BOEK
XXXI
1.
Voortekenen van de dood van keizer
Valens en van een nederlaag tegen de Goten
1.Maar
Fortuna’s wentelend rad brengt afwisselend geluk en ongeluk. Nu wapende ze
Bellona met de furiën in haar gevolg en veroorzaakte ze in de Oriënt
treurige gebeurtenissen, die door zekere voortekenen en wonderen werden
aangekondigd. 2.Zieners en vogelschouwers deden voorspellingen die niet mis te
duiden waren. Honden schrokken terug voor het gehuil van wolven en nachtvogels
krijsten klaaglijk. De zon ging op in halflicht, waardoor de glans van de
morgenstond verduisterd werd, en in Antiochia kwam het onder het volk tot
onrust en rellen, waarbij het gewoonte werd dat wie dacht onrecht te zijn
aangedaan, openlijk riep: ‘Laat Valens branden!’ Ook werden voortdurend
stemmen gehoord als van herauten, die om brandhout riepen om de Baden van
Valens, gebouwd naar zijn eigen ideeën, in brand te steken. 3.Bijna openlijk
gaf dit alles te kennen welk lot de keizer tegemoet ging. Velen ook werden
’s nachts verschrikt door de geest van de Armeense koning en de
beklagenswaardige schimmen van de kort daarvóór in de zaak van Theodorus geëxecuteerden,
die met schrille stemmen gruwelijke lijkzangen lieten horen. 4.Een kalf zag
men met doorgesneden keel dood liggen, wat betekende dat het volk in grote
rouw ging worden gedompeld. En tenslotte... Tenslotte,
toen men de oude muren van Chalcedon sloopte voor de bouw van thermen in
Constantinopel, kwam tussen de steenblokken op een vierkante steen die in het
metselwerk verborgen was, de volgende inscriptie in Griekse verzen te
voorschijn, die duidelijk verrieden wat komen ging:
5.Als door de feestelijk versierde straten van de stad vrolijk dansend
een stoet jonge meisjes trekt terwijl een sombere muur een Bad bewaakt -
zullen talloze woeste gewapende horden het land dezerzijds van de Hister
bezetten, Scythië’s velden en Mysië’s dreven verwoesten en ook aan
Pannonië zich hebzuchtig vergrijpen tot met het einde van een slag en met een
dood ook aan hun woeste ren een einde komt.
2.
Over de woonplaatsen en de zeden van de Hunnen, de Halanen en andere volken
van Aziatisch Scythië
1.Het
zaad van al het ongeluk, de kiemen van alle rampen, teweeggebracht door de
woedende god Mars, die met zijn oorlogsfakkels als nooit tevoren alom chaos
veroorzaakte, waren - zoals ik begrepen heb - gelegen in de volgende
omstandigheid. Het volk van de Hunnen, waarover in oude geschriften weinig te
vinden is, dat zijn woongebied heeft ten noorden van de moeraszee de Maeotis
[Zee van Azov] bij de ijzige oceaan, overtreft alle andere in woestheid.
2.Omdat bij hen de wangen van de kinderen direct na de geboorte met een mes
diep worden ingekerfd zodat baardgroei later door grillige littekens
verhinderd wordt, blijven ze voor altijd baardloos en worden lelijk oud, als
eunuchen. Ze zijn gedrongen en sterk van lijf en leden, hebben dikke nekken en
zijn zo afschuwelijk en gedrochtelijk, dat men ze voor tweebenige dieren zou
kunnen houden of voor ruw uit
houten blokken gebeitelde figuren die wel op de kanten van bruggen staan.
3.Maar hoewel onappetijtelijk zijn
het dus mensen, en zo gehard zijn ze door hun levenswijze dat ze geen vuur en
geen smakelijk voedsel behoeven, maar leven van wortels van wilde planten en
van halfrauw vlees van het geeft niet welk dier, dat ze tussen hun dijen en de
rug van hun paard klemmen om het een beetje te warmen. 4.Nooit zoeken ze enig
onderdak en gebouwde onderkomens mijden ze als graven die van het dagelijkse
leven gescheiden worden gehouden. Zelfs geen met riet afgedekte hut zal men
bij hen vinden. Maar wijd en zijd zwervend door bossen en bergen, zijn ze van
kindsbeen af gewend kou, honger en dorst te verdragen. Ook buiten hun
woongebied zullen ze nooit een woning binnengaan, tenzij in geval van uiterste
nood, omdat ze denken onderdak niet veilig te zijn. 5.Ze maken kleding van
linnen of van aan elkaar genaaide vellen van veldmuizen en dragen in huis of
buitenshuis altijd hetzelfde. En als ze eenmaal hun nek in een flets hemd
hebben gestoken, doen ze dat niet meer uit en zullen het nooit wisselen tot
het uiteindelijk tot op de draad versleten in rafels en flarden langzamerhand
van hun lijf valt. 6.Ze bedekken hun hoofd met een ronde kap en hun behaarde
benen met geitenvellen. Hun schoeisel wordt niet volgens een aangepast model
gemaakt en bemoeilijkt dan ook feitelijk het lopen. Daarom zijn ze niet goed
in gevechten te voet, maar zijn als het ware vergroeid met hun taaie maar
onaanzienlijke paarden, waarop ze soms in vrouwenzit dag en nacht hun gewone
bezigheden uitvoeren: kopen en verkopen, eten en drinken en voorover op de
slanke hals van hun ros in diepe slaap de mooiste dromen dromen. 7.Ook als
belangrijke kwesties besproken moeten worden, doen ze dat met elkaar in
dezelfde houding. Ze kunnen zonder de dwang van een koningschap en zijn
tevreden met de leiding van hun belangrijkste mannen, al naargelang het
uitkomt, en lossen zo alle voorkomende problemen op. 8.Als ze worden
uitgedaagd, gaan ze zo nodig de strijd aan in horden, onder angstaanjagende
kreten. Ze zijn lichtgewapend om zich gemakkelijk te kunnen bewegen en
razendsnel, en kunnen zodoende plotseling tactisch in verspreide groepen
aanvallen. Als in grote wanorde galopperen ze dan op en neer terwijl ze enorme
slachtingen aanrichten. Precies vanwege hun enorme beweeglijkheid zal men ze
ook nooit een versterking zien aanvallen of een vijandelijk kamp zien
plunderen. 9.En hierom mag men ze gerust de vreselijkste krijgers noemen die
er bestaan, dat ze eerst van grote afstand hun pijlen afschieten, die anders
dan normaal van kunstig bevestigde scherpe benen punten zijn voorzien, en
daarna in galop aanvallen met doodsverachting. En terwijl een vijand probeert
zich te beschermen tegen hun zwaardhouwen, vangen ze hem met gevlochten
strikken,1 zodat ze hem, hoe hij zich ook verzet, zo machteloos
maken dat hij niet meer kan rijden of gaan. 10.Bij hen wordt geen land bebouwd
en raakt niemand een ploegstaart aan. Zonder vaste verblijfplaats, zonder
huis, wet of vaste gewoonten zwerven ze als vluchtelingen rond met hun
woonwagens, waarin hun vrouwen hun kleren naaien die niet om aan te zien zijn,
met hun mannen paren en kinderen baren, die ze verzorgen tot ze zelfstandig
zijn. Wanneer men hen vraagt waar ze vandaan komen, weet niemand dat te
zeggen, want ze zijn ergens verwekt, ver daarvandaan geboren en nog verder weg
opgegroeid. 11.Op het punt van verdragen zijn ze buitengewoon onbetrouwbaar,
sterk geneigd als ze zijn, mee te waaien met elke wind die voordeel belooft en
onbeheerst toe te geven aan opwellingen van het moment. Als redeloze dieren
hebben ze geen enkel besef van wat betamelijk of onbetamelijk is, liegen en
bedriegen naar het hun uitkomt, en worden niet gehinderd door enige
godsdienstige of bijgelovige vrees. Ze zijn bezeten van goud en zo wispelturig
en lichtgeraakt dat ze vaak op één dag zonder aanleiding hun bondgenoten
afvallen en zich weer verzoenen zonder enige bemiddeling. 12.Dit woeste en
ongetemde soort mensen met hun ongebreidelde roofzucht zwierf plunderend en
moordend in de buurlanden rond tot aan het land van de Halanen, eerder bekend
als Massageten. En nu ik het daarover heb, is dit een goed moment om ook van
dat volk de oorsprong en het woongebied te beschrijven, kwesties (...) die
lang onduidelijk zijn geweest en onderwerp van allerlei discussies onder
geografen, die tenslotte toch tot een bepaalde slotsom zijn gekomen. 13.De
dankzij een groot aantal zijrivieren waterrijke Hister [de Donau] vormt de
grens van het gebied van de Sauromaten, dat zich uitstrekt tot anderzijds de
rivier de Tanaïs [de Don], die Azië scheidt van Europa. Aan de overkant van
die laatste rivier hebben de Halanen (genoemd naar een gebergte) zich
gevestigd in de enorme, woeste uitgestrektheid van Scythië, waar ze de volken
die ze ontmoetten in overwinning
na overwinning aan zich hebben onderworpen en hun eigen naam hebben gegeven
(zoals ook de Perzen hebben gedaan). 14.Daarvan wonen de Nervers in het
binnenland in de schaduw van steile bergen, waarvan de verijsde toppen worden
gegeseld door de noordenwind. Daarachter wonen de Vidinnen en Gelonen,
buitengewoon wilde stammen, die hun verslagen vijanden villen en van hun huid
kleren naaien voor zichzelf en dekken voor hun strijdrossen. Naast de Gelonen
wonen de Agathyrsen, die hun haar blauw verven en hun lijven tatoeëren - het
gewone volk eenvoudig met enkele stippen, de edelen rijkelijker en met grote
figuren. 15.Verder weg wonen de Melanchlainen en Anthropophagen, die, naar ik
vernomen heb, een nomadisch bestaan leiden en mensenvlees eten, om welke
walgelijke gewoonte ze gemeden worden door hun buren, die ver uit hun buurt
zijn gaan zitten. Daardoor is heel het noordoostelijke gebied tot men bij de
Chinezen komt, onbewoonbaar gebleven. 16.In een andere streek, meer naar het
land van de Amazonen, naar het oosten toe, vormen de Halanen een andere,
talrijke bevolking. Hun woongebied daar strekt zich uit tot Azië, zelfs, heb
ik gehoord, tot aan de rivier de Ganges toe, die het land van de Indiërs
doorsnijdt en uitmondt in de Zuidelijke Oceaan. 17.Dit volk van de Halanen
(waarvan het hier niet nodig is de verschillende stammen te benoemen) bestaat
dus uit twee groepen, elk in een ander deel van dat gebied, maar hoewel
gescheiden en als nomaden zwervend over een onmetelijke uitgestrektheid,
hebben ze zich in de loop van de tijd onder één naam verenigd en worden ze
vanwege hun gelijke zeden, barbaarse leefgewoonten en bewapening kortweg
Halanen genoemd. 18.Want ze leven niet in hutten, kennen het gebruik van de
ploeg niet, maar leven van vlees en veel melk en wonen in wagens onder een
ronde kap van boomschors, waarmee ze de eindeloze vlakten doorkruisen. Komen
ze ergens waar gras groeit, plaatsen ze hun wagens in een cirkel en voeden ze
zich als wilde dieren. En is het voer op, zetten ze hun hele misjpoche (om het
zo maar eens te noemen) weer in de wagens en trekken verder. In de wagens
hebben de mannen gemeenschap met de vrouwen, worden kinderen geboren en
grootgebracht, kortom, wonen ze permanent. En waar ze ook komen, vinden ze dat
daar hun echte thuis. 19.Daarbij drijven ze hun grootvee voor zich uit en
weiden het samen met hun kudden kleinvee, met speciale zorg voor hun paarden.
In dat land zijn de vlakten altijd groen, met hier en daar zelfs vruchtbomen,
dus waar ze ook gaan, mankeert het hun nooit aan voedsel voor zichzelf of voer
voor hun vee; dat komt door de vochtige grond en de talrijke rivieren die daar
doorheen stromen. 20.Ieder die vanwege leeftijd of geslacht ongeschikt is voor
oorlogvoeren houdt zich rond de wagens bezig met lichte werkzaamheden, maar
jonge mannen leren van kindsbeen af paard te rijden, beschouwen het als
minderwaardig te voet te gaan en bekwamen zich zo door allerlei oefeningen in
de krijgskunst. Op dezelfde manier worden ook de Perzen, oorspronkelijk
Scythen, ervaren vechters. 21.Bijna alle Halanen zijn rijzig van gestalte en
welgevormd, enigszins blond van haar, nogal grimmig en imponerend van blik,
snel met hun lichte wapens. Eigenlijk lijken ze in veel opzichten op de Hunnen
maar zijn minder wild wat hun zeden en gewoonten betreft. Op hun rooftochten
en jachtexpedities zwerven ze wel tot aan de Maeotische moerassen, de
Cimmerische Bosporus, Armenië en Medië. 22.Zoals vreedzame mensen rust
prefereren, zo beleven zij vreugde aan gevaren en oorlogen. Die man wordt bij
hen gelukkig geacht, die zijn leven verloren heeft in de strijd, terwijl wie
oud wordt of door een natuurlijke dood de wereld verlaat, beschimpt en
geminacht wordt als een wekeling en een lafaard; en er is niets waarop ze zo
prat gaan, als iemand, ongeacht wie, te hebben gedood,
verslagenen als trotse buit het hoofd te hebben afgehakt en te hebben
gevild om hun afgestroopte huid als paardentooi te gebruiken. 23.In hun land
ziet men tempels noch heilige plaatsen, zelfs nog geen hut met een strooien
dak; maar zoals barbaren doen, steken ze een ontbloot zwaard in de grond en
vereren dat als een oorlogsgod die heerst over het land dat ze bewonen. 24.Ze
hebben een vreemde manier om de toekomst te voorspellen, want ze verzamelen
daarvoor rechte wilgentwijgen en leggen die op een bepaalde tijd uit, onder
het uitspreken van geheime bezweringsformules en weten dan wat komen gaat.
25.Ze kennen geen slavernij; ze zijn allen van edele afkomst; als hun leiders
kiezen ze tot op de dag van vandaag mannen die ze om hun langdurige
krijgservaring hoogachten.Maar laat ik terugkeren naar mijn eigenlijke
onderwerp.
3. De
Hunnen dwingen de Halanen aan de Tanaïs [de Don] met geweld of door verdragen zich bij hen aan te sluiten. Ze overvallen de Goten2 en verdrijven ze uit hun woongebied
1.De
Hunnen veroverden dus eerst stormenderhand het woongebied van de Halanen die,
voorzover dat buren zijn van de Greuthungen, gewoonlijk met de naam Tanaïten3
worden aangeduid, beroofden en doodden ze links en rechts en dwongen de
overlevenden zich bij verdrag bij hen aan te sluiten. Gezamenlijk pleegden ze
toen onverwachts een brutale inval in de uitgestrekte, rijke gouwen van
Ermenrich, een zeer krijgshaftige vorst [van de Greuthungen], die onder zijn
buurvolken vanwege zijn vele heldendaden een geduchte naam had. 2.In de storm
die hem zo onverwachts overviel deed hij moeite zo lang mogelijk staande te
blijven, maar toen geruchten gaandeweg steeds grotere verschrikkingen
voorspelden, maakte hij door zelfmoord een eind aan zijn nachtmerries. 3.Na
zijn dood werd Vithimer tot koning gekozen. Met hulp van andere Hunnen, die
hij met betalingen aan zijn kant had gekregen, bood deze de Halanen enige tijd
het hoofd, maar leed de ene nederlaag na de andere en sneuvelde tenslotte in
een gevecht tegen een overmacht. Als voogden over zijn minderjarige zoon
Viderich namen vervolgens Alatheus en Saphrax, ervaren en te goeder naam
bekende aanvoerders, de leiding, maar moesten in de gegeven hachelijke
omstandigheden afzien van verder verzet en begonnen langzaam terug te trekken
tot aan de rivier de Danastius [de Dniestr], die tussen de Hister [de Donau]
en de Borysthenes [de Dniepr] door enorme laagvlakten stroomt. 4.Horend van
deze onverwachte ontwikkelingen, wilde Athanarich, de leider van de Tervingen
(tegen wie, zoals al verteld, Valens eerder zijn troepen in het veld had
gebracht wegens zijn steunverlening aan Procopius) proberen stand te houden,
bereid, in het geval hij net als de anderen zou worden aangevallen, te laten
zien wie hij was. 5.Dus sloeg hij aan de oever van de Danastius, ver van de
verdedigingslinie van de Greuthungen, op een geschikte plaats zijn kamp op en
zond Munderich, de latere commandant van de grenstroepen in Arabië, met
Lagariman en andere edelen twintig mijl vooruit om de nadering van de vijand
te observeren, terwijl hij zelf intussen in alle rust zijn troepen op de
strijd voorbereidde. 6.Maar het ging anders dan hij verwachtte. Want de Hunnen
(die situaties goed weten in te schatten) vermoedden een groot leger verder
weg, negeerden deze troep die ze gespot hadden waar ze kampeerde alsof er geen
vuiltje aan de lucht was, staken, toen de maan het nachtelijk duister
verdreef, via een doorwaadbare plaats de rivier over en deden wat het meest
voor de hand lag: vielen om te voorkomen dat een verspieder hen vóór zou
zijn en de vijand, die zich nog op enige afstand bevond, zou kunnen alarmeren,
bliksemsnel Athanarich zelf aan. 7.Volkomen verrast door deze eerste actie,
waarbij de Hunnen een paar van hun eigen mannen verloren, zocht deze
noodgedwongen de veilige berghoogten 4 op. In zijn ontsteltenis
over de ontstane situatie en nog meer beducht voor wat nog ging komen, liet
hij vervolgens langs de grens met de Taifalen hoge wallen opwerpen vanaf de
oever van de rivier de Gerasus [de Pruth] tot aan de Donau, denkend dat zijn
veiligheid achter deze haastig
maar wel met zorg gebouwde verschansing gewaarborgd zouden zijn. 8.Maar nog vóór
dit degelijk stuk werk af was, kwamen de Hunnen alweer aanzetten en hadden hem
in één keer kunnen overweldigen als ze niet zo met buit beladen waren
geweest dat ze daarvan moesten afzien. Maar
toen onder andere Gotische volken het gerucht zich verspreidde dat dit tot dan
toe onbekende mensenras in verre oorden was opgestaan en als een sneeuwlawine
van berghoogten komend alles op zijn weg bedolf en verwoestte, zocht het
grootste deel van het volk, dat verzwakt door gebrek aan de eerste
levensbehoeften, Athanarich in de steek had gelaten, een woongebied dat de
barbaren nog onbekend was, en na lang weifelen over de keus dachten ze dat
Thracië een geschikt toevluchtsoord zou zijn, enerzijds omdat de grond daar
vruchtbaar was, anderzijds omdat het door de brede rivier de Hister gescheiden
werd van de gebieden die al blootstonden aan de schichten van een vreemde
oorlogsgod. En alsof het afgesproken was, besloten dat ook de overigen.
4.
Het grootste deel van de uit hun woongebied verdreven zogenaamde Tervingische
Goten wordt met toestemming van Valens, na gehoorzaamheid beloofd en
hulptroepen te hebben toegezegd, door de Romeinen overgebracht naar Thracië.
Ook de Greuthungen, een ander volk van de Goten, steken op vlotten de Hister
[de Donau] over, maar heimelijk
1.Dus
zetten ze zich onder leiding van Alavivus neer aan de oevers van de Donau,
zonden vertegenwoordigers naar Valens en verzochten onderdanig [in het rijk]
te worden opgenomen, met de belofte zich vreedzaam te zullen gedragen en, zo
de omstandigheden dat eisten, hulptroepen beschikbaar te zullen stellen.
2.Terwijl dit zich aan de rand van het
rijk afspeelde, begonnen zich onrustbarende geruchten te verspreiden over
volken in het noorden, die opnieuw en ongewoon heftig commotie veroorzaakten,
over zwermen onbekende barbarenvolken, die, onverwachts uit hun woonplaatsen
verdreven, nu met hun families rondzwierven in het hele gebied vanaf de
thuislanden der Marcomannen en Quaden tot aan de Pontus toe en tot aan de
Donau waren geraakt. 3.Aanvankelijk werd op dat bericht door ons laconiek
gereageerd; over oorlogen daarginds werd vaker gehoord en meestal pas wanneer
ze al waren beëindigd of vanzelf uitgewoed. 4.Maar toen het tot ons begon
door te dringen wat er werkelijk was gebeurd en de berichten bevestigd werden
door de komst van de gezanten der barbaren, die smeekten hun ontheemd volk aan
onze kant van de rivier toe te laten, leek dat eerder een goede dan een
slechte ontwikkeling en wisten gewiekste hofvleiers niet hoe ze het geluk van
de keizer genoeg konden prijzen, dat hem onverwachts uit verre uithoeken van
de wereld zoveel rekruten aanbood dat hij door de samenvoeging van vreemde
troepen met die van hemzelf een onoverwinnelijke armee tot zijn beschikking
kreeg, terwijl bovendien in plaats van jaarlijks voor nieuwe lichtingen aan de
provincies te moeten betalen juist stromen goud in de schatkist gingen
vloeien. 5.Met dit vooruitzicht werd een aantal functionarissen gestuurd om al
dat wilde volk met vaartuigen over te halen. Daarbij werd er op toegezien dat
niemand, al was het een doodzieke, achterbleef die het rijk in de toekomst
schade zou kunnen berokkenen. En zo, met verlof van de keizer zich in bepaalde
delen van Thracië te vestigen, werden ze dagen en nachten achtereen in
groepen op schepen, vlotten en in uitgeholde boomstammen overgezet; maar omdat
de rivier, toch al veruit de gevaarlijkste die er is, door regens sterk
gezwollen was, kwamen ook velen die in het gedrang te water raakten, vechtend
tegen de vervaarlijke golven of in pogingen te zwemmen, om door verdrinking.
6.Zo werd door de eigenwijsheid van fanatieke doordrijvers het ongeluk de
Romeinse wereld binnengehaald. Want het is een bekend en vaststaand feit dat
degenen die zo noodlottig met het transport van die menigte barbaren waren
belast, vaak probeerden hun aantallen te tellen, maar hun vergeefse pogingen
opgaven, omdat in de woorden van onze grootste dichter: ‘Wie dat zou willen
weten, zou zijn als iemand die benieuwd was hoeveel korrels zand in de
Libische woestijn opwaaien in de wind.’ 7.Laat dan de herinnering aan
vroeger weer bovenkomen, aan de komst van de Perzische legers naar
Griekenland: het verhaal van de brug over de Hellespont, van de kunstmatige
doorsteek van het Athosgebergte om de zee te bereiken, en het verhaal van de
telling van de troepen bij Doriscus bij hele afdelingen tegelijk 5
- geschiedenissen die alle latere lezers fantastisch moeten hebben gevonden.
8.Want nu deze ontelbare volksmassa’s de provincies overstroomden, zich over
de uitgestrekte vlakten verspreidden, zich in alle regionen neerzetten en op
alle berghoogten nestelden, werd daarmee de geloofwaardigheid ook van die oude
overleveringen niet bevestigd? Eerst werden Fritigern en Alavivus officieel
toegelaten en op last van de keizer voorzien van levensmiddelen voor de eerste
tijd, terwijl hun akkers werden toegewezen om te bebouwen. 9.Toen in deze tijd
onze [noord]grens open kwam te liggen en het barbarenland stromen krijgers
spuwde als de Etna gloeiende vonken, toen daar de noodsituatie om officieren
riep die zich met de nodige prestaties hadden bewezen, was het alsof door de
keuze van de een of andere kwaadwillige god juist criminelen met de militaire
leiding werden belast, met Lupicinus en Maximus voorop - de een bevelhebber in
Thracië, de ander ook een beruchte generaal, en beiden even
onverantwoordelijk. 10.Hun berekenende hebzucht was de bron van alle kwaad. Ik
wil zwijgen over wat ze zelf of anderen, zeker met hun toestemming, in hun
gewetenloosheid deze vreemdelingen, deze onschuldige landverhuizers, verder
nog hebben aangedaan, maar deze ene walgelijke en ongehoorde misdaad, waarvan
ze zich zelfs als hun eigen rechters niet zouden weten vrij te spreken, moet
vermeld: 11.Toen de barbaren na hun oversteek in hongersnood raakten,
bedachten deze schurken van generaals een schandelijke handel, lieten namelijk
overal honden vangen en ruilden die stuk voor stuk voor een slaaf. Zo werden
toen zelfs zonen uit aanzienlijke families weggesleept. 12.In die dagen
arriveerde ook Viderich, de koning van de Greuthungen met Alatheus en Saphrax,
die als zijn voogden het regentschap uitoefenden, en Farnobius aan de oever
van de Donau, vanwaar ze direct vertegenwoordigers naar de keizer zonden met
het dringende verzoek hen met dezelfde goedgunstigheid te willen opnemen [als
de Tervingen]. 13.Toen ze echter nul op het rekest kregen, aangezien dat in
het algemeen belang scheen, en niet wisten wat te beginnen, trok Athanarich
zich terug omdat hij eenzelfde reactie verwachtte, bedenkend namelijk dat hij
enige tijd daarvóór Valens in verband met het sluiten van het
vriendschapsverdrag had beledigd met zijn verklaring dat hij zich onder ede
had verbonden nooit een voet op Romeinse bodem te zullen zetten, en de keizer
met dat voorwendsel had genoopt het verdrag midden op de Donau te
bekrachtigen. Bang dat de keizer daarover nog steeds een wrok koesterde, trok
hij dus met zijn volgelingen naar Caucalanda,6 een streek die
vanwege hoge bergen en dichte wouden moeilijk toegankelijk was en waaruit hij
eerst de Sarmaten verdreven had.
5.
De Tervingen lijden honger en gebrek en worden schandalig behandeld. Onder
aanvoering van Alavivus en Fritigern vallen ze Valens af en verslaan het leger
van Lupicinus
1.De
Tervingen die toestemming hadden gekregen om over te steken, zwierven intussen
nog steeds in de buurt van de rivier vanwege een dubbel onoverkomelijk
probleem: door de laaghartige generaals werden ze uit ongeïnteresseerdheid
niet aan de nodige leeftocht geholpen en bovendien opzettelijk vastgehouden
omwille van hun louche handel 7 2.Toen ze zich dat realiseerden,
werd gefluisterd dat er om dreigende problemen te voorkomen nu maar één ding
op zat: de gehoorzaamheid op te zeggen; en bang voor een komende opstand liet
Lupicinus ze toen door zijn troepen snel tot een aftocht dwingen. 3.Nu zagen
de Greuthungen hun kans schoon. Toen ze merkten dat de soldaten elders doende
waren en de boten waarmee geregeld op de rivier gepatrouilleerd werd om hun de
oversteek te beletten, aan de kant bleven, begaven ze zich op provisorische
vlotten te water en sloegen aan de overkant op grote afstand van Fritigern een
kamp op. 4.Deze laatste wilde zich, met zijn aangeboren listigheid en
vooruitziende blik, tegen alle eventualiteiten indekken en trok, gehoorzamend
aan de keizerlijke bevelen maar tegelijk om contact te maken met de machtige
Gotische koningen, traag en treuzelend op, tot hij in langzame dagmarsen
eindelijk in Marcianopolis kwam. Daar deed zich alweer een buitengewoon
kwalijke gebeurtenis voor, die de fakkels der wrake deed ontvlammen tot schade
voor de staat. 5.Lupicinus nodigde namelijk Alavivus en Fritigern op een
maaltijd, maar liet intussen het barbarenvolk door afdelingen soldaten
weghouden van de stadsmuren. Toen van die kant aanhoudend en dringend gevraagd
werd binnengelaten te worden om te kunnen provianderen - aangezien men immers
in gehoorzaamheid onder Romeins gezag stond en geen kwaad in de zin had - kwam
het tussen de inwoners en de buitengesloten barbaren tot ruzies en
onvermijdelijk tot vechtpartijen. En toen de barbaren zagen hoe sommigen van
de hunnen met geweld werden afgevoerd, werden ze razend, doodden een groot
aantal soldaten en beroofden ze van hun wapens. 6.Dit werd ondershands gemeld
aan Lupicinus, die al zo lang had genoten van de overvloedige tafel met veel
vrolijk lawaai om zich heen dat hij half bewusteloos was van wijn en slaap,
maar dacht te zien aankomen hoe dit ging aflopen en alle begeleiders van de
twee aanvoerders, die als erewacht en voor hun veiligheid voor het praetorium
geposteerd stonden, liet doden. 7.Het nieuws daarover kwam hard aan bij het
volk dat de muren belegerde. Om hun koningen te redden, die, zoals ze dachten,
met geweld werden vastgehouden, liep het steeds grimmiger en dreigender te
hoop. Fritigern, die onmiddellijk begreep dat hij en de anderen gegijzeld
dreigden te worden, riep dat dit op een rampzalig gevecht ging uitdraaien als
men hem en zijn metgezellen er niet uitliet om hun mensen te kalmeren, want
dat die dachten dat hun leiders onder het mom van gastvrijheid vermoord waren,
wat de oorzaak was van hun opwinding. Zijn eis werd ingewilligd; allen mochten
vertrekken en werden met groot gejuich ontvangen, waarna ze hun paarden
bestegen en ervandoor gingen, met voldoende redenen om het tot oorlog te laten
komen. 8.Toen Fama, de boosaardige voedster van geruchten het nieuws hierover
rondbazuinde, raakte heel het volk der Tervingen in een oorlogsroes. En al
waren de risico’s groot en kon het misschien slecht aflopen: de banieren
werden volgens gebruik geheven, de trompetten dreigend gestoken en meteen
trokken benden plunderaars het land in, roofden landgoederen leeg, staken ze
in brand, haalden alles overhoop en verwoestten wat ze tegenkwamen.
9.Daartegen mobiliseerde Lupicinus halsoverkop zijn troepen, rukte haastiger
uit dan misschien verstandig was en kwam tot negen mijl buiten de stad, waar
hij halt hield, klaar voor een beslissend gevecht. Bij de aanblik daarvan
stormden de barbaren roekeloos op de troepen af, pletten onze mannen onder hun
eigen schilden en doorstaken ze met hun lansen en zwaarden. In die hevige,
bloedige botsing gingen onze standaards verloren en sneuvelden de tribunen met
het grootste deel van de manschappen, maar niet de onfortuinlijke aanvoerder,
die, alleen bedacht op zijn eigen redding, terwijl het gevecht nog gaande was,
te paard naar de stad vluchtte. Daarna deden de barbaren de Romeinse
wapenrustingen aan en zwierven verder rond zonder nog ergens tegenstand te
ontmoeten.
10.Nu ik na het verhalen van al deze wederwaardigheden op dit punt
ben aangekomen, moet ik mijn toekomstige lezers (als die er ooit zullen zijn)
dringend verzoeken van mij geen precieze gegevens te verwachten over daden en
aantallen gesneuvelden die op geen enkele manier te krijgen zijn geweest. Ik
moge dus volstaan met de belangrijkste punten, zonder de feiten met
onwaarheden te versluieren, want geschiedschrijving eist volstrekte
eerlijkheid. 11.Sommigen, die onbekend zijn met het verleden, menen dat zich
nooit eerder zulke donkere wolken boven onze ongelukkige staat hebben
samengepakt, maar zij vergissen zich, verdoofd en verblind als ze zijn door de
recente rampen. Wanneer men namelijk teruggaat tot vroegere of zelfs niet veel
vroegere tijden, zal men zien dat zulke panieksituaties zich vaker hebben
voorgedaan. 12.Ooit werd Italië plotseling overspoeld door Cimbren en
Teutonen, die van ver over de oceaan kwamen.8 Ze berokkenden
de Romeinse staat enorme schade, maar werden in beslissende slagen door onze
superieure generaals overwonnen en radicaal vernietigd, en leerden toen het te
laat was tot hun schade wat militaire macht gepaard aan nuchterheid van
oordeel vermag. 13.Ook, tijdens de regering van keizer Marcus Aurelius, werden
stammen die het vaak oneens waren, door een algemene razernij bevangen,9
met als gevolg eindeloos veel oorlogsleed, ellende in veroverde en geplunderde
steden, verlies van legers, geschokt door de dood van een bekwame aanvoerder,
zodat maar weinig intact bleef 1014.Maar na een periode van zware
verliezen volgde een algeheel herstel. Dat kon, doordat onze sobere en
nuchtere voorvaders nog niet door de luxe van een gemakkelijk leventje
verwekelijkt waren, nog niet verslingerd waren aan tafelgenot en bezeten van
winstbejag, maar van hoog tot laag zonder onderscheid en eensgezind voor hun
land een eervolle dood zochten alsof ze afgingen op een rustige, veilige
haven. 15.Scythische volken kwamen eens met tweeduizend schepen aanzetten door
de Bosporus, langs de kusten van de Propontis, en richtten afgrijselijke
verwoestingen aan te land en ter zee, maar moesten zich, na het merendeel van
hun mensen verloren te hebben, terugtrekken.11 16.In gevechten met
de barbaren sneuvelden keizer Decius en zijn zoon. Steden van Pamphylië
werden belegerd, tal van eilanden verwoest, heel Macedonië werd een prooi van
de vlammen. Thessalonica had een langdurige belegering te doorstaan evenals
Cyzicus. Anchialos werd ingenomen en tegelijk Nicopolis, de stad die Trajanus
had gesticht ter herinnering aan zijn overwinning op de Daciërs. 17.Na veel
bittere nederlagen, maar ook overwinningen, werd Philippopolis verwoest en
werden, als de berichten daarover juist zijn, binnen haar muren honderdduizend
mensen afgeslacht. Die vijanden van buiten zwermden uit over Epirus, Thessalië
en heel Griekenland, maar toen de fameuze generaal Claudius tot keizer was
verheven en ons weer ontvallen was door een eervolle dood,12 werden
ze verdreven door Aurelianus, een krachtige persoonlijkheid en onverbiddelijke
wreker van hun misdaden. Daarna heerste lange tijd rust, al werden de naaste
gebieden later soms nog wel eens door losse roverbenden bezocht, die dat duur
te staan kwam. Maar ik zal de draad van mijn verhaal weer opnemen.
6.
Waarom de Gotische vorsten Suerides en Colias, die met hun volken door de
Romeinen waren opgenomen, in opstand komen, zich na de bevolking van
Hadrianopolis te hebben uitgemoord aansluiten bij Fritigern en Thracië
beginnen te plunderen
1.Toen
het nieuws over deze gebeurtenissen overal begon door te dringen, bleven
Suerides en Colias, Gotische vorsten die sinds lang met hun volken door ons
waren opgenomen en op onze aanwijzing in Hadrianopolis overwinterden,
afzijdig, en volgden, met het oog allereerst op hun eigen belang, de
ontwikkelingen in alle gemoedsrust. 2.Maar toen kwam plotseling een brief van
de keizer met de order over te steken naar de provincie Hellespontus, waarop
ze zonder problemen te maken om geld en leeftocht vroegen voor de reis en twee
dagen uitstel. Daarover ontstak de duumvir
van de stad in woede - hij was toch al kwaad omdat ze in zijn buitenhuis
vernielingen hadden aangericht - en bracht al het laagste tuig uit de stad op
de been mèt de arbeiders uit de wapenfabriek (daarvan zijn er daar veel),
verschafte hen wapens om de Goten af te straffen, liet de krijgstrompetten
steken en dreigde met de uiterste maatregelen als ze niet allemaal meteen
gevolg gaven aan het bevel te vertrekken. 3.Ontsteld over deze onverwachte
woedende reactie en verlamd door de dreigende houding van de opgewonden
burgers, bleven de Goten eerst roerloos op hun plaats, maar kwamen tenslotte,
door verwensingen en beledigingen tot het uiterste gedreven en uitgedaagd door
wat losse projectielen, openlijk in opstand, doodden een groot aantal van hun
belagers, die in hun opgewondenheid de voorzichtigheid uit het oog hadden
verloren, joegen de overigen op de vlucht en spietsten ze met allerlei scherp
geschut. Daarna beroofden ze de lijken van hun wapenrusting en voegden zich,
als Romeinen uitgedost als bondgenoten bij het leger van Fritigern, dat ze
niet ver daarvandaan aantroffen. Toen sloten ze de stad in en deden haar alles
aan wat een belegering meebrengt. Maar ook zelf hadden ze het al die tijd
moeilijk: terwijl ze hier en daar chaotische aanvallen uitvoerden, ging de
overmoed van menigeen zinloos verloren en vonden velen de dood door
pijlschoten en stenen uit werptuigen. 4.Toen hij zag hoe de mannen zich zonder
enige ervaring in het belegeringswerk vergeefs en onder grote verliezen afmatten, raadde Fritigern
toen aan het erbij te laten - zoals hij eerder gezegd had
heilig ontzag te hebben voor muren - en met handhaving van een
voldoende strijdmacht ter plaatse de rijke, vruchtbare ommelanden af te
stropen en te plunderen, wat veilig kon, omdat die niet gewapenderhand
beveiligd werden. 5.Met dat advies van hun koning gingen allen van harte
akkoord, wetend dat hij zich zelf in die onderneming duchtig zou weren; dus
verspreidden ze zich volgens plan over heel Thracië, door gevangenen of
anderen die zich hadden overgegeven gewezen op de rijkste dorpen, en vooral
die waar het meeste voedsel te halen zou zijn. En hoewel brutaal genoeg van
zichzelf, kwam het hun goed van pas dat dagelijks grote aantallen stamgenoten
zich bij hen voegden, waaronder degenen die eerder door slavenhandelaren
verkocht waren of geruild waren voor een slok slechte wijn of brokken oud
brood door de eersten die de rivier waren overgestoken en in hongersnood waren
geraakt. 6.Daarbij kwamen er nog die de goudmijnen wisten te vinden en
anderen, die niet in staat waren de zware belastingen op te brengen. Die
werden allen met open armen ontvangen en bewezen goede diensten, want zij
konden degenen die onbekend terrein doorkruisten wijzen waar ze de geheime
graanopslagplaatsen en de schuilhoeken en vluchtplaatsen van de bewoners
moesten zoeken. 7.Met zulke gidsen bleef niets gespaard wat niet absoluut
onvindbaar was. Alles viel ten prooi aan het vuur; geen man, geen vrouw, jong
of oud ontkwam aan de enorme slachtpartijen; zuigelingen werden van de
moederborst gerukt en gedood, moeders en weduwen die hun mannen voor hun ogen
hadden zien doden, meegenomen, jonge jongens en volwassen knapen over de
lijken van hun ouders weggesleept. 8.Oudere mannen tenslotte, beroofd van hun
bezittingen en hun mooie vrouwen, werden met hun handen op de rug gebonden in
ballingschap gevoerd, huilend dat ze lang genoeg hadden geleefd, huilend om de
smeulende resten van hun woningen...
7.
Profuturus, Trajanus en Richomeres leveren slag met de Goten. De strijd blijft
onbeslist
1.De
berichten hierover uit Thracië werden met grote ontsteltenis ontvangen en
bezorgden keizer Valens veel hoofdbrekens. Om te beginnen zond hij de magister
equitum Victor naar Perzië om te
zien of hij, gezien de dreigende situatie, de kwestie Armenië tot rust kon
brengen. Zelf dacht hij zo snel mogelijk van Antiochia naar Constantinopel te
vertrekken, terwijl hij Profuturus en Trajanus, twee generaals met grote
ambities maar zonder de nodige kwaliteiten voor het voeren van oorlog, vooruit
stuurde. 2.Toen die ter plaatse arriveerden, waar de situatie erom vroeg de
enorme massa vijanden met kleine eenheden in losse gevechten en
verrassingsacties afbreuk te doen, besloten ze, averechts, tot een riskante
frontale aanval met de legioenen die uit Armenië waren weggehaald op de in
oorlogsroes verkerende barbaren. Die troepen hadden zich weliswaar vaak in het
krijgsbedrijf bewezen, maar waren geen partij voor de ontzaglijke horde die
hier de berghoogten en de vlakten bezet hielden. 3.Niettemin, al hadden ze nog
geen ervaring met wat ongebreidelde woede en wanhoop teweeg kunnen brengen,
dreven ze de vijand over de steile rotsen van het Haemusgebergte terug en
dwongen hem de diepe kloven in om hem in die verlaten woestenij, waaruit geen
uitweg mogelijk was, te laten verhongeren. Zelf wachtten ze intussen op de
komst van generaal Frigeridus, die in opdracht van Gratianus na een verzoek
van Valens met Pannonische en transalpine troepen onderweg was om hulp te
bieden aan het volk dat in zo’n groot gevaar verkeerde. 4.Na hem was ook de
toenmalige comes domesticorum Richomeres, eveneens op bevel van Gratianus, uit Gallië
opgebroken en naar Thracië onderweg met enkele onderbemande cohorten (waarvan
een groot deel namelijk gedeserteerd was - volgens sommigen op aanraden van
Merobaudes, die bang was dat Gallië zonder bescherming hulpeloos
achtergelaten, ten prooi zou vallen aan plunderaars van over de Rijn. 5.Omdat
Frigeridus echter gehinderd werd door een aanval van jicht - of misschien,
zoals kwade tongen beweerden, ziekte voorwendde om niet aan een zware strijd
te hoeven deelnemen - nam Richomeres na overleg het commando over de hele
strijdmacht op zich en verenigde zich met Profuturus en Trajanus, die hun kamp
hadden opgeslagen in de buurt van Salice, niet ver waarvandaan geweldige
horden barbaren al hun wagens in een cirkel hadden opgesteld en daarbinnen
onbekommerd, als tussen stadsmuren, genoten van hun rijke buit. 6.Hopend
op een goede kans, hielden de Romeinse bevelhebbers zich klaar om bij de
eerste gelegenheid een schitterende slag te slaan, en volgden dus nauwlettend
alle bewegingen van de Goten, erop voorbereid de vijanden, mochten die hun
kamp willen verplaatsen - wat vaak gebeurde - van achteren aan te vallen, er
zoveel mogelijk van neer te maaien en een groot deel van de buit terug te
pakken. 7.Maar de Goten begrepen dit, of hoorden van dat plan van overlopers
(want door hun toedoen bleef niets geheim) en bleven dus lang op dezelfde
plaats, maar riepen, geïntimideerd door de confrontatie met ons leger en bang
dat dit door extra troepen nog versterkt ging worden, via hun eigen
seinsysteem de hier en daar in de omgeving plunderende benden op, die,
gehoorzamend aan de bevelen van hun leiders, onmiddellijk als brandpijlen
kwamen toegeschoten en zich vliegensvlug in de ‘wagenburg’ (zoals ze die
zelf noemen) bij hun stamgenoten voegden, die zich daardoor nog sterker en
stoerder voelden. 8.Daarna bleef de situatie tussen de beide kampen gespannen,
zij het dat nog kort wapenstilstand heerste. Want na de terugkeer van degenen
die vanwege de noodsituatie waren opgeroepen, ging dat hele volk dat binnen de
omheining was samengeperst, woedend schreeuwend te keer, en wilde, zichzelf in
die woeste stemming steeds meer opfokkend, alleen nog maar, en meteen, een
alles beslissende strijd - waar de aanwezige stamhoofden niet tegen waren.Maar
de zon ging toen al bijna onder en de invallende nacht doemde de krijgers
tegen hun zin en tot hun frustratie tot rust. Dus aten ze wat, maar sliepen
niet. 9.In het andere kamp bleven ook de Romeinen, die dit opmerkten,
waakzaam, want ze vreesden deze vijanden en hun krankzinnige aanvoerders als
wilde beesten. Hoe dit ging aflopen was twijfelachtig, aangezien ze minder in
getal waren, hoewel toch optimistisch en gerust als strijders voor een goede
zaak. 10.Zodra de ochtend aanbrak en trompetters aan beide kanten het sein
hadden gegeven de wapens op te nemen, zwoeren de barbaren volgens hun gewoonte
gezamenlijk eden en zochten toen de hoogten op om vandaar in een stormloop
langs de helling omlaag hun tegenstanders als onder wielen te verpletteren.
Dat ziende, haastten de Romeinen zich naar hun onderdelen, stelden hun linies
op en bleven gedisciplineerd stram in het gelid, zonder een uitval te wagen.
11.Zo naderden de legers elkaar behoedzaam en stopten dan, en terwijl de
krijgers elkaar grimmig monsterden en de Romeinen massaal hun strijdkreet
aanhieven - met een barbaars woord: de barritus, die zacht begint en geweldig aanzwelt - en zichzelf
daarmee geweldig opwonden, zongen de barbaren met hun rauwe stemmen luidkeels
de lof van hun voorvaders, en begonnen onder verwarde commando’s
in verschillende talen de schermutselingen. 12.Na een eerste aanval over
en weer van een afstand met pijlen en speren kwamen ze dreigend op elkaar af
voor een gevecht van man tegen man: met de schilden dicht tegen elkaar als een
hechte schutting, voet aan voet. De barbaren, altijd inventief en razendsnel,
slingerden zware, in het vuur geharde knuppels naar de onzen, dreven hun
zwaarden in de borst van wie zich het heftigst weerden en doorbraken onze
linkervleugel. Toen die terugweek met de dood op de hielen, schoot een sterke
reserve van vlakbij moedig te hulp en bracht ze tot staan. 13.Zo bereikte de
strijd een hoogtepunt en werden zware verliezen geleden toen ieder die zich al
te roekeloos in het dichtst van het strijdgewoel stortte, sneuvelde onder een
regen van speren of zwaardhouwen. Vluchtelingen werden ingesloten door troepen
ruiterij die geweldig inhakten op hoofden en ruggen of door infanteristen die
van de ongelukkigen die verstard bleven van angst of gevallen waren, de pezen
doorsneden. 14.Het hele slagveld lag vol lijken, waartussen dodelijk gewonden,
die vergeefs hoopten te overleven; sommigen waren geveld door de kogel van een
slingeraar of doorschoten met een pijl met ijzeren punt; van sommigen was het
hoofd van voor tot achter doormidden gehakt, zodat het naar twee kanten op de
schouders hing, wat een gruwelijk gezicht was. 15.Geen van beide partijen werd
het vechten moe; beide bleven elkaar heftig aanvallen zonder in staat te zijn
een beslissing te forceren, met onverminderd fanatisme zolang hun moed hen
kracht gaf. Pas toen de dag week voor de avond eindigde het bloedbad, zocht
ieder strompelend een goed heenkomen en keerden de overlevenden gefrustreerd
naar hun tenten terug. 16.Tenslotte werden van de gesneuvelden zo goed en zo
kwaad als het onder de omstandigheden ging, sommige hogeren begraven. De rest
van de doden werd aan de roofvogels gelaten, die in die tijd van lijken konden
leven, zoals nog steeds te zien is op de velden die met gebleekte beenderen
bezaaid zijn. Maar toch, hoewel de Romeinen, die in dit gevecht onmiskenbaar
met een enorme overmacht te maken hadden, grote verliezen leden, hadden ze die
barbaren een dure les geleerd.
8.
In de passen van het Haemusgebergte ingesloten Goten weten aan de
Romeinen te ontkomen en bezoeken Thracië met moord, brand, roof en
verkrachting. Ze doden de tribuun der Scutarii, Barzimeres
1.Na
afloop van deze rampzalige slag zochten onze mannen hun toevlucht in de nabije
stad Marcianopolis. De Goten van hun kant kropen uiteraard bij elkaar binnen
de ring van hun wagenburg en waagden zich zeven dagen lang niet daarbuiten,
lieten zich zelfs niet zien. Daardoor kregen onze troepen de gelegenheid die
andere, enorme horde barbaren, die zich nog in de passen van de Haemus bevond,
achter hoge wallen op te sluiten, in de hoop uiteraard dat deze gevaarlijke
menigte vijanden, samengepakt tussen de Donau en een verlaten woestenij en
geen uitweg vindend, van honger zou omkomen, aangezien alle voedsel in steden
lag opgeslagen waarvan ze er tot dan toe met hun gebrek aan kennis en ervaring
met zulke operaties nog geen enkele geprobeerd hadden te belegeren. 2.Daarna
keerde Richomeres terug naar Gallië om hulp te halen, gezien meer
oorlogsgedruis in de lucht hing. Dit alles vond plaats tegen de herfst tijdens
het consulaat van Gratianus (zijn vierde) en Merobaudes [in 377]. 3.Toen
Valens vernam van de jammerlijke afloop van de strijd en van de plunderingen,
belastte hij Saturninus tijdelijk met het commando over de cavalerie en zond
hem Trajanus en Profuturus ter assistentie. 4.Nu wilde het geval, dat in die
tijd in Scythië en Moesië al het eetbaars op was, zodat de barbaren door
woede en gebrek gedreven uit alle macht probeerden weg te komen. Bij hun
herhaalde pogingen daartoe bleken ze echter tegen onze mannen niet opgewassen,
die hen in het onherbergzame bergland telkens terugsloegen, zodat ze tenslotte
noodgedwongen voor hulp contact zochten met groepen Hunnen en Halanen, met
beloften van een vette buit. 5.Toen Saturninus dat gewaar werd - want hij was
intussen ter plaatse en doende voorposten en veldwachten uit te zetten - trok
hij zijn troepen geleidelijk samen en maakte hij zich klaar om zich terug te
trekken. Dat was verstandig van hem, want die menigte zou in één klap als
een woeste rivier die door zijn dijken gebroken met een enorme watermassa zou
komen aandonderen, alle posten die de verdachte punten observeerden kunnen
overlopen en wegvagen. 6.En inderdaad, toen de passen waren vrijgegeven nadat
onze mannen zich tijdig hadden teruggetrokken, stroomden de ingesloten
barbaren in ordeloze massa’s aan alle kanten ongehinderd naar buiten, zodat
het één grote chaos werd. En zonder dat iemand er iets tegen kon doen,
zwermden ze alles verwoestend uit over de wijde vlakten van Thracië vanaf de
gebieden langs de Donau tot aan Rhodope en de zeestraat die de twee grote zeeën
van elkaar scheidt, paniek zaaiend in een orgie van moord, roof,
bloedvergieten, brand en schending van vrije burgers. 7.De erbarmelijke
tonelen die zich toen afspeelden, waren te vreselijk om te zien of te
beschrijven: vrouwen, verdoofd van angst, werden met knallende zwepen
voortgedreven, sommigen zwanger van kinderen die al verschrikkingen te
verduren hadden vóór ze ter wereld kwamen; kinderen die zich aan hun moeders
vastklampten, jammerende jongens en meisjes van goede families met de handen
geboeid in een wrede gevangenschap, (8.) daarachter tenslotte, in tranen, met
neergeslagen ogen, maagden en kuise huisvrouwen, die een martelende dood
zouden wensen om straks niet te worden geschonden. Daartussen een vrijgeboren
man, kort daarvóór nog rijk en onafhankelijk, die werd voortgesleept als een
wild dier, zich over u beklagend, Fortuna, gevoelloze en blinde godin, die hem
van het ene moment op het andere beroofd had van zijn bezit en zijn geliefden,
verdreven uit zijn huis, dat hij brandend in elkaar had zien storten, godin,
die hem aan een wrede, triomfantelijke barbaar had overgeleverd, om lid voor
lid verscheurd te worden of onder slagen en kwellingen als slaaf te dienen.
9.Zo raasden de barbaren dus voort over het wijde land van Thracië, als
beesten, losgebroken uit hun kooi, recht op de stad Dibaltum aan, waar ze de
tribuun van de Scutarii Barzimeres troffen met zijn manschappen, eenheden
Cornuti en andere regimenten infanterie, en op die in het stof van het
krijgsbedrijf geharde legerleider aanstormden terwijl hij juist zijn kamp
opsloeg. 10.Direct liet deze de trompet steken ten aanval - een ramp leek
haast onafwendbaar - dekte zijn flanken en chargeerde. Zijn mannen gingen
moedig de strijd aan en hij weerde zich zo geweldig, dat het gevecht onbeslist
had kunnen eindigen als niet een grote afdeling ruiterij hem omsingeld had
toen hij buiten adem moegestreden was, en zo de dood vond. Niet weinig
barbaren sneuvelden daarbij, maar het getal daarvan viel bij hun enorme massa
in het niet.
9.
Gratianus’ generaal Frigeridus doodt koning Farnobius en grote aantallen
Goten en Taifalen. De overigen worden gespaard en gesetteld aan de Po
1.Na
afloop van dit alles weifelden de Goten aanvankelijk over wat verder te
ondernemen, tot ze besloten op zoek te gaan naar Frigeridus, die als een
hinderlijk obstakel nodig uit de weg moest worden geruimd, waar ze hem ook
zouden treffen. Dus, na een stevig maal en een korte nachtrust volgden ze als
wilde dieren zijn spoor, want ze hadden vernomen dat hij in opdracht van
Gratianus naar Thracië was teruggekeerd, zich bij Beroea had verschanst en
daar de onzekere verdere gebeurtenissen afwachtte. 2.Met dit plan gingen ze
daar dus in ijltempo op af.Maar vermoedend wat hun bedoeling was, of daarover
geïnformeerd door verspieders die hij had uitgezonden, trok Figeridus zich
als goed commandant, verantwoordelijk voor het behoud van zijn troepen, via
hoge bergen en dichte wouden terug naar Illyricum, moed puttend uit het feit
dat een onverwacht toeval hem een enorme kans bood. 3.Want op die terugtocht,
in gesloten formaties oprukkend, stiet hij op de Gotische koning Farnobius,
die ongehinderd rondzwierf met zijn roverbenden en een troep Taifalen 13 die
zich kort daarvóór bij hem hadden aangesloten, en aangezien de onzen (als
men ze zo mag noemen) uit angst voor die onbekende stammen alle kanten uit
waren gevlucht, juist bezig was de rivier over te steken om die streek, nu ze
niet verdedigd werd, te plunderen. 4.Toen hij die benden onverwachts in het
vizier kreeg, maakte hij zich, alerte generaal!, gereed voor een gevecht van
man tegen man en viel hij op de rovers uit die twee volken aan, die van hun
kant met een gruwelijke slachting dreigden, deed er een groot aantal van
sneuvelen en zou ze tot de laatste man hebben gedood zodat er later zelfs geen
getuige van had kunnen opstaan, als hij niet na de dood van de eens zo
gevreesde onruststoker Farnobius en veel anderen met hem was gezwicht voor
smeekbeden en de overlevenden had gespaard, die hij vervolgens verbande naar
de omgeving van de Italische steden Mutina [Modena], Regium [Lepidum] en Parma,
waar ze velden kregen te bebouwen. 5.Over de Taifalen heb ik gehoord dat het
een zedenloos volk is, zo verzonken in diepten van schande en perversie, dat
bij hen jongens zich in wellust met mannen verenigen en de kracht van hun
jeugd in die schandelijke praktijk verteren, en verder, dat wanneer een
jongeman eigenhandig een wild zwijn vangt of een enorme beer doodt, hij
daardoor van die smet van ontucht gereinigd is.
10.
De Lentiënsische Alamannen lijden in een slag met de generaals van
keizer Gratianus de nederlaag. Hun koning Priarius sneuvelt. Na hun overgave leveren ze Gratianus rekruten en krijgen verlof naar
huis terug te keren
1.Dit
alles veegden de onheilsstormen in Thracië bij elkaar toen de herfst kenterde
naar de winter. Het was alsof de Furiën de hele wereld in rep en roer
brachten, zo verbreidde deze waanzin der tijden zich tot in de verste
regionen. 2. Nu waren het weer de Lentiënsers - een stam van de Alamannen die
tegen Raetië aan woonde - die met verraderlijke uitvallen het verdrag
verbraken dat we vele jaren eerder met hen hadden gesloten, en onze grenzen
schonden. Die ramp had de volgende ongelukkige oorzaak. 3.Een man van dat
volk, die in de keizerlijke lijfwacht diende, was om een dringende reden met
verlof naar huis en toen hem van alle kanten gevraagd werd hoe het in het
paleis toeging, vertelde deze kletser dat Gratianus in opdracht van zijn oom
Valens binnenkort met zijn legers naar het oosten zou vertrekken om met een
verdubbelde inzet de volken die samengezworen hadden tot vernietiging van de
Romeinse staat, van de grenzen te verdrijven. 4.De heethoofdige, roofzuchtige
Lentiënsers, die zich ook als zulke grensbewoners beschouwden, zagen daarin
een aanleiding zich in stropersbenden te organiseren en te proberen de Rijn
over te steken, die - het was februari [378]- over het ijs te belopen was. De
Kelten en Petulanten echter, die daar in de buurt een kamp hadden, brachten
hen, niet zonder zelf verliezen te lijden een geduchte nederlaag toe en dreven
hen met groot geweld terug. 5.Dat maakte de Germanen alleen maar woedender,
want weliswaar voor het moment gedwongen zich terug te trekken, wisten ze dat
het grootste deel van ons leger vooruit gemarcheerd was naar Illyricum, waar
de keizer op korte termijn verwacht werd. Dus pakten ze de zaak vervolgens
groter aan, verzamelden de bewoners van al hun gouwen op één punt en vielen
met 40.000 man (of 70.000, zoals sommigen pochten om het succes van de keizer
op te blazen) uitdagend en zelfverzekerd ons gebied binnen. 6.Toen Gratianus dit tot zijn ontzetting vernam, riep hij de
cohorten terug die hij vooruit gestuurd had naar Pannonië, en nog andere, die
hij zo verstandig was geweest in Gallië te laten, en gaf het bevel daarover
aan Nannienus, een bedachtzaam en bekwaam veldheer, samen - beiden in dezelfde
rang - met de comes domesticorum en koning der Franken Mallobaudes, een dapper en
krijgshaftig man. 7.Terwijl Nanienus echter rekening hield met de
wisselvalligheid van het fortuin en ervóór was het kalm aan te doen, liet
Mallobaudes zich, zoals gewoonlijk, meeslepen door zijn strijdlust, kon niet
wachten, en moest en zou meteen op de vijand af. 8.Dus toen aan de andere kant
een schrikwekkend krijgsgehuil werd aangeheven, gaven de trompetters het
signaal ten aanval en begon bij Argentaria [Horburg] een gevecht, waarbij aan
weerskanten direct al veel slachtoffers vielen onder pijlen en speren. 9.In
het heetst van de strijd zagen onze soldaten toen pas met welke enorme massa
vijanden ze te doen hadden en verspreidden ze zich, om een gevaarlijk staand
gevecht te vermijden, zoveel mogelijk over de vele boomgaarden daar, waar ze
meteen weer dapper stand hielden; en even blinkend [als van de keizerlijke
troepen] schitterde uit de verte gezien hun wapenrusting, zodat de barbaren
met schrik dachten dat de keizer in de buurt was. 10.Ze vluchtten dus, hoewel
soms nog tegenstand biedend om niets na te laten wat hen in laatste instantie
nog redden kon, maar werden zo volkomen in de pan gehakt dat er van hun
genoemde aantal naar schatting niet meer dan vijfduizend in de beschutting van de
dichte bossen ontkwamen. Onder de vele dappere en moedige mannen sneuvelde ook
de aanstichter tot deze rampzalige gevechten, koning Priarius.11.Vol nieuwe
moed vanwege deze verheugende afloop keerde Gratianus, die al onderweg was
naar het oosten, een kwartslag om, naar het noorden, stak onopgemerkt de Rijn
over en besloot, een en al optimisme, als het enigszins mogelijk zou zijn, dat
hele trouweloze en roerige volk te vernietigen. 12.Toen het ene urgente
bericht na het andere daarover de Lentiënsers bereikte, wisten ze, bijna
verpletterd door de vernietigende slag die hun volk had getroffen en
verbijsterd over deze onverwachte komst van de keizer, in hun verwarring eerst
niet wat hun te doen stond. En aangezien er hoegenaamd geen tijd of
gelegenheid meer was om enig verweer te organiseren of iets, wat dan ook, te
ondernemen, vluchtten ze de met rotsen bezaaide, ontoegankelijke bergen in.
Daar installeerden ze zich verspreid tussen de steile klippen om hun
bezittingen en hun families die ze bij zich hadden, met alle macht te
verdedigen. 13.Na beschouwing van die lastige situatie werden uit elk van onze
eenheden vijfhonderd in het krijgsbedrijf beproefde manschappen geselecteerd
om dat probleem aan te pakken, dat in moeilijkheid wel vergelijkbaar was met
het bestormen van een muur. Met een vastberadenheid, aangewakkerd door de
aanwezigheid van de keizer zelf, die zich duchtig liet kennen in de voorste
gelederen, begonnen ze de klim, de hoogten op, er zeker van dat ze, eenmaal
daar, zonder enige strijd hun tegenstanders konden pakken als waren ze
jachtbuit. Maar het gevecht dat toen tegen de middag begon, duurde tot het
door het nachtelijk duister werd overvallen. 14.Door beide partijen werden
zware verliezen geleden: van de onzen, die
veel barbaren deden sneuvelen, sneuvelden er ook zelf niet weinig. Daarbij
werden de wapenstandaards van de keizerlijke garde, die schitterden van goud
en helle kleuren, door een regen van zware projectielen zwaar gehavend. 15.Dus
kwam Gratianus na lang beraad met zijn hoogste officieren tot de conclusie dat
het gevaarlijk en zinloos was, met verkeerde hardnekkigheid tegen de ruige,
rotsige hoogten op te blijven vechten, en hoewel (zoals altijd in zulke
situaties) de meningen daarover uiteen liepen, werd tenslotte inderdaad
besloten de soldaten de strijd te laten staken en de barbaren, die vanwege de
moeilijke gesteldheid van het terrein toch onbereikbaar bleken, rondom in te
sluiten en uit te hongeren. 16.De Germanen evenwel bleven onveranderlijk
hardnekkig in hun verzet en zochten, thuis in dat gebied, andere, hogere
bergen op dan die ze eerst bezet hadden, waarheen de keizer ze met zijn
troepen volgde en er even driftig paden bleef zoeken die omhoog voerden. 17.En
toen de Lentiënsers eindelijk begrepen dat hij het werkelijk koppig op hun
ondergang gemunt had, boden ze onderdanig aan zich te onderwerpen, wat hun
gegund werd op voorwaarde dat ze hun mannelijke jeugd uitleverden om onder
onze rekruten te worden opgenomen, waarna ze zonder verdere maatregelen terug
konden naar hun woonsteden. 18.Dat Gratianus met de instemming van de eeuwige
godheid deze gunstige overwinning in de wacht kon slepen (gunstig was ze,
omdat de volken van het westen zich hierna niet meer roerden) dankte hij aan
zijn ongelooflijke daadkracht en snelle ingrijpen, terwijl hij eigenlijk op
een ander doel afging. Hij was een buitengewoon begaafde jonge man,
welbespraakt, beheerst, dapper en goedmoedig en beloofde de grootste keizers
eens te zullen kunnen evenaren, terwijl het eerste zachte dons nog pas zijn
wangen bekroop - maar was jammer genoeg van nature geneigd zich met
minderwaardige liefhebberijen bezig te houden zoals die van keizer Commodus
(al was hij niet zo bloeddorstig als deze), waarvan zijn entourage hem niet
afhield. 19.Want zoals die keizer er buitensporig trots op was, vaak voor het
oog van het volk grote aantallen wilde dieren met speren te hebben gedood en
in de arena van het amfitheater honderd tegelijk losgelaten leeuwen met pijlen
en werpspiesen te hebben neergelegd waarbij hij telkens aan één schot genoeg
had, zo kilde ook Gratianus binnen de omheining van speciale wildparken,
zogenaamde vivaria, menig verscheurend dier met pijlschoten, en verwaarloosde
daarbij vaak belangrijke staatszaken, in een tijd nota bene, waarin zelfs een
keizer als Marcus Antoninus [Aurelius] nauwelijks zonder gelijkgestemde
collega’s en koel en nuchter beraad die nood van onze staat zou hebben
kunnen verlichten! 20.Nadat Gratianus dus die maatregelen had getroffen die de
situatie in Gallië voor het moment vorderden en hij de loslippige scutariër
had gestraft die aan de barbaren had verraden dat hij naar Illyricum wilde,
marcheerde hij in lange dagmarsen op via het fort Felix Arbor [Arbon] en
Lauriacum [Lorch] om het bedreigde gebied hulp te bieden. 21.Frigeridus,
die in deze dagen met het oog op ’s lands veiligheid zeer praktisch plannend
tewerk ging en als de bliksem de pas van Succi versterkte om te voorkomen dat
de beweeglijk rondzwervende barbaren zich als bergstromen, gezwollen door
smeltende sneeuw, op de noordelijke provincies zouden storten, werd afgelost
door de comes Maurus,14
een onbetrouwbare kerel die zich manhaftig voordeed, maar in de grond
wispelturig en onvoorspelbaar was. Hij was het, die (zoals ik over een eerdere
geschiedenis vertelde), toen caesar Julianus aarzelde over wat hem als diadeem
kon dienen, als een van zijn lijfwachten slim zijn halsketting afdeed en die
brutaalweg daarvoor aanbood. 22.Zo werd dus midden in een kolkende maalstroom
van noodlottige gebeurtenissen een behoedzame, kundige veldheer ontslagen,
terwijl hij, zelfs als hij allang gepensioneerd zou zijn, nog in actieve
dienst had moeten worden teruggeroepen
11.
Sebastianus overvalt bij Beroea bij verrassing de met buit beladen Goten en
vernietigt ze. Slechts enkelen weten te ontkomen. Gratianus snelt zijn oom
Valens tegen de Goten te hulp
1.Juist
toen kwam Valens na een lange tocht, uit Antiochia, in Constantinopel aan,
waar hij niet langer dan een paar dagen bleef, intussen verontrust door een
kleine opstand van de bevolking. Daar benoemde hij Sebastianus, een
gerenommeerde commandant, die kort daarvóór op zijn eigen verzoek uit Italië
was weggezonden, tot magister peditum als
opvolger van Trajanus. Vervolgens naar het keizerlijke landgoed Melanthias
vertrokken, deed hij zijn best het moreel van zijn troepen met betalingen,
verzorging en veel goede woorden op te vijzelen. 2.Na een schriftelijk
marsbevel te hebben gegeven, begaf hij zich vandaar naar de militaire post
Nice geheten, waar hij van verkenners vernam dat de barbaren, zwaar beladen
met buit, uit de streek onder het Rhodopegebergte waren teruggekeerd naar de
omgeving van Hadrianopolis, en nu, horend dat de keizer met een groot leger in
aantocht was, haastig aansluiting zochten met hun stamgenoten die in de buurt
van Beroea en Nicopolis een vast bivak hadden. Direct werd de geboden kans
waargenomen en Sebastianus met uit elk legeronderdeel driehonderd man onder
zijn bevel eropaf gestuurd om iets te doen - zoals hij aankondigde - wat goed
was voor de staat. 3.Na snelle dagmarsen vertoonde die zich voor Hadrianopolis,
dat zijn poorten onverbiddelijk sloot en hem niet dichterbij liet. De
verdediging was namelijk bang dat hij kwam als gevangene van de vijand en in
diens opdracht handelde, wat slecht voor de stad zou kunnen aflopen, zoals
eerder gebeurd was toen de comes
Acacius, die door een list in handen van soldaten van Magnentius was gevallen,
door hen gebruikt werd om doorgang te krijgen door de passen van de Julische
Alpen. 4.Eindelijk - beter laat dan nooit - vertrouwde men Sebastianus en liet
men hem de stad in, waar zijn mannen zich met eten en rust zoveel mogelijk
herstelden, om de volgende morgen in alle stilte snel weer te vertrekken.
Tegen het vallen van de avond stuitte hij toen plotseling op troepen Gotische
plunderaars bij de rivier de Hebrus, waarop hij zich enige tijd achter lage
heuvels en struikgewas verborgen hield en pas in het nachtelijk duister met
zijn mannen onhoorbaar naderbij sloop, ze in hun slaap overviel en zo’n
bloedbad aanrichtte, dat op een enkeling na die in een snelle reactie aan de
dood wist te ontkomen, allen omkwamen. Hij bracht een enorme buit mee terug,
teveel om in de stad of in de wijde omliggende velden te kunnen worden
opgeslagen.5.Bij Fritigern kwam deze klap hard aan en, bang dat de generaal
die, zoals hij vaak had gehoord, niet te verslaan was,
zijn vrijelijk rondzwervende en plunderende benden bij verrassing zou
kunnen overvallen en vernietigen, riep hij alle mannen terug naar de omgeving
van de stad Cabyle, en vertrok ermee de open vlakten in, waar ze geen honger
hoefden te lijden en veilig zouden zijn voor onzichtbare gevaren.6.Terwijl dit
zich afspeelde in Thracië, berichtte Gratianus zijn oom per brief
over zijn zwaar bevochten overwinning op de Alamannen, zond zijn tros
met alle bagage over land vooruit, zakte zelf met een eenheid lichtgewapende
manschappen de Donau af tot Bononia en begaf zich naar Sirmium. Na een
oponthoud van vier dagen voer hij, hoewel geplaagd door een derdedaagse
koorts, verder stroomafwaarts tot aan Martis Castra, waar hij onverwachts werd
overvallen door Halanen en enkelen van zijn begeleiders verloor.
12.
Valens besluit nog vóór de aankomst van Gratianus de strijd met de
Goten aan te gaan
1.Valens
was geërgerd, dubbelgeërgerd: ten eerste had hij juist vernomen dat
Gratianus de Lentiënsers had verslagen; ten tweede had Sebastianus in
zíjn berichten af en toe ook al hoog opgegeven over zijn successen.
Daarom liet hij uit Melanthias afmarcheren met één gedachte: door de een of
andere roemrijke daad zijn jonge neef te evenaren, om wiens wapenfeiten hij
van jaloezie verging. Hij voerde een gevarieerde troepenmacht aan met een
gevechtskracht waarmee niet te spotten viel, inclusief namelijk een groot
contingent veteranen, waaronder verschillende hogere officieren en de
voormalige magister armorum Trajanus,
die hij in actieve dienst had teruggeroepen. 2.En aangezien een zorgvuldige
verkenning had opgeleverd dat de vijand van plan was de wegen waarover de
nodige bevoorrading moest plaatsvinden, met wachtposten te bezetten, reageerde
hij daar slagvaardig op door direct een troep boogschutters te voet en een
eskadron cavalerie te belasten met de beveiliging van de nabije strategisch
belangrijke passen. 3.Toen de barbaren intussen drie dagen langzaam waren
opgerukt, bedacht op aanvallen vanuit de onherbergzame omgeving, en zich op
weg naar het station Nice op vijftien mijl afstand van de stad [Hadrianopel?]
bevonden, kreeg de keizer door de een of
andere vergissing van zijn verkenners de verzekering dat dit deel van de
vijandelijke massa’s die ze hadden gezien, hooguit tienduizend man telde,
waarop hij impulsief en heethoofdig besloot er onmiddellijk op af te gaan.
4.Dus rukte hij met zijn leger in gesloten formaties op tot vlakbij
Hadrianopolis, waar hij een kamp inrichtte omgeven met een wal, voorzien van
een palissade, en een gracht, en vol ongeduld de komst van Gratianus
afwachtte. Daar meldde zich de comes
domesticorum Richomeres bij hem,
door Gratianus vooruit gezonden met een brief waarin hij zijn spoedige komst
aankondigde (5.) en hem bezwoer die paar dagen nog op zijn deelname in de
gevaarlijke actie te wachten en zich niet lichtzinnig alleen in een hachelijke
situatie te begeven. Daarop belegde hij een vergadering met een aantal van
zijn hoogste officieren en dignitarissen om zich met hen te beraden op wat hem
te doen stond. 6.En terwijl sommigen, bewerkt door Sebastianus, erop
aandrongen meteen in de slag te gaan, was de magister
equitum Victor genaamd, een Sarmaat,
maar een bezonnen en voorzichtig man, daartegen en ried hem aan, daarin
gesteund door veel anderen, op de medekeizer te wachten, zodat hij met als
extra de versterkingen van het Gallische leger, des te zekerder aan de
verregaande aanmatiging van de barbaren een eind kon maken. 7.Helaas, Valens’
funeste koppigheid en de kruiperige bijval van bepaalde hofdignitarissen, die
hem verzekerden dat de overwinning binnen handbereik was en er op aandrongen
nu haast te maken zodat Gratianus daaraan geen deel zou hebben, gaven de
doorslag. 8.Midden in de
noodzakelijke voorbereidingen voor de slag kwam nu een christelijke presbyter
(zoals ze zich zelf noemen) met een gezelschap gewoon volk namens Fritigern
naar het keizerlijke kamp, waar hij vriendelijk werd ontvangen 15
en een brief van genoemde aanvoerder overhandigde, waarin deze rechtuit
verzocht hem en de zijnen, die door woeste stammen op rooftocht uit hun
voorvaderlijke land waren verdreven, Thracië als woongebied toe te wijzen,
met vee en veldvruchten en al, met de belofte van eeuwige vrede als dit
verzoek werd ingewilligd. 9.Afgezien daarvan had deze christen, die kennelijk
een vertrouweling van Fritigern was, ingewijd in diens geheimste plannen, nog
een persoonlijke brief van zijn aanvoerder - een ons te sluwe man en een
doorgewinterde intrigant - waarin deze, alsof hij aannam binnenkort ’s
keizers vriend en bondgenoot te zullen zijn, Valens duidelijk maakte dat het
hem slechts mogelijk zou zijn, zijn wilde volk te temmen of het een voor de
Romeinse staat gewenste situatie te doen accepteren, als deze straks van
dichtbij een demonstratie met zijn leger in slagorde zou geven en het uit
schrik voor de keizerlijke naam van zijn noodlottige zucht naar oorlog zou
genezen. Maar het onbetrouwbare stel gezanten werd niet serieus genomen en
verdween weer. 10.Bij het aanbreken van de dag - dat was de 9e augustus volgens de kalender - zette
het leger zich vervolgens in grote haast in beweging, met achterlating van
alle bagage en voorraden onder de muren van Hadrianopolis, uiteraard onder
voldoende bewaking. (De thesaurie en de tekenen van de keizerlijke waardigheid
bleven met de prefect en de keizerlijke raad veilig binnen de muren.) 11.En
toen het na een lange, snelle mars over ruw terrein onder een hete zon tegen
de middag liep, omstreeks het achtste uur, kwamen dan eindelijk de wagens van
de vijand in zicht, precies zoals de verkenners hadden gemeld in een
wiskundige cirkel opgesteld. En terwijl de barbaren hun gebruikelijke woeste
en onheilspellende gebrul aanhieven, begonnen de Romeinse officieren met de
opstelling van de slagorde, met cavalerie voorop op de rechtervleugel en
daarachter het grootste deel van de infanterie. 12.De linkervleugel werd met
grotere moeite samengesteld, aangezien de cavalerie daarvoor bestemd nog
verspreid onderweg was, maar haast maakte. Terwijl deze vleugel zich nog
ongehinderd geleidelijk opvulde, joegen het enorme gestamp [van de paarden],
het fluiten van de pijlen en het gekletter van de schilden de barbaren al
schrik aan, en omdat een deel van hen onder Alatheus en Saphrax, dat ver weg
opereerde en, hoewel opgeroepen, nog niet was aangekomen, zonden ze gezanten
om vrede te vragen. 13.De keizer wenste daarmee even vanwege hun lage status
niets van doen te hebben en eiste dat, wilde men tot een behoorlijke
overeenkomst komen, daarvoor bevoegde personen van niveau zouden komen.
Intussen traineerden de barbaren de zaak opzettelijk, zodat tijdens deze
zogenaamde wapenstilstand hun cavalerie kon arriveren, die elk ogenblik
verwacht werd, terwijl onze soldaten, blootgesteld aan de ondraaglijke
zomerhitte, met droge kelen (van de dorst) uitgeput zouden raken, waarvoor de
vijand ook nog de wijde omgeving in brand had gestoken, zodat overal vuren
laaiden, gevoed met hout en ander brandbaar materiaal. Bij welke ellende voor
ons dan nog dit kwam, dat mens en dier gruwelijk door honger werden gekweld.
14.In die situatie zond Fritigern, die sluw zijn kansen vooruit berekende en
liever een veldslag vermeed, op
eigen initiatief een gewone man uit zijn volk als gezant met het verzoek hem
nog dezelfde dag enkele welgekozen hogere personen als gijzelaars te sturen,
zodat hij van zijn kant sterk zou komen te staan tegenover zijn woedende
krijgers en kon doen wat hij nodig achtte. 15.Dit voorstel van de gevreesde
aanvoerder vond bijval en goedkeuring en de toenmalige hofmaarschalk en
tribuun Aequitius, die familie van Valens was, leek volgens allen de
aangewezen man om zich als zekerheid te stellen. Toen deze bezwaar maakte,
omdat hij namelijk al eens door de barbaren gevangen was genomen en, uit
Dibaltum ontsnapt, een onberekenbare reactie van hun kant vreesde, bood
Richomerus spontaan aan te gaan, wat hij bovendien als een goede daad zag, een
dapper man waardig. En zo vertrok deze, zonder uitstel (...). 16.Maar nog
terwijl hij onderweg was naar de vijandelijke verdedigingswal, braken
boogschutters en scutarii, aangevoerd door Bacurius uit Hiberië en Cassio, in
een onbeheerste uitval uit de gelederen en raakten meteen met hun
tegenstanders in gevecht. Maar zo ontijdig als hun uitbraak was geweest, zo
laf was hun aftocht, zodat de slag door hun toedoen een smadelijk begin kreeg.
17.Hun zinloze handelwijze doorkruiste niet alleen de spontane actie van
Richomeres, die niet meer heen mocht, maar nu kwam ook de cavalerie van de
Goten, die met een troep Alanen onder Alatheus en Saphrax was teruggekeerd,
als een bliksemschicht bij hoge bergen aanzetten, paniek zaaiend onder al wat
ze in hun razende vaart voor de hoeven kregen. Dat werd meteen een bloedbad.
13.
De verenigde Goten, de Tervingen onder aanvoering van koning Fritigern en de
Greuthungen onder aanvoering van Alatheus en Saphrax, komen in het open veld
tegenover de Romeinen te staan, verslaan hun cavalerie, en jagen
de onbeschermd gelaten massa infanterie met enorme verliezen op de
vlucht. Valens sneuvelt, maar zijn lichaam wordt nergens gevonden
1.Terwijl
Bellona, in ongekende razernij haar krijgstrompetten ijselijk liet schetteren
tot ondergang van de Romeinen, knalden aan alle kanten pijlen en speren op
schilden en harnassen. Terugdeinzend vochten de onzen door, elkaar voortdurend
aanvurend, maar het gevecht, dat aanwakkerde als een vlammenzee, was
angstaanjagend en de een na de ander viel onder de rondvliegende pijlen en
speren. 2.Strijdlinies stieten op elkaar als ramschepen in slagorde, dreven
elkaar over en weer terug en deinden heen en weer als golven van de zee.En
omdat de linkervleugel, die tot bijna aan de wagens was doorgedrongen en met
hulp van anderen nog verder zou zijn gekomen, door de rest van de cavalerie in
de steek werd gelaten, werd ze door de vijandelijke overmacht als onder een
instortende zware wal verpletterd. Toen stonden de infanteristen zonder
bescherming en zo dicht op elkaar gepakt, dat bijna geen daarvan met zijn
zwaard kon uithalen of zijn arm terugtrekken. De lucht, verduisterd door
opwaaiend stof, weergalmde van huiveringwekkend gehuil. Dus troffen de van
alle kanten aansnorrende moorddadige pijlen doel, aangezien men ze niet kon
zien aankomen of afweren. 3.Maar wanneer de barbaren in geweldige horden
kwamen aanstormen en man en paard tegen de vlakte liepen, en het niet mogelijk
was in gesloten linies terug te wijken terwijl de samengepakte massa’s
evenmin gelegenheid boden te ontkomen, toonden onze soldaten een volstrekte
doodsverachting en hakten met hun zwaarden op de vijanden in; over en weer
spleten helmen en harnassen onder bijlslagen. 4.Men zag barbaren, fier en
ontembaar, knarsetandend met opeengeklemde kaken, met een kapotgeschoten knie,
een afgehouwen hand, een doorstoken zij, in hun laatste ogenblikken nog woest
om zich heen kijken. Aan beide kanten vielen zoveel strijders, dat de grond
met hun lijken bedekt was, terwijl het rochelen van de stervenden, het kermen
van de zwaargewonden, een gruwel was om te horen. 5.Zo groot en algemeen was
de chaos, dat de infanteristen, uitgeput van het vechten en de gevaren moe,
geen kracht en geen moed meer hadden voor een gedisciplineerde actie - de
meeste van hun speren waren intussen stuk gestoten - en dus niets anders meer
wisten te doen dan zich met getrokken zwaard in de dichte massa vijanden te
storten, onverschillig voor de dood, aangezien ze om zich heen geen kans meer
zagen te ontkomen. 6.Slippend, uitglijdend op de met stromen bloed bedekte
grond probeerden ze hun leven hoe dan ook duur te verkopen en zo vinnig boden
ze de opdringende vijanden tegenstand, dat sommigen zelfs door de wapens van
hun kameraden werden geraakt. Tenslotte was alles en iedereen besmeurd met
bloed, en waar ze ook keken, overal lagen gesneuvelden bij hopen en trapten ze
gevoelloos op dode lichamen. 7.De zon had het teken van de Leeuw doorlopen om
over te gaan in dat van de hemelse Maagd, dus stond hoog, brandend op de
Romeinen, die verslappend van honger en uitgedroogd ook nog door hun zware
harnassen belemmerd werden. Toen tenslotte hun linies onder de druk van de
barbaren bezweken, keerden ze om en vluchtten in paniek waarheen ze maar
konden, de enige uitweg die in hun uiterste nood overbleef. 8.En terwijl ze
dus in alle richtingen een goed heenkomen zochten, reed Valens, de keizer,
midden in die vreselijke verschrikkingen stap voor stap over de bergen lijken,
hulp zoekend bij de Lansiers en de Mattiarii,16 die, zolang de druk
van de massa’s barbaren nog uit te houden was, onwrikbaar lijf aan lijf
stand hadden gehouden. Trajanus zag hem gaan, zonder zijn lijfwacht, en
schreeuwde hem toe dat alles verloren was, of hij kon misschien nog
bescherming zoeken bij vreemde hulptroepen! 9.Dat hoorde de generaal Victor
genaamd, die als de duivel de Bataven voor hem ging opcommanderen, die niet
veraf in reserve gehouden werden. Maar hij vond er geen een meer, retireerde
en vluchtte zelf. Zo ontsnapten ook Richomeres en Saturninus. 10.Met
van woede fonkelende ogen joegen intussen de barbaren achter onze mannen aan,
die verlamd van bloedstollende angst, hier vielen en niet wisten wie hen had
neer gehouwen, daar verpletterd werden onder het gewicht van hun
achtervolgers, of soms een fatale zwaardhouw van een makker kregen, want wie
zich nog verweerde, maakte geen enkele kans, geen vluchteling werd gespaard.
11.Zo werden de wegen versperd door de vele dodelijk gewonden, die brulden van
pijn, en lagen de velden bezaaid met kadavers van paarden. Tenslotte werd deze
voor altijd onherstelbare schade, deze dure dag voor de Romeinse staat,
toegedekt door een nacht die door geen maneschijn verlicht werd. 12.Toen het
begon te donkeren werd de keizer midden tussen gewone soldaten (zo wordt
vermoed, want niemand heeft ooit verklaard er getuige van te zijn geweest)
door een pijl dodelijk getroffen en gaf kort daarna de geest. En nooit is hij
later ergens gevonden. Want aangezien een aantal vijanden nog lang in de
omgeving bleef om de gesneuvelden van hun wapenrusting te beroven, waagde zich
daar geen vluchteling of omwonende. 13.Eenzelfde ongeluk zou keizer Decius
hebben getroffen, toen hij in een hevig gevecht met barbaren van zijn paard
was geworpen toen dat onhoudbaar op hol sloeg en struikelde, waarbij hij
in een moeras raakte waaruit hij zich niet kon redden, en daarna niet
meer te vinden was. 14.Volgens sommigen daarentegen was Valens nog niet meteen
dood, maar met enkele lijfwachten en eunuchen naar een nabijgelegen hoeve
gebracht waarvan een bovenverdieping goed beveiligd was. Dat huis werd,
terwijl hij daar door ondeskundige handen verzorgd werd, omsingeld door
vijanden die niet wisten wie hij was. Maar de schande van gevangenneming werd
hem bespaard. 15.Want toen zijn belagers, onderwijl beschoten vanaf een
balkon, de vergrendelde deuren probeerden open te breken, maar zich door het
gedwongen oponthoud de gelegenheid [elders] buit te maken zagen ontgaan,
hoopten ze bossen stro en brandhout rond het huis op en verbrandden het met
mannen en al. 16.Een van de lijfwachters sprong echter uit een raam, werd door
de barbaren gegrepen en bezorgde hun een enorme teleurstelling met te
vertellen wat er was gebeurd: dat
hun de roem ontgaan was de heerser van het Romeinse rijk levend te vangen.
Diezelfde jongeman zag later kans ongemerkt naar ons leger terug te komen en
vertelde dat het zo was gegaan. 17.Hetzelfde lot trof, na de herovering van
Spanje, een van de Scipio’s,17 toen een toren waarin hij zich
schuilhield door de vijand in brand was gestoken en hij levend verbrandde. Hoe
het ook zij, noch Scipio, noch Valens viel de laatste eer van een begrafenis
ten deel. 18.Onder de vele dapperen die we verloren, telden we in de eerste
plaats Trajanus en Sebastianus; met hen vijfendertig tribunen, zowel
boventallige als reguliere; verder de curator
stabuli Valerianus en de curator
palatii Aequitius; onder de tribunen
ook de nog jonge Potentius, van de Promoti,18 in de betere kringen
alom geacht en gerespecteerd zowel om zijn eigen prestaties als om die van
zijn vader, de magister armorum
Ursicinus. Zeker is, dat nauwelijks een derde van het leger ontkwam.
19.Ofschoon de Romeinen vaker, in de steek gelaten door Fortuna, door slechte
inschattingen tijdelijk in oorlogen tegenslag te incasseren hebben gehad en
ook de Grieken in hun overbekende treurdichten over veel slagen rouwen, is
nergens in de annalen, afgezien alleen van de slag bij Cannae,19
zo’n moorddadige slag opgetekend.
14.
De goede en slechte eigenschappen van keizer Valens
1.Zo
kwam Valens om het leven, bijna vijftig jaar oud, na een regering van bijna
veertien jaar. 2.Ik wil nu zijn goede eigenschappen, die alom bekend zijn, en
ook zijn fouten opsommen. Hij was een trouwe vriend, op wie men zich kon
verlaten, strafte eerzuchtig streven onverbiddelijk af, hield streng de hand
aan discipline in het leger en de civiele dienst, en waakte er angstvallig
voor dat niemand zich liet gelden op grond van zijn verwantschap met hem. Hij
was bedachtzaam waar het ging om ambtelijke benoemingen of ontslagen, waakte
nauwgezet over het welzijn van de provincies, elk waarvan hij beschermde als
ging het om zijn eigen huis, verlichtte in het bijzonder de belastingdruk,
stond geen belastingverhogingen toe, en deed niet moeilijk waar het de
verzilvering betrof van achterstallige verplichtingen (in natura, aan de
staat). Tegen beambten die op diefstal of verduistering van staatsgelden waren
betrapt, trad hij bikkelhard op. Onder geen andere keizer kon men zich in de
Oriënt herinneren in dit opzicht beter te zijn behandeld. 3.Buitendien was
hij in een zekere mate genereus, en ofschoon daarvan tal van voorbeelden te
geven zijn, wil ik mij tot een enkele illustratie beperken. Aangezien er aan
Hoven altijd figuren te vinden zijn die lonken naar andermans bezit, gebeurde
het wel dat zo iemand op de gebruikelijke wijze een claim legde op een erfloos
of anderszins [vrijgekomen] goed, en hij, Valens, dan recht van onrecht zuiver onderscheidde, ook andere gegadigden gehoor
verleende, en als hij het vervolgens aan iemand toekende, het liet delen met
drie of vier anderen, buitenstaanders, om zenuwachtige lieden wat meer
terughoudendheid te leren doordat aan gewin waarop ze zo hebzuchtig aasden op
die manier werd afgedaan.4.Over de gebouwen die hij in verschillende grote en
kleinere steden renoveerde of nieuw liet zetten, zeg ik niets (om niet te veel
uit te weiden) en laat het aan de dingen zelf over voor zich te spreken beter
dan ik het kan. 5.Hij was onmatig belust op rijkdom, schuwde grote
inspanningen, maar poseerde graag voor iemand die geweldig gehard was. Hij had
een neiging tot wreedheid, was tamelijk ruig van aard, onderlegd noch in de
krijgskunde, noch in de schone kunsten. Hij profiteerde zonder gewetensbezwaar
van gelegenheden voordeel te behalen ten koste van anderen en was bijzonder
fel als hij in begane misdaden mede schending of belediging van zijn
majesteit zag; dan koelde hij zijn woede bloeddorstig en wat de rijken betrof
ruïneus. 6.Ook dit was onverdraaglijk, dat hij het graag deed voorkomen alsof
hij alle twistgedingen en gerechtelijke onderzoeken volgens de wet wenste te
doen verlopen en de behandeling van zulke zaken overliet aan reguliere, daarin
gespecialiseerde rechters, maar het onderhand niet duldde dat ook maar iets
gebeurde in strijd met zijn willekeur. Hij was ook overigens onrechtvaardig,
opvliegend, en toegankelijk voor aangevers en verklikkers, zonder waarheid van
leugens te onderscheiden - een schandelijke karakterfout, die zelfs als ze in
’s mensen persoonlijke, alledaagse dingen tot uiting komt, bijzonder
stuitend is. 7.Hij was een aarzelaar, een trage beslisser. Hij was donker van
huid. De pupil van een van zijn ogen was troebel, maar zo dat dit van een
afstand niet opviel. Hij was gedrongen van gestalte, noch groot noch klein,
had enigszins kromme benen en een buikje. 8.Tot zover over Valens, waarvan de
waarheid genoegzaam bevestigd wordt door getuigenissen van mijn tijdgenoten.
Maar het volgende mag niet onvermeld blijven. In het geval van het orakel van
de driepoot, dat, zoals ik verteld heb,20 door Patricius en
Hilarius was uitgelokt, waren hem drie versregels geciteerd, waarvan de
laatste luidde: ‘als Ares raast over de vlakte van Mimas’.
Niet bijzonder onderlegd en onverschillig als hij was, schonk hij daar
aanvankelijk geen aandacht aan. Maar toen zijn moeilijkheden zich opstapelden,
dacht hij moedeloos en neerslachtig steeds meer terug aan deze voorspelling,
huiverend alleen al bij het horen van de naam ‘Asia’, waar, zoals hij van
geleerden had gehoord, volgens Homerus en Cicero een berg moest liggen, Mimas
genaamd, oprijzend boven de stad Erythrae. 9.Maar uiteindelijk werd volgens
zeggen na zijn dood en de aftocht van de vijand vlakbij de plek waar hij zou
zijn gesneuveld een gedenkteken gevonden in de vorm van een hoop keien, met
een steen waarop in Griekse letters gebeiteld te lezen stond dat daar lang
geleden een voornaam man begraven was met name Mimas...
15.
De triomferende Goten slaan een beleg om Hadrianopolis, waar Valens zijn
thesaurie en keizerlijke eretekenen onder de bescherming van de prefect en de
leden van zijn geheime raad had achtergelaten, maar blazen de aftocht wanneer
al hun pogingen om de stad in te nemen, vruchteloos blijven
1.De
moorddadige slag was over. De nacht hulde de aarde in het donker en de
overlevenden vluchtten, sommigen naar links, anderen naar rechts of waarheen
de angst hen dreef, ieder op zoek naar kameraden, want het was ieder voor
zich, met het gevoel van een zwaard dreigend boven zijn hoofd. Nog klonken,
ver weg al, de erbarmelijke kreten van degenen die waren achtergelaten, het
gerochel van de stervenden, de schreeuwen van pijn van de gewonden. 2.Als
wilde dieren, dol van de geur van bloed, stormden de overwinnaars bij het
eerste morgenlicht in dichte horden op Hadrianopolis af, gelokt, gedreven door
de ijdele hoop, de stad ongeacht welke gevaren ook te kunnen verwoesten, want
verraders en overlopers hadden hun verteld van de allerbelangrijkste
rijksgroten, de tekenen van de keizerlijke macht en de schatten van Valens die
in die verondersteld onneembare vesting in veiligheid waren gebracht. 3.Geen
tijd lieten ze verloren gaan, om maar niet te bekoelen, en zo hadden ze om het
vierde uur de muren al omsingeld en begon een verwoed gevecht waarbij de
aanvallers zich met de hun eigen woestheid blindweg in het doodsgevaar
stortten en de verdedigers hun geweldige moed en onverzettelijkheid toonden.
4.Grote aantallen soldaten en trosknechten die met hun lastdieren geen kans
meer hadden gezien de stad in te komen, gaven, zover hun benarde positie het
toeliet vlak onder de muren en vanuit de aanliggende gebouwen ook dapper
partij. De woedende aanvallers hielden de overhand tot het negende uur, toen
ineens driehonderd infanteristen van ons van achter de borstweringen vandaan
waar ze hadden gestaan en masse naar de barbaren overliepen, maar door hen
meteen werden gepakt en - waarom, weten we niet - werden afgeslacht. (En het
is opgemerkt dat vanaf dat moment nooit meer iemand zich, in welke benarde
situatie ook, iets dergelijks in zijn hoofd heeft gehaald.) 5.Een
en al ellende dus, tot het plotseling uit een onheilspellend zwarte
wolkenhemel onder een knetterend onweer zo begon te gieten dat de razende
horden rond de stad uiteenstoven, terug achter de beschutting van hun
cirkelvormige wagenburcht. In hun mateloze overmoed gingen ze toen zover, de
onzen per bode een dreigbrief te sturen met het bevel de stad over te geven,
in welk geval, zo werd verzekerd, hun leven zou worden gespaard. 6.De
boodschapper durfde echter de stad niet in, zodat die brief door een christen
werd bezorgd. Ze werd gelezen, maar uiteraard genegeerd, waarna de rest van de
dag en de hele nacht besteed werden aan het versterken van de verdediging: de
poorten werden van binnen met grote rotsblokken gebarricadeerd, zwakke steeën
in de muren verstevigd, op geschikte plaatsen werd geschut geplaatst om aan
alle kanten scherpe projectielen en stenen te kunnen afschieten, en voldoende
water aangevoerd, omdat de vorige dag nogal wat strijders bijna van dorst
waren bezweken 7.Aan de andere kant realiseerden de Goten zich de onzekerheden
van deze oorlog: ze hadden hun dapperste strijders zien sneuvelen of gewond
zien raken, wat hen zorgen baarde, terwijl hun krachten langzamerhand afnamen,
en zo bedachten ze iets slims, wat Justitia zelf ons verried. 8.Ze kregen
namelijk enkele van onze onderofficieren die de vorige dag waren overgelopen,
zo ver, dat ze zouden doen alsof ze gevlucht waren en terugkeerden naar hun
eigen kamp, zouden proberen binnen de muren te worden toegelaten en als dat
lukte ergens in de stad ongemerkt brand te stichten, zodat als op een geheim
teken, wanneer de hele bezetting zou zijn afgeleid door het bluswerk, de
onverdedigde stad kon worden overrompeld. 9.Die mannen gingen volgens plan op
weg en smeekten, bij de gracht gekomen, met uitgestrekte handen om te worden
toegelaten. Ze waren immers Romeinen! En aangezien er geen reden was tot
argwaan gebeurde dat. Maar ondervraagd over de plannen van de vijand, gaven ze
verschillende antwoorden, zodat ze aan een bloedige foltering werden
onderworpen, waaronder ze bekenden waarvoor ze feitelijk gekomen waren. Dat
kostte hun de kop. 10.Dus toen alle
voorbereidingen voor [de voortzetting] van de strijd getroffen waren, en de
barbaren over de schrik van hun eerdere bloedige verliezen heen waren, kwamen
ze even vóór de derde nachtwake in nog grotere massa’s voor de
vergrendelde poorten aanzetten (...). Maar bij de soldaten voegden zich nu
driftig ook de provincialen en de hofbeambten om ze te vernietigen, en zo
groot was die menigte vijanden, dat ongeacht welke wapens, zelfs ongericht
gegooid of geschoten, wel doel moesten treffen. 11.De verdedigers merkten dat
de barbaren de pijlen hergebruikten die op hen afgeschoten waren, dus werd
bevolen voortaan de verbindingen tussen punt en schacht half door te snijden vóór
pijlen met de boog werden afgeschoten; die bleven in hun vlucht volledig
intact en verloren ook niets van hun effect als ze een vijand raakten, maar
vielen wel uit elkaar als ze geen doel troffen. 12.Maar toevallig gebeurde er
iets wat in de hitte van het gevecht ineens een belangrijke rol speelde. Een
bepaald soort geschut, een scorpio, populair ook wel een wilde ezel genoemd,21
juist tegenover een grote horde vijanden opgesteld, slingerde een enorm blok
steen weg, dat weliswaar in de grond insloeg zonder schade aan te richten,
maar de barbaren die het zagen gebeuren zo’n schrik aanjoeg, dat ze ontzet
over dit voor hen nieuwe spektakel terugdeinsden en probeerden weg te komen.
13.Maar op bevel van de aanvoerders werd met hoornsignalen gewaarschuwd dat de
strijd moest worden voortgezet, terwijl ook verder de Romeinse kant sterker
bleef, omdat bijna geen pijl, geen uit een slinger geworpen projectiel zijn
doel miste. Bezeten van de gedachte de schatten te kunnen roven die Valens met
zijn kwalijke praktijken vergaard had, vochten de aanvoerders van de barbaren
in de voorste rijen, gevolgd door de anderen, die ostentatief de gevaren
trotseerden om voor hun leiders niet onder te doen. Sommigen vielen
stuiptrekkend neer, dodelijk gewond, verpletterd door zware stenen of
doorboord door een speer; anderen, die met stormladders sjouwden of juist aan
alle kanten de muren zouden beklimmen, werden vermorzeld en begraven onder
massa’s stenen en brokstukken van zuilen of complete zuilentrommels die op
hen werden uitgestort. 14.Maar de hele dag werd geen man in die kolkende massa
er door de aanblik van die slachting van weerhouden zich furieus en dapper te
blijven weren, aangemoedigd door het feit dat ook grote aantallen verdedigers
door allerlei projectielen geraakt en gedood werden, zoals van ver met vreugde
gezien werd. Zo ging het fanatieke gevecht om de muren tussen verdedigers en
aanvallers onverminderd door, zonder pauze. 15.En een chaotisch gevecht werd
het langzamerhand, met aanvallen van losse, onordelijke groepen - een beeld
van totale wanhoop - en toen de dag naar de avond neigde, trokken allen zich
ontmoedigd terug naar hun tenten, elkaar de waanzinnige domheid verwijtend,
niet het advies destijds van Fritigern te hebben gevolgd, altijd de moeiten
van belegeringen te vermijden.
16.
De Goten werven voor goud troepen van
de Hunnen en Halanen en ondernemen een
vruchteloze aanval op Constantinopel. Hoe Julius, de
magister equitum over het gebied achter de Taurus, de oostelijke
provincies van de Goten bevrijdt
1.Daarna
hielden de Goten zich de hele nacht - een maar korte zomernacht - met hun
typisch eigen behandelingsmethoden bezig met de verzorging van hun wonden. Bij
het aanbreken van de nieuwe dag ontstond onder hen toen eerst onenigheid over
verdere plannen en twist over de te volgen richting, tot na veel heen en weer
gepraat en geruzie besloten werd Perinthus [Heraclea] en vervolgens de andere
steden in die buurt met hun grote rijkdommen te veroveren, waarover ze door
overlopers zo goed waren ingelicht dat ze zelfs de inrichting van de huizen
kenden, laat staan de weg in de steden. Op dit besluit, dat hun profijtelijk
leek, trokken ze plunderend en brandstichtend langzaam verder op zonder
tegenstand te ontmoeten.2.Toen ze dan gelukkig vertrokken waren en de
belegerden in Hadrianopolis van betrouwbare verkenners hoorden dat de omgeving
van vijanden vrij was, verlieten die in het holst van de nacht hun stad en
vluchtten met alles van waarde wat ze hadden gered zo rap ze konden en met
vermijding van de hoofdwegen via beboste en ongebaande gebieden in de richting
van Philippopolis en verder naar Serdica of in de richting van Macedonië,
waar ze Valens hoopten te vinden, onkundig van het feit dat hij in een zwaar
gevecht gesneuveld was of een huis binnen was gevlucht waarin hij mogelijk bij
brand was omgekomen. 3.Samen met Hunnen en Halanen, buitengewoon krijgshaftige
en dappere kerels, gehard door een zwaar bestaan, die Fritigern listig met
beloften van een geweldige buit aan zijn kant had weten te krijgen, sloegen de
Goten hun kamp op in het zicht van Perinthus, maar waagden het toch niet, met
hun eerdere nederlagen nog vers in het geheugen, dichterbij de stad zelf te
komen, laat staan haar aan te vallen. Wel plunderden en verwoestten ze grondig
de vruchtbare velden rondom, waarbij ze de boeren gevangen namen of
vermoordden. 4.Vandaar raasden ze in dichte horden (vanwege het gevaar van
hinderlagen) richting Constantinopel, belust op de bergen rijkdommen daar, en
zagen zich in hun verbeelding die fameuze stad al verwoesten. Maar toen ze er
juichend op af gingen en al haast de hand sloegen aan de grendels van de
poorten, dreef de hemelse godheid ze plotseling terug. En wel zo: 5.Een
troep Saracenen (waarvan ik de herkomst en zeden bij verschillende
gelegenheden uitvoerig heb besproken 22), die beter zijn in
verrassingsacties dan in staande gevechten, en kort daarvóór naar de stad
waren gehaald, wilde die horde barbaren, die zo plotseling opdoemde, wel te
lijf en stormde resoluut de stad uit, ten aanval. Er volgde een lang en
hardnekkig gevecht, dat echter onbeslist bleef,
(6.) hoewel de oosterse troep de overhand kreeg door een vreemd en nog
nooit vertoond schouwspel. Want er was aan hun kant een man met wapperende
haren en naakt bovenlijf, die rauwe, wilde kreten uitbraakte en met getrokken
dolk midden tussen de Goten belandde, een tegenstander doodde, zijn mond op
zijn keel zette en het bloed opzoog dat eruit stroomde. Die schokkende,
monsterlijke daad maakte op de barbaren zo’n indruk, dat ze van toen af in
hun ondernemingen niet meer zo onstuimig als ze gewoon waren, maar behoedzamer
te werk gingen. 7.Verder werden ze ontmoedigd bij het beschouwen van de omtrek
van de muren, die met hun ronding een enorm gebied omsloten met woonwijken,
voor hen onbereikbare schoonheden en een immense bevolking, met daarnaast een
zeestraat die de Pontus scheidde van de Egeïsche Zee... Ze vernietigden het
oorlogstuig dat ze doende waren te fabriceren, trokken zich terug - na meer
verliezen te hebben geleden dan te hebben toegebracht - en verspreidden zich
over heel de noordelijke provincies, die ze naar willekeur doorkruisten tot
aan de voet van de Julische (vroeger genaamd de Venetische) Alpen.8.In die
dagen deed Julius zich kennen als een opmerkelijk efficiënte, daadkrachtige
opperbevelhebber in het gebied achter de Taurus. Want toen hij vernam van de
noodlottige gebeurtenissen in Thracië, gaf hij schriftelijk, maar in
versluierde taal, opdracht aan alle toevallig Romeinse officieren (in die tijd
een zeldzaamheid) verantwoordelijk voor de eerder toegelaten Goten die zich
over verschillende steden en kampen verspreid hadden, dezen buiten de stad te
lokken, zogenaamd voor het ontvangen van de hun toegezegde soldij en de
argelozen vervolgens, alsof een banier ten teken geheven was, op een en
dezelfde dag te doden. Door deze verstandige maatregel, die zonder uitstel
geruisloos werd uitgevoerd, werden de provincies in het oosten voor grote
gevaren behoed.
9.Deze geschiedenis heb ik, voormalig soldaat en Griek, vanaf
de regering van keizer Nerva tot aan de dood van Valens opgeschreven naar mijn
beste vermogen, en naar waarheid, zonder dat ik die ooit bewust, denk ik, door
weglating of leugens geprobeerd heb te vervalsen. Mogen beteren dan ik dit
werk voortzetten wanneer zij daarvoor de leeftijd zullen hebben en zich de
noodzakelijke kennis hebben verworven. Maar als zij het aanvatten, hoop ik dat
zij dat wel zullen doen in een verheven taal en stijl.
Noten
1.Kennelijk
een soort lasso’s.
retour
2.Afkomstig
uit een eerder woongebied aan de Baltische zee, hadden Gotische (en andere)
stammen zich in de eerste eeuwen nC verspreid gevestigd ten noorden van de
Zwarte Zee tussen Donau en Don, van waaruit ze in de 3e eeuw beruchte
plundertochten ondernamen op Romeins gebied. Relaties tussen deze stammen en
Romeinen ontwikkelden zich niettemin meer positief: culturele en
christelijk-godsdienstige invloeden hadden effect vooral op de meest nabije
vestigingen aan de overzij van de (neder) Donau. (De Goot Ulfila werd in 348
tot bisschop gewijd door de ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia, die
toentertijd verantwoordelijk was voor de opvoeding van Julianus). De Romeinen
zochten niet alleen rust aan de grenzen, ook hulptroepen waren welkom.
Verschillende malen leverden Goten aan de Romeinen interessante contingenten
voor de strijd tegen de Perzen - zoals ook een contingent aan Procopius. In
Ammianus’ geschiedenis figureren twee goed identificeerbare Gotische
stamverbanden, de Tervingen en de Greuthungen (niet te benoemen als de latere
West- en Oostgoten), die soms afzonderlijk, soms gezamenlijk opereren (Hadrianopolis),
en waarvan soms ook kleinere, zwervende groepen worden gesignaleerd. Ammianus
is overigens voor de geschiedenis van de Goten een belangrijke bron.
retour
3.Genoemd
naar de Tanaïs, de Don.
retour
4.Bedoeld:
van de Karpaten.
retour
5.In
verband met Xerxes’ aanval op Griekenland in 480 vC. Zie Herodotus, VII.
retour
6.In
Dacië.
retour
7.Zie
boven, 4,11.
retour
8.Eind
2e eeuw vC. Nadat verschillende consuls tegen hen nederlagen hadden geleden,
werden ze in 102 en 101 m.n. door Marius verslagen.
retour
9.Marcomannen,
Quaden, Sarmaten, Daciërs.
retour
10.Een
onduidelijke passage.
retour
11.In
15-17 zijn de Gotische expedities in de 3e eeuw bedoeld, waaraan soms ook
Herulen e.a. deelnamen.
retour
12.Keizer
Claudius Gothicus, hij regeerde
van 268 tot 270.
retour
13.Zie
boek xvii,13,19.
retour
14.Zie
boek xx,4,18.
retour
15.Deze
ouderling was ariaan, dus van dezelfde godsdienst als Valens.
retour
16.Zo
genoemd naar hun (ons onbekende) wapens.
retour
17.Cn.
Cornelius S. Calvus. Zie
Index.
retour
18.Een
onbekende legereenheid.
retour
19.In
216 vC, waar een Romeins leger door Hannibal volledig vernietigd werd.
retour
20.Zie
boek xxix,1
retour
21.Zie
boek xxiii,4,4,7.
retour
22.Zie
boek xiv,4,1vv. en xxv,6,8-10.
retour