BOEK
XXX
1.
De koning der Armeniërs, Papa, wordt
door Valens ontboden, maar in
Thyrsus zogenaamd als eregast feitelijk gevangen gehouden. Hij
ontvlucht met
driehonderd landgenoten, weet wegblokkades te ontwijken en keert te
paard naar zijn land terug. Niet lang daarna wordt hij tijdens een
gastmaal door de dux Trajanus vermoord
1.Terwijl
[in het land der Quaden] de laffe moord op koning [Gabinius] door generaal [Marcellianus]
grote opschudding veroorzaakte, vond ook in de Oriënt een afschuwelijke
misdaad plaats, waar Papa,1 de koning der Armeniërs, het
slachtoffer werd van een sluw beraamde aanslag. De achtergrond van deze met
voorbedachten rade uitgevoerde misdaad was, zover ik heb kunnen vaststellen,
het volgende. 2.Bepaalde sluwe figuren die zich vaker verrijkt hadden ten
koste van de samenleving, bewerkten Valens met allerlei onzinnige en
overdreven laster over deze nog jonge koning. Een van hen was de dux
Terentius, een man met een treurig gezicht die een slome indruk maakte, maar
eeuwige intrigeerde en onrust stookte. 3.Samenspannend met enkele gentiles,
die wegens misstappen straf vreesden, zond hij de ene nota na de andere aan
het hof, telkens weer over de dood van Cylaces en Arrabannes, waaraan hij
toevoegde dat de jonge koning in zijn overmoed volgens hem tot gevaarlijke
daden in staat was en zijn onderdanen onmenselijk wreed onderdrukte. 4.Als
gevolg daarvan werd Papa onder het voorwendsel dat zijn deelname gewenst was
aan een overleg over dringende aangelegenheden, met alle eer die hem als
koning verschuldigd was, naar het hof genodigd. Echter, in Tarsus in Cilicië
werd hij, zogenaamd als eregast, onder bewaking vastgehouden, en toen hij noch
tot de keizer toegelaten werd, noch de reden voor de dringende uitnodiging
gewaar kon worden aangezien niemand hem daarover iets zei, kwam hij tenslotte
van een niet bekende zegsman te weten dat Terentius de keizer in brieven
adviseerde direct een andere koning over Armenië aan te stellen om te
voorkomen dat het ons welgezinde volk uit haat jegens Papa vóór zijn
terugkeer de partij van de Perzen zou kiezen, die erop gebrand waren Armenië
hoe dan ook , met geweld, bedreigingen of goede woorden, aan hun kant te
krijgen. 5.Hoe de koning het ook
wendde of keerde, hij voorzag dat dit slecht voor hem ging aflopen. Dus, er
eenmaal van overtuigd dat sprake was van een complot en dat zijn enige kans op
redding gelegen was in een snelle vlucht, verzamelde hij op advies van
vertrouwelingen de driehonderd begeleiders die uit Armenië met hem waren
meegekomen, en te paard, tegen het eind van een middag, stoof de troep, het
zekere voor het onzekere nemend, zoals dat gaat in uiterste nood, de stad uit
en weg. 6.De gouverneur van de provincie, gealarmeerd door de wacht bij de
stadspoort, zette Papa na, haalde hem in het buitengebied in en bezwoer hem te
blijven, maar keerde toen dat niets uithaalde terug, vrezend voor zijn leven.
7.Nog sterker: toen een troep soldaten de koning kort daarop najoeg en binnen
schootsafstand kwam, keerde hij om, viel zelf met zijn dapperste mannen aan,
liet het pijlen regenen als vonken (maar bewust niet gericht) en dwong zijn
belagers met hun tribuun in paniek tot de aftocht - die verdwenen nog sneller
achter de muren dan ze gekomen waren. 8.Geen gevaar meer duchtend, reed hij
vervolgens twee uitputtende dagen en nachten door tot hij de oevers van de
Euphraat bereikte. Maar zonder boten kon hij de ondoorwaadbare, kolkende
rivier niet over, zodat veel van zijn mannen, die de zwemkunst niet meester
waren, daarvoor terugschrokken en hij vooral zelf niet kon besluiten wat te
doen. En hij was daar vast komen te zitten als hij in die hopeloze situatie,
terwijl allerlei oplossingen bedacht werden, niet op het volgende reddende
idee was gekomen. 9.Rustbanken die ze in boerderijen vonden, bonden ze op
telkens twee opgeblazen wijnzakken, waarvan er in de wijngaarden in de buurt
meer dan genoeg voorhanden waren, op elk waarvan een van de edelen in het
gezelschap en de koning zelf, zittend, met hun paard aan de teugel, in een
schuine lijn voor de golven van de snelstromende rivier uit, na uiterst
hachelijke momenten de overkant konden bereiken. 10.De overigen klemden zich
vast aan hun zwemmende paarden, verdwenen soms onder water, een speelbal van
de kolkende stroom, maar werden uitgeput en doorweekt na duizend angsten ook
op de andere oever geworpen, waar ze wat konden bekomen vóór ze hun rit
voortzetten, in een opgewektere stemming dan in de voorbije dagen. 11.Toen
de keizer de vlucht van de koning gemeld werd, maakte hij zich grote zorgen,
want hij voorzag dat deze, aan de valstrik ontkomen, nu wel zijn trouw zou
opzeggen. Dus stuurde hij de comes
Danielus en de tribuun der Scutarii Barzimeres met duizend licht gewapende
boogschutters eropuit om hem terug te roepen. 12.Zelf op vertrouwd terrein en
gebruik makend van korte doorsteken door de dalen, zagen die kans de koning vóór
te komen, die zich wel voorthaastte, maar vreemd en onbekend in dat gebied
telkens omwegen maakte en in kringen reed. Eenmaal zover, splitsten ze zich in
twee afdelingen en blokkeerden de twee meest voor de hand liggende wegen, die
drie mijl van elkaar af lagen, om de koning, welke van beide hij ook zou
kiezen, te onderscheppen. Maar dat plan mislukte door puur toeval: 13.Een
reiziger namelijk die op weg was naar de westelijke oever van de rivier [de
Euphraat], zag in het glooiende terrein al die gewapende soldaten en nam, om
ze te vermijden, een smaller, met struiken en doornbossen overgroeid pad
tussen beide wegen door, stuitte toen op de vermoeide Armeniërs, en, voor de
koning gebracht, vertelde hem onder vier ogen wat hij had gezien. Hij werd
daarop vastgehouden, maar goed behandeld. 14.De koning deed nu alsof er niets
aan de hand was en zond zonder dat iemand het merkte een ruiter de weg rechts
op met de opdracht onderdak en avondeten te regelen; maar toen deze goed en
wel op weg was, een andere ruiter, die van de eerste niet wist, snel de weg
links op met dezelfde boodschap. 15.Toen dit zo slim geregeld was, zocht de
reiziger met Papa en zijn gezelschap achter zich aan, de weg terug die hij
gekomen was door het struikgewas en wees het geitenpad, dat inderdaad ruig was
en zelfs te smal voor een beladen pakpaard, waarover de koning dus langs de
soldaten heen ontkwam. Die namen de ruiters gevangen die waren uitgestuurd om
hen te misleiden, en verwachtten toen niet anders dan dat de koning hen als
jachtbuit recht in de armen zou lopen. Ze konden lang wachten, want hij nam
gezond en wel weer bezit van zijn koninkrijk, met uitbundige vreugde ontvangen
door zijn onderdanen, waarna hij onwankelbaar trouw bleef [aan de Romeinse
zaak], de beledigende behandelingen die hij had ondergaan in stilte
verkroppend 16.Toen Danielus en Barzimeres zich daarna beteuterd terug
meldden, werden ze overladen met verwijten en voor domkoppen en nietsnutten
uitgemaakt, zodat ze als gifslangen die bij een eerste aanval hun giftand
hadden bot gebeten, hun dodelijke wapen scherpten om zich bij de eerste
gelegenheid te kunnen wreken op de man die hun ontsnapt was. 17.En om de
vernedering, de schande van in slimheid te zijn overtroefd te verdoezelen,
bestookten ze de oren van de keizer (voor geruchten zeer ontvankelijk) met
lasterpraat over Papa, zoals, dat hij in staat was met toverspreuken (als
Circe2) op een wonderlijke manier lichamen te veranderen en te doen
verdwijnen, dus dat hij zich door zulke kunsten in een nevel had gehuld, zijn
gestalte en die van zijn begeleiders veranderd had en hen zo gepasseerd was -
en als hij met die onzin zou wegkomen, nog grote onrust zou veroorzaken.
18.Dit verhevigde nog de diepe haat van de
keizer jegens Papa, zodat dagelijks plannen werden gesmeed om hem op een
listige of gewelddadige manier uit de weg te ruimen, met de uitvoering waarvan
Trajanus, die toen als bevelhebber in Armenië was gestationeerd, via geheime
missiven belast werd. 19.Deze palmde de koning met sluwe vleierijen voor zich
in, liet hem brieven van Valens zien waaruit diens vriendelijke houding moest
blijken, liet zich nu en dan voor een gastmaal uitnodigen en nodigde hem
tenslotte zelf, toen het complot compleet was, met verschuldigde eerbied uit
voor een maaltijd. Geen kwaad vermoedend, gaf de koning daaraan gehoor en
zette zich op de hem geboden ereplaats aan tafel. 20.Toen allerlei
heerlijkheden waren opgediend en in de grote zaal feestelijk snarenspel,
gezang en blaasmuziek klonk, verwijderde zich de gastheer, al stevig dronken,
zogenaamd om gehoor te geven aan een natuurlijke aandrang, maar stuurde een
bruut van een barbaar, zo’n scurra,3
naar binnen, die met woest rollende ogen en zwaaiend met zijn zwaard recht op
de jonge koning af stormde, die onmogelijk kon ontsnappen. 21.Terwijl deze
zich juist in zijn zetel voorover boog, zag hij hem komen, greep meteen zijn
dolk en sprong op om zijn leven tot elke prijs te verdedigen, maar werd in de
borst geraakt en viel, door houw op houw gruwelijk verminkt, als een offerdier
neer. 22.Zo werd goed vertrouwen schandelijk beschaamd en spatte tijdens een
feestmaal, een gelegenheid die zelfs aan de Pontus Euxinos geëerbiedigd dient
te worden, onder het oog van de god van de gastvrijheid bloed van een
vreemdeling over het prachtige tafellinnen. Die bloederigheid was te gruwelijk
voor de andere gasten, die ontsteld uiteenstoven. Als doden nog verdriet
konden hebben, zou de bekende Fabricius Luscinus deze drieste daad betreuren,
zich herinnerend hoe principieel hijzelf in een vertrouwelijk gesprek het
aanbod van Demochares, of (zoals sommigen schrijven) van Nicias, een
tafeldienaar van koning Pyrrhus afwees, die zei bereid te zijn de koning, die
destijds in een rampzalige oorlog Italië platbrandde, te doden door vergif in
zijn drinkbekers te doen; Fabricius waarschuwde de koning zelfs per brief,
zich voor zijn persoonlijke bedienden in acht te nemen.4 Zo’n
gerespecteerde plaats nam in het oude rechtsgevoel een feestmaal in, zelfs aan
de tafel van een vijand. 23.Weliswaar werd door sommigen de
ongehoorde en schandelijke daad vergoelijkt met een verwijzing naar de moord
op Sertorius,5 maar deze vleiers wisten zeker niet dat (zoals
Demosthenes, voor eeuwig de trots van Griekenland, verzekerd heeft) geen daad
die bewezen tegen de wet is, acceptabel wordt vanwege een andere daad die van
dezelfde aard of onbestraft gebleven is.
2.
Keizer Valens en Sapor, de koning der
Perzen, betwisten elkaar via gezanten de macht over Armenië en Hiberië
1.Dit
waren opmerkelijke gebeurtenissen die zich in Armenië afspeelden. Sapor,
vervolgens, die gefrustreerd na het echec van zijn troepen en het bericht van
de moord op Papa, die hij met zoveel moeite aan zijn kant had proberen te
krijgen, steeds meer bezorgd raakte over de acties van ons leger, gooide het
nu over een andere boeg (2.) en zond Arraces als gezant naar de keizer met het
ernstige advies Armenië, die voortdurende bron van ellende, definitief op te
geven of, als hij dat niet kon accepteren, akkoord te gaan met een
alternatief, namelijk de tweedeling van Hiberië ongedaan te maken, de
bezetting uit het Romeinse deel terug te trekken en het bestuur over te laten
aan Aspacures, die door hem, Sapor, over
die natie als vorst was aangesteld. 3.Daarop antwoordde Valens dat hij niets
wenste af te doen aan wat bilateraal was overeengekomen en bekrachtigd en daar
absoluut en letterlijk aan wenste vast te houden. De reactie op deze
majesteitelijke uitspraak was een brief van de koning die tegen het eind van
de winter arriveerde met niets anders dan arrogante onzin, hierop neerkomend
dat het bestaande conflict niet radicaal en definitief kon worden opgelost dan
met medewerking van al degenen die bij de verdragsluiting met Jovianus als
getuigen waren opgetreden, waarvan sommigen (zoals hij wist) niet meer in
leven waren. 4.Dit maakte het er voor de keizer niet eenvoudiger op, en
aangezien hij een man was die liever een keus maakte uit verschillende plannen
dan er zelf een te bedenken, achtte hij het ’t beste de magister equitum Victor en
de dux van Mesopotamië, Urbicius,
naar Perzië te sturen met het besliste en ondubbelzinnige antwoord dat de
koning, die naar eigen zeggen zo rechtvaardig was en zo tevreden met wat hij
bezat, een grote fout beging met Armenië te willen inpalmen, waarvan het volk
het recht had over zijn eigen lot te beslissen, en dat als de troepen die aan
Sauromaces ter beschikking waren gesteld,6 aan het begin van het
volgende jaar (zoals overeengekomen) niet ongehinderd zouden terugkeren, de
koning wel zou worden gedwongen tot wat hij niet vrijwillig wenste te doen.
5.De gezanten voerden hun missie correct en vrijmoedig uit, behalve dan dat ze
op één punt een fout maakten, namelijk zonder bekomen opdracht akkoord
gingen met de overname van enkele kleinere gebieden in Armenië die zichzelf
aan hen aanboden. Na hun terugkeer kwam de Surena, de machtigste man na de
koning, deze zelfde gebieden, die onze gezanten zo onverantwoordelijk hadden
geaccepteerd, officieel aan de keizer aanbieden. 6.Hij werd hoffelijk en in
grote stijl ontvangen, maar werd [wat zijn eisen betrof] met lege handen
teruggestuurd, waarna uitgebreide voorbereidingen werden getroffen voor
oorlog, want de keizer was van plan, zodra de winter ten einde liep, met drie
legers Perzië binnen te vallen, waarvoor hij ook zo snel mogelijk Scythische
huurlingen wierf. 7.Wat Sapor tegen beter weten in gehoopt had, had hij dus
niet bereikt en, extra geprikkeld door berichten over de
oorlogsvoorbereidingen van onze keizer, trotseerde hij deze verder door de
Surena opdracht te geven om goedschiks of kwaadschiks de gebieden die Victor
en Urbicius hadden overgenomen, weer in bezit te nemen en het de hulptroepen
die Sauromaces ter beschikking waren gesteld, zo moeilijk mogelijk te maken.
8.Dit werd volgens bevel direct ten uitvoer gebracht en kon door ons noch
voorkomen noch gewroken worden, omdat de Romeinse staat bevangen werd van een
andere schrik: een massale, onhoudbare invasie van Goten in Thracië. Over
deze ramp zal ik afzonderlijk verhalen wanneer ik daaraan toekom. 9.Het
voorgaande speelde zich dus af in de oostelijke gebieden. In diezelfde dagen
werd de ongelukkige gebeurtenissen in Africa en de schimmen van de gezanten
van Tripolis,7 die nog steeds ongewroken ronddoolden, recht gedaan
door de eeuwige macht van de godin Justitia, de wreekster die oordeelt over
recht en onrecht, soms lang wacht, maar altijd stipt is. 10.Nadat Remigius,
die, zoals ik verteld heb, de comes
Romanus8 dekte toen deze de provincies plunderde, als magister officiorum was opgevolgd door Leo, trok hij zich als
ambteloos burger terug in zijn geboorteplaats bij Mogontiacum [Mayence], waar hij zich wijdde aan het beheer
van zijn landgoederen. 11.Hij was zich daar van geen dreiging bewust, maar
intussen bedacht de praefectus praetorio
Maximinus,9 die geen ontzag meer voor hem had sinds hij in ruste
was en het trouwens niet laten kon als een rat in allerlei zaken te wroeten,
hoe hij hem nog zou kunnen treffen. Om een en ander wat nog geheim gebleven
was te weten te komen, liet hij Caesarius, een voormalige ondergeschikte van
Remigius en latere notarius van de
keizer, arresteren om onder foltering uit hem te krijgen wat Remigius had
gedaan en hoeveel hij voor zijn medewerking aan de schurkerijen van Romanus
had ontvangen. 12.Toen Remigius (die, zoals gezegd, teruggetrokken leefde)
hiervan vernam, deed hij zich, gekweld door een slecht geweten of radeloos van
angst voor valse beschuldigingen een strop om de nek en kwam zo aan zijn eind.
3. Keizer Valentinianus verwoest enkele gouwen van de Alamannen, verstaat zich met hun koning Macrianus en sluit vrede
1.In
het jaar volgend op deze gebeurtenissen [374] werd Gratianus tot consul
gekozen met als collega Aequitius.
Valentinianus nu, die verschillende gouwen van de Alamannen had verwoest en
doende was met de bouw van een vesting in de buurt van Basilia [Basel], door
de bewoners daar Rabur genoemd, ontving van de prefect Probus een rapport over
de rampzalige acties [van de Quaden10] in Illyricum. 2.Zoals het
een bedachtzaam bevelhebber betaamt, nam hij daar goede notie van en gaf,
verontrust over wat hij las, de notarius Paternianus opdracht de kwestie grondig te onderzoeken. En
toen hij van hem een getrouw verslag van de gebeurtenissen
had ontvangen, rustte hij zonder uitstel een expeditie uit om de
barbaren die het gewaagd hadden onze grenzen te schenden - zoals hij het zich
voorstelde - meteen onder wapengekletter te verpletteren. 3. Maar omdat de
herfst al ten einde liep, dreigden nogal wat moeilijkheden op die weg, zodat
hoge adviseurs aan het hof hem met kracht van argumenten bezwoeren eerst de
lente af te wachten. In de eerste plaats betoogden ze dat de wegen bevroren en
onbegaanbaar waren en er geen gras voor de dieren of wat dan ook voor het
leger te vinden zou zijn. In de tweede plaats wezen ze hem op de barbaarsheid
van de koningen langs de grens van Gallië, vooral van de gevreesde Macrianus,
die bij het ontbreken van enig pact zelfs in staat moest worden geacht steden
aan te vallen. 4.Met deze argumenten en nog verdere ter zake doende adviezen
brachten ze de keizer tot andere gedachten, waarna Macrianus uit een oogpunt
van staatsbelang hoffelijk naar de omgeving van Mogontiacum werd genodigd,
aangezien het er alle schijn van had dat hij wel genegen was tot een verdrag
te komen. En hij verscheen inderdaad, brutaal en hautain alsof de vrede van
zijn beslissing zou afhangen, en posteerde zich op de dag die voor het
onderhoud was vastgesteld, met opgeheven hoofd op de oever van de Rijn
temidden van zijn stamgenoten onder het donderend geraas van schilden. 5.Aan
onze kant ging de keizer met een groot aantal militaire commandanten aan boord
van patrouilleboten, hijzelf een opvallende figuur, in de glans van
schitterende standaards, en voer op tot op een veilige afstand van de andere
oever. En toen het opgewonden tumult van de woest gebarende barbaren eindelijk
ophield en er over en weer het nodige gezegd was, werd tussen hen een
vriendschapsverdrag gesloten dat met heilige eden werd bevestigd. 6.Toen dit
een feit was, trok de koning, die de oorzaak was geweest van zoveel onrust,
zich in een vredelievende stemming terug, onze bondgenoot voor altijd. En
inderdaad, vanaf die dag tot zijn dood toe, gaf hij op een voortreffelijke
wijze daadwerkelijk blijk van een standvastige, loyale gezindheid. 7.Hij kwam
later om het leven in het land van de Franken, waar hij roekeloos was
binnengevallen en dood en verderf zaaide, maar in een hinderlaag liep van de
krijgshaftige koning Mallobaudes.Na de beëindiging van de plechtigheid van de
verdragsluiting keerde Valentinianus terug naar Trier voor de winter.
4. De praefectus praetorio Modestus brengt Valens ertoe zijn bemoeienis met de rechtspraak op te geven. Over rechtspleging, rechtsgeleerden en verschillende soorten pleiters
1.Deze
gebeurtenissen vonden plaats in Gallië en het noorden. Maar in de oostelijke
gebieden, waar de situatie wat het buitenland betrof rustig was, verergerde
door het toedoen van de vrienden en naasten van Valens, bij wie gewin vóór
eer ging, de rot van de corruptie. Hier werd alles in het werk gesteld om de
keizer, die een streng man was en een passie had voor rechtspraak, van zijn
lievelingsbezigheid, recht te spreken, af te brengen, uit vrees dat, zoals in
de tijd van Julianus, de verdediging van de onschuld weer in de mode zou komen
en de macht van de heren die nu vrij spel hadden en zich steeds meer meenden
te kunnen veroorloven, beknot zou worden. 2.Om deze en soortgelijke redenen
werd het hem dus door velen afgeraden, maar in het bijzonder door de praefectus
praetorio Modestus, een man die
volledig onder de invloed van de eunuchen aan het hof geraakt was en zijn
boerse, door geen lectuur van oude schrijvers verfijnde natuur achter een
bedrieglijk masker verborg. Betogend dat de trivialiteit van privé gedingen
beneden de keizerlijke waardigheid was, bracht hij Valens inderdaad tot de
conclusie dat met het onderzoeken van zulke gevallen aan de hoogheid van de
keizerlijke macht afbreuk werd gedaan en zag deze daar op zijn advies verder
van af. Maar daarmee zette hij de deur wijd open voor dieverij en oplichterij,
een situatie die met de dag verergerde door de slechtheid van rechters en
advocaten samen; want ze verkochten de rechtszaken van het lagere volk aan
legerofficieren of hofdignitarissen en verwierven zich daarmee rijkdom of
hogere posities. 3.De pleitkunst nu, wordt door de grote Plato gedefinieerd
als de politikès moríou eídôlon (dat wil
zeggen: de schaduw van een klein deel van de staatkunde) of als het vierde
deel van vleierij. Epicurus rekent haar tot de verachtelijke kunsten, namelijk
een kakotechnía. Tisias noemt haar
echter de kunst van overreding en Gorgias van Leontini is het daarin met hem
eens. 4.Deze kunst, door de ouden aldus gekwalificeerd, is door de sluwheid
van bepaalde oosterlingen tot een zo hoge graad ontwikkeld dat ze een
behoorlijk mens tegen de borst stuit, waarom men pleitredes ook, door er een
tijdslimiet aan te verbinden, binnen de perken houdt. Ik wil dus een paar
woorden wijden aan de verachtelijkheid ervan, waarmee ik heb kennisgemaakt
toen ik in die streken verbleef, en dan terugkeren naar het verhaal waarmee ik
begonnen ben. 5.Vroeger floreerde de rechtsbeoefening onder de schutse van een
ouderwetse verfijndheid, toen namelijk redenaars van een bevlogen
welbespraaktheid, toegewijd aan wetenschappelijke studies, zich onderscheidden
door hun scherpzinnigheid, rechtschapenheid en de inhoudelijkheid en de
rijkdom van hun presentaties, zoals een Demosthenes, naar wie, als hij ging
spreken, volgens Attische bronnen het volk uit heel Griekenland en masse kwam
luisteren, en een Callistratus, waar diezelfde Demosthenes heen ging toen deze
optrad in de beroemde zaak van Oropus (een plaats in Euboea), en er zelfs
de Academie van Plato voor in de steek liet, en Hyperides, Aeschines,
Andocides, Deinarchus en de beroemde Antiphon uit Rhamnus, die volgens oude
getuigenissen de eerste is geweest die voor een verdediging liet betalen.
6.Even bijzonder waren bij de Romeinen Rutilius, Galba en Scaurus, die
uitmuntten door hun levenswijze, hun karakter en hun bezonnenheid, en in
verschillende latere eeuwen tal van mannen die consul en censor waren geweest
of triomfator, zoals Crassus, Antonius, Philippus, Scaevola, en vele anderen
die succesvolle legeraanvoerders waren, overwinningen behaalden, met trofeeën
geëerd werden en zich vervolgens onderscheidden in de burgerlijke
staatsdienst, lauweren oogstten in daverende debatten op het Forum en met lof
en eer gekroond werden. 7.Na hen kwam Cicero, de grootste van allen, die met
een waterval van onweerstaanbare oraties menig hopeloos geval uit de scherpe
klauwen van het gerecht wist te redden en daarvan zei ‘dat het misschien
niet laakbaar was bepaalde mensen niet te willen verdedigen, maar wel misdadig
ze slordig te verdedigen’.11 8.Maar vandaag de dag kan men
overal in het oosten een brutaal en ongelooflijk roofzuchtig slag lieden van
het ene forum naar het andere zien hollen en de huizen van de rijken zien
beloeren om als Spartaanse of Kretenzische honden sporen te ontdekken die naar
een begeerde zaak leiden. 9.De eerste categorie van dat soort bestaat uit
lieden die zelf het zaad van allerlei twistgedingen uitstrooien, zich in
duizend-en-één processen verdiepen, de deur platlopen bij weduwen en
kinderlozen en als ze maar even lucht krijgen van het bestaan van enige
animositeit, een dodelijke haat opwekken tussen vrienden, verwanten of
familieleden die het over iets oneens zijn. Bij hen neemt hun kwade neiging
niet af met de jaren, zoals bij anderen, maar wordt zelfs sterker en sterker.
In hun onverzadigbare hebzucht hanteren ze bekwaam het wapen van hun
vindingrijkheid om met listige argumenten gehoor te vinden bij rechters, wier
titel een afleiding is van het woord ‘recht’. 10.In hun hardnekkigheid
moet gedram doorgaan voor vrijmoedigheid, grenzeloze brutaliteit voor
standvastigheid, woordenkramerij voor welsprekendheid, door welke omkering van
waarden, volgens Cicero, gewetensvolle rechters zich niet mogen laten
misleiden. Hij zegt namelijk: ‘Aangezien niets in de staat zo vrij behoort
te zijn van corruptie als een stemming en een rechterlijke uitspraak, begrijp
ik niet waarom iemand die ze met geld beïnvloedt, strafbaar is, terwijl
iemand die dat doet met welsprekendheid, zelfs wordt geprezen. Mij lijkt het
dat wie een rechter inpakt met woorden meer kwaad doet dan degene die dat met
geld doet; want iemand kan een verstandig mens niet voor zich winnen met geld,
wel met woorden’.12 11.Een tweede categorie bestaat uit lieden
die zich uitgeven voor kenners van het recht, dat echter door de
onverenigbaarheid van met elkaar tegenstrijdige wetten niet eens meer bestaat,
en alsof ze een slot op de mond hebben als eeuwige zwijgers het evenbeeld zijn
van hun eigen schaduw. Ze trekken een ernstig en gewichtig gezicht alsof ze
geboortehoroscopen trekken of Sibyllijnse
orakels uitleggen, maar verkopen lucht. 12.Om de schijn te wekken een diepere
kennis van de wet te bezitten, hebben ze het over Trebatius, Cascellius en
Alfenus, en over de wetten van de Auruncers en de Sicaners, die allang
vergeten zijn, begraven met de moeder van Evander.13 En als u
beweert met voorbedachten rade uw eigen moeder te hebben vermoord, beloven ze
u met diepzinnige argumenten achter de hand vrijspraak - als ze gemerkt hebben
dat u geld hebt. 13.Een derde categorie bestaat uit degenen die om in hun
troebel beroep te schitteren, hun veile tong scherpen om de waarheid naar hun
hand te kunnen zetten en zich met een brutaal gezicht en goedkope bluf vaak
toegang weten te verschaffen waar ze maar willen. Als rechters onder druk toch
al hun aandacht over veel zaken moeten verdelen, helpen ze de behandeling
daarvan hopeloos in de knoei door te proberen allerlei onschuldigen in
processen te verwikkelen en door netelige kwesties aan de orde te stellen
verwarring te zaaien in gerechtshoven, die, als ze naar behoren functioneren,
tempels van gerechtigheid zijn, maar, gecorrumpeerd, bedrieglijke valkuilen -
als iemand daarin terecht komt, zit hij gevangen en kan het jaren duren vóór
hij, tot op het merg uitgezogen, daar weer uit komt. 14.De vierde en laatste
categorie wordt gevormd door het schaamteloze, opdringerige en onbehouwen
soort van degenen die hun school niet hebben afgemaakt, op straathoeken te
vinden zijn, mimiamben declameren in plaats van argumenten te produceren
waarmee rechtszaken te winnen zijn, de deur platlopen bij de rijken en ernaar
hengelen verwend te worden met exquise maaltijden. 15.Als ze eenmaal verslaafd
zijn aan het loon van luiheid en onkieskeurige geldzucht, zetten ze allerlei
onnozel volk ertoe aan processen te beginnen; en als ze dan soms een zaak te
verdedigen krijgen - wat zelden gebeurt - vangen ze de naam van hun cliënt en
het onderwerp van de zaak ergens tijdens de uitwisseling van twistpunten wel
op uit de mond van de rechter en dissen dan zelf zo’n enorme brei van
onsamenhangende volzinnen op, dat men zou denken in die gruwelijke massa
wartaal het gebral van Thersites14 te horen. 16.Want als ze
tenslotte niet in staat blijken hun verdediging waar te maken, barsten ze los
in geweldige tirades; daarom ook, omdat ze voortdurend gerespecteerde personen
beledigen, worden ze dikwijls voor het gerecht gedaagd en veroordeeld. Er zijn
er zelfs bij, die zo weinig geschoold zijn dat ze zich niet eens herinneren
ooit een wetboek te hebben bezeten. 17.En als in de kring van gestudeerde
mannen de naam valt van een oude schrijver, denken ze dat het een vreemd woord
is voor een soort vis of iets anders eetbaars, maar als een vreemdeling vraagt
naar de een of andere, hem van gezicht onbekende redenaar Marcianus
(bijvoorbeeld), heten ze ineens allemaal Marcianus. 18.Het gaat hun ook niet
langer om het recht als zodanig, maar alsof de hebzucht hen volledig in bezit
heeft genomen, zijn ze voor alles doof, blind en ongevoelig behalve voor de
hoogte van hun vorderingen. Is iemand eenmaal in hun netten gevangen,
verstrikken ze hem in duizend spindraden terwijl ze zelf opzettelijk telkens
verstek laten gaan, zogenaamd wegens ziekte, en schrijven zeven goedkope
inleidingen op een onnodige voorlezing van een overbekend stuk wetboek, alleen
om de ene na de andere mogelijkheid om de zaak te rekken uit te buiten. 19.En
als met het uitzuigen van beide partijen dagen, maanden en jaren zijn
heengegaan en de dag komt waarop de inmiddels verschaalde zaak op de rol is
gezet, doen de doorluchte kopstukken zelf hun intrede, maar brengen ook weer
de nodige namaak-advocaten mee. Wanneer die zich dan binnen de lijnen van het
strijdperk hebben geposteerd en de discussie begint die moet beslissen over
iemands fortuin of leven en het er echt om gaat een onschuldige te behoeden
voor het zwaard of een rampzalig verlies, staan de rechtsgeleerden lange tijd
tegenover elkaar met ernstige gezichten en gebaren als van toneelspelers
(zodat achter hen alleen de fluitist ontbreekt om de toon aan te geven, zoals
Gracchus liet doen15, tot tenslotte, zoals van tevoren afgesproken,
de meest welbespraakte een sierlijke inleiding begint die een kunstvol
pleidooi belooft dat niet onderdoet voor de oraties [van Cicero en Demosthenes]
ter verdediging van Cluentius en Ctesiphon; maar terwijl allen uitzien naar
het einde, hen laat zitten met zijn conclusie dat de advocaten er - nota bene
na een proces van drie jaar - nog niet uit zijn. Dus krijgen ze nog weer
verder uitstel en eisen intussen, alsof ze een soort worsteling achter de rug
hebben als met de oude Antaeus, hun loon voor hun getob met de wet. 20.Toch
valt niet te ontkennen dat rechtskundigen veel ongemak te verduren hebben dat
een normaal levend mens slecht zou verdragen. Want ze krijgen van de opbrengst
van hun zittend bestaan wel hun maag vol, maar zijn elkaars vijanden en
kwetsen met hun woedende uitvallen, zoals gezegd, velen met de beledigingen
die ze uitbraken bij gebrek aan argumenten sterk genoeg om er hun zwakke zaken
mee op te vijzelen. 21.Soms hebben ze ook met rechters te maken die eerder
getraind lijken in de spitsvondigheden van een Philistion of een Aesopus dan
dat ze het product zijn van een studie van Aristides de Gerechte of Cato,
rechters die hun publieke ambt voor veel geld gekocht hebben en nu als
hardnekkige schuldeisers vissen naar de financiële mogelijkheden van elk
veelbelovend geval, om andermans schoot leeg te schudden. 22.Tenslotte heeft
het beroep van advocaat bij al het andere nog dit ernstige nadeel, dat bijna
alle procederenden als vanzelfsprekend aannemen dat, hoewel ze hun zaak om
duizend-en-één redenen kunnen verliezen, de mislukking in hun geval te
wijten is aan de onkundigheid van hun advocaten, en aan hen dus de uitkomst
van elk geding toeschrijven, waarbij ze hun woede niet richten tegen de zwakte
van hun zaak of de onredelijkheid soms van degenen die uitspraak doen, maar
alleen tegen hun verdedigers. Maar laat ik terugkeren naar mijn uitgangspunt
voor deze uitweiding.
5.
Valentinianus vertrekt naar Illyricum om een oorlog te beginnen met de
Sarmaten en de Quaden, die verwoestingen aanrichten in Pannonië. Na de
Donau te zijn overgestoken verwoest hij de gouwen van de Quaden, brandt
hun dorpen plat en doodt jong en oud
6. Valentinianus valt woedend uit tegen de gezanten van de Quaden die hun landgenoten proberen te verontschuldigen, en sterft aan een beroerte
7.
Valentinianus’ vader. Zijn daden als keizer
8.
Zijn wreedheid, hebzucht, nijd en vreesachtigheid
1.Aldus
een korte beschouwing van Valentinianus’ daden. Ervan uitgaande dat komende
generaties, niet gehinderd door vrees, niet genoopt tot minderwaardige
vleierij, een onbevangen oordeel zullen vellen over het verleden, zal ik een
bondige opsomming geven van zijn slechte eigenschappen, gevolgd door een
beschouwing van zijn goede hoedanigheden. 2.Soms deed hij zich voor als een
vriendelijk man, hoewel hij, heethoofdig van nature, meer geneigd was tot
hardheid, want kennelijk vergat hij dat een heerser elke overmaat als een
steile afgrond moet mijden. 3.Zo was hij nooit tevreden met een milde
bestraffing maar eiste voortdurend steeds meer ondervragingen onder bloedige
foltering, zodat menigeen tijdens wrede verhoren op de pijnbank dreigde te
bezwijken. Zo mateloos kwaadaardig was de man dat hij nooit een veroordeelde
de doodstraf bespaarde als hem een uitvoeringsbesluit ter ondertekening werd
voorgelegd, hoewel zelfs de wreedste keizers dat soms wel hebben gedaan.
4.Toch had hij veel gevallen uit onze eigen geschiedenis en die van andere
volken als voorbeeld kunnen nemen van menselijkheid en goedheid - door de
filosofen ‘zusters in de deugd’ genoemd. Ik zal mij ertoe beperken daarvan
de volgende aan te halen. De machtige koning der Perzen Artaxerxes, die
vanwege één langere arm de [Griekse] bijnaam Macrochir kreeg, was van nature
zo goedig dat hij verschillende straffen die bij dat volk lang in zwang waren
geweest veranderde, bijvoorbeeld door van sommige veroordeelden de tiara te
laten afslaan in plaats van het hoofd, of de franjes van hun bontmuts te laten
afsnijden in plaats van hun oren zoals de koningen dat in verband met
verschillende misdrijven plachten te doen. Deze menselijke karaktertrek won
hem zoveel sympathie en respect dat hij met de steun van al zijn onderdanen in
staat was de vele bewonderenswaardige dingen te doen die door Griekse
schrijvers geprezen zijn. 5.In een van de oorlogen met de Samnieten was een
generaal uit Praeneste bevolen zich direct bij het leger te voegen, maar had
daarmee geen haast gemaakt. Gesommeerd zich voor dit ernstige verzuim te
verantwoorden, verscheen hij voor de toenmalige dictator Papirius Cursor, die
een lictor het teken gaf zijn bijl [uit zijn roedenbundel] te halen, en
terwijl de dodelijk verschrikte man alle hoop verloor zich nog te kunnen
verdedigen, beval daarmee een boompje om te hakken dat er stond. Door de
schuldige op die, laten we zeggen geestige manier te straffen en te laten
gaan, verloor hij geenszins zijn prestige; in deze lange, zware oorlogen van
onze vaderen behaalde hij tal van overwinningen en werd zelfs gedacht de enige
te zijn die het tegen Alexander de Grote had kunnen opnemen als deze Italië
zou zijn binnengevallen. 6.Valentinianus, die van dit alles misschien niets
wist en zich niet realiseerde dat lankmoedigheid van keizers verlichting
brengt in donkere dagen, bekrachtigde juist steeds meer veroordelingen tot
vuur en zwaard - het allerlaatste
wat een goed mens bij zijn verstand in een moeilijke situatie doet, zoals
Isocrates het zo treffend zegt in een onsterfelijke passage, luidend dat een
vorst die [met ere] een strijd verliest, eerder consideratie verdient dan een
vorst die niet weet wat eer is.21 7.Ik denk dat Cicero naar
aanleiding daarvan in zijn verdediging van Oppius22 de prachtige
uitspraak deed: ‘Veel te kunnen doen voor iemand in nood heeft velen tot eer
gestrekt; te weinig te kunnen doen voor iemand in nood nooit iemand tot
oneer’. 8.De zucht tot
zelfverrijking ongeacht met welke middelen, de begeerte naar bezit ten koste
van het levensgeluk van anderen, werd in hem steeds sterker en beheerste hem
tenslotte geheel. Dezen en genen hebben hem daarvoor wel willen excuseren door
te verwijzen naar het voorbeeld van keizer Aurelius, die zich na de regering
van Gallienus en de rampen die de staat hadden getroffen met als gevolg een
lege schatkist, als een bergstroom op de rijken wierp. Zo zou ook
Valentinianus vanwege de kosten van [Julianus’] expeditie tegen de Perzen
behoefte hebben gehad aan kapitaal om zijn troepen te betalen en op sterkte te
brengen, maar was hij in zijn streven een groot vermogen op te bouwen
onbarmhartig te werk gegaan - alsof hij niet wist dat men sommige dingen niet
doet zelfs als men de macht daartoe heeft. In dit opzicht leek hij niet op de
fameuze Themistocles, want toen deze na de slag tegen de Perzen en de
vernietiging van hun leger wat rondliep en gouden armbanden en een halsketting
op de grond zag liggen, zei hij tegen iemand in zijn gezelschap: ‘raap op,
je bent Themistocles niet’, want hij vond hebzucht beneden de waardigheid
van een groot veldheer. 9.Zulke voorbeelden van zelfbeheersing zijn in
overvloed ook te geven als het om Romeinse legerleiders gaat. Daaraan wil ik
hier voorbij gaan omdat ze niet per se een teken zijn van morele perfectie
(immers dat iemand zich niet aan andermans goed vergrijpt is geen reden hem te
loven), maar zal aan één typisch geval (onder vele andere) illustreren hoe
rechtschapen het gewone volk oudtijds is geweest: toen Marius en Cinna aan de
Romeinse plebs toestonden de luxueuze woningen van vogelvrij verklaarden te
plunderen,23 spaarde het volk - het mocht dan ruw en onbeschaafd
zijn, maar het was humaan van nature - datgene wat door anderen met noeste
arbeid was opgebouwd, zodat niet de armste arme duvel het zich veroorloofde,
hoewel het mocht, munt te slaan uit de ellende van de samenleving.
10.Bovendien werd hij diep in zijn binnenste verteerd door afgunst en, wetend
dat de meeste ondeugden zich plegen te vermommen als deugden, zei hij vaak dat
absolute jaloezie een onafscheidelijke gezellin is van rechtmatige macht. En
aangezien hooggeplaatsten gewoonlijk menen dat zij overal boven staan, komen
ze er gemakkelijk toe degenen die hen tegenspreken te wantrouwen, en die in
enig opzicht superieur zijn uit de weg te ruimen, en haatte hij, Valentinianus,
zelfs anderen erom, beter gekleed te gaan, geleerd te zijn of rijk of van
goede familie, en kleineerde hij de moed van anderen om maar de schijn te
wekken dat hij alleen in alles uitmuntte - een ondeugd die, zoals we kunnen
lezen, ook het karakter van keizer Hadrianus ontsierd heeft.11.Deze zelfde
keizer had aan de andere kant een grote hekel aan gebrek aan durf. Angsthazen
schold hij voor vuilakken en smeerlappen die thuishoorden bij het uitschot van
de mensheid; en toch verbleekte hij zelf soms op een belachelijke manier als
hij zonder reden van iets schrok en was hij diep in zijn hart bang voor
spookbeelden. 12.De magister officiorum
Remigius, die dat wel wist, liet zich dan ook soms, wanneer hij merkte dat de
keizer zich over iets begon op te winden, opzettelijk het een of ander
ontvallen, bijvoorbeeld over een nieuwe dreiging van de kant van de barbaren,
want als Valentinianus zoiets hoorde, werd hij van schrik op slag zo mak als
een lam en zo rustig als Pius Antoninus zelf. 13.Hij benoemde nooit met opzet
hardvochtige lieden tot rechters, maar als hem ter ore kwam dat wie hij
eenmaal had benoemd, hard optrad, pochte hij wel dat hij er goed in slaagde
mannen te vinden als een Lycurgus en een Cassius, die oude steunpilaren van
het recht, en spoorde hij hen vaak in brieven aan ook lichte vergrijpen zo
streng mogelijk te straffen
14.Wie in moeilijkheden verkeerde, door ongeluk getroffen was, vond geen
gehoor bij een begripvolle keizer, van oudsher als het ware een veilige haven,
waarnaar ze als schepelingen in een storm op zee konden uitkijken. Want een
goede regering, zo leren de filosofen, moet toch tot nut en welzijn strekken
van de onderdanen.
10. Valentinianus, de jongste zoon van keizer Valentinianus, wordt in het kamp bij Bregetio uitgeroepen tot Augustus
1.Nadat de keizer plechtig nog eenmaal bij zijn naam was geroepen,24 werd zijn stoffelijk overschot voorbereid op de begrafenis, waarvoor het naar Constantinopel zou worden overgebracht om naast de gebeenten van de vergoddelijkte keizers te worden bijgezet. Intussen werd de voorgenomen expeditie opgeschort en heerste een gespannen onzekerheid over de reacties van de troepen in Gallië, die niet altijd loyaal waren waar het de rechtmatige keizers betrof en zichzelf een stem in de opvolging aanmatigden, dus zouden kunnen revolteren. (Trouwens, de kans hierop werd nog vergroot door de omstandigheid dat Gratianus zich nog in Trier bevond, waar zijn vader hem vóór zijn vertrek ten oorlog had ondergebracht, en van het gebeurde nog niets wist. 2.In die kritieke situatie, toen allen hun hart vasthielden en ze samen misschien als het ware in dezelfde schuit dezelfde gevaren zouden hebben te trotseren, werd op advies van de hogere legerleiding besloten de brug die gebouwd moest worden in verband met de komende inval in vijandelijk gebied weer af te breken en Merobaudes met spoed, zogenaamd op bevel van Valentinianus (alsof hij nog leefde) terug te roepen. 3.Dit was een scherpzinnig man, die ofwel raadde wat gebeurd was, ofwel dat begrepen had van de boodschapper die hem de oproep bezorgde, maar in elk geval, rekening houdend met de mogelijkheid dat de Gallische troepen hun verplichtingen zouden opgeven, deed alsof hij opdracht had mee te komen met de boodschapper om de bewaking van de Rijnoevers op zich te nemen waar de barbaren weer onrustig werden. Sebastianus, die van het overlijden van de keizer nog niets wist, zond hij overeenkomstig een geheime instructie verder weg, want wel was dat een bedaard en evenwichtig man, maar zeer gezien bij het soldatenvolk en onder de omstandigheden niet te vertrouwen. 4.Na de terugkeer van Merobaudes dus, werd de ontstane situatie van alle kanten besproken, met als conclusie dat men de zoon van de overleden keizer, het vierjarige kind Valentinianus, zou laten ophalen van het landgoed Murocincta, honderd mijl ver weg, waar hij verbleef met zijn moeder Justina, om hem deelgenoot in de regering te maken. 5.Allen stemden daarmee in en Cerealis, een oom van de jongen, werd daarheen gestuurd. Deze zette hem in een draagstoel en bracht hem naar het legerkamp, waar hij zes dagen na het overlijden van zijn vader officieel tot keizer werd benoemd en plechtig als Augustus werd begroet. 6.En hoewel men er al die tijd rekening mee hield dat Gratianus het kwalijk zou nemen dat naast hem zonder zijn toestemming nóg een keizer werd benoemd, bleek de vrees daarvoor later geleidelijk aan ongegrond en ademde men opgelucht op, aangezien Gratianus, behalve dat hij een goedig en mild mens was, veel van zijn broer hield en zorgde voor een goede opvoeding.
Noten
1.De
zoon van Arsaces. Zie boek xxvii,12,9,14.
2.Circe,
legendarische tovenares. Zij kon o.a. mensen in dieren veranderen (veranderde
bijvoorbeeld enkele kameraden van Odysseus in zwijnen).
3.Een
Germaanse lijfwacht.
4.Fabricius
Luscinus was consul in 278 vC. Hij
bestreed met succes Pyrrhus, de koning van Epirus, die tussen 281 en 275 in
Zuid-Italië tegen Rome opereerde.
5.
Sertorius, 122-72 vC, Romeinse veldheer, vormde een tegenregering in Spanje.
Hij werd door zijn voormalige medestander Perperna tijdens een maaltijd
gedood.
6.Zie
boek xxvii,12,16.
7.Zie
boek xxviii,6,25.
8.Zie
boek xxviii,6,8 en xxix,5,2.
9.Zie
boek xxviii,1,5vv.
10.Zie
boek xxix,6,6,8.
11.Een
overigens van Cicero onbekende uitspraak.
13.Evander,
spreekwoordelijk voor iemand van heel vroeger. Geestig wordt (oorspronkelijk
door Gellenius) verwezen naar iemand die zelfs nog ouder was dan Evander: zijn
moeder.
14.Figuur
in Homerus, Ilias. Zie Ilias, II,211vv.
15.Gaius
Gracchus,154-121, Romeinse politicus, volkstribuun, groot redenaar, liet, als
hij het volk toesprak een fluitspeler achter zich de juiste toonhoogte
aangeven.
16.Ammianus
vervolgt de geschiedenis van eind 3.
17.Zie
boek xxvi,4,5 en xxix,6,15.
20.Befaamde
atleet uit de 6e eeuw vC.
21.Een
wat gezochte verwijzing. Isocrates zegt feitelijk: ‘Ik verbaas me erover dat
niemand een oneervolle overwinning schandelijker vindt dan een eervolle
nederlaag.’ (Panathenaicus
185).
22.Deze
rede van Cicero is niet bewaard gebleven.
23.in
87 vC als wraak op de aristocratische aanhangers van Sulla.
24.De
rituele conclamatio om definitief de dood te constateren.