BOEK XXX  

1. De koning der Armeniërs, Papa, wordt door Valens ontboden, maar in     Thyrsus zogenaamd als eregast feitelijk gevangen gehouden. Hij ontvlucht met driehonderd landgenoten, weet wegblokkades te ontwijken en keert te paard naar zijn land terug. Niet lang daarna wordt hij tijdens een gastmaal door de dux Trajanus vermoord  

1.Terwijl [in het land der Quaden] de laffe moord op koning [Gabinius] door generaal [Marcellianus] grote opschudding veroorzaakte, vond ook in de Oriënt een afschuwelijke misdaad plaats, waar Papa,1 de koning der Armeniërs, het slachtoffer werd van een sluw beraamde aanslag. De achtergrond van deze met voorbedachten rade uitgevoerde misdaad was, zover ik heb kunnen vaststellen, het volgende. 2.Bepaalde sluwe figuren die zich vaker verrijkt hadden ten koste van de samenleving, bewerkten Valens met allerlei onzinnige en overdreven laster over deze nog jonge koning. Een van hen was de dux Terentius, een man met een treurig gezicht die een slome indruk maakte, maar eeuwige intrigeerde en onrust stookte. 3.Samenspannend met enkele gentiles, die wegens misstappen straf vreesden, zond hij de ene nota na de andere aan het hof, telkens weer over de dood van Cylaces en Arrabannes, waaraan hij toevoegde dat de jonge koning in zijn overmoed volgens hem tot gevaarlijke daden in staat was en zijn onderdanen onmenselijk wreed onderdrukte. 4.Als gevolg daarvan werd Papa onder het voorwendsel dat zijn deelname gewenst was aan een overleg over dringende aangelegenheden, met alle eer die hem als koning verschuldigd was, naar het hof genodigd. Echter, in Tarsus in Cilicië werd hij, zogenaamd als eregast, onder bewaking vastgehouden, en toen hij noch tot de keizer toegelaten werd, noch de reden voor de dringende uitnodiging gewaar kon worden aangezien niemand hem daarover iets zei, kwam hij tenslotte van een niet bekende zegsman te weten dat Terentius de keizer in brieven adviseerde direct een andere koning over Armenië aan te stellen om te voorkomen dat het ons welgezinde volk uit haat jegens Papa vóór zijn terugkeer de partij van de Perzen zou kiezen, die erop gebrand waren Armenië hoe dan ook , met geweld, bedreigingen of goede woorden, aan hun kant te krijgen. 5.Hoe de koning het ook wendde of keerde, hij voorzag dat dit slecht voor hem ging aflopen. Dus, er eenmaal van overtuigd dat sprake was van een complot en dat zijn enige kans op redding gelegen was in een snelle vlucht, verzamelde hij op advies van vertrouwelingen de driehonderd begeleiders die uit Armenië met hem waren meegekomen, en te paard, tegen het eind van een middag, stoof de troep, het zekere voor het onzekere nemend, zoals dat gaat in uiterste nood, de stad uit en weg. 6.De gouverneur van de provincie, gealarmeerd door de wacht bij de stadspoort, zette Papa na, haalde hem in het buitengebied in en bezwoer hem te blijven, maar keerde toen dat niets uithaalde terug, vrezend voor zijn leven. 7.Nog sterker: toen een troep soldaten de koning kort daarop najoeg en binnen schootsafstand kwam, keerde hij om, viel zelf met zijn dapperste mannen aan, liet het pijlen regenen als vonken (maar bewust niet gericht) en dwong zijn belagers met hun tribuun in paniek tot de aftocht - die verdwenen nog sneller achter de muren dan ze gekomen waren. 8.Geen gevaar meer duchtend, reed hij vervolgens twee uitputtende dagen en nachten door tot hij de oevers van de Euphraat bereikte. Maar zonder boten kon hij de ondoorwaadbare, kolkende rivier niet over, zodat veel van zijn mannen, die de zwemkunst niet meester waren, daarvoor terugschrokken en hij vooral zelf niet kon besluiten wat te doen. En hij was daar vast komen te zitten als hij in die hopeloze situatie, terwijl allerlei oplossingen bedacht werden, niet op het volgende reddende idee was gekomen. 9.Rustbanken die ze in boerderijen vonden, bonden ze op telkens twee opgeblazen wijnzakken, waarvan er in de wijngaarden in de buurt meer dan genoeg voorhanden waren, op elk waarvan een van de edelen in het gezelschap en de koning zelf, zittend, met hun paard aan de teugel, in een schuine lijn voor de golven van de snelstromende rivier uit, na uiterst hachelijke momenten de overkant konden bereiken. 10.De overigen klemden zich vast aan hun zwemmende paarden, verdwenen soms onder water, een speelbal van de kolkende stroom, maar werden uitgeput en doorweekt na duizend angsten ook op de andere oever geworpen, waar ze wat konden bekomen vóór ze hun rit voortzetten, in een opgewektere stemming dan in de voorbije dagen. 11.Toen de keizer de vlucht van de koning gemeld werd, maakte hij zich grote zorgen, want hij voorzag dat deze, aan de valstrik ontkomen, nu wel zijn trouw zou opzeggen. Dus stuurde hij de comes Danielus en de tribuun der Scutarii Barzimeres met duizend licht gewapende boogschutters eropuit om hem terug te roepen. 12.Zelf op vertrouwd terrein en gebruik makend van korte doorsteken door de dalen, zagen die kans de koning vóór te komen, die zich wel voorthaastte, maar vreemd en onbekend in dat gebied telkens omwegen maakte en in kringen reed. Eenmaal zover, splitsten ze zich in twee afdelingen en blokkeerden de twee meest voor de hand liggende wegen, die drie mijl van elkaar af lagen, om de koning, welke van beide hij ook zou kiezen, te onderscheppen. Maar dat plan mislukte door puur toeval: 13.Een reiziger namelijk die op weg was naar de westelijke oever van de rivier [de Euphraat], zag in het glooiende terrein al die gewapende soldaten en nam, om ze te vermijden, een smaller, met struiken en doornbossen overgroeid pad tussen beide wegen door, stuitte toen op de vermoeide Armeniërs, en, voor de koning gebracht, vertelde hem onder vier ogen wat hij had gezien. Hij werd daarop vastgehouden, maar goed behandeld. 14.De koning deed nu alsof er niets aan de hand was en zond zonder dat iemand het merkte een ruiter de weg rechts op met de opdracht onderdak en avondeten te regelen; maar toen deze goed en wel op weg was, een andere ruiter, die van de eerste niet wist, snel de weg links op met dezelfde boodschap. 15.Toen dit zo slim geregeld was, zocht de reiziger met Papa en zijn gezelschap achter zich aan, de weg terug die hij gekomen was door het struikgewas en wees het geitenpad, dat inderdaad ruig was en zelfs te smal voor een beladen pakpaard, waarover de koning dus langs de soldaten heen ontkwam. Die namen de ruiters gevangen die waren uitgestuurd om hen te misleiden, en verwachtten toen niet anders dan dat de koning hen als jachtbuit recht in de armen zou lopen. Ze konden lang wachten, want hij nam gezond en wel weer bezit van zijn koninkrijk, met uitbundige vreugde ontvangen door zijn onderdanen, waarna hij onwankelbaar trouw bleef [aan de Romeinse zaak], de beledigende behandelingen die hij had ondergaan in stilte verkroppend 16.Toen Danielus en Barzimeres zich daarna beteuterd terug meldden, werden ze overladen met verwijten en voor domkoppen en nietsnutten uitgemaakt, zodat ze als gifslangen die bij een eerste aanval hun giftand hadden bot gebeten, hun dodelijke wapen scherpten om zich bij de eerste gelegenheid te kunnen wreken op de man die hun ontsnapt was. 17.En om de vernedering, de schande van in slimheid te zijn overtroefd te verdoezelen, bestookten ze de oren van de keizer (voor geruchten zeer ontvankelijk) met lasterpraat over Papa, zoals, dat hij in staat was met toverspreuken (als Circe2) op een wonderlijke manier lichamen te veranderen en te doen verdwijnen, dus dat hij zich door zulke kunsten in een nevel had gehuld, zijn gestalte en die van zijn begeleiders veranderd had en hen zo gepasseerd was - en als hij met die onzin zou wegkomen, nog grote onrust zou veroorzaken. 18.Dit verhevigde nog de diepe haat van de keizer jegens Papa, zodat dagelijks plannen werden gesmeed om hem op een listige of gewelddadige manier uit de weg te ruimen, met de uitvoering waarvan Trajanus, die toen als bevelhebber in Armenië was gestationeerd, via geheime missiven belast werd. 19.Deze palmde de koning met sluwe vleierijen voor zich in, liet hem brieven van Valens zien waaruit diens vriendelijke houding moest blijken, liet zich nu en dan voor een gastmaal uitnodigen en nodigde hem tenslotte zelf, toen het complot compleet was, met verschuldigde eerbied uit voor een maaltijd. Geen kwaad vermoedend, gaf de koning daaraan gehoor en zette zich op de hem geboden ereplaats aan tafel. 20.Toen allerlei heerlijkheden waren opgediend en in de grote zaal feestelijk snarenspel, gezang en blaasmuziek klonk, verwijderde zich de gastheer, al stevig dronken, zogenaamd om gehoor te geven aan een natuurlijke aandrang, maar stuurde een bruut van een barbaar, zo’n scurra,3 naar binnen, die met woest rollende ogen en zwaaiend met zijn zwaard recht op de jonge koning af stormde, die onmogelijk kon ontsnappen. 21.Terwijl deze zich juist in zijn zetel voorover boog, zag hij hem komen, greep meteen zijn dolk en sprong op om zijn leven tot elke prijs te verdedigen, maar werd in de borst geraakt en viel, door houw op houw gruwelijk verminkt, als een offerdier neer. 22.Zo werd goed vertrouwen schandelijk beschaamd en spatte tijdens een feestmaal, een gelegenheid die zelfs aan de Pontus Euxinos geëerbiedigd dient te worden, onder het oog van de god van de gastvrijheid bloed van een vreemdeling over het prachtige tafellinnen. Die bloederigheid was te gruwelijk voor de andere gasten, die ontsteld uiteenstoven. Als doden nog verdriet konden hebben, zou de bekende Fabricius Luscinus deze drieste daad betreuren, zich herinnerend hoe principieel hijzelf in een vertrouwelijk gesprek het aanbod van Demochares, of (zoals sommigen schrijven) van Nicias, een tafeldienaar van koning Pyrrhus afwees, die zei bereid te zijn de koning, die destijds in een rampzalige oorlog Italië platbrandde, te doden door vergif in zijn drinkbekers te doen; Fabricius waarschuwde de koning zelfs per brief, zich voor zijn persoonlijke bedienden in acht te nemen.4 Zo’n gerespecteerde plaats nam in het oude rechtsgevoel een feestmaal in, zelfs aan de tafel van een vijand. 23.Weliswaar werd door sommigen de ongehoorde en schandelijke daad vergoelijkt met een verwijzing naar de moord op Sertorius,5 maar deze vleiers wisten zeker niet dat (zoals Demosthenes, voor eeuwig de trots van Griekenland, verzekerd heeft) geen daad die bewezen tegen de wet is, acceptabel wordt vanwege een andere daad die van dezelfde aard of onbestraft gebleven is.  

2. Keizer Valens en Sapor, de koning der Perzen, betwisten elkaar via gezanten de macht over Armenië en Hiberië  

1.Dit waren opmerkelijke gebeurtenissen die zich in Armenië afspeelden. Sapor, vervolgens, die gefrustreerd na het echec van zijn troepen en het bericht van de moord op Papa, die hij met zoveel moeite aan zijn kant had proberen te krijgen, steeds meer bezorgd raakte over de acties van ons leger, gooide het nu over een andere boeg (2.) en zond Arraces als gezant naar de keizer met het ernstige advies Armenië, die voortdurende bron van ellende, definitief op te geven of, als hij dat niet kon accepteren, akkoord te gaan met een alternatief, namelijk de tweedeling van Hiberië ongedaan te maken, de bezetting uit het Romeinse deel terug te trekken en het bestuur over te laten aan Aspacures, die door hem, Sapor,  over die natie als vorst was aangesteld. 3.Daarop antwoordde Valens dat hij niets wenste af te doen aan wat bilateraal was overeengekomen en bekrachtigd en daar absoluut en letterlijk aan wenste vast te houden. De reactie op deze majesteitelijke uitspraak was een brief van de koning die tegen het eind van de winter arriveerde met niets anders dan arrogante onzin, hierop neerkomend dat het bestaande conflict niet radicaal en definitief kon worden opgelost dan met medewerking van al degenen die bij de verdragsluiting met Jovianus als getuigen waren opgetreden, waarvan sommigen (zoals hij wist) niet meer in leven waren. 4.Dit maakte het er voor de keizer niet eenvoudiger op, en aangezien hij een man was die liever een keus maakte uit verschillende plannen dan er zelf een te bedenken, achtte hij het ’t beste de magister equitum Victor en de dux van Mesopotamië, Urbicius, naar Perzië te sturen met het besliste en ondubbelzinnige antwoord dat de koning, die naar eigen zeggen zo rechtvaardig was en zo tevreden met wat hij bezat, een grote fout beging met Armenië te willen inpalmen, waarvan het volk het recht had over zijn eigen lot te beslissen, en dat als de troepen die aan Sauromaces ter beschikking waren gesteld,6 aan het begin van het volgende jaar (zoals overeengekomen) niet ongehinderd zouden terugkeren, de koning wel zou worden gedwongen tot wat hij niet vrijwillig wenste te doen. 5.De gezanten voerden hun missie correct en vrijmoedig uit, behalve dan dat ze op één punt een fout maakten, namelijk zonder bekomen opdracht akkoord gingen met de overname van enkele kleinere gebieden in Armenië die zichzelf aan hen aanboden. Na hun terugkeer kwam de Surena, de machtigste man na de koning, deze zelfde gebieden, die onze gezanten zo onverantwoordelijk hadden geaccepteerd, officieel aan de keizer aanbieden. 6.Hij werd hoffelijk en in grote stijl ontvangen, maar werd [wat zijn eisen betrof] met lege handen teruggestuurd, waarna uitgebreide voorbereidingen werden getroffen voor oorlog, want de keizer was van plan, zodra de winter ten einde liep, met drie legers Perzië binnen te vallen, waarvoor hij ook zo snel mogelijk Scythische huurlingen wierf. 7.Wat Sapor tegen beter weten in gehoopt had, had hij dus niet bereikt en, extra geprikkeld door berichten over de oorlogsvoorbereidingen van onze keizer, trotseerde hij deze verder door de Surena opdracht te geven om goedschiks of kwaadschiks de gebieden die Victor en Urbicius hadden overgenomen, weer in bezit te nemen en het de hulptroepen die Sauromaces ter beschikking waren gesteld, zo moeilijk mogelijk te maken. 8.Dit werd volgens bevel direct ten uitvoer gebracht en kon door ons noch voorkomen noch gewroken worden, omdat de Romeinse staat bevangen werd van een andere schrik: een massale, onhoudbare invasie van Goten in Thracië. Over deze ramp zal ik afzonderlijk verhalen wanneer ik daaraan toekom. 9.Het voorgaande speelde zich dus af in de oostelijke gebieden. In diezelfde dagen werd de ongelukkige gebeurtenissen in Africa en de schimmen van de gezanten van Tripolis,7 die nog steeds ongewroken ronddoolden, recht gedaan door de eeuwige macht van de godin Justitia, de wreekster die oordeelt over recht en onrecht, soms lang wacht, maar altijd stipt is. 10.Nadat Remigius, die, zoals ik verteld heb, de comes Romanus8 dekte toen deze de provincies plunderde, als magister officiorum was opgevolgd door Leo, trok hij zich als ambteloos burger terug in zijn geboorteplaats bij  Mogontiacum [Mayence], waar hij zich wijdde aan het beheer van zijn landgoederen. 11.Hij was zich daar van geen dreiging bewust, maar intussen bedacht de praefectus praetorio Maximinus,9 die geen ontzag meer voor hem had sinds hij in ruste was en het trouwens niet laten kon als een rat in allerlei zaken te wroeten, hoe hij hem nog zou kunnen treffen. Om een en ander wat nog geheim gebleven was te weten te komen, liet hij Caesarius, een voormalige ondergeschikte van Remigius en latere notarius van de keizer, arresteren om onder foltering uit hem te krijgen wat Remigius had gedaan en hoeveel hij voor zijn medewerking aan de schurkerijen van Romanus had ontvangen. 12.Toen Remigius (die, zoals gezegd, teruggetrokken leefde) hiervan vernam, deed hij zich, gekweld door een slecht geweten of radeloos van angst voor valse beschuldigingen een strop om de nek en kwam zo aan zijn eind.  

3. Keizer Valentinianus verwoest enkele gouwen van de Alamannen, verstaat zich met hun koning Macrianus en sluit vrede

1.In het jaar volgend op deze gebeurtenissen [374] werd Gratianus tot consul gekozen met als collega Aequitius. Valentinianus nu, die verschillende gouwen van de Alamannen had verwoest en doende was met de bouw van een vesting in de buurt van Basilia [Basel], door de bewoners daar Rabur genoemd, ontving van de prefect Probus een rapport over de rampzalige acties [van de Quaden10] in Illyricum. 2.Zoals het een bedachtzaam bevelhebber betaamt, nam hij daar goede notie van en gaf, verontrust over wat hij las, de notarius Paternianus opdracht de kwestie grondig te onderzoeken. En toen hij van hem een getrouw verslag van de gebeurtenissen  had ontvangen, rustte hij zonder uitstel een expeditie uit om de barbaren die het gewaagd hadden onze grenzen te schenden - zoals hij het zich voorstelde - meteen onder wapengekletter te verpletteren. 3. Maar omdat de herfst al ten einde liep, dreigden nogal wat moeilijkheden op die weg, zodat hoge adviseurs aan het hof hem met kracht van argumenten bezwoeren eerst de lente af te wachten. In de eerste plaats betoogden ze dat de wegen bevroren en onbegaanbaar waren en er geen gras voor de dieren of wat dan ook voor het leger te vinden zou zijn. In de tweede plaats wezen ze hem op de barbaarsheid van de koningen langs de grens van Gallië, vooral van de gevreesde Macrianus, die bij het ontbreken van enig pact zelfs in staat moest worden geacht steden aan te vallen. 4.Met deze argumenten en nog verdere ter zake doende adviezen brachten ze de keizer tot andere gedachten, waarna Macrianus uit een oogpunt van staatsbelang hoffelijk naar de omgeving van Mogontiacum werd genodigd, aangezien het er alle schijn van had dat hij wel genegen was tot een verdrag te komen. En hij verscheen inderdaad, brutaal en hautain alsof de vrede van zijn beslissing zou afhangen, en posteerde zich op de dag die voor het onderhoud was vastgesteld, met opgeheven hoofd op de oever van de Rijn temidden van zijn stamgenoten onder het donderend geraas van schilden. 5.Aan onze kant ging de keizer met een groot aantal militaire commandanten aan boord van patrouilleboten, hijzelf een opvallende figuur, in de glans van schitterende standaards, en voer op tot op een veilige afstand van de andere oever. En toen het opgewonden tumult van de woest gebarende barbaren eindelijk ophield en er over en weer het nodige gezegd was, werd tussen hen een vriendschapsverdrag gesloten dat met heilige eden werd bevestigd. 6.Toen dit een feit was, trok de koning, die de oorzaak was geweest van zoveel onrust, zich in een vredelievende stemming terug, onze bondgenoot voor altijd. En inderdaad, vanaf die dag tot zijn dood toe, gaf hij op een voortreffelijke wijze daadwerkelijk blijk van een standvastige, loyale gezindheid. 7.Hij kwam later om het leven in het land van de Franken, waar hij roekeloos was binnengevallen en dood en verderf zaaide, maar in een hinderlaag liep van de krijgshaftige koning Mallobaudes.Na de beëindiging van de plechtigheid van de verdragsluiting keerde Valentinianus terug naar Trier voor de winter.  

4. De praefectus praetorio Modestus brengt Valens ertoe zijn bemoeienis met de rechtspraak op te geven. Over rechtspleging, rechtsgeleerden en verschillende soorten pleiters

1.Deze gebeurtenissen vonden plaats in Gallië en het noorden. Maar in de oostelijke gebieden, waar de situatie wat het buitenland betrof rustig was, verergerde door het toedoen van de vrienden en naasten van Valens, bij wie gewin vóór eer ging, de rot van de corruptie. Hier werd alles in het werk gesteld om de keizer, die een streng man was en een passie had voor rechtspraak, van zijn lievelingsbezigheid, recht te spreken, af te brengen, uit vrees dat, zoals in de tijd van Julianus, de verdediging van de onschuld weer in de mode zou komen en de macht van de heren die nu vrij spel hadden en zich steeds meer meenden te kunnen veroorloven, beknot zou worden. 2.Om deze en soortgelijke redenen werd het hem dus door velen afgeraden, maar in het bijzonder door de praefectus praetorio Modestus, een man die volledig onder de invloed van de eunuchen aan het hof geraakt was en zijn boerse, door geen lectuur van oude schrijvers verfijnde natuur achter een bedrieglijk masker verborg. Betogend dat de trivialiteit van privé gedingen beneden de keizerlijke waardigheid was, bracht hij Valens inderdaad tot de conclusie dat met het onderzoeken van zulke gevallen aan de hoogheid van de keizerlijke macht afbreuk werd gedaan en zag deze daar op zijn advies verder van af. Maar daarmee zette hij de deur wijd open voor dieverij en oplichterij, een situatie die met de dag verergerde door de slechtheid van rechters en advocaten samen; want ze verkochten de rechtszaken van het lagere volk aan legerofficieren of hofdignitarissen en verwierven zich daarmee rijkdom of hogere posities. 3.De pleitkunst nu, wordt door de grote Plato gedefinieerd als de politikès moríou eídôlon (dat wil zeggen: de schaduw van een klein deel van de staatkunde) of als het vierde deel van vleierij. Epicurus rekent haar tot de verachtelijke kunsten, namelijk een kakotechnía. Tisias noemt haar echter de kunst van overreding en Gorgias van Leontini is het daarin met hem eens. 4.Deze kunst, door de ouden aldus gekwalificeerd, is door de sluwheid van bepaalde oosterlingen tot een zo hoge graad ontwikkeld dat ze een behoorlijk mens tegen de borst stuit, waarom men pleitredes ook, door er een tijdslimiet aan te verbinden, binnen de perken houdt. Ik wil dus een paar woorden wijden aan de verachtelijkheid ervan, waarmee ik heb kennisgemaakt toen ik in die streken verbleef, en dan terugkeren naar het verhaal waarmee ik begonnen ben. 5.Vroeger floreerde de rechtsbeoefening onder de schutse van een ouderwetse verfijndheid, toen namelijk redenaars van een bevlogen welbespraaktheid, toegewijd aan wetenschappelijke studies, zich onderscheidden door hun scherpzinnigheid, rechtschapenheid en de inhoudelijkheid en de rijkdom van hun presentaties, zoals een Demosthenes, naar wie, als hij ging spreken, volgens Attische bronnen het volk uit heel Griekenland en masse kwam luisteren, en een Callistratus, waar diezelfde Demosthenes heen ging toen deze optrad in de beroemde zaak van Oropus (een plaats in Euboea), en er zelfs  de Academie van Plato voor in de steek liet, en Hyperides, Aeschines, Andocides, Deinarchus en de beroemde Antiphon uit Rhamnus, die volgens oude getuigenissen de eerste is geweest die voor een verdediging liet betalen. 6.Even bijzonder waren bij de Romeinen Rutilius, Galba en Scaurus, die uitmuntten door hun levenswijze, hun karakter en hun bezonnenheid, en in verschillende latere eeuwen tal van mannen die consul en censor waren geweest of triomfator, zoals Crassus, Antonius, Philippus, Scaevola, en vele anderen die succesvolle legeraanvoerders waren, overwinningen behaalden, met trofeeën geëerd werden en zich vervolgens onderscheidden in de burgerlijke staatsdienst, lauweren oogstten in daverende debatten op het Forum en met lof en eer gekroond werden. 7.Na hen kwam Cicero, de grootste van allen, die met een waterval van onweerstaanbare oraties menig hopeloos geval uit de scherpe klauwen van het gerecht wist te redden en daarvan zei ‘dat het misschien niet laakbaar was bepaalde mensen niet te willen verdedigen, maar wel misdadig ze slordig te verdedigen’.11 8.Maar vandaag de dag kan men overal in het oosten een brutaal en ongelooflijk roofzuchtig slag lieden van het ene forum naar het andere zien hollen en de huizen van de rijken zien beloeren om als Spartaanse of Kretenzische honden sporen te ontdekken die naar een begeerde zaak leiden. 9.De eerste categorie van dat soort bestaat uit lieden die zelf het zaad van allerlei twistgedingen uitstrooien, zich in duizend-en-één processen verdiepen, de deur platlopen bij weduwen en kinderlozen en als ze maar even lucht krijgen van het bestaan van enige animositeit, een dodelijke haat opwekken tussen vrienden, verwanten of familieleden die het over iets oneens zijn. Bij hen neemt hun kwade neiging niet af met de jaren, zoals bij anderen, maar wordt zelfs sterker en sterker. In hun onverzadigbare hebzucht hanteren ze bekwaam het wapen van hun vindingrijkheid om met listige argumenten gehoor te vinden bij rechters, wier titel een afleiding is van het woord ‘recht’. 10.In hun hardnekkigheid moet gedram doorgaan voor vrijmoedigheid, grenzeloze brutaliteit voor standvastigheid, woordenkramerij voor welsprekendheid, door welke omkering van waarden, volgens Cicero, gewetensvolle rechters zich niet mogen laten misleiden. Hij zegt namelijk: ‘Aangezien niets in de staat zo vrij behoort te zijn van corruptie als een stemming en een rechterlijke uitspraak, begrijp ik niet waarom iemand die ze met geld beïnvloedt, strafbaar is, terwijl iemand die dat doet met welsprekendheid, zelfs wordt geprezen. Mij lijkt het dat wie een rechter inpakt met woorden meer kwaad doet dan degene die dat met geld doet; want iemand kan een verstandig mens niet voor zich winnen met geld, wel met woorden’.12 11.Een tweede categorie bestaat uit lieden die zich uitgeven voor kenners van het recht, dat echter door de onverenigbaarheid van met elkaar tegenstrijdige wetten niet eens meer bestaat, en alsof ze een slot op de mond hebben als eeuwige zwijgers het evenbeeld zijn van hun eigen schaduw. Ze trekken een ernstig en gewichtig gezicht alsof ze geboortehoroscopen trekken of  Sibyllijnse orakels uitleggen, maar verkopen lucht. 12.Om de schijn te wekken een diepere kennis van de wet te bezitten, hebben ze het over Trebatius, Cascellius en Alfenus, en over de wetten van de Auruncers en de Sicaners, die allang vergeten zijn, begraven met de moeder van Evander.13 En als u beweert met voorbedachten rade uw eigen moeder te hebben vermoord, beloven ze u met diepzinnige argumenten achter de hand vrijspraak - als ze gemerkt hebben dat u geld hebt. 13.Een derde categorie bestaat uit degenen die om in hun troebel beroep te schitteren, hun veile tong scherpen om de waarheid naar hun hand te kunnen zetten en zich met een brutaal gezicht en goedkope bluf vaak toegang weten te verschaffen waar ze maar willen. Als rechters onder druk toch al hun aandacht over veel zaken moeten verdelen, helpen ze de behandeling daarvan hopeloos in de knoei door te proberen allerlei onschuldigen in processen te verwikkelen en door netelige kwesties aan de orde te stellen verwarring te zaaien in gerechtshoven, die, als ze naar behoren functioneren, tempels van gerechtigheid zijn, maar, gecorrumpeerd, bedrieglijke valkuilen - als iemand daarin terecht komt, zit hij gevangen en kan het jaren duren vóór hij, tot op het merg uitgezogen, daar weer uit komt. 14.De vierde en laatste categorie wordt gevormd door het schaamteloze, opdringerige en onbehouwen soort van degenen die hun school niet hebben afgemaakt, op straathoeken te vinden zijn, mimiamben declameren in plaats van argumenten te produceren waarmee rechtszaken te winnen zijn, de deur platlopen bij de rijken en ernaar hengelen verwend te worden met exquise maaltijden. 15.Als ze eenmaal verslaafd zijn aan het loon van luiheid en onkieskeurige geldzucht, zetten ze allerlei onnozel volk ertoe aan processen te beginnen; en als ze dan soms een zaak te verdedigen krijgen - wat zelden gebeurt - vangen ze de naam van hun cliënt en het onderwerp van de zaak ergens tijdens de uitwisseling van twistpunten wel op uit de mond van de rechter en dissen dan zelf zo’n enorme brei van onsamenhangende volzinnen op, dat men zou denken in die gruwelijke massa wartaal het gebral van Thersites14 te horen. 16.Want als ze tenslotte niet in staat blijken hun verdediging waar te maken, barsten ze los in geweldige tirades; daarom ook, omdat ze voortdurend gerespecteerde personen beledigen, worden ze dikwijls voor het gerecht gedaagd en veroordeeld. Er zijn er zelfs bij, die zo weinig geschoold zijn dat ze zich niet eens herinneren ooit een wetboek te hebben bezeten. 17.En als in de kring van gestudeerde mannen de naam valt van een oude schrijver, denken ze dat het een vreemd woord is voor een soort vis of iets anders eetbaars, maar als een vreemdeling vraagt naar de een of andere, hem van gezicht onbekende redenaar Marcianus (bijvoorbeeld), heten ze ineens allemaal Marcianus. 18.Het gaat hun ook niet langer om het recht als zodanig, maar alsof de hebzucht hen volledig in bezit heeft genomen, zijn ze voor alles doof, blind en ongevoelig behalve voor de hoogte van hun vorderingen. Is iemand eenmaal in hun netten gevangen, verstrikken ze hem in duizend spindraden terwijl ze zelf opzettelijk telkens verstek laten gaan, zogenaamd wegens ziekte, en schrijven zeven goedkope inleidingen op een onnodige voorlezing van een overbekend stuk wetboek, alleen om de ene na de andere mogelijkheid om de zaak te rekken uit te buiten. 19.En als met het uitzuigen van beide partijen dagen, maanden en jaren zijn heengegaan en de dag komt waarop de inmiddels verschaalde zaak op de rol is gezet, doen de doorluchte kopstukken zelf hun intrede, maar brengen ook weer de nodige namaak-advocaten mee. Wanneer die zich dan binnen de lijnen van het strijdperk hebben geposteerd en de discussie begint die moet beslissen over iemands fortuin of leven en het er echt om gaat een onschuldige te behoeden voor het zwaard of een rampzalig verlies, staan de rechtsgeleerden lange tijd tegenover elkaar met ernstige gezichten en gebaren als van toneelspelers (zodat achter hen alleen de fluitist ontbreekt om de toon aan te geven, zoals Gracchus liet doen15, tot tenslotte, zoals van tevoren afgesproken, de meest welbespraakte een sierlijke inleiding begint die een kunstvol pleidooi belooft dat niet onderdoet voor de oraties [van Cicero en Demosthenes] ter verdediging van Cluentius en Ctesiphon; maar terwijl allen uitzien naar het einde, hen laat zitten met zijn conclusie dat de advocaten er - nota bene na een proces van drie jaar - nog niet uit zijn. Dus krijgen ze nog weer verder uitstel en eisen intussen, alsof ze een soort worsteling achter de rug hebben als met de oude Antaeus, hun loon voor hun getob met de wet. 20.Toch valt niet te ontkennen dat rechtskundigen veel ongemak te verduren hebben dat een normaal levend mens slecht zou verdragen. Want ze krijgen van de opbrengst van hun zittend bestaan wel hun maag vol, maar zijn elkaars vijanden en kwetsen met hun woedende uitvallen, zoals gezegd, velen met de beledigingen die ze uitbraken bij gebrek aan argumenten sterk genoeg om er hun zwakke zaken mee op te vijzelen. 21.Soms hebben ze ook met rechters te maken die eerder getraind lijken in de spitsvondigheden van een Philistion of een Aesopus dan dat ze het product zijn van een studie van Aristides de Gerechte of Cato, rechters die hun publieke ambt voor veel geld gekocht hebben en nu als hardnekkige schuldeisers vissen naar de financiële mogelijkheden van elk veelbelovend geval, om andermans schoot leeg te schudden. 22.Tenslotte heeft het beroep van advocaat bij al het andere nog dit ernstige nadeel, dat bijna alle procederenden als vanzelfsprekend aannemen dat, hoewel ze hun zaak om duizend-en-één redenen kunnen verliezen, de mislukking in hun geval te wijten is aan de onkundigheid van hun advocaten, en aan hen dus de uitkomst van elk geding toeschrijven, waarbij ze hun woede niet richten tegen de zwakte van hun zaak of de onredelijkheid soms van degenen die uitspraak doen, maar alleen tegen hun verdedigers. Maar laat ik terugkeren naar mijn uitgangspunt voor deze uitweiding.   

5. Valentinianus vertrekt naar Illyricum om een oorlog te beginnen met de   Sarmaten en de Quaden, die verwoestingen aanrichten in Pannonië. Na de  Donau te zijn overgestoken verwoest hij de gouwen van de Quaden, brandt hun dorpen plat en doodt jong en oud

  1.Toen de lente al enigszins gevorderd was,16 vertrok Valentinianus uit Trier en rukte in snelle dagmarsen via bekende wegen op in de richting van het gebied dat hij op het oog had. En toen hij daar aankwam, kwamen hem afgevaardigden van de Sarmaten tegemoet17 die zich aan zijn voeten wierpen en in vredelievende bewoordingen de wens en de hoop uitten dat zijn bezoek een gunstig en bevredigend verloop  mocht hebben, want dat hem zou blijken dat hun stam noch had deelgenomen aan noch weet had gehad van welke misdadige actie ook. 2.Toen zij dit keer op keer bleven betuigen, gaf de keizer hun na rijp beraad ten antwoord dat de bedoelde daden ter plaatse waar ze volgens zeggen waren begaan op grond van duidelijke bewijzen moesten worden onderzocht en bestraft. En toen hij daarna zijn intrek nam in Carnuntum, een stad in de prefectuur van Illyricum die nu grotendeels in puin lag en verlaten was, maar wel juist geschikt voor een bevelhebber om van daaruit, wanneer een gelegenheid of een noodzaak zich voordeed, aanvallen van barbaren uit een nabij gelegen steunpunt in de kiem te smoren. 3.En terwijl iedereen in angstige spanning had verkeerd sinds de mare dat hij in aantocht was zich verspreid had, aangezien men verwachtte dat hij in zijn grote woede direct de bestraffing zou eisen van de bestuurders die nalatig waren geweest of hun post hadden verlaten en zo die flank van Pannonië kwetsbaar hadden gemaakt, deed hij bij zijn komst zo lauw, dat hij zelfs niets hoefde te horen over de moord op koning Gabinius18 en ook geen grondiger onderzoek instelde naar de rauwe wonden die geslagen waren in het corpus van de staat en naar degenen die daar door laksheid of schuldig handelen verantwoordelijk voor waren - het lag inderdaad in zijn aard, lager volk streng te straffen maar vertegenwoordigers van hogere klassen te ontzien, al verdienden ze de felste verwijten. 4.Alleen Probus behandelde hij bijzonder hatelijk, een gewaarschuwd man vanaf het eerste moment dat hij hem had gezien; geen goed woord kon er voor hem af, en daarvoor had hij gegronde redenen. De man bekleedde - en niet voor de eerste keer - de functie van praefectus praetorio en deed er alles aan die zo lang mogelijk te behouden, helaas niet altijd op een fatsoenlijke manier. Want hij zocht het in kruiperigheid in plaats van in waardigheid, zoals hij aan de eer van zijn geslacht verplicht was. 5.Want toen hij zag hoe de keizer het erop aanlegde hoe dan ook en zonder te malen om recht of onrecht aan geld te komen, wees hij de verdwaalde niet de juiste weg (zoals verstandige bestuurders vaak hebben gedaan) maar volgde hij integendeel zijn heer op het slechte pad. 6.Dat bracht zijn onderdanen vaak in ernstige moeilijkheden: desastreuze belastingmaatregelen waarvoor dankzij een langdurige praktijk van uitbuiting de ene reden nog gemakkelijker gevonden werd dan de andere, ondermijnden en vernietigden het bezit van arm en rijk. Tenslotte brachten belastingdruk, steeds hogere heffingen en vrees voor nog erger sommigen uit de aanzienlijkste families er toe de wijk te nemen en werden anderen die, uitgeperst door onverbiddelijke, hardvochtige belastinggaarders, niets meer hadden om te geven, vaste bewoners van gevangenissen, waarvan sommigen, omdat ze het leven en het daglicht niet meer konden verdragen, de strop als enige uitweg zagen. 7.Zoals hardnekkige geruchten wilden, ging het steeds inhaliger, steeds onmenselijker toe, zonder dat Valentinianus daar iets van hoorde, alsof hij zijn oren met was had dichtgestopt. Die was zelf zo bezeten op gewin, onverschillig waaruit, uit de kleinste kleinigheden desnoods, dat hij alleen belangstelling had voor wat hem toeviel - al zou hij misschien Pannonië hebben ontzien als hij eerder van de betreurenswaardige uitbuiting geweten had, waarvan hij te laat op de hoogte kwam door het volgende toeval. 8.Zoals alle burgers uit de provincies, zonden ook die uit de Epirus eens in opdracht van hun prefect een afvaardiging naar de keizer om hem te danken [voor zo’n goede prefect], waarvoor een filosoof, Iphicles genaamd, een man befaamd om zijn karaktervastheid, tegen zijn zin werd uitverkoren. 9.Tot de keizer toegelaten, aan hem voorgesteld en naar de reden van zijn komst gevraagd, gaf hij een Grieks antwoord; en op de meer pertinente vraag van de keizer, of degenen namens wie hij kwam de prefect in hun hart hadden gesloten, zei hij, zoals het een filosoof en een leraar van de waarheid betaamde: ‘zuchtend, en tegen hun zin’. 10.Dat antwoord trof de keizer pijnlijk, en als een speurhond die een wildreuk volgt moest hij nu alles van ’s mans optreden weten en informeerde in zijn eigen taal naar mensen die hij kende: waar ook weer bijvoorbeeld die of die woonde van zo’n naam en faam dat hij al zijn landgenoten in de schaduw stelde, of een ander, die zo rijk was, of nog een ander van hoge stand. En toen hij hoorde dat iemand was opgehangen, iemand anders verbannen was naar overzee, iemand zelfmoord had gepleegd of onder een zweep met loden kogels was bezweken, wond hij zich daar hevig over op, terwijl de magister officiorum Leo zijn woede maar al te graag aanwakkerde omdat hij zelf - o schande! - aasde op de prefectuur, zeker om een nog diepere val te maken! Want als hij die functie gekregen had, zou het volk het leven onder Probus, vergeleken met wat híj zich zou hebben veroorloofd, nog een hemel op aarde hebben gevonden. 11.Zo bracht Valentinianus de volle drie zomermaanden door in Carnuntum [in Illyricum] met het bevoorraden van zijn leger, met de bedoeling, zo daar een goede gelegenheid voor kwam, een expeditie tegen de Quaden te ondernemen die zo’n enorme onrust hadden veroorzaakt. Het was in die stad dat Faustinus, de zoon van de zus van de praefectus praetorio [in Gallië] Viventius, die dienst deed als notarius, na een gerechtelijk onderzoek onder tortuur onder leiding van Probus, onder beulshanden de dood vond. Hij was voor het gerecht gedaagd omdat hij in verband met zwarte kunsten een ezel had gedood, althans dat beweerden zijn aanklagers, want volgens hemzelf had hij dat gedaan om een middel te krijgen tegen haaruitval. 12.En nog iets anders werd tegen hem ingebracht wat niet minder bedreigend was, namelijk dat toen een zekere Nigrinus hem voor de grap om een benoeming tot notarius had gevraagd, hij lachend geroepen zou hebben: ‘Maak mij eerst keizer als je dat wilt!’ Die scherts werd kwaadwillig uitgelegd, en Faustinus zelf, maar ook Nigrinus en anderen werden ter dood gebracht. 13.Merobaudes werd dus samen met de comes Sebastianus met een afdeling infanterie vooruit gestuurd om de gouwen van de barbaren te plunderen en plat te branden, terwijl de keizer zelf zijn kamp verplaatste naar Acincum [Buda], voor een verrassingsactie schepen in de rivier liet samensjorren en met planken liet overbruggen, waarna hij overstak naar een ander deel van het gebied van de Quaden. Die observeerden zijn komst vanaf hoogten waarheen de meesten zich, niet wetend wat ging gebeuren, voor alle zekerheid met hun gezinnen hadden teruggetrokken, en zagen nu tot hun stomme verbazing de keizerlijke standaards verschijnen - het laatste wat ze hadden verwacht. 14.Valentinianus trok snel zoveel verder op als het ging, doodde letterlijk ieder die, verrast door zijn overval, nog aangetroffen werd, stak alle behuizingen in brand en keerde zonder enig verlies terug. Dan, nog altijd in Acincum, liet hij omzien naar een geschikte plaats voor de overwintering aangezien de herfst snel vorderde en in het gebied waar hij zich bevond ’s winters alles bevroor. Maar hij kon niets beters vinden dan Savaria, hoewel ook dat in die dagen weinig te bieden had en herhaaldelijk veel te lijden had gehad. 15.Dus stelde hij een beslissing daarover voorlopig uit, en al werd de situatie precair, vertrok weer, en kwam, de oever van de rivier volgend langs versterkingen, die hij met voldoende manschappen bezette, tenslotte in Bregetio, waar het Lot, dat al sinds lang beschikt had over zijn laatste rust, hem door een reeks voortekenen zijn naderend einde verkondigde. 16.Want maar een paar dagen tevoren nog waren vurige kometen gezien die de dood van hooggeplaatste personen plegen te voorspellen en over het ontstaan waarvan ik eerder verteld heb. Daarvóór was in Sirmium al uit een plotselinge donder van wolken een bliksemschicht geschoten, die een deel van het paleis, van de senaat en van het forum in brand zette. En in Savaria, toen hij zich daar nog bevond, was een oehoe op het dak van het keizerlijk bad beland, waar hij ijselijk bleef zitten krassen, terwijl niemand kans zag hem met pijlen of stenen te raken en neer te halen, al probeerden velen dat om strijd. 17.Ook, toen hij zich uit deze stad naar het leger zou begeven en verkoos door dezelfde poort te vertrekken als waardoor hij gekomen was, om een voorteken te forceren dat hem een spoedige terugkeer naar Gallië zou voorspellen, viel, terwijl die verwaarloosde plek geschoond werd van opgehoopt puin, de met ijzer beslagen poortdeur om, waardoor de uitgang geblokkeerd werd, en zag een hele ploeg mannen met geen mogelijkheid kans die uit de weg te krijgen, zodat hij, wilde hij daar zijn dag niet verdoen, wel genoodzaakt was via een andere poort te vertrekken. 18.En in de nacht vóór de dag die hem de dood zou brengen, had hij een droom - niets bijzonders op zich - waarin hij zijn vrouw thuis zag zitten in rouwkleding, met verwarde haren, of het kon ook zijn geluksgodin geweest zijn in dat sombere gewaad, die hem spoedig ging verlaten. 19.En toen hij daarna ’s morgens enigszins neerslachtig en met een zorgelijk gezicht uitging, weigerde het paard dat hem gebracht werd zich te laten bestijgen en sloeg steigerend zijn voorbenen hoog, wat voor het dier heel ongewoon was, waarop de keizer, van nature onbeheerst, een aanval van woede kreeg en bevel gaf de hand van de paardenknecht, die hem zoals altijd als hij op zijn rijdier sprong ondersteund had, af te hakken. En met de arme jongen, die er niets aan kon doen, zou het akelig zijn afgelopen als de tribunus stabuli Cerealis de gruwelijke daad niet met gevaar voor eigen leven had uitgesteld.        

6. Valentinianus valt woedend uit tegen de gezanten van de Quaden die hun landgenoten proberen te verontschuldigen, en sterft aan een beroerte

  1.Daarna arriveerden gezanten van de Quaden, die onderdanig om vrede kwamen vragen en vergeving voor wat gepasseerd was, en, om des te zekerder genoegdoening te krijgen rekruten beloofden en méér wat de Romeinen welkom zou zijn. 2.Er werd besloten hen te ontvangen en terug te sturen met een akkoord over de gevraagde wapenstilstand. (Trouwens, wegens schaarste aan proviand en het ongunstige jaargetijde was het niet mogelijk nog iets tegen hen te ondernemen.) Op advies van de curator palatii Aequitius werden ze dus in de raadszaal toegelaten, waar ze in een onderdanige houding, bevend van angst, in de gelegenheid gesteld te zeggen wat van hun verlangen was, natuurlijk de gebruikelijke smoezen ophingen, onder ede nog wel, bewerend dat er geen sprake was van een gezamenlijke opzet van de leiders van hun volk achter enig kwaad dat ons was aangedaan, maar dat bepaalde elementen die bij de rivier woonden en met wie zij niets te maken hadden, die vijandige acties hadden ondernomen. Ze voegden daar wel aan toe, zeker denkend dat het gebeurde daarmee genoeg te verontschuldigen was, dat de bouw van een fort, waaraan zonder rechtmatige grond en zonder goede redenen begonnen was, dat primitieve volk kwaad had gemaakt. 3.De keizer kreeg daarop een enorme woedeaanval, en brieste, ziedend van drift toen hij begon te antwoorden, dat dit hele ondankbare volk vergeten was hoe goed hij het behandeld had, maar kalmeerde langzamerhand en werd wat redelijker, tot plotseling, alsof hij door de bliksem was getroffen, zijn adem afgesneden leek, zijn stem stokte en men hem vuurrood zag worden. Zijn hart haperde, doodszweet brak hem uit. IJlings brachten zijn toegesnelde lijfbedienden hem naar zijn privé vertrekken om te voorkomen dat hij voor de ogen van  het gewone volk in elkaar zou zakken. 4.Daar werd hij op een bed gelegd. Hij ademde nog met moeite, maar was goed bij zijn positieven en herkende alle omstanders, die door de kamerdienaren haastig bij elkaar waren geroepen zodat er geen verdenking van moord kon ontstaan. Omdat zijn hele lichaam gloeide alsof het in brand stond, moest nodig een ader worden geopend, maar zo direct waren geen artsen te vinden - die had hij hier en daar heen gestuurd om soldaten te verzorgen die de pest hadden opgelopen. 5.Toen er tenslotte toch een bij de hand bleek en deze bij herhaling een ader prikte, kreeg hij er geen druppel bloed uit, aangezien de keizer van binnen door een grote hitte verzengd was of zijn lichaam, zoals sommigen dachten, verdroogd was doordat sommige bloedbanen (die we nu haemorrhoïdae noemen) verstopt waren geraakt door afgekoelde proppen. 6.Hij voelde hoe de krankheid hem overweldigde en dat de tijd die voor zijn dood bepaald was, gekomen was, en probeerde nog iets te zeggen of een opdracht te geven, zoals men kon begrijpen uit het hijgend zwoegen van zijn borst, terwijl hij tandenknarste en met zijn armen maaide alsof hij bokste. Maar tenslotte begaven hem zijn krachten, verschenen grauwe vlekken op zijn huid en gaf hij na een lange doodsstrijd de laatste snik - dat was in zijn 55e levensjaar19 na een twaalfjarige regering op honderd dagen na.  

7. Valentinianus’ vader. Zijn daden als keizer

  1.Dit is het moment om, zoals ik vaker heb gedaan, in een korte epiloog het leven van deze keizer tot zijn dood nog eens door te lopen, daarbij onderscheid makend tussen zijn tekortkomingen en zijn positieve eigenschappen zoals die tot uiting zijn gekomen in zijn hoge machtspositie, een situatie waarin het eigenlijke karakter van een mens zich bij uitstek openbaart. Maar ik begin bij de geboorte van zijn vader. 2.Zijn vader dus, de oudere Gratianus, was geboortig uit Cibalae, een stad in Pannonië, en van gewone komaf. Al vroeg kreeg hij de bijnaam Funarius [touwverkoper] omdat hij als jongen met touw te koop liep en toen vijf soldaten eens probeerden hem dat met geweld afhandig te maken, geen duimbreed toegaf -  zodat hij wat dat betrof wel op Milo uit Croton 20 leek , want als die, zoals dat kon gebeuren, een appel stevig in zijn hand hield, was het godsonmogelijk hem die af te pakken. 3.Omdat hij dus zo enorm sterk was en een kampioen in het soldatenworstelen, trok hij nogal de aandacht, diende als protector, werd tot tribuun bevorderd en vervolgens als comes belast met het militaire commando in Africa. Daar werd hij echter verdacht van diefstal, verliet de dienst, maar kreeg veel later in dezelfde rang het bevel over het leger in Britannië, waarna hij tenslotte, eervol ontslagen, met pensioen ging. Terwijl hij ver van alle gewoel een rustig leven leidde, werden zijn bezittingen door Constantius verbeurd verklaard omdat hij, toen de burgeroorlog uitbrak, onderdak zou hebben verleend aan Magnentius toen deze, op weg zijn snode plan uit te voeren, zijn landgoed passeerde. 4.Waren zijn vaders verdiensten voor Valentinianus van jongs af een pré, zijn eigen kwaliteiten waren nog een extra aanbeveling, en zo werd hem in Nicea  het keizerlijk gewaad omgelegd. Als collega koos hij zijn broer Valens, met wie hij een sterke band had zowel uit broederlijkheid als uit gelijkgezindheid, want dat was een man met eenzelfde mengeling van heel slechte en goede eigenschappen (waarop ik zal terugkomen wanneer dat aan de orde is). 5.Toen hij nog in het leger diende, had Valentinianus de nodige gevaren te doorstaan en veel tegenslag te verduren. Eenmaal keizer, was Gallië zijn eerste zorg, waar hij de steden en forten langs de rivieren versterkte die blootstonden aan aanvallen van de Alamannen, die des te brutaler optraden sinds ze gehoord hadden van de dood van Julianus, de enige na Constans voor wie ze ontzag hadden gehad. 6.Maar ook Valentinianus boezemde hen ontzag in, en niet zonder reden, want hij vergrootte zijn militaire potentieel aanzienlijk en versterkte de beide Rijnoevers met burchten en forten, zodat geen vijand ergens nog onopgemerkt ons gebied kon binnendringen. 7.Ik zal niet alles ophalen wat hij met zijn autoriteit als geslaagd regeerder heeft bewerkstelligd en welke situaties hij persoonlijk dan wel door zijn energieke legerleiders heeft gered [maar wel dit:] dat hij, na zijn zoon Gratianus tot deelgenoot te hebben gemaakt in zijn keizerschap, heimelijk (want openlijk ging dat niet) Vithicabius, de zoon van Vadomarius, die als jongeman, nog in de bloei van zijn jeugd, koning was over de Alamannen, liet doden omdat deze zijn volk opzweepte tot oorlog, en in een treffen in de buurt van Solicinium [bij Heidelberg], waar hij in een hinderlaag was gelopen en ternauwernood aan de dood ontsnapte, een leger van de Alamannen tot de laatste man had kunnen vernietigen, als er niet een paar van in het duister hadden weten te ontkomen. 8.Terwijl hij hier koelbloedig te werk ging, waren de Saksen, die in hun schrikwekkende razernij overvallen pleegden waar de wind hen heen dreef, de kustgebieden [van Gallië] binnengedrongen en zouden met rijke buit weer zijn vertrokken, als hij ze niet in een  twijfelachtige, maar effectieve actie had vernietigd en de verpletterde rovers hun plunder had afgenomen. 9.Ook, toen de Britten de horden vijanden die over hen heen vielen niet aankonden, gaf hij hun hoop op een betere toekomst door hen te bevrijden en de vrede te herstellen, terwijl het haast geen plunderaar gegund werd zijn land terug te zien. 10.Even effectief vernietigde hij ook bijtijds Valentinus, de banneling uit Pannonië die de orde in Britannië probeerde te verstoren. Daarna redde hij Africa uit een gevaarlijke situatie, toen die provincie onverwachts door groot onheil werd getroffen: toen Firmus namelijk, die de arrogantie van het inhalige soldatendom niet langer verdroeg, de Moorse stammen had opgeruid die voor verzet tegen het gezag altijd te vinden zijn. Even vastberaden zou hij de betreurenswaardige rampen die Illyricum troffen, gewroken hebben als de dood hem niet verhinderd had de aanpak van dat ernstige probleem te voltooien. 11.En hoewel dit alles wat ik heb opgesomd het werk is geweest van zijn geweldige generaals, is het een voldoende bewezen feit, dat hij ook zelf, gezegend als hij was met een gezond verstand en gehard door een jarenlange ervaring te velde, het nodige op zijn naam heeft gebracht, al was het nog schitterender geweest als hij destijds de gevreesde koning Macrianus levend in handen had weten te krijgen, wat hij uit alle macht probeerde nadat hij tot zijn grote spijt had moeten horen dat deze aan de Burgundiërs was ontsnapt die hij zelf tegen de Alamannen had opgezet.  

8. Zijn wreedheid, hebzucht, nijd en vreesachtigheid  

1.Aldus een korte beschouwing van Valentinianus’ daden. Ervan uitgaande dat komende generaties, niet gehinderd door vrees, niet genoopt tot minderwaardige vleierij, een onbevangen oordeel zullen vellen over het verleden, zal ik een bondige opsomming geven van zijn slechte eigenschappen, gevolgd door een beschouwing van zijn goede hoedanigheden. 2.Soms deed hij zich voor als een vriendelijk man, hoewel hij, heethoofdig van nature, meer geneigd was tot hardheid, want kennelijk vergat hij dat een heerser elke overmaat als een steile afgrond moet mijden. 3.Zo was hij nooit tevreden met een milde bestraffing maar eiste voortdurend steeds meer ondervragingen onder bloedige foltering, zodat menigeen tijdens wrede verhoren op de pijnbank dreigde te bezwijken. Zo mateloos kwaadaardig was de man dat hij nooit een veroordeelde de doodstraf bespaarde als hem een uitvoeringsbesluit ter ondertekening werd voorgelegd, hoewel zelfs de wreedste keizers dat soms wel hebben gedaan. 4.Toch had hij veel gevallen uit onze eigen geschiedenis en die van andere volken als voorbeeld kunnen nemen van menselijkheid en goedheid - door de filosofen ‘zusters in de deugd’ genoemd. Ik zal mij ertoe beperken daarvan de volgende aan te halen. De machtige koning der Perzen Artaxerxes, die vanwege één langere arm de [Griekse] bijnaam Macrochir kreeg, was van nature zo goedig dat hij verschillende straffen die bij dat volk lang in zwang waren geweest veranderde, bijvoorbeeld door van sommige veroordeelden de tiara te laten afslaan in plaats van het hoofd, of de franjes van hun bontmuts te laten afsnijden in plaats van hun oren zoals de koningen dat in verband met verschillende misdrijven plachten te doen. Deze menselijke karaktertrek won hem zoveel sympathie en respect dat hij met de steun van al zijn onderdanen in staat was de vele bewonderenswaardige dingen te doen die door Griekse schrijvers geprezen zijn. 5.In een van de oorlogen met de Samnieten was een generaal uit Praeneste bevolen zich direct bij het leger te voegen, maar had daarmee geen haast gemaakt. Gesommeerd zich voor dit ernstige verzuim te verantwoorden, verscheen hij voor de toenmalige dictator Papirius Cursor, die een lictor het teken gaf zijn bijl [uit zijn roedenbundel] te halen, en terwijl de dodelijk verschrikte man alle hoop verloor zich nog te kunnen verdedigen, beval daarmee een boompje om te hakken dat er stond. Door de schuldige op die, laten we zeggen geestige manier te straffen en te laten gaan, verloor hij geenszins zijn prestige; in deze lange, zware oorlogen van onze vaderen behaalde hij tal van overwinningen en werd zelfs gedacht de enige te zijn die het tegen Alexander de Grote had kunnen opnemen als deze Italië zou zijn binnengevallen. 6.Valentinianus, die van dit alles misschien niets wist en zich niet realiseerde dat lankmoedigheid van keizers verlichting brengt in donkere dagen, bekrachtigde juist steeds meer veroordelingen tot vuur en zwaard -  het allerlaatste wat een goed mens bij zijn verstand in een moeilijke situatie doet, zoals Isocrates het zo treffend zegt in een onsterfelijke passage, luidend dat een vorst die [met ere] een strijd verliest, eerder consideratie verdient dan een vorst die niet weet wat eer is.21 7.Ik denk dat Cicero naar aanleiding daarvan in zijn verdediging van Oppius22 de prachtige uitspraak deed: ‘Veel te kunnen doen voor iemand in nood heeft velen tot eer gestrekt; te weinig te kunnen doen voor iemand in nood nooit iemand tot oneer’. 8.De zucht tot zelfverrijking ongeacht met welke middelen, de begeerte naar bezit ten koste van het levensgeluk van anderen, werd in hem steeds sterker en beheerste hem tenslotte geheel. Dezen en genen hebben hem daarvoor wel willen excuseren door te verwijzen naar het voorbeeld van keizer Aurelius, die zich na de regering van Gallienus en de rampen die de staat hadden getroffen met als gevolg een lege schatkist, als een bergstroom op de rijken wierp. Zo zou ook Valentinianus vanwege de kosten van [Julianus’] expeditie tegen de Perzen behoefte hebben gehad aan kapitaal om zijn troepen te betalen en op sterkte te brengen, maar was hij in zijn streven een groot vermogen op te bouwen onbarmhartig te werk gegaan - alsof hij niet wist dat men sommige dingen niet doet zelfs als men de macht daartoe heeft. In dit opzicht leek hij niet op de fameuze Themistocles, want toen deze na de slag tegen de Perzen en de vernietiging van hun leger wat rondliep en gouden armbanden en een halsketting op de grond zag liggen, zei hij tegen iemand in zijn gezelschap: ‘raap op, je bent Themistocles niet’, want hij vond hebzucht beneden de waardigheid van een groot veldheer. 9.Zulke voorbeelden van zelfbeheersing zijn in overvloed ook te geven als het om Romeinse legerleiders gaat. Daaraan wil ik hier voorbij gaan omdat ze niet per se een teken zijn van morele perfectie (immers dat iemand zich niet aan andermans goed vergrijpt is geen reden hem te loven), maar zal aan één typisch geval (onder vele andere) illustreren hoe rechtschapen het gewone volk oudtijds is geweest: toen Marius en Cinna aan de Romeinse plebs toestonden de luxueuze woningen van vogelvrij verklaarden te plunderen,23 spaarde het volk - het mocht dan ruw en onbeschaafd zijn, maar het was humaan van nature - datgene wat door anderen met noeste arbeid was opgebouwd, zodat niet de armste arme duvel het zich veroorloofde, hoewel het mocht, munt te slaan uit de ellende van de samenleving. 10.Bovendien werd hij diep in zijn binnenste verteerd door afgunst en, wetend dat de meeste ondeugden zich plegen te vermommen als deugden, zei hij vaak dat absolute jaloezie een onafscheidelijke gezellin is van rechtmatige macht. En aangezien hooggeplaatsten gewoonlijk menen dat zij overal boven staan, komen ze er gemakkelijk toe degenen die hen tegenspreken te wantrouwen, en die in enig opzicht superieur zijn uit de weg te ruimen, en haatte hij, Valentinianus, zelfs anderen erom, beter gekleed te gaan, geleerd te zijn of rijk of van goede familie, en kleineerde hij de moed van anderen om maar de schijn te wekken dat hij alleen in alles uitmuntte - een ondeugd die, zoals we kunnen lezen, ook het karakter van keizer Hadrianus ontsierd heeft.11.Deze zelfde keizer had aan de andere kant een grote hekel aan gebrek aan durf. Angsthazen schold hij voor vuilakken en smeerlappen die thuishoorden bij het uitschot van de mensheid; en toch verbleekte hij zelf soms op een belachelijke manier als hij zonder reden van iets schrok en was hij diep in zijn hart bang voor spookbeelden. 12.De magister officiorum Remigius, die dat wel wist, liet zich dan ook soms, wanneer hij merkte dat de keizer zich over iets begon op te winden, opzettelijk het een of ander ontvallen, bijvoorbeeld over een nieuwe dreiging van de kant van de barbaren, want als Valentinianus zoiets hoorde, werd hij van schrik op slag zo mak als een lam en zo rustig als Pius Antoninus zelf. 13.Hij benoemde nooit met opzet hardvochtige lieden tot rechters, maar als hem ter ore kwam dat wie hij eenmaal had benoemd, hard optrad, pochte hij wel dat hij er goed in slaagde mannen te vinden als een Lycurgus en een Cassius, die oude steunpilaren van het recht, en spoorde hij hen vaak in brieven aan ook lichte vergrijpen zo streng  mogelijk te straffen 14.Wie in moeilijkheden verkeerde, door ongeluk getroffen was, vond geen gehoor bij een begripvolle keizer, van oudsher als het ware een veilige haven, waarnaar ze als schepelingen in een storm op zee konden uitkijken. Want een goede regering, zo leren de filosofen, moet toch tot nut en welzijn strekken van de onderdanen.

  9. Zijn goede eigenschappen

  1.Na deze beschouwing wil ik bezien wat in Valentinianus prijzenswaardig was en goedwillenden tot voorbeeld kan dienen. Had hij het overige daarmee maar in overeenstemming gebracht: hij zou geleefd hebben als een Trajanus of een Marcus [Aurelius]. Met de provinciebewoners had hij veel consideratie en verlichtte hun lasten zoveel hij kon. Hij stichtte steden en versterkte de grenslinies waar en wanneer dat aan de orde was. Hij hield streng de hand aan de militaire discipline, zij het dat hij wel zelfs geringe vergrijpen van de gewone soldaat strafte maar misstanden in de hogere rangen steeds meer uit de hand liet lopen en klachten daarover dikwijls negeerde, met als resultaat onrust in Britannië, rampen in Africa en de verwoesting van Illyricum.2.Zowel thuis als te velde gedroeg hij zich in zedelijk opzicht onberispelijk; nooit bezoedelde hij zich door wellustige gevoelens of ontuchtige gedragingen. Daarom beteugelde hij ook met vaste hand elke frivoliteit aan het hof, wat hij gemakkelijk kon omdat hij tegenover zijn eigen familieleden niet toegeeflijk was; hij gaf hun óf geen functies óf onbelangrijke posten, behalve dan aan zijn broer, die hij, door omstandigheden gedwongen, liet delen in zijn hoge ambt. 3.Hij was zeer gewetensvol in het verlenen van belangrijke posities; tijdens zijn bewind bestuurde geen geldhandelaar een provincie en was geen ambt ooit te koop, behalve toen hij nog maar pas aan de macht was - een situatie waarin vaak door de drukte straffeloos allerlei onoorbaars gebeurt. 4.Gehard in de hitte en het gewoel van het slagveld, voerde hij aanvals- en verdedigingsoorlogen met grote bekwaamheid en tactisch overleg. Hij was een verstandige raadgever in goede en slechte zaken en een kritische beoordelaar van de militaire organisatie. Hij had een sierlijk handschrift, kon goed schilderen en boetseren en was inventief op wapenkundig gebied. Hij had een sterk geheugen, een levendige manier van spreken, bijna grenzend aan welsprekendheid (al was hij meestal zwijgzaam), hield van netheid en kon genieten van welvoorziene, maar niet overdreven luxueuze maaltijden. 5.Tenslotte werd zijn bewind gekenmerkt door tolerantie en onpartijdigheid in godsdienstige aangelegenheden: hij viel op dat gebied niemand lastig en drong niemand iets op. Met geen sancties of verboden dwong hij zijn onderdanen zich te voegen naar zijn eigen godsdienstige overtuigingen, integendeel liet hij alles gaan zoals hij het aantrof. 6.Hij was sterk en gespierd; zijn haar had glans; zijn gezicht had een gezonde kleur. De blik van zijn grijze ogen was streng en altijd enigszins afgewend. Hij was goed geproportioneerd van gestalte en ledematen, wat resulteerde in een indrukwekkende, majesteitelijke verschijning.  

10. Valentinianus, de jongste zoon van keizer Valentinianus, wordt in het kamp bij Bregetio uitgeroepen tot Augustus

1.Nadat de keizer plechtig nog eenmaal bij zijn naam was geroepen,24 werd zijn stoffelijk overschot voorbereid op de begrafenis, waarvoor het naar Constantinopel zou worden overgebracht om naast de gebeenten van de vergoddelijkte keizers te worden bijgezet. Intussen werd de voorgenomen expeditie opgeschort en heerste een gespannen onzekerheid over de reacties van de troepen in Gallië, die niet altijd loyaal waren waar het de rechtmatige keizers betrof en zichzelf een stem in de opvolging aanmatigden, dus zouden kunnen revolteren. (Trouwens, de kans hierop werd nog vergroot door de omstandigheid dat Gratianus zich nog in Trier bevond, waar zijn vader hem vóór zijn vertrek ten oorlog had ondergebracht, en van het gebeurde nog niets wist. 2.In die kritieke situatie, toen allen hun hart vasthielden en ze samen misschien als het ware in dezelfde schuit dezelfde gevaren zouden hebben te trotseren, werd op advies van de hogere legerleiding besloten de brug die gebouwd moest worden in verband met de komende inval in vijandelijk gebied weer af te breken en Merobaudes met spoed, zogenaamd op bevel van Valentinianus (alsof hij nog leefde) terug te roepen. 3.Dit was een scherpzinnig man, die ofwel raadde wat gebeurd was, ofwel dat begrepen had van de boodschapper die hem de oproep bezorgde, maar in elk geval, rekening houdend met de mogelijkheid dat de Gallische troepen hun verplichtingen zouden opgeven, deed alsof hij opdracht had mee te komen met de boodschapper om de bewaking van de Rijnoevers op zich te nemen waar de barbaren weer onrustig werden. Sebastianus, die van het overlijden van de keizer nog niets wist, zond hij overeenkomstig een geheime instructie verder weg, want wel was dat een bedaard en evenwichtig man, maar zeer gezien bij het soldatenvolk en onder de omstandigheden niet te vertrouwen. 4.Na de terugkeer van Merobaudes dus, werd de ontstane situatie van alle kanten besproken, met als conclusie dat men de zoon van de overleden keizer, het vierjarige kind Valentinianus, zou laten ophalen van het landgoed Murocincta, honderd mijl ver weg, waar hij verbleef met zijn moeder Justina, om hem deelgenoot in de regering te maken. 5.Allen stemden daarmee in en Cerealis, een oom van de jongen, werd daarheen gestuurd. Deze zette hem in een draagstoel en bracht hem naar het legerkamp, waar hij zes dagen na het overlijden van zijn vader officieel tot keizer werd benoemd en plechtig als Augustus werd begroet. 6.En hoewel men er al die tijd rekening mee hield dat Gratianus het kwalijk zou nemen dat naast hem zonder zijn toestemming nóg een keizer werd benoemd, bleek de vrees daarvoor later geleidelijk aan ongegrond en ademde men opgelucht op, aangezien Gratianus, behalve dat hij een goedig en mild mens was, veel van zijn broer hield en zorgde voor een goede opvoeding.

Noten

1.De zoon van Arsaces. Zie boek xxvii,12,9,14. retour

 

2.Circe, legendarische tovenares. Zij kon o.a. mensen in dieren veranderen (veranderde bijvoorbeeld enkele kameraden van Odysseus in zwijnen). retour

 

3.Een Germaanse lijfwacht. retour

 

4.Fabricius Luscinus was consul in 278 vC. Hij bestreed met succes Pyrrhus, de koning van Epirus, die tussen 281 en 275 in Zuid-Italië tegen Rome opereerde. retour

 

5. Sertorius, 122-72 vC, Romeinse veldheer, vormde een tegenregering in Spanje. Hij werd door zijn voormalige medestander Perperna tijdens een maaltijd gedood. retour

 

6.Zie boek xxvii,12,16. retour

 

7.Zie boek xxviii,6,25. retour

 

8.Zie boek xxviii,6,8 en xxix,5,2. retour

 

9.Zie boek xxviii,1,5vv. retour

 

10.Zie boek xxix,6,6,8. retour

 

11.Een overigens van Cicero onbekende uitspraak. retour

 

12.Idem. retour

 

13.Evander, spreekwoordelijk voor iemand van heel vroeger. Geestig wordt (oorspronkelijk door Gellenius) verwezen naar iemand die zelfs nog ouder was dan Evander: zijn moeder. retour

 

14.Figuur in Homerus, Ilias. Zie Ilias, II,211vv. retour

 

15.Gaius Gracchus,154-121, Romeinse politicus, volkstribuun, groot redenaar, liet, als hij het volk toesprak een fluitspeler achter zich de juiste toonhoogte aangeven. retour

 

16.Ammianus vervolgt de geschiedenis van eind 3. retour

 

17.Zie boek xxvi,4,5 en xxix,6,15. retour

 

18.Zie boek xxix,6,5. retour

 

19.Op 18 november 375. retour

 

20.Befaamde atleet uit de 6e eeuw vC. retour

 

21.Een wat gezochte verwijzing. Isocrates zegt feitelijk: ‘Ik verbaas me erover dat niemand een oneervolle overwinning schandelijker vindt dan een eervolle nederlaag.’ (Panathenaicus 185). retour

 

22.Deze rede van Cicero is niet bewaard gebleven. retour

 

23.in 87 vC als wraak op de aristocratische aanhangers van Sulla. retour

24.De rituele conclamatio om definitief de dood te constateren. retour