O
kostbaar goed: wijsheid! als een gift van de hemel toevallend aan gelukkigen
die dat treft en zelfs vaak minder begenadigde naturen een sieraad! Wat zoudt
ge in deze donkere dagen ten goede hebben gekeerd als Valens door u had mogen
begrijpen dat heerschappij, zoals de filosofen leren, niets anders is dan zorg
om het welzijn van anderen; dat het de plicht is van een goede vorst
terughoudend te zijn in de uitoefening van zijn macht, weerstand te bieden aan
ongebreidelde hebzucht en onverzoenlijkheid, in het besef - zoals de dictator
Caesar placht te zeggen - dat herinnering aan eigen wreedheid op hoge leeftijd
niet iets is om trots op te zijn; met andere woorden, dat wanneer hij te
oordelen heeft over leven of dood van een mens, die deel uitmaakt van de
wereld en het getal van de levende wezens vol maakt, hij lang en ernstig bij
zichzelf te rade moet gaan en niet overhaast dingen moet doen die
onherstelbaar zijn, zoals te leren valt van een geval dat oudtijds welbekend
was. 19.Een vrouw uit Smyrna namelijk had voor de proconsul van Asia,
Dolabella, bekend, dat ze haar man en haar eigen zoon, die samen een zoon uit
haar eerdere huwelijk zouden hebben gedood, met vergif om het leven had
gebracht. De zaak werd, zoals gebruikelijk, met een wachttijd van drie dagen
verwezen naar een bepaald gerechtelijk college, dat echter niet uit de vraag
kwam, hoe in haar geval onderscheid te maken tussen wraak en misdrijf en haar
doorzond naar de meest strenge Atheense rechtbank, die van de Areopagites,
die zo rechtvaardig heetten te zijn dat ze zelfs geschillen tussen de goden
zouden hebben geslecht. Wat beslisten deze rechters om noch een gifmengster
vrijuit te laten gaan, noch een wreekster van haar eigen kind te straffen? Na
van haar zaak kennis te hebben genomen, bevalen zij de vrouw met haar
aanklager op de dag af honderd jaar nadien opnieuw te verschijnen! Inderdaad,
een werkelijk ultieme beslissing heeft nooit haast! 20.Terwijl al het hiervóór
beschreven onrecht werd bedreven en degenen die het overleefden de
afschuwelijke merktekens van hun folteringen opliepen, bleef het wijdopen oog
van Justitia, de alomtegenwoordige getuige en wreekster van alle dingen,
oplettend en waakzaam. Want de laatste vervloekingen van de vermoorden, die de
eeuwige godheid diep troffen omdat de jammer daarvan zo terecht was, maakten
[de oorlogsgodin] Bellona witheet van woede, zodat ging uitkomen wat het
orakel had voorspeld: dat geen misdaad onbestraft zou blijven. 21.Nog
terwijl het voorgaande tijdens een stilte in het krijgsgedruis aan het
Perzische front als een inwendige ziekte aan Antiochia vrat, trok de
huiveringwekkende schare Furiën, die daar de zaken aan het rollen had
gebracht, uit die stad weg en besprong heel Asia, zoals ik zal vertellen.
22.Een zekere Festinus uit Tridentum, van onbekende maar zeker lagere afkomst,
met wie Maximinus [uit Sopania] als een oude kameraad van zijn eigen leeftijd
een soort broederband had, was door een beschikking van het Lot naar het
oosten verhuisd en had als bestuursambtenaar in Syrië, met name als beheerder
van het provinciale archief, indruk gemaakt door zijn soepel en respectvol
optreden. Op grond daarvan werd hij aangezocht als gouverneur van Asia met
proconsulaire bevoegdheid en zo ging het hem, zoals dat heet, steeds meer voor
de wind. 23. Toen hem op een zeker moment ter ore kwam, hoe Maximinus de beste
burgers van het rijk ten gronde richtte, was zijn eerste reactie, die
handelwijze te bekritiseren als schadelijk en schandelijk. Maar toen hij
vervolgens zag, dat de man het, met die gewetenloze moorden juist als
aanbeveling, onverdiend tot prefect bracht, kwam hij op het idee ook die weg
op te gaan om misschien hetzelfde te bereiken. Dus zette hij als een
toneelspeler opeens een ander masker op en stapte voortaan rond met een
doordringende en vervaarlijke blik in zijn ogen, zich verbeeldend dat als hij
ook maar naam maakte met onschuldigen te veroordelen, een prefectuur
binnenkort binnen zijn bereik lag. 24.En hoewel hij zich aan een grote
variatie aan beestachtigheden schuldig maakte - ik druk me nog zacht uit - zal
ik me ertoe beperken daarvan slechts enkele beruchte gevallen te citeren,
vergelijkbaar met die zich in Rome hebben voorgedaan (hoewel, de ernst van de
feiten doet er niet toe; het onderscheid tussen goed en kwaad is immers
absoluut). 25.Een zekere Coeranius, een niet onverdienstelijke filosoof, liet
hij, na onmenselijke martelingen ongebroken, terechtstellen, alleen omdat hij
een vertrouwelijke brief aan zijn vrouw had geschreven met als post-scriptum
(in het Grieks): ‘Een stille wenk: je mag de huisdeur versieren’, wat in
gewoon spraakgebruik niet méér betekent dan te laten weten dat iets
bijzonders staat te gebeuren. 26.Een simpel oud wijfje, dat niet anders deed
dan met een onschuldige spreuk derdendaagse koortsen
te bezweren, liet hij ombrengen als een heks, nadat ze nota bene met
zijn medeweten bij hem thuis was ontboden en zijn eigen dochter had genezen.
27.In de boeken van een respectabele burger, die om een zakelijke reden
gecontroleerd moesten worden, werd het geboorte-uur van een zekere Valens
aangetroffen. Toen de man werd gevraagd, waarom hij de horoscoop van de keizer
had getrokken, verweerde hij zich met de verklaring dat een al lang overleden
broer van hem Valens had geheten, wat hij bereid was met betrouwbare
bewijsstukken aan te tonen. Maar zonder dat werd afgewacht of dit klopte, werd
hij gruwelijk gefolterd en gedood. 28.En dan was er nog het geval van een
jongeman, die in een badhuis afwisselend met een vinger van zijn linker- en
zijn rechterhand eerst marmer aanraakte en daarna zijn borst terwijl hij de
zeven klinkers van het alfabet opzegde omdat dit zou helpen tegen maagpijn,
daarover onder folteringen werd verhoord, ter dood werd veroordeeld en
onthoofd.
3. Voorbeelden van de wreedheid en meedogenloosheid van keizer Valentinianus in het westen
4. Keizer Valentinianus steekt via een schipbrug de Rijn over, maar slaagt er door toedoen van zijn soldaten niet in, een niets vermoedende koning Macrianus te overmeesteren
1.Zijn dit dus overduidelijke voorbeelden van Valentinianus’ willekeur en wreedheid, zelfs zijn meest verstokte tegenstanders zullen hem geen gebrek aan staatkundig inzicht kunnen verwijten, gezien het feit bijvoorbeeld dat het [volgens hem] meer loonde de barbaren met een versterkte grenslinie in bedwang te houden dan ze met geweld te moeten verdrijven. (...) Vanaf wachttorens werd dan de vijand geobserveerd en bij een verdachte beweging overweldigd. 2.Bij alles wat zijn zorg vereiste gaf hij dit echter de hoogste prioriteit: koning Macrianus [van de Alamannen], die onder de wisselingen van onze houding jegens hem gaandeweg machtiger was geworden en tegen ons volk een volwaardige strijdmacht op de been had gebracht, hetzij met geweld, hetzij met list, levend in handen te krijgen, zoals lang daarvóór Vadomarius Julianus in handen was gevallen. En na de voorbereidingen te hebben getroffen die daarvoor gezien de omstandigheden nodig waren, en dank zij informatie van overlopers wetend waar de koning, op geen vijandige actie verdacht, gevangen kon worden, legde hij een schipbrug over de Rijn, waarbij hij zoveel mogelijk vermeed aandacht te trekken, zodat niemand de constructie daarvan zou storen. 3.De commandant der infanterie Severus, leidde daarover de voorhoede in de richting van Mattiacae Aquae [Wiesbaden], maar hield halt toen hij zich bezorgd realiseerde over hoe weinig manschappen hij beschikte en bang was tegen een massale troepenmacht van de vijand geen stand te kunnen houden. 4.Toevallig trof hij daar slavenhandelaren met hun koopwaar. Omdat hij voorzag dat die er vandoor zouden kunnen gaan om te verraden wat ze gezien hadden, doodde hij ze en nam de slaven in beslag. 5.Door de aankomst van meer troepen groeide toen toch het vertrouwen van de officieren in de expeditie. Ze lieten een provisorisch kamp opslaan, aangezien niemand een lastdier of tent had en zelfs de keizer genoegen moest nemen met een ligkleed en een paardendeken, en bivakkeerden zo een korte tijd vanwege het nachtelijk duister. Maar nauwelijks rees de morgenster boven de horizon, of ze braken weer op, want de opzet was, snel toe te slaan. Begeleid door gidsen die het terrein goed kenden, werd een sterke ruiterafdeling onder bevel van Theodosius vooruit gezonden. [Valentinianus’ bedoeling was, koning Macrianus bij verrassing te overvallen18, maar door het voortdurende lawaai dat zijn soldaten maakten, werd hij daarin gefrustreerd. Want hoe hij ze ook beval het roven en brandstichten te staken, ze gehoorzaamden niet. Het geknetter van het vuur en het rauwe geschreeuw wekten dus ’s konings lijfwachten, die, vermoedend wat er was gebeurd, hun heer in een snelle wagen zetten en in een nauwe kloof in ruig gebergte in veiligheid brachten. 6.Zo ontging Valentinianus deze roem, niet door eigen schuld of door de schuld van zijn officieren maar door loutere insubordinatie van zijn troepen, zoals die de Romeinse zaak wel vaker grote schade heeft berokkend. Dus na het vijandelijke gebied tot vijftig mijl diep te hebben verwoest, keerde hij onvoldaan naar Trier terug. 7.Daar zat hij wrokkend, als een leeuw tandenknarsend met lege muil die zich een hert of ree heeft laten ontglippen. Maar het leger van zijn vijand bleek door paniek volkomen gedemoraliseerd, dus verving hij Macrianus als koning over de stam van de Bucinobanten - woonachtig voorbij Mogontiacus [Mainz] - door Fromarius, die hij echter korte tijd later al, nadat zijn gouw bij een aanval volledig was verwoest, naar Britannië overplaatste met in de rang van tribuun het commando over een sterke en goed getrainde eenheid Alamannen. Militaire commando’s gaf hij eveneens aan twee notabelen van hetzelfde volk, Bitherius en Hortarius,19 over welke laatste echter gerapporteerd werd door Florentius, de dux van Germanië, dat hij bepaalde dingen die niet met het staatsbelang strookten geschreven had aan Macrianus en andere barbaarse vorsten, hetgeen hij onder tortuur toegaf. Dat betekende de doodstraf. Hij werd levend verbrand.
5. De
Moor Firmus, een zoon van koning Nubel, die de keizer ontrouw is
geworden, wordt door de magister equitum van Gallië, Theodosius, door
voortdurende aanvallen uitgeput en tenslotte tot zelfmoord gedreven. In
Africa wordt daardoor de rust hersteld20
6.
Uit woede over de moord op hun koning Gabinius verwoesten de Quaden,
met de Sarmaten, Pannonia en Valeria te vuur en te zwaard en
vernietigen praktisch twee hele legioenen. Over de stadsprefectuur van
Claudius
1.Terwijl de eerdergenoemde generaal zich afzwoegde op het strijdtoneel in Mauretanië en Africa, kwam het volk der Quaden, dat zich lang rustig had gehouden, plotseling in beweging.28 Van dat volk valt tegenwoordig weinig te vrezen, maar in het verleden was het machtig en ongelooflijk oorlogszuchtig - we hoeven maar te denken aan hun bliksemacties van destijds en hun belegering, samen met de Marcomannen, van Aquileia, aan de verwoesting van Opitergum [Oderzo] en de gruwelen die ze op hun krijgstochten bedreven. Zelfs toen ze eens de Julische Alpen over kwamen, had keizer Marcus [Aurelius] de grootste moeite hun het hoofd te bieden. Maar al waren het barbaren, ze hadden nu een terechte grief. 2.Valentinianus had zich namelijk vanaf het begin van zijn regering ten doel gesteld de rijksgrenzen te beveiligen. Dat was een loffelijk streven, maar hij ging soms te ver, want hij liet een fort bouwen aan de overzijde van de Donau in het gebied van de Quaden, nota bene alsof Rome daarop aanspraken kon doen gelden. De bewoners, die zich daardoor bedreigd voelden, kwamen er uiteraard tegen in verzet, zonden om te beginnen gezanten en lieten ook ondershands bezwaren horen in een poging die onderneming te doen staken. 3.Maar de onverbeterlijke slechterik Maximinus, die zijn ingeboren arrogantie sinds zijn benoeming tot prefect des te minder geneigd was in te tomen, schold Aequitius, de cavaleriecommandant in Illyricum voor saboteur en luiaard omdat het werk dat hem was opgedragen niet klaar kwam, en voegde daaraan toe - alsof het algemeen belang hem een zorg was - dat als zijn eigen zoon Marcellianus in Valeria tot commandant benoemd werd, het met de uitvluchten gedaan zou zijn en het fort er snel zou komen te staan. Het ene zowel als het andere gebeurde. 4.En toen die nieuwbenoemde commandant ter plaatse arriveerde, begon hij, zoals van de zoon van zo’n vader te verwachten was, meteen tactloos hoog van de toren te blazen in plaats van die mensen rustig toe te spreken en te kalmeren, die zich door bedenksels geboren uit een nog nooit vertoonde hebzucht vreemdelingen zagen worden in hun eigen land, en liet meteen het werk weer doorgaan, dat, nauwelijks begonnen, stilgelegd was doordat gehoor was gegeven aan de protesten. 5.En toen daarna koning Gabinius in alle bescheidenheid verzocht geen verdere stappen te ondernemen, deed hij toegeeflijk en nodigde hij de koning en anderen met geveinsde vriendelijkheid uit voor een maaltijd maar hij liet Gabinius, die geen kwaad vermoedde, bij zijn vertrek na het feestmaal doden, wat een ongehoorde schending was van de heilige wetten der gastvrijheid. 6.Het nieuws over deze schanddaad ging als een lopend vuur door de hele streek en wekte de woede van de Quaden en de omwonende volken. Met veel vertoon van verdriet over de dood van de koning verzamelden zich benden, die werden weggestuurd op plundertocht. Ze staken de Donau over, overvielen aan de overkant de niets vermoedende boeren die juist bezig waren de oogst binnen te halen, vermoordden de meesten en sleepten de rest met vee en al mee naar huis. 7.En bijna was toen een onherstelbare ramp gebeurd, één die tot de treurigste verliezen van de Romeinse staat zou hebben geleid: het scheelde namelijk niet veel of de dochter van Constantius was in hun handen gevallen toen zij, onderweg naar Gratianus om met hem te huwen, juist de maaltijd gebruikte in de staatsvilla Pristensis.29 Als door een goddelijke beschikking was gelukkig Massala, de gouverneur van de provincie bij de hand. Die zette haar in een staatskoets en bracht haar in vliegende vaart naar Sirmium, zesentwintig mijl daarvandaan. 8.Nadat de prinses zo op het nippertje was behoed voor een ellendig slavenbestaan, wat voor de staat - als ze niet kon worden vrijgekocht - buitengewoon smadelijk zou zijn geweest, begonnen de Quaden, samen met de Sarmaten, nog verder uit te zwermen en namen, rovers en plunderaars als ze van nature waren, mannen, vrouwen en vee als buit mee, terwijl ze zich vrolijk maakten over de verbrande hofsteden en de angst en de pijn van de bewoners die ze onverhoeds overvielen en genadeloos afslachtten. 9.Terwijl in de aangrenzende gebieden de angst voor een soortgelijk lot om zich heen greep, bleef de praefectus praetorio [van Illyricum] Probus, in Sirmium, lange tijd besluiteloos. De man had geen enkele ervaring met de verschrikkingen van een oorlog en was zo onder de indruk van wat plotseling om hem heen gebeurde, dat hij er nauwelijks kennis van durfde te nemen. Eerst liet hij snelle paarden gereed houden, met de bedoeling de volgende nacht te vluchten, maar bedacht zich weer en bleef toch waar hij was. 10.Hij had namelijk al gauw begrepen, dat de hele bevolking van de stad hem zou volgen om zich in allerlei schuilplaatsen in veiligheid te brengen, en dat, als dit zou gebeuren, de stad onverdedigd in vijandelijke handen zou vallen. 11.Dus vermande hij zich en bracht zich ertoe de nodige maatregelen te treffen: hij liet de grachten, die volgeraakt waren met puin, schoonmaken en de muren, die in de lange jaren van vrede voor het grootste deel verwaarloosd en vervallen waren, weer opbouwen, tot en met de tinnen en de hoge torens. Eigenlijk deed hij dat graag: bouwen. Er lag allang veel materiaal klaar voor de bouw van een theater, genoeg voor wat nu dringend aan de orde was, zodat daarmee het werk snel gedaan was. En behalve dit prima initiatief nam hij nog een ander, even nuttig, namelijk een cohort boogschutters te laten overkomen uit een naburig fort om bij een eventuele belegering assistentie te verlenen. 12.Geconfronteerd met zulke hindernissen zagen de barbaren ervan af de stad aan te vallen. Ze waren namelijk niet vertrouwd met de fijnere knepen van de krijgskunst en werden bovendien gehinderd door een vracht buit. Dus besloten ze tot de achtervolging van Aequitius. En toen ze van gevangenen te weten kwamen dat deze zich nu ophield in de verre provincie Valeria, stevenden ze daar op af, woedend en van plan het hem betaald te zetten dat hij, zoals ze dachten, hun onschuldige koning in problemen had gebracht. 13.Zodra dit bekend werd, werden hun in allerijl twee legioenen tegemoet gezonden, de Pannonica en de Moesiaca, een gecombineerde strijdmacht die hen bij een goede samenwerking gemakkelijk had kunnen verslaan. Maar omdat ze eropuit waren ieder voor zich de plunderaars te verslaan om met de eer te gaan strijken, werden ze het slachtoffer van hun rivaliteit. 14.De Sarmaten merkten dit namelijk slim op en vielen zonder het gebruikelijke signaal voor de strijd af te wachten eerst de Moesiaca aan en omdat dit vanwege de verwarring niet snel genoeg gevechtsklaar was, doodden ze daarvan een groot aantal, doorbraken daarna met wild enthousiasme de linies van de Pannonica en sloegen zodoende het hele leger uit elkaar. Met verdubbelde vechtlust aanvallend zouden ze het zelfs totaal hebben vernietigd als sommigen niet halsoverkop waren gevlucht en zo hun huid redden. 15.In dezelfde tijd dat we door een ongelukkig lot deze verliezen leden, opereerde Theodosius de Jongere als generaal in Moesia. De later zo roemrijke keizer,30 toen nog een jongeman met pas het eerste dons op zijn wangen, dreef de Sarmaten die ter onderscheiding van hun opstandige slaven ‘de Vrijen’ worden genoemd,31 en die onze grensgebieden van de andere kant binnenvielen, herhaaldelijk terug, versloeg ze in het ene gevecht na het andere, putte ze uit en decimeerde hun horden die toch telkens weer kwamen opzetten en woedend tegenstand bleven bieden zodanig, dat de roofvogels en andere aasvreters dankzij hem een geweldige tijd beleefden aan de kadavers. 16.De overigen zagen aankomen dat als deze onvervaarde tegenstander eenmaal op hun eigen territorium zou verschijnen, hij hun troepen onherroepelijk zou verslaan, op de vlucht jagen of in donkere wouden in hinderlagen zou laten lopen. Dus nadat ze nog verschillende pogingen hadden gedaan om door te breken, gaven ze ontmoedigd de strijd op en vroegen om vergeving voor wat gebeurd was. En voor het moment onderworpen ondernamen ze niets wat in strijd was met het verdrag dat hun gegund werd, ook trouwens uit ontzag voor een sterke Gallische eenheid die aan de verdediging van Illyricum werd toegevoegd. 17.Terwijl al deze stormachtige gebeurtenissen plaatsvonden, gebeurde in de Eeuwige Stad onder de prefectuur van Claudius [in 374] het volgende. De Tiber, die dwars door de stad stroomt en met zijn afvalwater en zijstromen uitmondt in de Tyrrheense Zee, was door hevige regens zo gezwollen dat ze ver buiten haar oevers trad en niet meer de aanblik bood van een rivier. 18.Alle wijken van de stad die glooiend of lager gelegen waren, kwamen blank te staan. Alleen de heuvels en de hogere gebouwen boden in die angstige situatie nog bescherming. Zo hoog stond het water, dat men nergens meer te voet kon gaan. Maar met bootjes en vlotten werden genoeg levensmiddelen rondgebracht om de mensen niet van honger om te laten komen. Zodra het weer verbeterde, hervond de rivier haar gewone bedding, kon men opgelucht ademhalen en verwachtte men ook geen verdere problemen meer. 19.De bestuursperiode van deze prefect was overigens uitermate rustig. Hij werd - afgezien van gegronde klachten - niet geplaagd door opstandigheid van de bevolking. Hij liet tal van oude gebouwen restaureren en bouwde onder meer vlakbij de Thermen van Agrippa een grote zuilenhal, die hij de Hal van de Bonus Eventus - de Goede Oogst - noemde, omdat ze in het zicht stond van de tempel van de godin van die naam.
Noten
2.Niet
een overigens bekende Procopius.
3.Fortunatianus
was eerder comes rerum privatarum, toen en
nu dus de hoogste verantwoordelijke voor resp. ’s keizers en ’s rijks
financiën.
4.Naar
Antiochië, waar deze geschiedenis zich afspeelt.
5.Hij
zou in 378 sneuvelen in een slag tegen de Goten. Zie boek xxxi,13.
6.Ammianus
woonde in deze tijd in Antiochië en was van de gebeurtenissen getuige.
7.De
Pythia van Delphi en de Branchiden, priesters van het orakel van Didyma,
afstammelingen van een zekere Branchus.
9.Een
berg in Ionië. Valens zou echter niet hier sneuvelen maar bij Adrianopel,
hoewel toch met een verrassende verwijzing naar deze profetie. Zie boek xxxi,14,9.
10.Zie
boek xx,7,3 en xxv,3,23.
11.Zie
voor zijn bemoeienis met de herbouw van de tempel van Jeruzalem: boek xxiii,1,2-3.
12.Omdat
het volk erom riep.
13.Het
denkbeeldige volk der Cimmeriërs zou ver in het noorden wonen in eeuwige
duisternis. Ammianus spreekt van ‘we’. Kennelijk voelde hij zich ook
bedreigd.
14.Kennelijk
een blanco vonnis waarin een willekeurige naam kon worden ingevuld. Verg. het elogium
in boek xiv,5,5.
16.Constantius
II was gehuwd met hun zus Eusebia.
17.Hij
was stadsprefect in 379 en prefect van Italië in de jaren 382-383.
18.Invulling
van een lacune.
19.Niet
te verwarren met koning Hortarius die deelnam aan de slag bij Straatsburg.
20.In
de tekst van dit hoofdstuk vallen verschillende lacunes. Zoals ook elders
worden die aangegeven met (...). Soms wordt een lacune interpretatief
ingevuld. Soms wordt een verminkte zin omwille van de leesbaarheid weggelaten.
21.Hij
behoorde tot de stam der Jubalensers.
22.Mauretanië
was in deze tijd verdeeld in Mauretania Caesariensis, met Caesarea [Cherchèl],
en Mauretania Sitifensis, met Sitifis [Setif].
23.Genoemd
naar de stad Igilgili [Djidjelli].
24.Theodosius
meende dat Romanus medeschuldig was aan het uitbreken van de opstand.
25.Fabius
paste een vertragingstactiek toe in de oorlog met Hannibal.
26.Mithridates,
koning van Pontus, 120-63, die tweemaal oorlog voerde met Rome, werd de tweede
keer verslagen door Pompeius.
27.Invulling
van een lacune.
29.Constantia,
die als kind voorkomt in boek xxvi,7,10;9,3,
had hier juist de huwbare leeftijd van twaalf jaar bereikt.
30.Theodosius
I, keizer van 379 tot 395.